1927 De Jong en De Jong
Het geheim van het Oera Linda-boek.[1]
„Het geheim van het Oera Linda-boek.” door dr. M. de Jong Hzn. Bolsward. A.J. Osinga.
[deel] I. [15-12-1927]
JJK 291 Jong, S.D. de - Het geheim van het Oera-Linda-boek [bespr. boek M. de Jong] - LC 15-12-1927.
Zoo ligt dan eindelijk het lang aangekondigde werk van dr. M. de Jong Hzn. voor ons, een werk dat naar verluidde ons den sleutel van het geheim van het Oera Linda-boek zou brengen.
Zoo ligt dan eindelijk het lang aangekondigde werk van dr. M. de Jong Hzn. voor ons, een werk dat naar verluidde ons den sleutel van het geheim van het Oera Linda-boek zou brengen.
Men kent de geschiedenis. Een zestig jaar geleden doken er geruchten op, dat bij een zekeren Cornelis Over de Linden te den Helder een oud handschrift was ontdekt, dat zeer merkwaardige dingen inhield. Volgens dit handschrift zou niet alleen het geslacht Over de Linden een der oudste families van Europa zijn, maar zou voorts in Friesland honderden jaren voor Christus een oud cultuurvolk hebben gewoond, waarvan bijkans heel Europa zijn beschaving zou hebben ontvangen. Van den beginne waren er reeds twijfelaars. Er werd gefluisterd en later luid op gezegd, dat men hier met een mystificalie te doen had en dr. Ottema, de conrector van het Leeuwarder gymnasium, die steeds de echtheid had volgehouden en voor een uitgave met Hollandsche vertaling zordge, vond tallooze bestrijders, waarvan de heer Beckering Vinckers wel de voornaamste was.
Volgens dezen laatste had men hier te doen met een naar taal en stijl stumperige mystificatie door C. over de Linden zelf geschreven ter meerdere verheerlijking van zijn naam. Met deze brochure, die lang als de voornaamste autoriteit op dit gebied gold, was de zaak echter niet uit. Wel werd het getal van hen, die aan de echtheid geloofden langzamerhand zeer schaarsch en geen wonder, daar zelfs een leek wel kan zien hier niet met oude kroniekentaal te doen te hebben, maar met het werk van een modern schrijver, gestoken in een pseudo oud-Friesch kleed, terwijl verschillende naamafleidingen er allerkomiekst uitzien, b.v. Neptunus zou zijn afgeleid van neef Teunis, Catharina van kater-inne (vrouwelijke kat enz).
En al zouden de verdedigers van het Oera-Linda-boek gelijk hebben met hun bewering, dat dergelijke dwaasheden bij latere overschrijvingen zijn ingeslopen, dan toch nog blijft het alleronwaarschijnlijkst, dat van een cultuur, zooals die vijf honderd jaar vóór Christus in Friesland bestaan zou hebben, niets anders is overgebleven dan een enkel manuscript.
Intusschen is men het, wat de onechtheid betreft op een enkele uitzondering, vrijwel eens, de vraag blijft, wie zich de ontzaglijke moeite getroost heeft, dit honderden bladzijden dikke werk te schrijven of men kan misschien beter zeggen te dichten, daar het Oera-Linda-boek voor een groot deel een waar kunstwerk is.
Cornelis Over de Linden werd genoemd, maar anderen bestreden zulks. Over de Linden, hij mocht dan grooten schrijflust bezitten, was een betrekkelijk ongeletterd man, wiens taal en stijl alles te wenschen over lieten.
Daarom werden naast Over de Linden al spoedig andere namen genoemd, vooral de Heldersche predikant Haverschmidt (Piet Paaltiens) en dr. Eelco Verwijs werden als de daders gedoodverfd.
Dr. de Jong tracht in zijn pas bij A.J. Osinga te Bolsward verschenen werk aan te toonen, dat dr. Eelco Verwijs en niemand anders de dader is. Verwijs toch was een geestig man, die reede vroeg getoond had groote vaardigheid te bezitten in het parodieeren van Middel-Nederlandsche gedichten. En hij zag bovendien niet tegen een klein vervalschinkje op. Had hij niet in een bloemlezing uit Middel-Nederlandsche gedichten een paar proeven van zijn eigen hand stiekem ingelascht, om zijn geleerde collega’s er te laten intoopen?
Deze Eelco Verwijs nu kwam na te Leiden onder leiding van moderne geleerden als Fruin en Bakhuizen van der Brink geschiedenis gestudeerd te hebben in Friesland, eerst als leeraar aan het Gymnasium te Franeker, later als provinciaal bibliothecaris.
Hier werd hij opgenomen in den kring van het Friesch Genootschap, waar men zich weliswaar ijverig op historische studiën toelegde, maar van het nieuwe geschiedenisonderzoek om het maar platweg uit te drukken „geen kaas had gegeten”. Men voer hier in het oude zog verder en zwoer meestal nog bij de oude kroniekschrijvers als Okko van Skarl en dergelijke. Zoo bouwde men een op verouderde overleveringen of erger nog op verzinselen van kroniekschrijvers berustende historie van Friesland op, die wel de verdienste had voor de Friezen zeer vleiend te zijn, maar den toets der critiek niet doorstaan kon.
Eelco Verwijs zou met de beste bedoelingen bezield in dezen kring nieuw frisch leven willen brengen, maar men was hier van deze nieuwlichterij niet gediend, vooral niet als zij van den kant kwam van een niet-Fries als dr. Verwijs.
En toen heeft de geestige bibliothecaris het Oera-Linda-boek in elkaar gezet om den kring der Friesch-Genootschapsgeleerden er eens te laten inloopen.
⁂
Zie hier de hypothese van dr. de Jong. Evenwel bleven er in verband met deze hypothese nog enkele moeilijkheden op te lossen.
Vooreerst het schrift, het zonderlinge letterschrift, waarin het werk geschreven is op vergeeld — waarschijnlijk voor de mystificatie opzettelijk verkleurd — papier. Dr. de Jong geeft een oplossing aan de hand. Op de provinciale bibliotheek had men als amanuensis in dien tijd een zekeren Eilers, wiens handschrift eenige overeenkomst vertoont met dat van den schrijver van het Oera-Linda-boek. Het zou voor de hand liggen, dat dr. Verwijs Eilers had opgedragen om zijn in gewoon schrift geschreven ontwerp over te schrijven, zoogenaamd voor den eigenaar van de oude kroniek, die een letterlijke copie zou willen hebben.
Eilers deed dus onbewust aan het bedrog mee en dat de man later zenuwpatiënt werd is volgens dr. de Jong een aanwijzing in die richting. Toen het Eilers toch duidelijk werd aan welk wetenschappelijk misdrijf hij medeplichtig was gegeweest, zou hij het zich zoo hebben aangetrokken, dat zijn gezondheid ernstig geschaakt werd.
Een tweede vraag: Hoe kwam het handschrift nu in handen van C. over de Linden? Ook hier heeft dr. de Jong de oplossing bij de hand. Verwijs, hoewel niet persoonlijk in Den Helder bekend, had er toch eenige relaties. En die kenden Over de Linden, een zonderling man met nog zonderlinger ideeën. Tot zijn liefhebberijen behoorde o.a. dat hij lange verhandelingen op schrift bracht, vooraf over godsdienstige onderwerpen. Voorts bezat hij oud-Friesche handschriften en als hij een glaasje te veel op had, mocht hij gaarne pochen op zijn oud-Friesche afkomst. Dezen zonderling een oud handschrift te laten koopen, dat de oudheid en voornaamheid van zijn familie onomstootelijk zou bewijzen, was slechts een klein kunstje.
De groote moeilijkheid begon pas toen Over de Linden het werk eenmaal goed en wel in handen had, het uitgaf voor een stuk dat in zijn familie van vader op zoon was overgeërfd en het voor een vertaling aan dr. Verwijs slechts bij stukjes en brokjes wilde afstaan.
⁂
Ziehier de korte inhoud van dit in elk geval belangwekkende boek. Zij, die in de Oera-Linda-boek-literatuur eenigszins thuis zijn, zullen gemerkt hebben, dat deze hypothese veel overeenkomst heeft met die welke Johan Winkler na zijn dood openbaar liet maken, n.l. dat Haverschmidt en Verwijs de hoofddaders waren en met die welke de heer J.J. Hof in 1923 in „It Heitelân” verkondigde. Volgens den heer Hof is Cornelis over de Linden de dader, die hulp zou hebben gehad van Haverschmidt en Verwijs. Een groote overeenkomst tusschen de heeren Hof en de Jong is voorts dat beiden wijzen op het parodie-karakter van het Oera-Linda-boek, een zijde, die door vroegere schrijvers veel te weinig belicht is en die ons in den schrijver wel iets meer doen zien dan een wetenschappelijk falsaris. Het Oera-Linda-boek is niets meer of minder dan een kunstwerk en niet ten onrechte gebruikt dr. de Jong als motto van zijn werk de volgende woorden van Multatuli: Ik ken niemand, die den litterarischen vorm aan ’t boek kan geven. ’t Is opmerkelijk, dat hierop door de aanvallers der echtheid zoo weinig gelet wordt. Gij (dr. P.A. Tiele) noemdet E(elco) V(erwijs) als de mogelijke vervaardiger, Welnu dan is E.V. een groot kunstenaar, die, dunkt me, moeite zou gehad hebben zich als zoodanig te verbergen”.
S.D. de J. (Slot volgt).
[deel] II. [16-12-1927]
JJK 291a Jong, S.D. de - Het geheim van het Oera-Linda-boek [bespr. boek M. de Jong] - LC 16-12-1927.
Men kan zich in verband met het hier besproken boekwerk twee vragen stellen. Ten eerste. Is het mogelijk, dat dr. Verwijs de auteur is, en ten tweede: Is hij inderdaad de schrijver van het Oera-Linda-boek.
Wat de eerste vraag betreft, ieder zal na lezing van dr. de Jong’s werk tot de conclusie moeten komen dat de mogelijkheid van het auteurschap van Verwijs werkelijk bestaat. Het is dr. de Jong gelukt heel wat bewijsmateriaal aan te voeren voor de stelling, dat de ideeën van Verwijs op maatschappelijk, godsdienstig en wetenschappelijk gebied veel overeenkomst vertoonen met die in het Oera-Linda-boek. En voorts de heer J.J. Hof heeft in 1923 in een zeer gedocumenteerd artikel reeds aangetoond, dat de schrijver naar alle waarschijnlijkheid een West-Fries is. Alleen mag hier de vraag gesteld worden of de ideeën in het Oera-Linda-boek verkondigd nu specifiek het eigendom van dr. Verwijs zijn of dat zij min of meer gemeengoed waren onder een groot deel der z.g. „verlichte intellectueelen in het midden der negentiende eeuw. Wij hellen tot de laatste zienswijze over.
Dr. de Jong echter volstaat niet met het beantwoorden van de eerste vraag.
Zijn taak is derhalve aan te toonen, dat dr. Verwijs inderdaad het boek geschreven heeft. Is hij in die taak geslaagd? Juridisch" in geen geval. Denkt men zich de zaak als rechtzaak met Verwijs als verdachte en dr. de Jong als officier van justitie, dan zou Verwijs’ advocaat gemakkelijk spel hebben om aan te toonen, dat noch het wettig, noch het overtuigend bewijs geleverd was.
Positieve bewijzen brengt dr. de Jong zoo goed als niet bij. Teleurstellend is bepaald het hoofdstuk Verwijs en de Friezen (bladzijde 95 e.v.) Van eenig bewijs, dat Verwijs te Leeuwarden is opgetreden als de verkondiger van een nieuw historisch evangelie, die bij zijn conservatieve confraters het heilige kruis nakreeg, is weinig te vinden. Wel kraakte het zoo nu en dan met deze en gene en pruttelt Verwijs soms over onwil of verregaande luiheid van de leden der afdeeling taalkunde van het Friesch Genootschap, wel klinkt in enkele zijner lezingen en artikelen in de „Vrije Fries” iets door van heb nieuwe geluid eener nieuwe geschiedkundige lente, die nog steeds niet over Friesland gekomen was, wel geeft Verwijs scherpe critiek op de winterjounenocht van Waling Dykstra en Tsjibbe Gearts, maar wij hadden toch minstens van dr. de Jong verwacht, dat hij ons zou aantoonen, dat de historici van de oude en de nieuwe school het ernstig met elkaar aan den Stok kregen.
Strubbelingen tusschen beoefenaars van Friesche taal, letterkunde en geschiedkunde zijn in den loop der tijden zoo’n gewoon verschijnsel geworden, dat wij ons de geschiedenis der Friesche cultuubeweging er bijna niet buiten kunnen denken.
⁂
Voor de onvrijwillige medewerking van H. Eilers wordt geen enkel bewijs bijgebracht dan eenige letters uit het handschrift van den amanuensis die overeenkomst zouden vertoonen met die uit het Oera-Linda-boekmanuscript. Dat het weinig is geeft dr. de Jong zelf tot op zekere hoogte toe.
Hij schrijft: „Al moeten wij het betreuren, dat het Oera-Linda-boek ons niet meer materiaal ter vergelijking biedt, geen enkele regel, geen enkel woord zelfs, toch meen ik dat het karakter van deze losse, maar zorgvuldig gevormde letters geen redelijke twijfel omtrent hun herkomst overlaat.”
Wij achten ons op dit gebied niet bevoegd, maar vinden het als leek toch een vrij poover bewijs voor de stelling, dat dr. Verwijs een dergelijk bedrog gedaan zou gekregen hebben van een man als Eilers, die bovendien het copieerwerk zou hebben verricht in rijkstijd in het gebouw der bibliotheek, waar velen, ook oudheidkundigen zoo maar konden binnenvallen.
Met het oog op de geheimhouding voor Verwijs toch zeker een riscant bedrijf.
⁂
Dr. de Jong’s groote kracht, zooals hij zelf toegeeft, ligt dan ook niet in het leveren van het „wettig” bewijs als wel in het aanvoeren van psychologische argumenten. Maar Dostojewski merkte reeds op, dat de psychologie is een stok met twee punten en men kan heel wat psychologische argumenten aanvoeren, die juist ernstige twijfel aan Verwijs’ auteurschap doen rijzen. Allereerst het motto van Multatuli. De kunstenaar, die het Oera-Linda-boek schiep, zou ontzaggelijk veel moeite gehad hebben om zijn kunstenaarschap verborgen te houden. Welnu, wat is er behalve het Oera-Linda-boek van Verwijs’ auteurschap te zeggen? De paar middel-Nederlandsche gedichten, die dr. de Jong ‚aanhaalt, zij mogen enkele geestige regels bevatten, zij lijken toch veel meer het werk van een niet onbegaafd student dan van een kunstenaar. Hij parodieerde knap, dr. Verwijs, zeker, maar voor een werk als het Oera-Linda-boek is toch werkelijk iets anders noodig dan een handigheid op het gebied van de parodie. Behalve de vorm blijft er toch ook nog de inhoud, de compositie, de hier en daar stoute fantasie. En deze laatste missen wij nu al te zeer in het overige werk van Verwijs, dat de schrijver ons ter vergelijking biedt. Vooral de ballade van den schijnheiligen monnik is wat den inhoud betfeft een zielig stukje werk.
Een sterk psychologisch argument tegen het auteurschap van Verwijs lijkt ons het volgende: Volgens dr. de Jong heeft de zoo vroolijke opgezette Oera-Linda-boek-geschiedenis tragische gevolgen gehad. Zij zou geleid hebben tot de zenuwziekte van Eilers en tot den vervroegden dood van Over de Linden.
En Verwijs, die dus moreel schuldig was aan het verwoesten van twee menschenlevens heeft, naar dr. de Jong zegt, tot het laatst van zijn leven veel genoegen gehad van de Oera-Linda-boek-geschiedenis.
Nog in 1879 in het sanatorium te Meran tapte hij er moppen op tegen dr. Sterck (volgens een artikel in „De Zondagscourant” van 6 en 13 Maart 1927).
Zou Verwijs nu zoo’n ongevoelig mensch zijn, dat hij, men vergeve ons het woord, zoo’n zware verantwoordelijkheid aan zijn laars lapte? Het lijkt al zeer onwaarschijnlijk.
Dr. Sterck schrijft verder o.m.: ‚„Toen ik hem op den man af vroeg wie de auteur was van het Oera-Linda-boek, zei hij geheimzinnig er alles van te weten.
„Maar dan heeft u er ook de hand in gehad!” riep ik vragend uit. Verwijs ontkende niet, maar verborg zijn antwoord in een ironisch lachje, waaruit mij voldoende duidelijk werd, dat ik juist geraden had.
Wij twijfelen niet aan de betrouwbaarheid van dr. Sterck. Maar toch kunnen wij niet nalaten dit antwoord te plaatsen in het kader van den indruk dien wij door het lezen van al het materiaal, dat dr. de Jong met zoo’n bewonderenswaardigen ijver verzameld heeft, gekregen hebben. En deze is, dat wij zonder een andere hypothese op te stellen, toch ernstig moeten twijfelen aan het auteurschap van Verwijs.
⁂
Dikwijls wordt in verband met het O.L.B. het driemanschap Verwijs, Haverschmidt, Over de Linden genoemd. Als het werk van dr. de Jong een ding onweerlegbaar heeft aangetoond, dan is het wel, dat er geen mededaderschap tusschen Verwijs en Over de Linden heeft bestaan. Hun briefwisseling wijst dit voldoende uit. Deze briefwisseling nu wordt door dr. de Jong als een bezwarende omstandigheid tegen Verwijs aangevoerd. Verwijs blijft zich zelf niet gelijk. Tegen Over de Linden hemelt hij het handschrift op, tegen Gedeputeerden toont hij zich zeer gereserveerd, tegen Johan Winkler, die over de zaak rapport moet uitbrengen aan het Friesch Genootschap, spreekt hij meer of minder sterk zijn vermoeden van onechtheid uit.
En later draait hij nog een paar keer om. Dit zou volgens dr. de Jong er op wijzen, dat hij met de zaak verlegen zat. Over de Linden heeft het door hem vervaardigde handschrift en wil het slechts bij stukjes en brokjes afstaan, opdat Verwijs het vertale.
Maar dat is natuurlijk de bedoeling van den auteur niet. Niet hij, maar anderen moeten vertalen. Hij moet buiten schot blijven. Daarom moet hij het handschrift Over de Linden uit handen zien te spelen, daarom uit hij zijn twijfel over de zaak aan Johan Winkler, opdat als later de zaak blijkt niet in orde te zijn, hij vrij spel zal hebben.
Vernuftig gevonden, voorwaar, maar wie de zaak objectief ziet, vindt een veel eenvoudiger oplossing.
Verwijs was allesbehalve een dor kamergeleerde. Ook niet een bureaucraat. Hij zal naar de karakterschets, zooals ons die van hem is overgeleverd iets van een koopman en diplomaat in zich gehad hebben. Daar krijgt hij plotseling een paar zijdjes van een oud handschrift in handen. In het Oud-Friesch nog wel, dat zijn sterkste zijde niet is. Het ziet er een beetje verdacht uit, maar je kunt nooit weten. Coûte que coûte, het in handen zien te krijgen en het voor Over de Linden bladzijde voor bladzijde te vertalen? Het zou beteekenen, dat hij zijn naam als geleerde op het spel zette.
Er van afzien? Dat gaat ook niet, als het toch eens echt bleek te zijn.
„Van de onechtheid kon een man als Verwijs zich in drie minuten overtuigen”, zal men ons tegenwerpen.
Maar dezulken vergeten, dat een in casu verantwoordelijk man als Verwijs er wel eenigszins anders tegenover stond als wij, die met de gedachte aan de onechtheid van het Oera-Linda-boek zijn opgegroeid.
Bovendien tusschen echtheid en mystificatie na 1860 liggen heel wat mogelijkheden. Kan het — met vreemde toevoegselen tusschen den tekst — ook eenige malen zijn overgeschreven? Of een mystificalie van enkele eeuwen terug zijn, met een of ander voor de geschiedenis belangrijk doel gemaakt? Verwijs is — ook al is hij absoluut onschuldig aan het Oera-Linda-boek — in, een moeilijk parket.
Hij moet zich er zien uit te redden. Ten eerste moet hij het volledige handschrift onder zich hebben. Hij probeert het op alle mogelijke manieren, vleit Over de Linden, wendt vervolgens onverschilligheid voor. Hij acht het niet wenschelijk de zaak zelf ter hand te nemen, hij toch heeft een naam als geleerde te verliezen en laat er liever een ander voor opdraaien. Zijn keus valt op Johan Winkler. Ten overvloede zegt hij hem zijn twijfel en — dit is belangrijk — wijst hem op een paar zeer zwakke punten in de betrokken fragmenten.
Was het werkelijk zijn vooropgezette bedoeling anderen er te laten inloopen, dan zou hij zich niet zoo sterk hebben uitgedrukt. Hij had zich toch zonder de punten uitdrukkelijk aan te wijzen, ook wel op de ruimte kunnen houden.
En nu zijn houding van later, toen hij overal te pas en te onpas met het Oera-Linda-boek de draak stak en voorgaf dat steeds gedaan te hebben.
De heeren de Jong en Hof zijn het eens over de houding van Johan Winkler, voor wie het Oera-Linda-boek een verdrietelijke geschiedenis was, daar hij zijn heele leven lang gevoelde, dat men hem had willen dupeeren, door hem juist uit te kiezen rapport over de zaak uit te brengen.
Maar gesteld, dat Verwijs er ook ingeloopen is, dan was zijn aanvankelijke twijfel een nog veel grooter blaam. De ernstige Johan Winkler piekerde er zijn heele leven over en maakte nog testamentaire beschikkingen bovendien. De spotter Eelco Verwijs dreef nadat zijn twijfel tot negatieve zekerheid gegroeid was, den spot met de geheele zaak en vertelde smakelijk, dat hij reeds in den trein van Helder terug had zitten te schudden van het lachen over de stoepen der oude Friezen, over neef Teunis, ja kortom over alles. Beiden, Johan Winkler zoowel als dr. Eelco Verwijs, reageerden op de zaak ieder naar hun aard.
⁂
En nu ten slotte Johan Winkler. Het zou voor een ernstig man en orthodox Christen onverklaarbaar zijn, dat hij Verwijs en Haverschmidt postuum zou beschuldigen zonder de innerlijke overtuiging te hebben, dat hij de zaak juist zag.
Deze overtuiging had Johan Winkler naar alle waarschijnlijkheid ook. Maar als het iets meer was dan subjectieve overtuiging, waarom komt hij dan met geen enkel argument, waarom houdt het relaas van zijn bevindingen dan op, zoodra de cardinale kwestie ter sprake komt: Wie heeft het Oera-Linda-boek geschreven?
En nu ten slotte: Zeer veel argumenten van dr. de Jong hebben wij onbesproken gelaten: deels omdat wij er als leek geen oordeel over durven vellen, deels omdat het onmogelijk is in een dagbladartikel het lijvige werk op den voet te volgen. Ons doel was slechts aante toonen, dat dr. de Jong wel eens wat al te gauw met zijn conclusies gereed staat en dat ernstige twijfel aan het auteurschap van Verwijs ondanks het zeer verdienstelijk werk van den Amsterdamsche privaat-docent kan blijven bestaan.
De groote verdienste van „Het geheim van het Oera-Linda-boek” is dat er ontzaggelijk veel materiaal in bijeengegaard is, dat op tal van zaken ook die, welke niet direct met het O.L.B. in verband staan, zooals het Friesche cultuurleven in de 19e eeuw, nieuw licht werpt.
Intusschen moeten wij eindigen met een variant op Werner Sombart’s oordeel op de Marxistische waardeleer: „Het auteurschap van Verwijs van het Oera-Linda-boek mag niet onbewijsbaar zijn, bewezen is nog niet.”
S.D. de J.
[deel III. 29-12-1927]
JJK 292 Jong, M. de - Het geheim van het Oera-Linda-Boek (met naschrift van S.D. de Jong) (get. 27-12-1927) - LC 29-12-1927.
Ingezonden stukken.
(Buiten verantwoordelijkheid der Redactie).
Van bevriende zijde gewerden mij de nummers van de „Leeuwarder Courant” van 15 en 16 December 1927, waarin een bespreking voorkomt van mijn onder bovenstaande titel verschenen boek, van de hand des heeren S.D. de J. Ofschoon er alleszins reden toe zou zijn, begrijp ik, dat u mij niet kan toestaan een anti-kritiek te schrijven. Wanneer zich geen geschikte gelegenheid voordoet, de betekenis van deze kritiek in het licht te stellen, dan zal ik het gericht over hem en mij aan de tijd moeten overlaten. Waar ik van de meest vooraanstaande mannen op het gebied der Nederlandse, Germanistise en Sanskritistise taalwetenschap reeds de ondubbelzinnigste bewijzen van instemming met de door mij geleverde wetenschappelijke bewijsvoering mocht ontvangen, kan ik dat met een gerust hart doen.
U zal het echter, geachte redactie, vergeeflijk vinden, wanneer ik niet nalaten kan beroep aan te tekenen tegen feitelijke onjuistheden in de mededelingen van de criticus betreffende mijn werk, althans wanneer die geen kleinigheden betreffen, maar de grondslagen raken, waarop het rust.
Al het andere over het hoofd ziende, zij het mij daarom geoorloofd, de aandacht te vestigen op de volgende zinsneden uit het stuk van de heer S.D. de J.:
„Het is dr. de Jong gelukt heel wat bewijsmateriaal aan te voeren voor de stelling, dat de ideeën van Verwijs op maatschappelijk, godsdienstig en wetenschappelijk gebied veel overeenkomst vertoonen met die van het Oera-Linda-boek.”
En verder: „Alleen mag hier de vraag gesteld worden, of de ideeën in het Oera-Linda-boek verkondigd, nu specifiek het eigendom van dr. Verwijs zijn, of dat zij min of meer gemeengoed waren onder een groot deel der zg. „verlichte” intellectueelen in het midden der negentiende eeuw.”
Hoe ontzaglijk veel misverstand er in deze enkele zinnen opgesloten ligt, valt in een paar woorden niet te zeggen. Ik moet hier volstaan met te verklaren, dat ik niet heb willen bewijzen, datgene waarvan het bewijs mij, volgens de heer S.D. de J. zoo goed gelukt is. Het zijn niet Verwijs’ ideeën, die zich duidelijk en overal weerspiegelen in het O.L.B. maar juist die van de „verlichte intellectuelen”. Pas in het allerlaatst van mijn boek (bl. 400) stel ik de vraag, in hoeverre en in welke vorm Verwijs in het O.L.B. zijn eigen denkbeelden heeft willen vertolken. Er is dus geen sprake van, dat ik uit die z.g. overeenkomst een bewijs voor Verwijs’ auteurschap heb willen trekken. Volgens de redeneertrant, die de heer S.D. de J. er op na houdt en die hij mij ook toedicht, zou ieder der andere „verlichte intellectuelen” evengoed voor het auteurschap in aanmerking kunnen komen.
In het O.L.B. is het „verlichte intellect” niet subject, maar object, namelijk geparodiëerd object.
De elementen, door mij ter vergelijking gebezigd, zijn dan ook van geheel anderen aard. Ik heb aangetoond, dat bepaalde voostellingen en bepaalde voorstellingscomplexen, die in het werk van Verwijs voorkomen, teruggevonden worden in, of ten grondslag liggen aan evenzeer bepaalde voorstellingen en voorstellingscomplexen van het O.L.B., die men herkent, zooals men de hooivork uit de inventaris van de boer terugvindt in de inventaris van de dief.
Mijn bewijs is dus niet gegrond op overeenkomst in vage, onpersoonlijke gevoelens of ideeën, maar op overeenkomst in bepaalde, positieve voorstellingsgroepen.
Ik weet wel, dat men het over het algemeen beter waarderen zou, wanneer ik ergens een kladje gevonden had in een boek van Haverschmidt luidende bijvoorbeeld: „Wel Frans, wat hebben we die Genootschapslui te L. er netjes in laten tippelen. Zeg aan O. de L. enz. t.t. E.V.”
Is men echter, nu het lichamelijk corpus delicti ontbreekt, zoozeer in materialistise oppervlakkigheid verstijfd, dat men een geestelijk corpus delicti niet weet te onderscheiden?
„Zeer veel argumenten van dr. de Jong hebben wij onbesproken gelaten, deels omdat wij er als leek geen oordeel over durven vellen, deels...” Aldus mijn recensent.
Het spijt mij wel, maar ik kan het vermoeden niet onderdrukken, dat de heer S.D. de J. zich ook leek verklaard heeft op die punten, die de meest positieve en concrete vergelijking toelaten. Ik geef toe, dat ze niet iedereen direct voor de hand liggen. Als dat zoo was, zou het bewijs wel 50 jaar vroeger geleverd zijn.
Wanneer men echter verklaren durft: niet: voor zoover ik de inhoud versta, is het bewijs niet geleverd, maar zeer uitdrukkelijk: het bewijs is niet geleverd, dan kan men zich niet meer op zijn lekendom beroepen.
Daarbij komt nog, dat enkele der punten, die tot evidentie moeten leiden, door mij zeer nadrukkelijk naar voren gebracht zijn. Een daarvan heb ik zelfs aangeduid als: Ontmaskering van de schrijver. Daarin wordt het omschrift van het middelste spakenrad: T’ANFANG, (Zie mijn boek op bl. 169) aangewezen als een der voornaamste corpora delicti, uit Verwijs’ inboedel afkomstig.
Zonder dus ook maar het minste te laten vallen van de bewijskracht mijner andere argumenten zou ik de heer S.D. de J. en allen, die een eerste indruk van het boek gekregen hebben, de studie van de bl. 167-173 het allereerst in overweging willen geven. Laat hij deze beproeven te weerleggen op een plaats, waar ik hem bereiken kan. Dan kunnen we verder zien.
Amsterdam, 27 December 1927,
Dr M. de Jong Hzn.
De heer de Jong heeft ons blijkbaar misverstaan en legt ons nu een meening in den mond, die de onze niet kan zijn en welke niemand, die zijn boek ook maar oppervlakkig heeft doorgebladerd, zou kunnen verkondigen. Het spreekt toch vanzelf, dat alle dwaasheden, die in het Oera-Linda-boek staan de ideeën van dr. Verwijs niet weergeven. Onze geachte opponent en wij zullen het op één punt wel eens zijn, n.l. dat men hier met een parodie te doen heeft. En als wij dan ook spraken van de ideeën in hat O.L.B. bedoelden wij natuurlijk de denkbeelden, die tusschen de regels door in deze grootsche parodie zijn te vinden.
Wij wenschten slechts te constateeren, dat dr. de Jong duidelijk heeft aangetoond dat deze denbeelden heel goed van dr. Verwijs afkomstig kunnen zijn. Alleen hebben wij ons afgevraagd of deze ideeën nu specifiek het eigendom van dr. Verwijs waren, of dat zij misschien min of meer gemeengoed zouden zijn van vele z.g. verlichte intellectueelen uit de negentiende eeuw. Hiermee bedoelden we niet de Genootschapsleden, die de schrijver van het O.L.B. er wilde laten inloopen, maar de Hollandsche intellectueelen, op wie de meest moderne ideeën uit binnen- en buitenland reeds hadden ingewerkt en die in dezelfde geestelijke sfeer leefden als dr. Verwijs.
Tot deze laatste zienswijze helden en hellen we over op gronden, die wij, indien wij er den benoodigden tijd en plaats voor vinden, nog eens hopen uiteen te zetten.
Wij geven toe, dat de door dr. de Jonge aangehaalde passage door haar kortheid misschien niet aan overmaat van duidelijkheid lijdt maar we zouden een meester in de kunst om „tusschen de regels door te lezen” als dr. de Jong de laatste achten, om haar verkeerd te begrijpen.
Wat de rest van dr. de Jong’s artikel aangaat, met belangstelling zullen we te zijner tijd kennis nemen van zijn verdere critiek op onze tegenwerpingen tegen zijn — wij geven het hier ten overvloede nogmaals gaarne toe — zeer verdienstelijk werk, dat ook wij beschouwen als het standaardwerk van de Oera-Linda-boek-literatuur.
Niets zal ons aangenamer zijn dan dat dr. de Jong onze en eventueele anderer tegenwerpingen volkomen zal weten te ontzenuwen. Wij behooren gelukkig niet tot de menschen, die niet kunnen verdragen, dat anderen anders oordeelen dan zij.
En wij gunnen onzen opponent gaarne, dat hij als de kroon op zijn geweldig omvangrijken en grooten eerbied wekkenden arbeid er in zal slagen ieder van de juistheid zijner hypothese te overtuigen.
S.D. de J.
Noot
- ↑ In dit afschrift zijn gecorrigeerd: C.L. → C. (Over de Linden); Verwys → Verwijs