Jan B. van Zeeburg

Ruim een half jaar na Ottema's Thet Oera Linda Bok werd Kritiek der Friesche Geschiedschrijving uitgebracht,[1] kennelijk in haast, want het laatste hoofdstuk eindigt midden in een zin[2] en de gebruikelijke inhoudsopgave ontbreekt. De laatst bedrukte bladzijde vermeldt:
Het tweede en laatste gedeelte van dit werk zal nog in den loop van dit jaar het licht zien
Dit gebeurde echter niet en de schrijver is er in zijn latere geschiedkundige publicaties — hij leefde nog zeven jaar — niet meer op terug gekomen. Ook de belofte in de laatste allinea van het voorwoord is niet waargemaakt:
Er zullen misschien zijn, die met het oog op Thet Oera Linda bok beweren, dat ik niet begin met het begin. Die zoo iets beweren zullen op hun standpunt wel gelijk hebben. Omdat genoemd boek nog altijd verdedigers vindt, mag het, dunkt mij, hier niet worden voorbijgegaan, en daarom zal de eerste bijlage aan Thet Oera Linda bok gewijd worden.
Ook in ten minste één krantenbericht werd naar de bijlage over Oera Linda uitgezien (Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant 16-6-1874):
In een bijlage van zijn Kritiek der Friesche Geschiedschrijving zal dr. Bolhuis van Zeeburgh het veelbesproken Oera Linda bok behandelen, omdat het — zegt hij — nog altijd verdedigers vindt. De Ned. Spect. verwacht “eene afdoende critiek van het beruchte boek.”
Dr. Ottema moet dit boek met grote belangstelling hebben gelezen, maar heeft er nooit op gereageerd (voor zover bekend). Andersom had Dr. van Zeeburgh een zinnige bijdrage kunnen leveren aan het debat over Oera Linda, maar ook dit is niet gebeurd (voor zover bekend[3]).
Biografisch
- 1836 (11 jan) geboorte te Warffum, zoon van Pieter van Zeeburg (zonder -h) en Eilke Beukema
- 1840 (28 mei) overlijden moeder te Warffum
- 1842 (18 feb) overlijden vader te Warffum
- 1855 (15 sept) inschrijving aan faculteiten Letteren en Rechten, Groningen
- 1859 (15 mrt) inschrijving fac. Letteren, Leiden
- 1863 (25 feb en 1 dec) inschrijving Univ. Utrecht
- 1866 (1 mrt) herinschrijving Univ. Utrecht
- 1867 (9 mrt) herinschrijving Univ. Utrecht
- 1868 (11 jan) herinschrijving fac. Letteren, Leiden
- 1870 (2 juni) promotie tot doctor in letteren en wijsbegeerte te Leiden (proefschrift: zie publicaties)
- 1872 (31 aug) nachtelijke detentie Breda als huzaar (3e Regiment) i.v.m. desertie (in vrijwillige dienst)
- 1873 (mei) datering voorwoord Kritiek der Friesche Geschiedschrijving (publ. juni)
- 1873 (27 aug) benoeming tot buitengewoon lid van het Friesch Genootschap (dan nog won. Leiden)[4]
- 1875 publicatie artikel in BVGO (zie onder)
- 1877 (1 april) aanstelling tijdelijk ambtenaar Koninklijke Bibliotheek
- 1880 (vóór okt.) publicatie twee artikelen in BVGO (zie onder)
- 1880 (18 okt) overlijden te Den Haag: van Zeeburgh (met -h)
Met het doel om den catalogus der handschriften van de Kon. Bibliotheek te bearbeiden was hij, in den aanvang van 1877, als tijdelijk beambte aan genoemde rijksboekerij verbonden geworden. Maar reeds langer dan een jaar voor zijn sterven bemoeilijkte de steeds toenemende zwakte hem in zijn streven en die catalogus bleef slechts voor drie vijfden voltooid; het zal zeer veel in hebben om hem in zijn geest en met aan zijn talent geëvenredigde bekwaamheid af te werken. Als geschiedschrijver heeft de overledene naam gemaakt met zijn «Kritiek der Friesche geschiedschrijving”, van welk meesterlijk werk in 1873 het eerste stuk bij den heer Nijhoff alhier verscheen; het tweede deel is in de pen gebleven. [Het Vaderland 25-10-1880; bericht gedateerd 23-10, Den Haag]
Publicatielijst
- 1870 Geschiedenis der eerste graven uit het Hollandsche Huis — proefschrift (als Jan van Bolhuis van Zeeburgh), tevens afgedrukt in Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedeniedenis en Oudheidkunde (Nijhoff 1870, p.249), hierna: BVGO
- 1873 (juni) Kritiek der Friesche Geschiedschrijving - pubicatie door uitg. Nijhoff (Den Haag) in juni, verkoop à fl.1,90 - JJK 40.
- 1875 (17 juli) Geschiedbronnen van Nederland II. - De Ned. Spectator 17-7-1875 blz. 226-228 [Over OL op blz. 227] - JJK 66.
- 1875 Hollandsche geschiedbronnen voor het Beiersche tijdperk, 1345-1436 — in BVGO, p. 347
- 1880 Herman van Kuik en graaf Floris I — in BVGO, p.29
- 1880 Otto voogd van Holland — in BVGO, p.75
meer kan mogelijk worden toegevoegd, b.v. andere (?) bijdragen aan Nederlandsche Spectator, helaas nog niet online beschikbaar) - zie ook brief aan Eekhof d.d. 29-8-1875 (JJK Bd).
Gerelateerde publicaties door anderen
- JJK 56 - S. - Thet Oera Linda Bok [hierin aankondiging: dr J. Bolhuis van Zeeburgh zal er over schrijven]. - De Ned. Spectator 13-6-1874, blz. 199.
- Korte, voorlopige bespreking Kritiek der Friesche Geschiedschrijving 1e gedeelte in BVGO 1875, p. 31 onder Verslag van de voornaamste werken (enz)
- Kroniek der Friese kronieken; antikritiek op Bolhuis’ kritiek, H. Bruch, Leeuwarden (Fryske Akademy) 1952.
In briefwisseling J.G. Ottema en L.F. Over de Linden
JG → LF 3-10-1875
Hiernevens zend ik u de kopie van een stuk uit een brief van Dr. Bolhuis van Zeeburg aan den heer W. Eekhoff. Welk een onzin!
LF → JG 1-1-1876
Het afschrift van den brief van den Heer Bolhuis aan den Hr. Eekhoff heeft mij bij de lezing onaangenaam aangedaan, omdat naar mijne opvatting, den nagedachtenis van mijn vader, met zijn scherpen blik, helder oordeel en steeds onderzoekenden geest, daain groot onregt wordt gedaan. Hem voor te stellen als een lummel, die zich, op eene wijze als door Bolhuis wordt voorgesteld, als een groote lompert kan laten beetnemen, was mij dermate hinderlijk, dat ik besloot aan die onderstellingen een einde te maken. Met opgaaf van deze gronden heb ik mij daarop tot den Heer Haverschmidt gewend, met verzoek, zich langer het schrale genot te ontzeggen om een gedeelte van het publiek in den waan te laten, dat hij schrijver of mede-opsteller zoude zijn van het HS, hem voorts in overweging gevende dat door hem eene verklaring zoude worden opgesteld en geplaatst in een of ander veelgelezen tijdschrift of dagblad. Welk gevolg dit verzoek heeft gehad zult U uit den brief van den Heer H. lezen. Hij ontkent dat Piet Paaltjens - die vroeger tusschen de biljarten verdween - ooit aan den Helder is geweest. Dit moge zoo zijn, omdat Piet later misschien is opgegaan en Ds Haverschmidt er van deze een bestanddeel is geworden; maar dan is eene verklaring van den laatste ook de eenig vertrouwbare omtrent Piet Paaltjens daden. Welk gebruik ik zal maken van de mij in handen gegeven verklaring, heb ik nog niet kunnen vaststellen, en ik wil in dat opzigt ook niets doen zonder daarover Uwen raad te hebben ingewonnen. Heb dus s.v.p. de goedheid mij met Uwe betere inzigten van dienst te zijn en des noodig over den brief van Ds H. te beschikken. In elk geval hebben wij een wapen méér ter verdediging opgedaan.
JG → LF 6-1-1876
Het zoude ontijdig zijn, daar aan [brief Haverschmidt/Paaltjens] nu publiciteit te geven, dewijl hij uitgelokt is ten gevolge van een particulier schrijven van Bolhuis van Zeeburgh aan Eekhoff. Zoodra B.v.Z. het tweede gedeelte uitgeeft van zijne Kritiek der Friesche Geschiedschrijvers, waarin hij gedreigd heeft het OLB à faire te zullen nemen, dan kunnen wij met de verklaring van PP [Piet Paaltjens] voor den dag komen.
LF → JG 7-1-1876
Ik hoop niet dat ik tegen Uw inzigten heb gehandeld door den inhoud van dit schrijven van den Heer Bolhuis van Zeeburgh aan den Hr. Haverschmidt mede te deelen. De vrijheid daartoe putte ik uit de aansporing van BvZ om tot mij de vraag te rigten, of mijn Vader in betrekking heeft gestaan met PP en of deze laatste ook schrifturen van mijn Vader ter lezing heeft gehad. Die vraag gaf als vanzelf aanleiding dat ik mij tot PP mogt wenden om diens verklaring uit te lokken. Toch wilde ik van diens antwoord geen gebruik maken zonder daarover U geraadpleegd te hebben.
Noten
- ↑ OLB kwam 4-10-72 van de pers en het voorwoord van KFG werd mei '73 geschreven.
- ↑ Hoofdstuk over Ubbo Emmius, blz. 208: Hij ging familiaar om met ...
- ↑ Ingezonden brief (brieven?) in Spectator over (o.a.?) Haverschmidt nog opzoeken.
- ↑ bron: Leeuwarder Courant 31-8-1873: verslag 185e vergadering Friesch Genootschap d.d. 27-8.