Jump to content

1934 S.D. de Jong - Nieuws ...

From Oera Linda Wiki

Zie ook: Sybe D. de Jong.

  • JJK 353 [S.D. de Jong] Nieuws over het Oera Linda-boek? dl. I. Een nieuw werk van prof. Wirth - LC 9-1-1934.
  • JJK 363a [S.D. de Jong] Nieuws over het Oera Linda-boek? dl. II. (slot) De tragiek van de Friesche beweging omstr. 1850 - LC 11-1-1934.
  • JJK 373 Nieuws over het O.L.B.? (Ingezonden, met antw. S.D. de Jong) – LC 16-1-1934.

Nieuws over het Oera Linda-boek? [I.]

JJK 353 / LC 9-1-1934

I. Een nieuw werk van prof. Wirth.

„In ursachlichem Zusammenhang mit dieser Stunde des Aufbruckes der deutschen Nation übergibt der Verfasser hiermit dem deutschen Volke die älteste Quelle germanisecher (Geistesgeschichte, zugleieh die älteste Urkunde germanischer Geisteshöhe”.

Zoo luidt het begeleidend schrijven, dat wij ontvingen bij een recensie-exemplaar van „Die Ura Linda Chronik, übersetzt und mit einer einführenden geschichtlichen Untersuchung herausgegeben von Herman Wirth” en dat besluit met „Mit deutschem Gruss uod Hitler Heil”.

Daar is geen woord Fransch bij, zal men zeggen, doch des te meer Duitsch, onversneden Duitsch uit het Dorde Rijk en in de taal van het Derde Rijk is dit werk geschreven. Betoogd toch wordt niet meer of minder, dan dat de historische onderzoekingen van prof. Wirth en zijn geestverwanten duidelijk hebben aangetoond, dat niet het Joodsche volk het een-godendom aan de wereld heeft geschonken, doch dat deze godsdienst eeuwen voor Christus reeds bloeide in het tegenwoordige Friesland en omliggende landstreken en onder de Friezen en hun naaste voorouders de Inguäoniors.

De Friezen het uitverkoren volk?

Kortom en populair gezegd hebben, volgens prof. Wirth, het Oera Linda-boek en de archeologie, welke de verschillende mededeelingen in het Oera Linda-boek bevestigt, uitgemaakt, dat niet de Joden, doch de Friezen het uitverkoren volk zijn geweest.

Hoewel wij veronderstellen, dat deze eer voor het overgroote deel onzer gewestgenooten even onverwacht als ongewenscht komt, en dat zij met ons het Licht der Lichten dat bijna twintig eeuwen geleden te Bethlehem opging, niet zullen willen ruilen voor dat van nog zooveel lampen in de heilige burchten van Texland en waar men deze heiligdommen dan maar meer gevonden zou hebben, toch kan niet ontkend worden, dat het op het oogenblik de meest geschikte tijd is om de Oera Linda-geschiedenis voor de zooveelste maal eens op te rakelen.

Immers, dit geheimzinnige werk, dat vroeger alleen geschikt leek am met detective-neigingen behepte geleerden door hun vrijen tijd heen te helpen, heeft door de actie van prof. Wirth en den geestelijken voedingsbodem, welke deze actie ondanks de felle bestrijding van vier zeer verdienstelijke philologen uit Breslau, in het Derde Rijk zal vinden, een politieke en godsdienstige beteekenis gekregen, welke niemand twintig jaar geleden had durven voorspellen.

De geschiedenis van het handschrift.

Om den lezer wegwijs te maken beginnen wij derhalve met nog een en ander te melden over het vinden van het handschrift.

In het bezit van Cornelis over de Linden, in de zestiger jaren van de vorige eeuw meesterknecht aan de Marinewerf te den Helder, bevond zich een handschrift, hetwelk hij in Augustus 1848 van zijn tante Aafje Meijlhoff, geboren Over de Linden zou hebben gekregen en dat afkomstig zou zijn uit de nalatenschap van zijn grootvader Andries over de Linden, gestorven 15 April 1820. Nadat hij tevergeefs getracht had het boek met behulp van Epkema’s woordenboek op Gysbert Japiks te ontcijferen, legde hij het in 1860 aan het Heldersche schoolhoofd Sipkens voor en zond later aan den archivaris der provincie Friesland, dr. Verwijs, een eigenhandig gemaakt afschrift van een fragment. Dit is het begin geweest van lange onderhandelingen tusschen Cornelis over de Linden en dr. Eelco Verwijs, waarbij deze laatste een eenigszins zonderlinge rol speelde en zoo heen en weer werd gedobberd tusschen zijn geloof en twijfel aan de echtheid, dat men — o.i. zeer ten onrechte — hierin een bewijs meende te zien voor de beschuldiging, dat hij, Eelco Verwijs, zelf de auteur zou zijn. Na langen tijd Over de Linden aan het lijntje te hebben gehouden, maakte dr. Verwijs zich van de zaak af en het Friesch Genootschap verzocht Johan Winkler een onderzoek in te stellen.

Deze kwam tot de conclusie, dat de inhoud zeer zonderling was, deels mythologisch, deels historisch, „de taal is gedeeltelijk oud, maar er komen ook uitdrukkingen in voor, die van zeer jongen datum zijn”. Volgens den heer Winkler zou een vertaling den hieraan besteden tijd en moeite niet loonen.

De Leeuwarder conrector dr. J.G. Ottema dacht echter heel anders over de zaak. Hij trad voor de echtheid in het krijt en gaf het Oera Linda-boek, van een Nederlandsche vertaling voorzien, uit in het jaar 1872. In 1876 verscheen een tweede druk.

Van alle kanten werd tot aan den tegenwoordigen tijd toe de echtheld van het Oera Linda-boek bestreden en wel op de volgende grouden:

  1. De taal van het handschrift is door en door verknoeid oud-Friesch, dat van Hollandismen wemelt.
  2. Tal van woordafleidingen — wij hebben in een vorig artikel al eenige genoemd — doen eer vermoeden, dat men hier met een grappenmaker te doen heeft dan met een ernstig schrijver uit het grijs verleden.
  3. Een onderzoek van het papier bracht aan het licht, dat dit stamt uit het midden der 19e eeuw en een tijd in den rook moet hebben gehangen om een gele kleur te krijgen.

De theorie van prof. Wirth.

Prof. Wirth nu geeft deze drie punten volkomen toe, doch door een zeer vernuftige theorie tracht hij de gedeeltelijke echtheid van het Oera Linda-boek toch staande te houden. Deze theorie luidt:

Het tegenwoordige handschrift moet zijn ontstaan in de jaren 1821-1845, en is een afschrift van een handschrift van een humanist uit de 17e eeuw (codex C), die de Hollandismen, de woordafleidingen en ook het sterk van het Germaansche handschrift afwijkende letterschrift op zijn geweten heeft.

Bedoelde humanist heeft gewerkt naar een codex uit de 18e eeuw (codex B), welke teruggaat op de codex uit de 9e eeuw (codex A).

Grond voor deze theorie, aldus prof. Wirth, is de omstandigheid, dat wij in het Oera Linda-boek tal van mededeelingen vinden over het godsdienstige, staatkundige en maatschappelijke leven uit den Germaanschen oertijd, welke volkomen overeenstemmen met resultaten van een lang na het publiceeren van het handschrift ingesteld archeologisch onderzoek.

De hooggeleerde schrijver geeft dan eenige — oppervlakkig gezien zeer gedocumenteerde — steekproeven.

Door de theorie van prof. Wirth is de kwestie van het Oera Linda-boek ongetwijfeld in een nieuw stadium gekomen. Het is thans niet meer een vraag van of 100 procent echtheid of een mystificatie, doch van echtheid van meerdere of mindere bronnen, waarnaar de schrijver(s) heeft (hebben) gewerkt.

Kon men vroeger volstaan met het aantoonen van de valschheid van het bestaande handschrift, thans zullen de Oera Linda-boek-bestrijders een aanval moeten doen op het archeologisch materiaal door prof. Wirth bijeengebracht en diens argumenten stuk voor stuk moeten ontzenuwen alvorens men kan zeggen, dat diens heele theorie in elkaar gestort is.

Prof. Wirth beschikt op archeologiech en folkloristisch gebied over een althans den leek verbluffende kennis en is bovendien blijkbaar goed op de hoogte van alle plaatsen uit de klassieke en vroeg-Christelijke lectuur, welke over den Germaanschen oertijd handelen. Het gaat natuurlijk niet aan hem bij dit alles op den voet te volgen. Uit zijn, quantitatief althans, rijk bewijsmateriaal, door hem beseheidenlijk steekproeven genoemd, hopen wij op onze beurt een paar steekproeven te doen om aan te toonen, dat deze hoogleeraar het zich bij zijn bewijsvoering soms wel heel gemakkelijk maakt.

De moedervereering bij de Germanen.

Zoo zet hij een heelen boom op om te betoogen, dat de moedervereering in het bizonder en de vrouwenvereering in het algemeen een echt oer-Germaansch verschijnsel was (pag. 188 en volgende).

Ook deze vindt men in het Oera Linda-boek terug. (Volksmoeders en burgmaagden). Dit sluit als een bus. Maar is hiermee iets bewezen voor de echtheid van het Oera Linda-boek? Een dergelijke moedervereering en vrouwenvereering vindt men niet alleen bij de oer-Germanen, doch ook bij de latere Germanen en bij de Westersche cultuurvolken in het algemeen (b.v. Madonna-vereering). Ook de Saint Simonisten, 1e helft 19e eeuw, ruimden in de ideale samenleving, welke zij in practijk trachtten te brengen, een der allerhoogste plaatsen aan de vrouw in.

De 19e eeuwsche schrijver van het tegenwoordige handschrift had volstrekt niet de archeologische kennis van het begin der 20e eeuw noodig om te komen tot een systeem van volksmoeders en burgmaagden.

Een zonderling humanist.

Hoe schrikkelijk oppervlakkig prof. Wirth soms te werk kan gaan, blijkt wel uit zijn betoog, dat het oorspronkelijke handschrift door een humanist uit het begin der 17e eeuw overgeschreven en verknoeid moet zijn. Hij voert hiervoor twee gronden aan.

  1. Humanisten maakten zich dikwijls schuldig aan dwaze woordafleidingen.
  2. De Friesche Humanisten hadden groote liefde voor hun land en volk (blz. 288 e.v.).

Allebei zal ieder, die ook maar eenige oppervlakkige kennis van de Friesche literatuur heeft, gaarne toegeven.

Maar weer vergeet prof. Wirth datgene te bewijzen, wat hij eigenlijk moet bewijzen nl. dat er humanisten zijn geweest, die bij het copieeren van oude handschriften deze zou hopeloos verknoeiden, als het Oera Linda-boek inderdaad verknoeid is. Toen ik eenige jaren geleden met een der beste kenners van het Friesch over deze kwestie sprak en mijn twijfel uitte aan het parodie-karakter van het Oera Linda-boek, keek hij mij stomverbaasd aan en zeide: „Maar dan heb je den oorspronkelijken tekst zeker nooit onder oogen gehad. Geen mensch, die beschikt over de kennis van den schrijver van dit boek kan in vollen ernst zulk een krankzinnig oud-Friesch schrijven.”

Wij hebben altijd gemeend, dat juist humanisten de grootste eerbied voor oude handschriften hadden. De Italiaansche humanisten spreken over nieuw gevonden codices als een schuchtere jongeling over zijn liefste. En ik heb geen enkele reden aan te nemen, dat een humanist, die, aldus prof. Wirth, tevens een vurig Frisiast moet zijn geweest, anders tegenover een Oera Linda-boek handschrift gestaan zou hebben dan een zijner Italiaansche confrères tegenover dat van een klassiek. Hij zou getracht hebben het zoo nauwkeurig mogelijk over te schrijven en zijn eigen wijsheid bewaard hebben voor een commentaar.

Maar zelfs al gaat dit alles niet op — mijn kennis van de werkwijze van de humanisten is niet voldoende om hier met volslagen zekerheid te oordeelen — dan nog blijft over de practische onmogelijkheid van een dergelijke werkwijze.

Wanneer een Nederlander met gebrekkige kennis van de Fransche taal bijvoorbeeld een Fransch artikel overschrijft en hierin wijzigingen van eigen vinding brengt, dan kan het niet anders of het resultaat moet zijn een stuk Fransch proza, waar duidelijk twee soorten taal uitkomen, de taal van den schrijver van het origineel, dus van den geboren Franschman en die van den bewerker, den Nederlander, die dan veel op vertaald Hollandsch zal gelijken.

Niet anders had het den humanist moeten vergaan. Al had hij nog zoo graag anders gewild, zijn eigen gebrekkig oud-Friesch had men duidelijk moeten kunnen onderscheiden van dat van den oorspronkelijken schrijver.

De Hollanders ia de 19e eeuw.

Een ander bewijs voor de grenzelooze oppervlakkigheid, waarmee prof Wirth argumenteert, is wel zijn uitspraak, dat het zielkundig onmogelijk is, dat een „Hollander” uit de eerste helft van de 19e eeuw het Oera Linda-boek had kunnen „dichten”.

„Het Holland van de vorige eeuw”, aldus prof. Wirth,

„was de erfgenaam van een materialistisch burgerdom, dat weltwirtschaftlich internationaal georiënteerd was. Zijn oud-testamentische dogmatiek is die kapitalistische winstethiek, welke het mogelijk maakt zoo voordeelig handel te drijven „met den Heer”. Amsterdam was en is Holland en de gouden eeuw, de groote tijd van opkomst, begint met het opnemen van uitgeweken Spaansch-Portugeesche Joden. Het begin dezer volksvreemde Amsterdamsche parvenucultuur beteekent een breuk in het volkslichaam en het verdwijnen van het psychische volksleven, de volkskunst, welk proces met onverbiddelijke tragiek voortschrijdt.”

Na nog een tijdje in dezen trant te hebben voortgeschreven vervolgt de hooggeleerde schrijver:

„Aan te nemen, dat een Hollander in de eerste helft van de negentiende eeuw de Oera Linda Kroniek geschreven zou hebben is een symptoom van dit verbijsterend gebrek aan verstaan, begrijpen en gebrek aan instinct van de Nederlandsche samenleving....

Er zijn dan sinds lang in Holland geen dichters meer, als in dezen tijd een Mendes da Costa (bedoeld zal zijn mr. Isaäc da Costa) zijn oud-testamentische-joodsche verheerlijking in rijmen, als hoogvereerde Nederlandsche dichtkunst kan opdienen.

Waar en in wie waren de psychische voorwaarden nog voorhanden de wetten van het Oera Linda-boek, de woordmuziek van haar taal te dichten?” (blz. 295 en volgende).

Zoo ergens dan komt hier van onder de hoogleeraarstoga het kleed van den nationaal-socialist en anti-semiet te voorschijn, zoo ergens dan is het wel hier, dat de professor blind door politieke hartstocht de werkelijkheid uit het oog verliest, de werkelijkheid, die leert, dat indien in Nederland en vooral in Friesland de tijd en de psychische voorwaarden rijp waren voor het schrijven van het Oera Linda-boek het geweest is in de eerste helft der negentiende eeuw en de eerste decennia daarna.

Er behoeft heusch geen nazi-professor voor te komen om ons te vertellen, dat het met den nationalen trots, met het waarachtige nationaal gevoel van den Nederlander juist in dien tijd ondanks de gezwollen verzen van een Helmers en een Tollens de dood in de pot was. Potgieters „Jan, Jannetje en hun jongste kind” en tal van andere geschriften toonen het voldoende aan.

Bilderdijk en de Halbertsma’s.

Maar juist het bestaan van dergelijke geschriften bewijst tevens, dat er een sterke nationaal gezinde onderstroom was, welke misschien het zuiverst uitkomt in den veelgesmaden en tot op dezen tijd door velen zoo weinig begrepen Bilderdijk en in de werken van sommige Friesche schrijvers als J.H. Halbertsma. Vooral het aandeel van deze laatste in de Rimen en Teltsjes is in deze leerzaaan. Hoe wordt hier niet openlijk of bedekt gescholden op de slechte sociale toestanden, de Jan Salie-geest, de politieke misstanden, hoe wordt hier niet het verleden verheerlijkt.

Dat er tusschen de Nederlandsche en Friesche „nationale” stroomingen een zekere sympathie bestond bewijst wel de verhouding van Bilderdijk tot de gebroeders Halbertsma. In „De Noarger rún oan Gabe Skroar” geeselt J.H. Halbertsma in een noot zijn land- en tijdgenooten, die den „onvergetelijken Bilderdijk niet naar verdienste waardeeren en in de oudere uitgave van „Rimen en Teltsjes” vindt men het volgende gedicht:

Mr. Willem Bilderdijk aan J.H. Halbertsma.

Mijn naam bij u bewaard, rechtschapen Halbertsma,

Is meer dan ’t ijdel lofgeblaas der S...sche bende.

’k Behaalde een zweem van roem en afgunst kroop mij na.

Ik volgde hart en plicht, niets oogstte ’k dan ellende.

Genoeg. ’k beklaag mij niet, mijn deel was niet op aard,

’k Was feilbaar, maar ik sterf van geen verwijt bezwaard.

Waar men moeilijk wat betreft literaire, politieke en godsdienstige richting meer contrasteerende figuren kan aanwijzen dan Bilderdijk en de gebroeders Halbertsma, treft deze onderlinge sympathie des te meer. Aan beider streven moet eenzelfde gevoelssfeer ten grondslag liggen, verwant aan die, welke den door prof. Wirth denkelijk wegens zijn Joodsche afkomst omlaag gehaalden Isaäc da Costa dreef tot het schrijven zijner „Bezwaren tegen den geest der eeuw”,

Door de gedachtenwereld van hun eigen tijd onbevredigd, zich in den destijds in Nederland heerschenden volksgeest niet thuis gevoelend, zochten zij in het verleden, wat zij in hun tijd misten. De school van Bilderdijk greep terug naar de dagen van de stichting der Republiek der Vereenigde Nederlanden en de daarop volgende gouden eeuw. Haar historisch-politiek ideaal en haar godsdienstige opvattingen bevruchtten elkaar over en weer en zij wist zich weer een toekomst op politiek en kerkeliik terrein op te bouwen! De latere anti-revolutionnaire partij en het reveil zijn althans mede uit deze richting geboren.

d.J.


Nieuws over het Oera Linda-boek? [II.]

JJK 354a / LC 11-1-1934

II. De tragiek van de Friesche beweging omstreeks 1850.

(Slot.)

Anders verging het hun Friesche „sfeer”-verwanten. Zij hadden hun ideaal geprojecteerd op het Friesche verleden, en droomden van de Friesche Middeleeuwen, doch nog liever van het Frisia magna van Radboud, beide zaken, welke onherroepelijk tot de geschiedenis behoorden en geen toekomstidealen in zich hielden. Wel probeerde de dichter Harmen Sytstra door zijn voor moderne Friezen bijkans onbegrijpelijke spelling het Frisia Magna in taalkundigen zin althans te herstellen, maar deze poging was bij voorbaat reeds tot mislukking gedoemd.

Als echte Friezen te nuchter om zich te werpen op een hopelooze en onmogelijke zaak als de strijd voor een staatkundig zelfstandig Friesland, als echte Friezen ook te idealistisch en te nationaal voelend om het Friesland van de historie los te laten, door hun gering getal en mede door hun gebrek aan politiek inzicht niet in staat een actie voor een gunstiger plaats voor de Friesche taal te ontketenen, waren deze mannen, tragische figuren, wie, om zich uit te leven, slechts één terrein overbleef, dat der letterkunde en der geschiedenis.

Zelfs bij de Bilderdijkschool konden zij geen aansluiting vinden. Het groote verschil in godsdienstige opvattingen zat hun hier in den weg.

Voor zoover ons bekend, was de dichter Salverda vrijwel de eenige, die zich in religieus opzicht nauw aansloot bij de traditie in dezen door Gysbert Japiks gelegd, de anderen hadden meer of minder sympathie voor het opkomende modernisme. Tusschen de afscheiding en het reveil te eener en de Friesche beweging te anderer zijde heeft het dan ook tot Sipke Huismans nooit willen boteren.

Vurige bewondering voor het Friesche verleden, samengaande met sympathie voor de vrijzinnig-godsdienstige richting, machteloosheid om dit in onderling verband in eigen tijd uit te leven en in de toekomst te projecteeren. Zie hier hun tragiek.

Het Godsbegrip van het Oera Lindaboek.

ls dit niet een uitstekende psychologische voorwaarde voor het ontstaan van het Oera Linda-boek? Een boek, waarin het Friesche volk een hoore ouderdom, een door deugd en goede zeden uitblinkende cultuur, een monotheïstische godsdienst werdt toegekend? Een boek tevens met een Godsbegrip, dat veel beter aansluit bij een vrijzinnig-godsdienstig mensch uit de negentiende eeuw dan bij een man uit de dagen, dat het Oera Linda-boek geschreven heet te zijn.

Hoor slechts, wat er van den god Wralda wordt gezegd:

„Wralda is het alleroudste en het overoudste, want het schiep alle dingen. Wralda is alles in alles, want het is eeuwig en oneindig. Wralda is overal tegenwoordig, maar nergens te aanschouwen, daarom wordt dit wezen geest geheeten. Alles, wat wij van hem kunren zien, zijn de schepselen, die door zijn leven ontstaan en weder heengaan, want uit Wralda komen alle dingen en keeren alle dingen weer. Uit Wralda komen de aanvang en het einde, alle dingen gaan in hem op. Wralda is het eene almachtige wezen, want alle andere macht is aan hem ontleend en keert tot hem weder. Uit Wralda komen alle krachten en alle krachten keeren tot hem terug. Daarom is hij alleen het scheppende wezen en daar is niets geschapen buiten hem.” (Wirth, bld. 39).

Zelfs prof. Wirth heeft gevoeld, dat dit Godsbegrip moeilijk vereenigbaar is met het Godsdienstig leven van een oervolk. Hij verklaart dit door aan te nemen, dat de schrijver van codex A, Liko over de Linden, een hervormer geweest zou zijn, wien het te doen was om het wezen der Godskennis van de voorouders weer op te vatten en deze religie in de abstracte hoogte der idee weer naar voren te brengen.

„En zoo treedt de idee steeds meer op den voorgrond en de mythe verstomt. In plaats van wereldaanschouwing, het zinnelijke zien van God in alles, treedt de wereldbeschouwing, het denken „an sich”. Het is de geboorte der Godsdienstphilosophie, welke de onmiddellijk schouwende, psychische beleving en zijn geestelijke uitdrukking symbool en mythen, als gelijkenis, opheft.” (Wirth, bld. 300).

Een Friesch godsdienstig genie uit de 9e eeuw?

Een nuchter mensch zou zeggen, dat die Liko over de Linden toch een kraan geweest moet zijn om in de binnenlanden van Friesland zich te ontpoppen als Godsdienstphilosoof. Dergelijke reformaties plegen overigens steeds plaats te vinden in de groote steden van hoog-cultuur-tijden of soortgelijke cultuur-centra. Wel vertelt Liko ons dat hij bij monniken aan het hof (!?) is geweest, maar noch het hof van de Frankische koningen, noch de kloosters dier dagen, waar de monniken, volgens Liko’s zeggen althans, slechts ten doel hadden rijke prebenden te winnen, lijkt ons de meest geschikte opleidingsschool voor een geestelijk reformator, die als de zaak zich zoo heeft toegedragen als prof. Wirth meent, met een Buddha of een Zaratustra op één lijn moet worden gesteld.

Logischer is, dat deze reformator, die misschien ook wel Over de Linden heette, doch niet Liko, niet in de 9e, doch in de 19 eeuw leefde en die een echt kind der Aufklarung was, getuige niet alleen zijn Godsbegrip, doch ook zijn haat tegen monniken in het bijzonder en priesters in het algemeen. (Men zie de hoofdstukken van O.L.B. over de Magy).

Typisch is ook de stelling in het Oera Linda-boek, welke als twee droppels water overeenkomt met ons spreekwoord „Die zich zelf helpt, dien helpt God”.

Ook de een vrijzinnigen en democratischen geest ademende wetten in het O.L.B. wijzen o.i. sterk in de richting, dat men den schrijver, die dan als er iets van prof. Wirth’s archeologisch en folkloristisch materiaal staande kan blijven, misschien wel eens gebruik heeft gemaakt van een oud en verloren gegaan handschrift, om of nabij de eerste helft van de 19e eeuw moet zoeken.

Wie kan het zijn geweest?

Eelco Verwijs en Piet Paaltjens vrijgesproken.

De meest gangbare theorie is, dat men te doen heeft met een mystificatie, geschreven door dr. Eelco Verwijs of door Piet Paaltjens. Het doel zou dan geweest zijn het uithalen van een kapitale grap om eenige zeer gewichtig doende Friesche geleerden er eens heerlijk te laten inloopen.

Afgezien van de psychologische moeilijkheid, dat menschen die heusch wel wat beters te doen hebben, een boek van 200 bladzijden zouden schrijven in een taal, die zij niet beheerschen in een zelf uitgevonden handschrift, afgezien dat zij wel ongelooflijk naief moeten zijn geweest te veronderstellen, althans te riskeeren, dat de negentiende eeuwsche Frisiasten —— afgezien van een enkele — er met zulk kreupel oud-Friesch en zulke dwaze woord-afleidingen in zouden vliegen — Verwijs had aan den lijve ondervonden, dat die Friesche dilettanten als Waling Dijkstra en Colmjon niet alles slikten, wat een vakman als hij het publiek wenschte op te disschen — (zie dr. Wumkes: „Paden fen Fryslân” pag. 172) — afgezien van dit alles heeft de verschijning van prof. Wirth’s boek althans dit goede, dat het m.i. overtuigend bewijst, dat noch Eelco Verwijs, noch Piet Paaltjens, noch een andere „grappenmaker”, de schrijver van het O.L.B. kan zijn geweest. Immers, zoo prof. Wirth iets op overtuigende wijze heeft aangetoond en zulks met alom voor ieder ter contrôle liggende feiten, dan is het wel, dat het handschrift in 1848, althans in 1854 reeds bestaan moet hebben.

Immers in de „Heldersche Courant” van 12 Maart 1876 verschijnt een verklaring van L. van Berk, P. Uurbanus, A.J. Leijer en T. Mooy, allen ehrentfeste burgers van den Helder, dat het hun tusschen 1848 en 1850 bekend was, dat het handschrift van het Oera Linda-boek zich bevond in het bezit van de familie Over de Linden. In 1895 verklaart de kapitein-luitenant ter zee W.M. Visser, dat hij op Vrijdag 23 December 1854 door baas Over de Linden was uitgenoodigd om des Zondags bij hem aan huis te komen om een handschrift in een vreemde taal en een vreemd letterschrift te bezichtigen, dat sinds jaar en dag in het bezit van de familie Over de Linden was.

Om nu dr. Eelco Verwijs of Piet Paaltjens als den schrijver te kunnen doodverven moet men dit getuigenis, dat nog gesteund wordt door ververklaringen van leden der familie Over de Linden (zie Wirth pag. 132 en volgende) ontzenuwen.

Immers als het handschrift, dat door Cornelis over de Linden in de zestiger jaren aarzelend aan dr. Eelco Verwys — en dan nog slechts gedeeltelijk in afschrift werd afgestaan — reeds voor 1850 is geschreven, dan is het auteurschap van beide personen tijdrekenkundig onmogelijk.

En als men nu weet voor welke onwaarschijnlijke hypotheses dr. M. de Jong in zijn werk „Het geheim van het Oera Linda-boek” ons zet om toch maar aan te toonen, dat dr. Eelco Verwijs de schrijver is, dan moet ik, den rechter nog zien, die na voorvoering van zooveel getuigen à décharge op zulke zwakke bewijsgronden tegenover Verwijs het schuldig zou durven uitspreken. Tegen Piet Paaltjens zijn de bewijsmiddelen nog veel zwakker.

Geen kapitale grap, maar bittere ernst.

‘t Komt mij voor, het zij als leek in alle bescheidenheid gezegd, dat men met de „theorie van de kapitale grap” nooit uit zal komen. Deze theorie kon ontstaan in een tijd, dat materialisme en rationalisme hoogtij vierden. Zij deugt niet meer voor onze dagen, nu men meer en meer inzicht krijgt in de diepste roerselen der menschelijke ziel. Om in de taal der rechterlijke macht te spreken, zou hier slechts kunnen worden geadviseerd de zaak voor onbepaalden tijd te schorsen en het Oera Linda-boek eens naar een psychiater te verwijzen.

Nimmer heb ik den indruk van mij kunnen afzetten, dat dit machtige werk, waarvan Multatuli zeide, dat de schrijver een groot kunstenaar moet zijn geweest, nooit als grap bedoeld kan zijn, doch een kunstwerk is van bitteren ernst en tot stand gekomen zooals zeer vele kunstwerken, n.l. als een daad van zelfbevrijding.

Ik denk mij den schrijver als een man van groote belezenheid met sociale en cultureele hervormingsadspiraties en met een sterken Friesch nationalistischen inslag. Een man tevens in zijn ontwikkeling sterk geremd, door zijn autodidact zijn, en in een sociale positie en een maatschappelijk milieu gedrongen, waaruit hij zich door de lacunes in zijn kennis en mede misschien door karakterfouten niet kon omhoog werken. De geschiedenis der Friesche literatuur is vol van dergelijke figuren, doch wat bij vele anderen binnen de grens van het normale bleef, heeft bij den schrijver van het Oera Linda-boek psycho-pathologische vormen aangenomen.

Veel moet hij hebben gelezen en gedacht, doch zijn vermogens om het geschreven taalbeeld vast te houden waren gering, zijn taalbesef onvoldoende om zich voor alleronzinnigste woordafleidingen te hoeden, en om het oud-Friesch, dat hij blijkbaar behoorlijk kon lezen, zoo weer te geven, dat de gekunsteldheid een kenner niet al te zeer in het oog viel.

Hij droomde zich een ideale maatschappij, zooals tientallen in alle landen der wereld zich een ideale maatschappij droomden. Hij projecteerde deze echter niet in de toekomst, doch gedreven door zijn liefde voor de Friesche voorvaderen in het verleden.

Misschien was de vorm, welke hij aan zijn werk gaf oorspronkelijk als literaire vorm bedoeld, misschien heeft de vrees, dat het werk van hem, den doodgewonen mijnheer X, toch geen succes zou hebben, hem er toe geleid het als een oud handschrift uit te geven, misschien is zijn eigen schepping hem onder het werken tot een obsessie geworden, zoodat niemand meer dan hijzelf aan de echtheid geloofde.

Wie is deze merkwaardige man toch geweest? Zeer waarschijnlijk een lid van de familie Over de Linden of een nabestaande van dit geslacht.

Is Cornelis Over de Linden de schrijver?

Kan het Cornelis Over de Linden zelf zijn geweest?

Veel is hier tegen aangevoerd. Het feit, dat hij het handschrift weigerde voor ƒ12.000 te verkoopen, zijn vruchtelooze pogingen om het aan te vullen, de omstandigheid, dat hij tot op zijn sterfbed de echtheid volhield, zijn gebrekkige spelling van het Nederlandsch, zijn stijl, hij schreef lange zinnen, in het Oera Linda-boek zijn de zinnen kort enz.

Bij al deze argumenten is er echter steeds van uitgezaan, dat de auteur tijdens het schrijven bij zijn volle verstand geweest moet zijn, terwijl hier plaats is voor de veronderstelling, dat wij met een pathologisch geval te doan hebben. En dan verandert het aspect wel eenigszins.

Zeer bekend is het voorbeeld van auteurs, die een goede roman, een goede reeks gedichten schrijven en dan verder hun heele leven of prulwerk leveren of zwijgen. Ons is het geval bekend van een persoon, die de grootste moeite had een eenvoudig Fransch boek te lezen, doch in een periode, vlak aan een geestelijke ineenstorting voorafgaande, een reeks zeer acceptabele Fransche verzen schreef, verzen, welke hij voor noch ga dezen tijd onmogelijk had kunnen maken. In de literatuur lazen wij eens een geval van een dienstmeisje, analphabete, die in een koortsaanval heele stukken uit de Ilias van Homerus in het Grieksch reciteerde. Het bleek, dat zij bij een predikant bad gediend, wiens zoon, een gymnasiast, gewoon was zijn Homerus overluid op te lezen.

Bewijzen tegen Cornelis over de Linden doet dit alles wel niets, maar het kan toch een aanwijzing in een bepaalde richting geven, vooral als men weet, dat Cornelis veel las en veel schreef.

Echter het is verre van mij te pretendeeren hier het laatst woord te willen spreken. Ook hier zou een psychiatrisch onderzoek opheldering kunnen brengen.

Voorts mocht wel eens worden onderzocht de afkomst van de familie Over de Linden. Waar kwam zij vandaan?? Hoe kwam zij aan de Kroniek van Worp van Thabor? Zijn er andere familieleden, die als schrijvers van het O.L.B. in aanmerking komen?

Nu sommige kringen in Duitschland het Oera Linda-boek een plaats willen geven, welke verre boven de verdiensten van het werk uitgaat, ten einde het als politiek en religiens agitatiemiddel te gebruiken, is het de taak van de Friezen om alles te doen om te trachten de zaak tot haar werkelijke proporties terug te brengen.

d.J.


Nieuws over het Oera Linda-boek? [III.]

JJK 373 Nieuws over het O.L.B.? (Ingezonden, met antw. S.D. de Jong) – LC 16-1-1934.

In zijne beschouwing over de Duitsche Oera Lindaboek-uitgave van Wirth schijnt de heer de J. aan te nemen, dat het O.L.B. omstreeks 1850 is geschreven, althans vóór 1854. Hoe verklaart de schrijver dan, vooropgesteld, dat het handschrift niet echt is, dat in het O.L.B. een uitvoerige beschrijving voorkomt van de voorhistorische paalwoningdorpen in Zwitserland, terwijl het bestaan hiervan eerst laat in 1853 werd ontdekt?

Een belangstellende.


De opmerkzame lezer van de artikelen „Nieuws over het Oera Lindaboek?” zal begrepen hebben, dat 1854 als grensjaar gesteld is, omdat de latere overste Visser op 23 December van dit jaar door „baas” Over de Linden werd uitgenoodigd te zijnen huize te komen om het boek te zien. Het ontdekken der Zwitsersche paalwoningen valt dus binnen de door mij gestelde grens.

Bovendien waren in 1829 reeds paalwoningen in het Zurichermeer ontdekt.

Wirth (bld. 138) zegt wel is waar, dat deze ontdekking „unbeachtet und in der Offentlichkeit auch unbekannt (war) geblieben”, maar met dergelijke uitspraken moet men zeer voorzichtig zijn. Reeds het feit, dat thans bekend is dat een dergelijke ontdekking in 1829 heeft plaats gehad, bewijst, dat dit „onbekend gebleven zijn” niet al te streng is op te vatten. Wie kan in 1934 met zekerheid zeggen wat omstreeks 1850 bij een bepaald persoon of in een bepaalden kring in Nederland bekend was en wat niet?

Overigens is de zaak van het Oera Linda-boek veel te gecompliceerd, dan dat een enkel detail, buiten verband met al het andere, doorslaggevend kan zijn.

Zooals gezegd wil ik volstrekt niet pretendeeren het laatste woord gesproken te hebben. Mijn bedoeling was slechts te wijzen op een richting, waarin tot nog toe naar mijn weten nimmer is gezocht en waar niet ik, doch enkel een onderzoek door bevoegde deskundigen voldoende licht kan brengen. Tot zoolang gevoel ik geen lust om naar aanleiding van ingezonden stukken als dat van „Een belangstellende” verder te polemiseeren.

d.J.