Jump to content

1877 Berk Pandschâb

From Oera Linda Wiki

De Pandschâb-Kolonie Van Het Oera Linda-Bôk,

Door J.F. Berk.

In bunten Bildern wenig Klarheit, / Viel Irrthum und ein Fünkchen Wahrheit. — Goethe (Faust).

Zwolle, H.C. Dröse. 1877.


[3] Het Oera Linda-Boek! Wat al beweging heeft het veroorzaakt, en terecht. — Geschiedvorschers kunnen hun zoeken en strijden staken: Germanen en Kelten zijn takken van den Frieschen stam, die meer dan veertig eeuwen de stormen des tijds heeft getrotseerd; Friezen zijn ’t, vrij en vroed en vroom, die eeuwen lang aan het weefgetouw der tijden gezeten, en menig belangrijk stuk in de geschiedenis der menschheid geweven hebben! Mythologen, die ons gepersonifiëerde natuurkrachten als goden der oudheid willen opdringen — zij hebben ’t mis: Odinn, Neptunus en de Peruaansche zonnezoon (Inca) zijn op Frieschen bodem opgegroeid; Vesta en Minerva op den schoot van Friesche moeders gewiegd! Beoefenaars van vergelijkende taalstudie hebben gedwaald, toen zij meenden, op ’t spoor te zijn van de wetten, waarnaar de talen in den loop der tijden veranderen en ineensmelten; hun ontcijferen van eeuwenoude documenten, van runen-, en spijker-, en hieroglyfen-inschriften, van munten — ’t is kinderachtig gebeuzel!

Het Oera Linda-Boek verstoort de harmonie der wetenschappen.

[4]

Wie wenn auf einmal in die Kreise

Der Freunde, mit Gigantenschritt,

Geheimnissvoll, nach Geisterweise,

Ein ungeheures Schicksal tritt —

Da beugt sich jede Erdengrösse

Dem Fremdling aus der andern Welt,

Des Zankes nichtiges Getöse

Verstummt und jede Larve fällt;

Und vor der Wahrheit mächt’gem Siege

Verschwindet jedes Werk der Lüge.[1]

Dát scheen de zending, aan ’t geheimzinnige Boek opgedragen! Ze is mislukt, die zending; het Oera Linda-Boek was te jong voor de taak. Wel had de gezant zich gedekt met het eerbiedwaardig zilverhaar der grijsheid; wel had hij zich het kemelsharen kleed van den godsman om de lendenen geslagen, maar de groeven en rimpels van den denkenden en wetenden ouderdom had hij niet kunnen aanbrengen, en het blozend jongelingsgelaat keek uit de kap van het kleed.

Zonder beeldspraak verder; het O.L.B. is geen handschrift uit den tijd, waarin het zich stelt. De taalkundige gronden, waarop de heer Beckering Vinckers de onechtheid heeft aangetoond[2], zijn tot nu toe niet weerlegd, en volgens uit stekende binnen-, en buitenlandsche linguïsten onweerlegbaar. Wel zegt de heer Gerrit Jansen:[3] „Bij nadere beschouwing is zulks,” n.l. de grammaticale fouten in ’t H.S. „bij mij geen bewijs voor de onechtheid,” — wel denkt de heer L.F. over de Linden er zoo over[4], — doch beiden [5] mogen ’t mij ten goede houden, dat ’k hunne argumenten als niets-zeggend beschouw en voorbijga, „for the same reason that physicians ought not to give their judgment of religion, and that butchers are not admitted to be jurors upon life and death ”.[5] Op eenige andere punten van hun brochures kom ’k straks terug.

Voor velen, die aan vergelijkende taalstudie nooit gedaan hebben, blijft ’t van groot gewicht, dat de verhalen van ’t O.L.B. onaangetast zijn, en dat Dr. Ottema beweert:[6] „het O.L.B. bericht niet ééne zaak, waarvan de onwaarheid door stellige uitwendige bewijzen kan worden aangetoond.” Het O.L.B. wijkt in z’n verhalen af van de Friesche traditie, doch daarin ziet Dr. O. juist een bewijs vóór de echtheid van ’t H.S., terwijl ’t O.L.B. merkwaardig overeenstemt met Gr. en Rom. schrijvers, hun verhalen zelfs aanvult.[7] ’k Stem ’t gaarne toe, en verklaar dit verschijnsel aldus: De heer Cornelis over de Linden, door den heer B.V. als vermoedelijke schrijver genoemd,[8] was door den heer Ernst Stadermann in kennis gebracht met den inhoud van eenige Gr. en Rom. schrijvers, zoodat hij zich daaraan kon houden, voor zooverre hij meende te moeten; de Friesche traditie, in dien hij die even nauwkeurig kende, heeft hij meer moeten verwerken, om den Friezen een rol op ’t wereldtooneel te geven, die zij volgens die traditie niet hebben gespeeld.

Is er echter één gedeelte van ’t O.L.B., dat de onechtheid overtuigend aantoont, dan zijn ’t de stukken, die over ’t verblijf der Friezen aan den Indus schrijven.

Die Pandschâb -kolonie zullen we nu behandelen.

[6] De Pandschâb, ongeveer zoo groot als Groot-Brittanje, heeft zijn naam ontvangen van vijf, pantscha (de vijf rivieren Indus, Satledsch, Dschelam, Tschinâb en Rawi), schoon de kortere Bias een zesde is. De N.O. hoek is bergachtig; het overige land is vlak, bestaande uit de vijf duabs; weinig landen zijn zoo geschikt voor bewatering en scheepvaart, als de Pandschâb. De zandstreken, die binnen, de vijf duabs van ’t N. naar ’t Z. loopen, duiden den voormaligen loop dezer rivieren aan. Het land vertoont in die streken alle soorten van verscheidenheid, van den weelderigsten plantengroei tot aan de zandwoestijnen en prairies; de noordelijke streken zien er uit, als de tuinen in Indië; de middelste streken zijn geheel zonder waarde; hier liggen grenslooze woestijnen, met gras en struikgewas bedekt, waar roofzuchtige nomaden door heen trekken. Eens waren deze streken echter goed bebouwd, zooals de ruïnen van steden, dorpen, tempels, vijvers, bronnen en waterloopen bewijzen. In westelijk Pandschâb ligt de Zoutof Kalabagh -keten, tusschen den Dschelam en den Indus[9] – Reeds door Alexander den Groote werd het land bezocht; in ’t begin der 10de eeuw door Mahmud van Ghasni verwoest; in 1526 bracht Baber het onder de heerschappij der Timuriden; in 1748 Akmed Schah Durani onder die der Afghanen; in 1768 drongen de machtig geworden Shiks het land binnen; in 1849 werd het bij het Britsche gebied ingelijfd.

In deze streken nu zette zich volgens het O.L.B. (2de uitg. p.105) een kolonie Friezen neer met de Moeder Geert, en noemden het land Geertmannia. Die naam is spoorloos verdwenen. In Carmania, hoezeer ook in klank [7] overeenkomend, is hij niet bewaard. Eerst toch begreep men onder dien naam (Carmania, Kerman) het land, dat zich van de Bagrada op de Perzische grenzen langs de kust van de Perzische golf en de Indische zee tot aan Gedrosia uitstrekte, en in koren, vooral echter in druiven van bizondere grootte, bij uitstek vruchtbaar was. Daarom werd het land genoemd naar het Arab. Char’mon, d.i. wijnberg en in ’t algemeen: schoon, vruchtbaar wijnland. In latere tijden begrepen de aardrijkskundigen, b.v. Ptolemaeus, onder denzelfden naam nog de groote noordelijke wildernis (thans Kerkh) en noemden dit woeste gedeelte: Carmania deserta. De grenzen van ’t geheel waren dan: ten W. Persis, ten Z. de Perzische Golf en de Indische Zee, ten O. Gedrosia en Aria, ten N. Parthia. Steden waren: Carmana, de hoofdstad; Sabis; Harmoza; Omana, een stapelplaats; enz.[10]

De Friezen bleven daar van 1551 tot 327 v.Chr. Ze bepaalden zich echter niet alleen tot ’t tegenwoordige Pandschâb, maar bewoonden inzonderheid de zuidelijke streken en ’t Indus-delta (O.L.B. p.165: „wij zeelieden, die bij de zee woonden.”) Daar leidden zij gedurende meer dan twaalf eeuwen een werkzaam leven, want: „onze zeestrijders bevoeren alle zeeën, die er te vinden waren.” (O.L.B. p.165.) En toch vindt men in ’t O.L.B. over deze kolonie weinig vermeld, n.l. niets meer dan een beschrijving der landstreek (p.221) ten tijde van Alexander den Groote; het optreden van Buddha (p.185), en den terugkeer der kolonie in ’t vaderland (p.165). De vraag rijst op: is er wel iets gebeurd, dat dien ouden Friezen belangrijk genoeg voorkwam [8] om aan te teekenen? Of zoo zij niet hebben aangeteekend, of hun geschiedenis verloren gegaan is, is er dan van hun bestaan aldaar ook iets merkbaar in de geschiedenis der hen omringende volken?

Als westelijke naburen van de Fryaszonen, noemt ’t O.L.B. (p.223): Iraniërs of Drangianen (wrangen), Gedrosiërs (gedrosten, weggeloopenen) en Oriten (vergetenen). „Al deze namen zijn hun door de nijdige priesters gegeven, omdat zij hen ontvlieden wegens de zeden en ’t geloof. Oostelijk wonen de Hindu’s „dat hinden beteekent,” zoo hebben hen de Yren (Iraniërs) en anderen genoemd.[11] Vestigen we een oogenblik ’t oog op de geschiedenis der Iraniërs en Hindu’s van ongeveer 1500 v.Chr., den tijd dus, dat de Friezen goed en wel langs den Indus gezeten waren.[12]

De drie hoogste kasten van ’t volk in ’t Gangesland noemen zich Ariërs en zijn van de vierde kaste door de kleur der huid sterk onderscheiden. ’t Is dan ook zeer aanneemlijk, dat de donkerkleurige bewoners reeds vroeger in Indië waren, en dat de Ariërs eerst later zich gevestigd hebben, om in de uitgestrekte vlakte een heerschappij te grondvesten, die zich later met hun godsdienst en hun beschaving over ’t geheele schiereiland en zelfs nog verder uitbreidde. Van waar zijn die Ariërs gekomen? Nagenoeg zeker is dit op te geven. Niet alleen hun naam reeds verraadt hun verwantschap met de bewoners van Iran, de Perzische Ariërs, ook hun taal is ’t naaste met ’t Zend verwant, en in de oudste vormen van hun godsdienst is de verwantschap met den godsdienst van Zarathustra in ’t oog loopend.[13] Eens waren beide takken [9]

der Ariërs één, en woonden hoogstwaarschijnlijk in de landen om den Kaukasus, doch ’t zij door overbevolking of om andere redenen verlieten zij die landstreek en begonnen hun zwerftocht. Geruimen tijd nadat zij hun vaderland, het zuivere Iran, Airyana Vejô, verlaten hadden, vestigden zij zich in Sughdha (Sogdiana), Môuru (Margiana) en Bakhdhi (Baktrië), en daar zuidwaarts in Harôyu (oud-Perzische Hariva, door de Grieken Areia geheeten) en in de landen van den Indus. Deze rivier bleef een tijdlang de Oostgrens van hun gebied; de Westgrens liep door ’t latere Medië, terwijl in ’t Z.W. en Z. Susiana en Perzië er nog niet toe gerekend kunnen worden. Dat de Arische stammen hier vertoefd en niet dadelijk het Gangesland veroverd hebben, blijkt uit de oudere Veda-liederen, waarin de Ganges niet voorkomt, terwijl de Indus als de heilige stroom of als „het water” in bizonderen zin (Sindhu) voorkomt. Ze woonden in ’t hier genoemde deel van Azië, toen volgens ’t O.L.B. de Friesche kolonie zich langs den Indus neerzette omstreeks 1550 v. Chr.). Of die Arische stammen rustige naburen voor de nieuwe kolonie waren, wordt in ’t O.L.B. niet gemeld; ’t is echter zeer te betwijfelen, daar de ruwe zwerftochten, onderlinge twisten en kleine oorlogen tegen de Turanische stammen, niet bizonder rustig op hun karakter zullen gewerkt hebben. ’t Zou er echter niet op verbeteren. Er was allengs een klove ontstaan tusschen de akkerbouwende stammen en zij, die ’t nomadenleven voortzetten. De oude Varunavereering was voor de zwervende stammen te zacht geworden en maakte plaats voor den wilden dienst van den krijgshaftigen Indra. [10] Godsdiensthaat paarde zich aan verschillend begrip van eigendomsrecht en de klove tusschen de twee groote afdeelingen der Ariërs werd hoe langer hoe breeder. Daar trad Zarathustra in Baktrië op als profeet, niet om den vrede te brengen maar het zwaard. Hij werkte in dienst der beschaving. Inziende, dat verbroedering tusschen de akkerbouwende en de nomadische stammen niet mogelijk was, trad hij met kracht op tegen de leefwijze en den daarmee samenhangenden godsdienst der laatsten.

„Het geloof in de Asuren of Ahura’s, dat is de levenden, een andere naam door de oude Aryërs aan de goden gegeven, en dat in twee verschillende geesten, die des lichts en der duisternis, witte en zwarte, vatte hij samen in de leer van den eenen waarachtigen God, Ahuramazda, den levenden Wijze, in wien de twee oorspronkelijke krachten Zijn en Niet- zijn, goed en kwaad, tot een onverbreekbare eenheid waren samengesmolten. Die God was de schepper der aarde, wier geest, door de woestheid der rooverbenden lijdend, tot hem om hulp riep, welke hij dan ook, door de openbaring aan Zarathustra gegeven, verleende. Hij was ook de stichter en beschermer der afgeperkte eigendommen, en geen werk was hem zoo welgevallig als het bebouwen van den grond. Waarheid en reinheid in gedachte, woord en daad, dat was het eerste wat hij vorderde van zijn aanbidders. Ook stonden hem als hemelsche geesten de geniën der waarheid, der onsterfelijkheid, des overvloeds, der goede gezindheid, en nog verschillende anderen ten dienste, en streden met hem tegen alle logen en boosheid.”

Dat was de nieuwe leer van Zarathustra Çpitâma, de oude godsdienst, door de [11] vereering van Indra verdrongen, bij de akkerbouwende huisvaders bewaard, gezuiverd, ontwikkeld, vervuld met een hoogeren geest. De strijd was forsch aangebonden en de nomaden gaven den aanval op hun godsdienst met woeker terug. Een hevige oorlog ontbrandde langs de Indus-oevers, waarin door beide partijen met afwisselend geluk gestreden werd. Eindelijk moesten de Indra-dienaars met hun priesters wijken voor de toenemende beschaving. Zij trokken den Indus over tot ze de Sarasvatî en later de Ganges bereikten, „om in die bekoorlijke streken dat gevestigde leven aan te vangen, dat zij in Baktrië hadden versmaad en bestreden.” In ’t grensgebied werd de strijd echter nog lang, misschien eeuwen lang nog voortgezet.

De Ariërs zijn dus over den Indus getrokken; hoogstwaarschijnlijk daar, waar de latere drie Indische veroveraars Alexander, Timur-leng en Nadir Schah binnengedrongen zijn, n.l. over Peshawar en Attock (beide in Pandschâb), want die weg is de eenige poort voor Indië. Zij moeten getrokken zijn door de landen der Friezen, zoodat dezen tusschen de twee oorlogvoerende partijen kwamen te wonen. Dat de doortocht op vreedzame wijze heeft plaats gehad, is niet denkbaar, en toch spreekt ’t O.L.B. er volstrekt niet over, zinspeelt er zelfs niet op. De schildering van den toestand der Hindus (O.L.B. p.221):

„Onder de Hindus en andere uit die landen zijn er sommige lieden, die in stilte bij elkander komen. Zij gelooven dat zij onverbasterde kinderen van Finda zijn. Zij gelooven dat Finda van uit het Himmellaiagebergte geboren is, van waar zij met hare kinderen naar de delta of [12] de laagte getrokken is. Sommigen onder hen gelooven, dat zij met hare kinderen op het schuim van de heilige Ganges naar beneden gegaan is. Daarom zoude die rivier de heilige Ganges heeten. Maar de priesters, die uit een ander land weg komen, lieten die menschen opsporen en verbranden; daarom durven zij voor hunne zaak niet openlijk uitkomen;” —

deze schildering, door Liudgert den Geertman gegeven, ziet op zijn tijd, dat is den tijd van Koning Alexander, en heeft met de eerste vestiging der Ariërs in ’t Gangesland niets te maken. Wel zegt ’t O.L.B. (p.223, Brief van Liudgert): „Bij hunne komst hadden onze voorouders zich ook aan den oostelijken oever van den Pangab neergezet, maar om der priesteren wille zijn zij ook naar den westelijken oever gevaren,” doch van dit verhuizen der Friezen zijn blijkens dien geheelen brief alleen priesterlijke hoog- en overmoed en schraapzucht de redenen. Geen enkel woord over den fellen eeuwenlangen strijd; en dat de bewoners van ’t Gangesland, wat de drie hoogste kasten betrof, met de Ariërs aan de westzijde van den Indus eenzelfde volk waren, toen Liudgert’s voorouders daar landden, wordt door den briefschrijver zelfs niet vermoed, getuige zijn woorden: „daardoor hebben wij de Yren en anderen leeren kennen.”

Maar ook in de geschiedenis der Ariërs is niets te vinden, wat een bestaan van die Friesche kolonie zou doen gissen;[14] en van Fasta’s lampe is geen schijnsel merkbaar, noch in den godsdienst der Hindu’s, noch in den Arischen vuurdienst, die reeds eeuwen bestond, vóór Geert en haar volgers aan den Indus zouden geland zijn.

[13] Van de godsdienstige gebruiken der aan de westzijde van den Indus achtergebleven Iraniërs meldt ’t O.L.B. (p.223), dat zij „geen priesteren dulden,” en dat wel in Alexanders tijd. — Het is niet moeielijk, na te gaan, hoe de schrijver van ’t O.L.B. tot deze uitspraak gekomen kan zijn. Reeds Herodotus meldt, dat de Perzen (afstammende van de Iraniërs) geen tempels hebben, en Dino (vader van den geneesheer Klitarchus uit Alexanders tocht door Azië) dat ze geen beelden toelaten. Beide feiten vindt men dan ook opgeteekend in ’t O.L.B. Volgens Herodotus zouden er ook geen altaren opgericht zijn. Waartoe dan priesters? zal de schrijver van ’t O.L.B. zich afgevraagd hebben. En toch hadden de Iraniërs in Alexanders tijd, en reeds een duizend jaar vroeger, priesters. In hun oudste geschriften komt âthrava en atharvan voor als algemeene naam van de priesters, die in verschillende rangen verdeeld waren. En was ’t aanzien der priesters door ’t optreden van Zarathustra en ’t wegtrekken der Indische Ariërs ook gedaald, toch zouden zij zich weer verheffen. Onder den invloed van een godsdienst, die den akkerbouw heiligde en het gezeten leven als een plicht gebood, woonden de Iranische stammen bij elkaar; zij hadden elk hun stamhoofd met drie mindere hoofden. Nevens dezen vormde zich een vaste priesterorde. Toen namelijk de oorspronkelijke athrava’s (vuurpriesters) zagen, dat zij niet machtig genoeg waren, om den godsdienst van Ahuramazda te vernietigen, sloten zij zich daarbij aan en verbasterden de zuivere leer van Zarathustra, die trouwens voor de groote menigte te wijsgeerig was. Zoo verdrongen ze de echte leeraars der Zarathustrische wijsheid, [14] in den Vendidâd Magara’s (Magers) genoemd, welke naam in de Veden reeds in den zin van offerpriesters gebruikt is. Dit verdringen der Magers, die naar ’t Westen togen, moet in de 10de of 9de eeuw vóór Chr. hebben plaats gehad.[15] na dien tijd steeg de nieuwe priesterorde voortdurend in aanzien.

Niet alleen de Hindu’s hadden dus ten tijde van Alexander (en vóór dien tijd) priesters, zooals het O.L.B. meldt, — doch ook de Iraniërs, ofschoon dit in Liudgert’s brief ontkend wordt. En zegt ’t O.L.B. (p.223), van ’t Gangesland sprekende: „in dit land zijn alle priesters dik en rijk,” reeds de Vendidâd kent âthrava’s, die den priesterrok ontwijden. „Zij hebben den paiti-dâna (den doek waarmee men bij ’t bidden en spreken der gewijde mâthra’s de lippen bedekte) voor den mond. Zij dragen de bareçma-roeden en den khrafçtradooder in de hand. Maar zij slapen den ganschen nacht, in plaats van te waken in aanhoudende gebeden, in plaats van dag en nacht de heilige boeken te lezen en op te zeggen, en zoo voor zich en de gemeente wier leiding hun toevertrouwd werd, den weg ten hemel te banen. Noem zulk een mensch geen athrava, o reine Zarathustra,” dus laat Ahuramazda zich hooren, „op bedriegelijke wijze draagt hij dien naam, want hij voert paiti-dâna, bareçma, khrafçtraghna, maar is niet omgord met de wet.”[16]

En hiermede zeggen we Zarathustra uit ’t geslacht der Haệcat-açpa’s vaarwel en verplaatsen ons in gedachte uit Baktrië naar de oevers van de heilige Ganges.

„Zestien honderd jaar geleden (593 v.Chr.) is [15] Atland gezonken, en te dier tijde gebeurde er iets, waar niemand op gerekend had. In het hart van Findasland op het gebergte ligt eene vlakte, die geheeten is Kasamyr, dat is zeldzaam. Aldaar werd een kind geboren ... Toen hij meerderjarig was, ging hij naar zijn ouders.... Zij durfden hem niet openlijk erkennen als hun eigen bloed. Met droefenis overstelpt over de valsche schaamte zijner ouders ging hij omdwalen ... Toen Jessos (Buddha) zoo twaalf jaar rondgereisd had, stierf hij.” (O.L.B. p.185 en 187).

Volgens Bunsen is Buddha geb. 598 en gest. 543 v.Chr. De opgave van de Ceylonsche Buddhisten is 543 v.Chr. als sterfjaar. Doch Lassen, Köppen en Max Müller achten deze opgave te hoog en stellen het sterfjaar tusschen 481 en 477 v.Chr. In ’t O.L.B. is ’t geboortejaar 593 v.Chr. en ’t sterfjaar is twaalf jaar na zijn meerderjarigheid. De vraag is dus, wanneer was Buddha meerderjarig. Bedenkende dat Buddha in ’t Oosten geboren is, zouden we geneigd zijn, ’t tijdstip van meerderjarigheid gelijk te stellen met dat der opname in de kaste, waartoe de ouders van ’t kind behoorden. Volgens Manu’s wetboek nu (uit de 4de eeuw vóór Chr.), wordt den Brahmanenzoon op zijn 8ste, den zoon van den Kschatriya op zijn 11de, den zoon van den Vaiçya op zijn 12de jaar ’t onderscheidingsteeken plechtig medegedeeld. Of wel werd men langs den Indus meerderjarig bij ’t bekleeden met den heiligen gordel (aiwyâonhanem), een oud-Arisch gebruik, later zoowel door Brahmanen als Pârzen overgenomen (Kuçti). Dit had in Buddha’s tijd en lang daarvóór op 15-jarigen [16] leeftijd, tegenwoordig op 10-, zelfs op 7-jarigen leeftijd plaats. Met beide onderstellingen stuiten we op ’t bezwaar, dat een jongeling van hoogstens 15 jaar voorzeker niet in staat is, een omkeer op godsdienstig gebied te weeg te brengen. Aannemelijker is ’t, met onze Nederl. Staatswetten de meerderjarigheid op 23 jaar te stellen. In dit geval is volgens ’t O.L.B. Buddha geb. 593 v.Chr. en gestorven op 35-jarigen leeftijd, dus in 558 of 557 v.Chr. overeenstemmende met Volney:[17] „Il (Boudda Gautama) obtint la divinité à 35 ans et passa à l’immortalité vers l’an 557 avant l’ère chrétienne.”

Als plaats van Buddha’s geboorte heeft ’t nauwkeurig onderzoek der laatste tijden de stad Kapilavastu aangegeven. Zij lag in Midden-Hindostan, en óf in ’t tegenwoordige Behar (’t oude landschap Magadha) tusschen de Ganges en de oostelijke vertakkingen van ’t Vindhya -gebergte, of wat waarschijnlijker is, in ’t landschap Audh (Oude), ten noorden van de rivier in de nabijheid van de tegenwoordige stad Gorakpur. Het O.L.B. geeft als geboorteplaats of beter als geboortestreek de vlakte Kasamyr overeenstemmende met Volney:[18] „... que parmi les incarnations de cette espèce que Dieu a déjà revêtues, l’une des plus saintes et des plus solennelles fut celle dans laquelle il parut dans le Kachemire, sous le nom de Fôt ou Boudh,” etc. Volney laat hier een Lama van Tibet spreken, en geen wonder, dat deze zijn eigen land Kaschmir[19] als geboorteplaats van Buddha aangeeft. Die opperpriester toch is niet alleen stedehouder der godheid, hij is volgens Tibetaansch-Buddhistische leer zelf incarnatie van Buddha. Die leer verkondigt dat de ziel van een Lama, [17] wanneer ze ’t lichaam verlaten heeft, na negen maanden, of zelfs na 2 en 3 jaar in kinderen van dien leeftijd weer verschijnen kan. Niet alsof ze hiertoe door de zielsverhuizing gedwongen is, maar ze verschijnt om de menschheid te verlossen. Volgens deze wet, die men met een Mongoolsch woord het chubilghanische erfrecht noemt, volgen de Tibetaansche pausen elkander op.[20] Dit pausdom ontstond in de 13de eeuw na Chr., toen de overste van ’t klooster Ssa-Kya bij Lhassa als opperhoofd der Lamaïsche geestelijkheid en tevens als schatplichtig heerscher van Tibet door den Mongoolschen Khan Kublaï erkend werd. Waar nu kon die Lama, den laatsten Buddha en dus ook zich zelven wel anders laten geboren worden dan in zijn Alpenland van Kaschmir, door hooge ligging en zuidelijke breedte begiftigd met zulk een gematigd klimaat, dat het eens door Oost en West gehouden werd voor een onvergelijkelijk paradijs, en dat de Oostersche dichters bezongen als het meesterstuk der natuur.”[21] Kaschmir tot geboorteplaats van Buddha maken is in de rede van dien Lama verschoonbaar, in ’t O.L.B. is ’t een fout, die alleen te verklaren is uit een onomzichtig gebruik van Volney’s Ruïnes. – Buddha dan is volgens ’t O.L.B. geboren.

„Zijn moeder was de dochter eens konings en zijn vader was een opperpriester. Om de schaamte te ontkomen moesten zij hun eigen bloed verzaken. Daarom werd het buiten de stad gebracht bij arme menschen.” (O.L.B. p.185.)

Tout comme chez nous, zou men te Parijs zeggen, na ’t lezen van den laatsten zin. Doch sinds Buddha’s geboorte [18] zijn 23 eeuwen verloopen en de tijden veranderd. De „opperpriester” van ’t O.L.B. was niet Roomsch-Katholiek. Hij behoefde niet het woord van Nic. Lenau te zeggen:[22]

Winter kam hereingeschlichen

In mein Herz; ... ...

Blumen, Vögel, rings im Haine,

All ihr frohen Bundsgenossen

Mahnt mich nicht, dass ich alleine

Bin vom Frühling ausgeschlossen!

Wat voor den R.K. priester of opperpriester noodzakelijk zou wezen, was ’t niet voor den Brahmaan. Indien deze één vrouw uit eigen kaste nam, mochten zijn drie andere vrouwen uit lagere kasten zijn. Niets belette den opperpriester de moeder van zijn kind tot zich te nemen; van smaad of schaamte kon geen sprake zijn. Of was ’t, omdat de koningsdochter te hoog stond voor den priester? Ook dat niet. De kaste der Brahmanen stond boven die der Kschatriya’s (krijgers), waartoe de koning dus ook diens dochter behoorde. Voor de Brahmanen moesten allen buigen. Zij waren de goden der aarde. Reeds in de Puruscha-Sûkta[23] ontstaat de Brahmaan (priester) uit den mond, de Râdschanya (koning en krijgsman) uit de armen, de Vaiçya (handelaar en landbouwer) uit de lendenen, de Çûdra (dienaar) uit de voeten van den geofferden Puruscha. Dezelfde kastenverdeeling bevindt zich ook in Manu’s wetboek, alleen Puruscha is tot Brahmâ geworden.

[19] En zelfs al had de jonge moeder haar spruit niet willen opvoeden, dan zou nooit een Brahmaan zich zelven in zijn kind[24] zoo verworpen hebben, om het door een lid der geminachte Vaiçya-kaste of der verachte Çûdra-kaste te laten groot brengen. Dan had de moeder eer de gewoonte van dien tijd gevolgd en haar kind jubelend in een heiligen stroom geworpen, of in een korf aan den boom den vogels tot voedsel geboden — als offer aan de godheid.

Voor dit gedeelte van ’t verhaal bestaat zelfs niet de schijn van waarheid, doch is te verklaren door te stellen, dat de schrijver van ’t O.L.B. Indische toestanden van 5 eeuwen vóór Chr. verwarde met Romaansche gebruiken (priester-coelibaat) van 18 eeuwen na Chr. — Of heeft altijd diezelfde Lama uit Volney’s Ruïnes hem verleid, zeggende:[25] „Il (Boudh) est né du côté droit d’une vierge de sang royal, qui n’a pas cessé d’être vierge en devenant mère,” er bijvoegende: „que le roi du pays, inquiet de sa naissance, voulut le faire périr, et qu’il fit massacrer tous les mâles nés à son epoque; que sauvé par des pâtres, Boudh en mena la vie dans le désert,” etc. De schrijver heeft dan ’t eerste gedeelte van de verzoeking weerstaan, en de tegennatuurlijke geboorte natuurlijk gemaakt; voor ’t tweede gedeelte is hij bezweken, en heeft er niet aan gedacht, dat met de natuur lijke geboorte de beweegreden van het onnatuurlijke verstooten van ’t kind verviel.

Hoe ’t zij, Buddha groeide op.

„Hij deed alles om wijsheid te verzamelen en te vergaderen. Zijn verstand was zoo groot, dat hij alles [20] begreep, wat hij zag en hoorde. Het volk beschouwde hem met eerbied, en de priesters werden bang voor zijne vragen.” (O.L.B. p.185).

Van deze bizonderheid in Buddha’s leven spreekt geen enkel zuiver Buddhistisch geschrift; de later toegevoegde legende zegt, dat zijn leermeester aan ’t hof van zijn koninklijken vader zich verbaasde over zijn kennis en hem reeds als kind voor den grootsten der goden hield. In verband met de voorafgaande omstandigheden echter, dat Buddha door een opperpriester verstooten en door arme menschen buiten de stad opgevoed was, is dit gedeelte van ’t verhaal onmogelijk. ’t Kan alleen gevloeid zijn uit de pen van iemand, die onbekend was met de verhouding, waarin de kastenafscheiding der Indische maatschappij de tijdgenooten van Buddha plaatste; uit de pen van een schrijver, die in de jeugd van Kapilavastu’s wijze een episode weefde uit de kindsheid van Nazaret’s profeet. Kon de laatste opgaan naar den tempel en zich neerzetten te midden der leeraars zijns volks, — voor den eerste was de priestermond gesloten. Tot de lessen der Brahmanen werd Buddha niet toegelaten, daar hij oogenschijnlijk tot de lagere kaste behoorde. De offerplechtigheid mocht hij slechts op een afstand bijwonen en van vragen aan de priesters richten kon geen de minste sprake zijn. Den Çûdra, die smadelijk tot een Brahmaan spreekt, werd een ijzeren stang in den mond gestooten, en mocht hij een Brahmaan tegenspreken, zoo werd hem kokende olie in mond en ooren gegoten.[26] — En wat den eerbied van ’t volk voor den jongen Buddha betreft, — de Indiër had alleen eerbied voor ’t onnaspeurbare [21] zijner godheden, voor ’t geheimzinnig plechtige der priesterhandeling bij ’t offer, maar bovenal voor den asceet. Hooger dan alle gaven, die men Agni (god van het vuur) geeft, staat het inwendig zich zelf verbranden van den mensch, staat de gloed (tapas) der ascese. Dat was de grondgedachte van ’t Brahmaïsme ten tijde van Buddha, waaruit de latere stelling ontwikkeld werd: geconcentreerde aandacht en boete zijn machtiger dan alle goden, daardoor ontgaat men de zielsverhuizing en kan men in het Brahma opgelost worden. Het toetroden tot de ascese is slechts aan de drie hoogere kasten, aan de dvidschas (tweemaal geborenen) veroorloofd; een çûdra kan met alle zelfverloochening hoogstens zooveel verkrijgen, dat zijn ziel een volgend maal tot deze gelukkigen behoort.[27] We komen hierop straks terug.

Door zijn ouders verstooten, ging Buddha voort, hinaus in ’s feindliche Leben.

„Al voort reizende ontmoette hij een Fryas zeevaarder, die als slaaf diende; van dezen leerde hij onze zeden en gewoonten. Hij kocht hem vrij en tot den dood toe zijn zij vrienden gebleven.” (O.L.B. p.187).

Hierdoor zouden dus eenige denkbeelden uit den Wraldadienst der Friezen overgegaan zijn in ’t Buddhisme. Het O.L.B. heeft echter de voorzorg genomen, op de groote verbastering te wijzen, die reeds dadelijk na Buddha’s dood in diens leer gekomen zijn (p.189). De controle wordt daardoor bemoeielijkt, doch merken we op, dat die verbasteringen uitgegaan zijn van de reeds bestaande priesters, dan wordt de zaak gemakkelijker. Die priesters toch waren Brahmanen, [22] en aan den boven-Indus en in Kaschmir ook slangenpriesters.[28] Van de laatste soort kan hier echter geen sprake zijn. De Brahmanen zullen natuurlijk Buddha’s leer in de richting van hun eigen godsdienst verbasterd hebben. Doch — van waar dan de Reliquiendienst en de Stûpa’s, waardoor ’t Buddhisme zoo scherp mogelijk van ’t Brahmaïsme gescheiden is; voor ’t laatste toch gold en geldt nog ’t in aanraking komen met een doode voor verontreiniging. Van waar de beeldendienst, onbekend in ’t oude Brahmaïsme, en dus onmogelijk ingevoerd door Buddha vijandige Brahma-priesters. Van waar de tempels, niet gebruikt door de oude Brahmanen, en gehaat bij de Fryas-zonen; eerst om met de volgers van Buddha te wedijveren, hebben de Brahmanen en later de Pârzen tempels gebouwd.[29] Van waar eindelijk het monnikenwezen, dat het Brahmaïstisch kluizenaarsleven verving; niet voorzeker van Buddha’s frieschen metgezel!

Bovendien missen we in ’t Buddhisme, wat we tengevolge van des stichters omgang met den Fries ’t eerst zouden zoeken, n.l. een wereldschepper, een almachtigen, wijzen, alleszienden, alleswetenden, alleen goeden, onveranderlijken Wralda. (O.L.B. p.137). Van dit alles geen spoor; ’t Buddhisme is volkomen atheïstisch. Door verbastering van Brahmaïstische priesters wellicht? Ook dat niet. Volgens deze laatsten ontplooit zich het Brahma tot wereld, doch schept de wereld niet. De philosophische ontwikkeling der Veda’s in de Vedânta doet het Brahmaïsme kennen als een monistisch pantheïsme, zoodat de religiense mensch uit de veelheid in ’t bestaande tot een ten gronde liggende eenheid besluit; van de peripherie tot [23] ’t centrum; alleen het Brahma bestaat werkelijk, al het andere is bestemd om in ’t Brahma te worden opgelost. Het Buddhisme heeft evenmin een bovenwereldlijk persoonlijk ingrijpend god, maar blijft in zijn praktische tendenz, op ’t bestaan aan deze zijde van den dood gericht, bepaald tot het individu, tot de enkele zielen; het houdt de peripherie vast en loochent het centrum; er bestaan enkele zielen, ’t Brahma bestaat niet. Het Buddhisme staat dan ook lijnrecht tegenover het Brahmaïsme en dat niet alleen, maar ook (in ’t O.L.B.) tegenover de „Oudste Leer”. De Wraldra uit ’t O.L.B. is niet anders dan het door den schrijver als persoon gedachte Brahma of Mahânâtma (wereldziel, groote geest). Vergelijken we om dit duidelijk te maken, de oudste Brahmaleer der Veda’s met „de oudste leer” der Friezen (O.L.B. p.137).

Voor den Hindu was volgens de oudste Veda’s het daar zijn een aanhoudend ontstaan (Indra, zon.), bestaan (Varuna, lucht) en vergaan (Agni, vuur); een aanhoudend vloeien en veranderen. De stof wordt echter meer of min geïgnoreerd; de wereld bestaat eigenlijk uit louter natuurkrachten; Indra, Varuna en Agni zijn juist het minst stoffelijk in de natuur. Voor die drieheid is een éénheid; de drie wereldmachten zijn slechts verschillende uitingen van ééne kracht. Die oirkracht, dat oirwezen, ’t welk zich drievoudig uit, is de mahânâtma, de groote geest (beter: groote adem), het Brahma, de wereldkiem. Het Brahma openbaart zich vóór alles in de zon, de levenscheppende, vruchtbaarmakende lichtbron, die alles met haar wezen doordringt; — en in den aether (akasa), waaruit alles door verdichting ontstaat. Als alles ziende zon is Brahma [24] alles ziende, alles wetende, maar in geen hoogere beteekenis dan bij den alles gadeslaanden Helios der Grieken. De bizonder goddelijke natuurmachten: zon, lucht of water, en vuur zijn slechts ontstaan door ’t ontvouwen van ’t Brahma. Doch even als het ontvouwde, zoo is ook het zich ontvouwende een natuurkracht. Een werkelijke geest kan zich niet tot water of vuur ontplooien. Wanneer Brahma „de groote geest” genoemd wordt, dan heeft men minder op den naam dan wel op ’t wezen te letten; Brahma toont zich als natuurkracht en heeft in zooverre geestelijke beteekenis. Vergel. O.L.B.:

„Wralda[30] is het alleroudste of overoudste, want hij schiep alle dingen. Wralda is alles in alles, want hij is eeuwig en oneindig. Wralda is overal tegenwoordig, maar nergens te aanschouwen, daarom wordt dit wezen geest genoemd. Alles wat wij van hem zien kunnen, zijn de schepselen ... De menschen kunnen vele dingen zien, maar Wralda ziet alle dingen. De menschen kunnen vele dingen leeren, maar Wralda weet alle dingen. De menschen kunnen vele dingen ontsluiten, maar voor Wralda is alles geopend.”

— Het Brahma is dus oorsprong van alle kracht en tevens alle kracht zelve, het Brahma ontvouwt zich tot wereld, en is tevens zelve de wereld. Even als een schildpad haar leden uitstrekt en weer intrekt, en toch in beide toestanden hetzelfde wezen blijft, zoo ontplooit zich ’t Brahma tot ’t bestaande en neemt het weer in zich op; dit beeld komt in de Hindu-geschriften onophoudelijk voor.

„Even als de spin de draden laat schieten, even als uit de aarde de kruiden spruiten, even als uit een levend mensch de haren groeien, — zoo ontstaat in de wereld alles [25] uit ’t onvergankelijke. Even als de golven en het schuim op de zee ontstaan en daarin wederkeeren, zoo ontstaat uit ’t oorspronkelijk Brahma de wereld en keert er in terug. Even als uit ’t helderglanzende vuur duizendvoudige vurige vonken spatten, zoo ontstaat uit ’t onveranderlijke het veelvuldige zijn, en gaat daarin onder”. –[31]

Het komen uit- en weer ingaan tot den oorsprong is hier zeer goed verklaar baar, omdat ’t Brahma wereldkiem is en wereld zelve wordt. De wereld is slechts een vorm van Brahma; ’t Brahma bestaat werkelijk, de wereld is als vorm slechts een schijn van ’t bestaande. Zoodra echter Brahma schepper wordt in plaats van zich tot wereld te ontvouwen vervalt natuurlijk het zich oplossen van ’t geschapene in den schepper, en ook ’t geschapene is niet meer schijn, maar als schepsel werkelijk bestaande. Dit heeft de schrijver van ’t O.L.B. uit ’t oog verloren; hij heeft ’t tot wereld vervloeiende Brahma gemaakt tot wereld scheppenden Wralda, met behoud echter van onmogelijk geworden eigenschappen. De geheele bladzijde 137 van ’t O.L.B., is dan ook ééne verwarring van ’t Brahmaïstische denkbeeld van wereldkiem, met ’t denkbeeld van wereldschepper. Kunnen de eigenschappen: wijs zijn, rechtvaardig zijn en goed zijn, wel aan een schepper maar niet aan een wereldkiem toegeschreven worden, terwijl ’t oplossen van ’t bestaande wel in ’t Brahma maar niet in een buiten de schepping staanden schepper kan geschieden, ’t O.L.B. schrijft al die eigenschappen aan eenzelfde wezen toe. B.v.

„Wralda schiep alle dingen. Wralda legde eeuwige inzettingen, dat is wetten in al het geschapene. De menschen zijn mannelijk en [26] vrouwelijk, maar Wralda schept beide. De menschen beminnen en haten, maar Wralda alleen is rechtvaardig. Daarom is Wralda alleen goed, en er zijn geen goeden buiten hem”.[32]

— Hier is dus Wralda de schepper; volkomen identisch met het Brahma treedt hij op in dezelfde bladzijde:

„Uit Wralda komen alle dingen en keeren tot hem weder. Van uit Wralda komt de aanvang en het einde, alle dingen gaan in hem op. Wralda is het eenige almachtige wezen, want alle andere macht is van hem geleend en keert tot hem terug. Uit Wralda komen alle krachten en alle krachten keeren tot hem weder.”

Erkent dus Frya’s leer een schepper, Brahma’s leer een wereldkiem, — ’t Buddhisme ontkent beslist elken wereldgrond. In de oudste Buddha-schriften is geen spoor van een goddelijk wezen als oorsprong. De Buddhist vindt de gedachte van één god als wereldvormende oorzaak onbestaanbaar met de werkelijke veranderlijkheid der wereld. „De dingen”, zegt een oud rechtgeloovig Buddha-schrift, „zijn niet geschapen door een god, niet door een geest, niet door de materie; — er moet een reeks van oorzaken zijn, en niet een god kan de enkelvoudige oorzaak wezen; de zonen van Çakya (Buddha) houden vast aan de leerstelling, dat de wereld geen begin heeft gehad”.[33] Alles werd uit niets door niets; hoe, — dat mag niet gevraagd worden.[34]

Hiermede is aangetoond, dat van inmenging van Frya’s leer, reeds wat ’t hoofdpunt betreft, geen sprake kan zijn. Beschouwen we thans de verbasteringen van Buddha’s leer, zooals ’t O.L.B. (p.189) ze geeft: [27]

„Ten langen laatste zeiden zij (de priesters) dat Jessos (Buddha) een godheid was, dat hij zelf dit aan hen had beleden, en dat allen die aan hem en zijne leer gelooven wilden, hiernamaals in zijn koninkrijk zouden komen, waar vreugde is en genietingen zijn.”

(Volney[35]): „Celui qui abandonne son père et sa mère pour me suivre, dit Fôt, devient un parfait samanéen, homme céleste. Celui qui meurt sans avoir embrassé ma religion, dit Fôt, revient parmi les hommes jusqu’à ce qu’il la pratique”.)

„Vermits zij wisten dat Jessos tegen de rijken was te velde getrokken, verkondigden zij allerwegen, dat armoede lijden en eenvoudig zijn de deur was om in zijn rijk te komen ...”

(Volney: „le samanéen rejette les richesses, n’use que du plus étroit nécessaire”.)

„... dat degene die op aarde het meeste geleden hadden, hier namaals de meeste vreugde hebben zouden.”

(Volney: „Le samanéen souffre patiemment les injures”.)

In de drie aanhalingen hebben we een koningrijk hiernamaals, met vreugde en genietingen. En dit zouden de priesters gezegd hebben? Onmogelijk. Opgelost worden in het Brahma, — ziedaar ’t ideaal voor ’t individu, ’t einddoel voor de wereld; dan eerst is ’t booze vernietigd, wanneer de wereld; d.i. ’t ontplooide Brahma, teruggekeerd is tot den onontvouwen toestand. „Ten langen laatste, zeiden de priesters, ...” Voorzichtig uitgedrukt maar toch verkeerd. ’t Is Dela-Hellenia,[36] die ’t schrijft omstreeks 300 vóór Chr. — en het Buddhistisch paradijs met zijn vreugde en genietingen is een schepping van minstens 300 na Chr. Eerst in de 5de [28] eeuw na Chr. is ’t in China ingevoerd, waar het een lievelingsthema der Buddhisten is,[37] en van waar het later naar Tibet werd gebracht. De schildering van dit paradijs volgens de Amitabha-Sûtra is deze: Boven tien myriaden van Buddha-kschếtras,[38] is een wereld, genaamd Sukhavatî, de oneindig gelukkige, wier bewoners geen kommer hebben en zich verheugen in een eindelooze zaligheid. Daar brengen de zeven kostbare substantiën zich zelve voort in onbeschrijfelijke reinheid. Daar zijn geen bergen noch rotsenketens, geen zee, geen holen, daar is alles één wijde vlakte. Daar zijn geen strafplaatsen, geen booze geesten, geen dieren en geen asura’s. Daar is geen zomerhitte en geen winterkoude. Daar zijn heerlijke tempels, met lotus bedekte vijvers, lieflijke boomen. De menschen hebben een gouden kleur en ontstaan door vervorming, zittende op een lotusblad. Hun levensduur is ontelbare jaren; daarom heet de daar heerschende Buddha, Amita (de onmeetlijke).

Vóór de 3de eeuw na Chr. kent de Buddha-volger geen koningrijk hiernamaals met vreugde en genietingen. Zijn eerste leer spoort hem aan, te zorgen, dat zijn ziel aan den cirkelgang der verhuizing ontkome en overga in het Nirvâna, d.i. het verwaaien; in dien toestand van rust, van onverschilligheid en gevoelloosheid, waarin ze zich vóór haar komst in de wereld, vóór ’t waaien van den scheppingswind bevond; sommigen stellen zelfs het Nirvana gelijk met volkomen vernietiging der ziel, en geven deze beteekenis als de oorspronkelijke van ’t woord verwaaien.[39] — Niet na den dood belooft Buddha genot. Zijn geheele leer is een leer voor ’t leven, [29] en in overeenstemming hiermee belooft hij vreugde reeds gedurende ’t leven door de opvolging van zijn leer. „Een mensch, die zijn religieuse plichten vervult, is als iemand, die zuivere zoete honig eet; zoo zijn mijn Sûtras (leerstellingen) volkomen zoet, ze zijn de bron van veel vreugde. Wie ze opvolgt, zal de hoogste wijsheid deelachtig worden.” „Een mensch, die bij de vervulling zijner religieuse plichten in staat is, den wortel van zijn lusten en begeerten uit te rukken, is met een vrouw te vergelijken, die haar paarlen telt. De een na de ander telt ze, tot alles ten einde is.”[40] Op ’t verkrijgen van wijsheid door bespiegeling tijdens ’t leven is alles gericht; met ’t Nirvana houdt alles op. Zich los maken van de wereld is noodzakelijk tot ’t verkrijgen der eeuwige gevoellooze rust; — en hieruit vloeit onmiddellijk voort het ongehuwd blijven van den echten Buddhajonger. (Het O.L.B. stelt ook dit als priesterlijke verbastering van Buddha’s leer voor; p.189.) Immers door de oorspronkelijke zielen, door haar verlangen naar het bestaan, ontstaat de wereld, en door haar verstrikking in de wereld lijden de zielen nieuwe smarten en zijn aan nieuwe verhuizingen onderworpen. Daarom roept ’t Buddhisme den mensch toe: zorg voor uw ziel, dat zij los worde van de wereld! Vleeschelijke verbinding nu zou nieuwe geboorten veroorzaken, en ’t groote doel in den weg staan, n.l. den terugkeer der zielen in den toestand van gevoelloosheid, zooals die was vóór dat ’t booze verlangen naar bestaan aan de wereld het aanzijn gaf. Het ongehuwd blijven is dus geen begrip, ontstaan uit verbastering van Frya’s leer door Brahmapriesters, het vloeit [30] onmiddellijk voort uit de Buddhistische denkbeelden over wereld en menschheid, die zelve weer afwijken zoowel van ’t Brahmaïsme als van de Wralda-vereering.

Doch het Buddhisme verwerpt de indeeling in kasten;[41] en deze gelijkheid van alle menschen heeft het uit de zuivere „Oudste leer” van den Fryas Stjurar? Geenszins. De grond voor ’t opheffen van ’t kastenstelsel door Buddha ligt in zijn omgeving en zijn leven.

Hoe is ’t kastenstelsel ontstaan?[42] — Max Müller (Essays) maakt onderscheid tusschen ethnographische, politische en professioneele kaste. Wanneer een volk in de woonplaats van een ander dringt en ’t laatste onderwerpt, zoo bestaat er, ten minste in ’t begin geen vriendschappelijke verhouding; de individuën der twee volken zullen niet gaarne samen eten en van gemengde huwelijken sluiten is geen sprake. Zijn de twee volken van verschillende huidkleur, zoo wordt het donkere ras door het lichtere onderdrukt, en het laatste kan er niet toe komen om ’t eerste als evenboortig te beschouwen. De sanskrietnaam voor kaste, varna, beteekent oorspronkelijk kleur; in de Rig Veda staat dit woord voor ’t geheele arische volk: „De Dasyu’s vernietigend beschermt Indra de arische kleur.” Daarom nu werden de Çûdras, de vroegere bewoners van ’t Gangesland, nooit door de Ariërs als evenboortig behandeld; die Çûdras vormden de ethnologische kaste. Van waar echter komt in den boezem van ’t arische volk de afzondering van Brahmanen, Kschatriyas en Vaiçyas? Van waar komt ’t dat de priesters boven de koningen staan? — Bij de Romeinen hebben Patriciërs en Plebejers eeuwen lang [31] om de heerschappij of om gelijkstelling in den staat gestreden, en geen Patriciër zou een Plebejer zijn dochter tot vrouw gegeven hebben. Ja, bijna bij alle volken vindt men die tegenstelling van ’t adellijke en ’t burgerlijke, en zij vormde in Indië ’t onderscheid tusschen Kschatriya en Vaiçya; ziedaar de politische kaste. De priesterschap heeft niet bij alle, maar toch bij vele volken met den adel om ’t politische overwicht gestreden. In Indië en Egypte, ook bij ’t volk van Israël, is het priesterdom aan een bepaald geslacht verbonden, en ’t heeft strijd gekost vóór het den voorrang had. Wanneer echter de priester een bevoorrechte plaats verworven heeft, zoo zal ’t onderscheid der standen, en de verhouding van het volk tot de naburige volken meer en meer een religieus karakter aannemen. Het begrip van rein en onrein in religieusen zin zal in ’t leven steeds dieper ingrijpen. In ’t indische leven heeft de Brahmanenkaste de hoogste plaats ingenomen, en geen wonder; het pantheïsme, zooals de Veda-liederen ’t doet kennen, en de religieuse zin van ’t indische volk maakten de Brahmanen tot goden der aarde, omdat aan de andere zij van ’t graf geen imponeerende gestalten waren, waaraan ’t geloof zich verbinden kon. Dit voorbeeld der Brahmanen werd door de andere standen ge volgd, zoodat ook deze, van hun religieuse reinheid en hun samenhang zich bewust, de beneden hen staanden op den maatschappelijken ladder uitsloten. Hierbij bleef ’t echter niet; reeds Manu’s wetboek telt naast de vier hoofdkasten nog zestien gemengde, ontstaan door huwelijken. Zoo noemt Manu den zoon van een Brahmaan en een Vaiçya-vrouw, [32] Vaidya, d.i. arts. Uit de verbinding van een Vaiçya met een Kschatriya-vrouw ontstaan de Mâgadhas, zangers, dus genoemd naar Magadha waar veel zangers waren, enz. Dit zijn de professioneele kasten.

Het kastenstelsel is niet zonder strijd geworden, zooals ook uit Manu’s wetboek blijkt. Bij de Ariërs, zoowel als bij andere volken hebben koning, adel en priesterschap eerst samengewerkt tot onderdrukking van ’t overige volk. Toen maakten de priesters aanspraak op den hoogsten rang in de maatschappij, en steunden hierbij op den religieusen zin der Ariërs; reeds in de Veda’s wordt den koningen dan geluk beloofd, wanneer zij de priesters in eere houden. De Purôhita (huispriester van een Râdscha) was gewoonlijk tevens eerste minister. Zoo klom de priester steeds hooger in macht; hooger, tot boven adel en koning. Doch niet zonder bloedigen strijd, zooals blijkt uit de sage van Paraçu-Râma, die, zelf zoon van den Brahmaan Dschamadagni, gewapend met Vischnu’s strijdbijl en boog, de Kschatriyas uitroeit, den koning Ardschuna vermoordt, en de aarde aan de Brahmanen schenkt. Het juk, door de Brahmanen op de schouders der andere kasten gelegd, kan niet dan onwillig getorscht zijn op den duur, vooral door koning en adel. Doch hoe dat gesloten legerkamp der priesters binnendringen? Er bestond een poort, doch ook slechts één. Het ascetische, bespiegelende leven, waardoor zooveel Brahmanen de bewondering hunner medemenschen opwekten, en hun vereering genoten, was ook voor de Kschatriyas en Vaiçyas toegankelijk. En hiervan heeft de koningszoon van Kapilavastu gebruik gemaakt, om zich een aanhang te verwerven grooter dan [33] eenig priester. Daardoor werd hij in staat gesteld het kastenstelsel een wonde toe te brengen, waarvan het eerst eeuwen na Chr. herstelde. Zijn levensgeschiedenis is, dank zij ’t onvermoeide onderzoek van Hodgson (1824), Burnouf (1844), Stanislaus Julien (1853), Hardy (1850), Schmidt en den Hongaar Csoma de Körös, - zoowel als zijn godsdienstig leerstelsel, nagenoeg historisch zeker, doch wijkt ten eenenmale af van de reeds besprokene in ’t O.L.B. Ze is deze:

De koning van Kapilavastu (pag. 16), genaamd Çuddhôdana stamde uit de familie Çakya, uit ’t oude geslacht der Ikschyâku. Ook noemde de familie zich Gautama, omdat ze den Rischi Gautama onder haar voorouders telde.[43] Des konings gemalin Mâyâ bracht een zoon ter wereld, die den naam Sarvârthasiddha, of verkort Siddharta ontving, en van wiens geboorte en jeugd de Buddhistische geschriften wonderdingen vertellen. In den lusttuin Lumbinî, eenige uren van de stad verwijderd, werd hij geboren, „liefelijk als de lotus, met de 32 kenteekenen der volkomenste schoonheid begaafd, glanzend als de maan.”

Maar de moeder sterft op den zevenden dag na de geboorte. Nu wordt ’t kind aan de zuster zijner moeder, Pradschâpatî Gautamî, die eveneens gemalin des konings is, ter verpleging en opvoeding overgegeven. Een menigte knapen en meisjes zijn hem tot speelmakkers toegewezen. Op zestienjarigen leeftijd huwt hij met Gôpâ of Yaçôdharâ. De vreugde der wereld, die hij van nu af geniet, wordt met echt-indische buitensporigheid beschreven, zoodat hem behalve nog twee vrouwen, 84000 bijwijven toegedeeld worden. Maar op [34] 29-jarigen leeftijd heeft er plotseling een groote verandering met hem plaats. Op een wandeling naar den tuin Lumbini ontmoet hij een grijsaard met kaal hoofd, gebogen lichaam en trillende leden; iets later ziet hij een met uitslag bedekten en van koorts bevenden zieke zonder hulp, — eindelijk een door wormen uitgevreten lijk. Dat is hem nieuw. Zoo heeft hij ’t leven nog niet leeren kennen, en hij vraagt zich af, waartoe jeugd, lust en vreugde dienen, wanneer ze aan ouderdom, ziekte en dood onderworpen zijn. Hij besluit, zijn paleis, zijn vrouwen en zijn juist op dien dag geboren zoon Râhula te verlaten, zich in de eenzaamheid terug te trekken en de oorzaken van het kwaad uit te vorschen om het te heelen. Maar zijn vader wil hierin niet toestemmen, zoodat de prins heimelijk vlucht. Den volgenden morgen snijdt hij zich ’t haar af, legt ’t gele boetgewaad aan en noemt zich Gautama-Cramana. Door anderen wordt hij Çakya-muni, d.i. de boeteling uit ’t geslacht der Çakya, geheeten. In zijn optreden onderscheidt hij zich reeds dadelijk van de Brahmaansche asceten. Streven de laatsten er naar om door zelfkwelling en bespiegeling hun eigen ziel van de verhuizing te bevrijden en te brengen tot oplossing in het Brahma, — zijn doel is: niet alleen zich zelf, maar de geheele wereld te verlossen. De studie der Brahmanen-wijsheid bevredigt hem niet; hij gaat met vijf leerlingen in de eenzaamheid en brengt zes jaren in kastijding en inwendigen strijd door. En nog altijd is hij onbevredigd. Hij gevoelt, dat zelfpijniging schadelijk voor hem is en zijn geest benevelt; hij geeft ze op en verbiedt ze aan zijn volgelingen; deze twijfelen hierdoor aan zijn vroomheid [35] en verlaten hem. Alleen trekt hij verder naar Gayâ, om daar onder den Bôdhi-boom,[44] op den troon der wijsheid (Bôdhimanda) tot Buddha te worden. Te vergeefs slingert de booze demon, Mâra, vuur en rotsen op hem; de Câkya-muni blijft rustig en beschouwt alles als zinsbedrog; zoodra de pijlen en werptuigen der demons den boeteling aanraken, veranderen ze in bloemenkransen. Te vergeefs trachten Mâra’s dochters hem te verleiden. Nadat alle verzoekingen zijn afgeslagen, gaat hem des nachts het licht der kennis op, waarvoor ruimte en tijd, ontstaan en vergaan wegvalt. Hij overziet met één oogopslag zijn vroegere geboorten, alle wezens, alle werelden in alle tijden; hij erkent de aaneenschakeling van alle oorzaken en werkingen, dus ook de oorzaken van ’t kwaad en de mogelijkheid der genezing. Dit volkomen weten wordt Bôdhi genoemd; nu is hij Buddha geworden, en alle schepselen huldigen hem. Nog blijft hij 50 dagen in overpeinzing verzonken, dan geeft hij gehoor aan de dringende stem, om al wat ademt uit de boeien van het bestaan te verlossen. Op de Gazellen vlakte bij Benares predikt hij voor de eerste maal, en zijn vijf voormalige leerlingen treden weer tot hem toe. Liefde tot de menschen heeft hem ’t boetgewaad om de leden doen hangen, en liefde tot de menschen straalt uit zijn prediken. Voor hem, den koningszoon en asceet tegelijk is ’t ondragelijk, dat de Brahmaan in z’n allesbeheerschende trutschheid de lagere kasten van den weg der verlossing terugwijst. Tot die kasten, de verachte Çûdra’s, wendt hij zich. Hoe zal ’t dien armen als een evangelie toegeklonken hebben, toen de koninklijke boeteling in hun eigen [36] taal, niet in ’t sanskriet, die taal der geleerden, hun verkondigde: „geen mensch is door zijn geboorte verhinderd, reeds na dit leven de zielsverhuizing te ontgaan; de kaste maakt geen onderscheid!” Is ’t wonder, dat zijn aanhang groot werd, en hij zich in staat zag gesteld, waartoe geen koning of adel de macht had, tot bevrijding van ’t volk uit de knellende banden der priesterheerschappij. Daartoe is niet noodig, een Frya’s zeevaarder als een deus ex machina op te voeren; daartoe was voldoende: onderdrukte koningstrots, verbonden met miskend gevoel van eigenwaarde in ’t volk, – en dit alles gewijd door ’t heilige kleed van den boeteling.

De Buddhaleer is niet geput uit diepe Frya’s wijsheid en niet verbasterd door Brahmapriesters. Wat van de Buddha-stellingen geworden is, dat is daaruit geworden door haar zelven.

„Hochidealische Religionen wie der Buddhismus und das Christenthum tragen vom Anfang an einen Widerspruch in sich, welcher herauskommt, sobald sie in der Welt zur Geltung und Macht gelangen. Denn die Wirklichheit rächt sich an dem Ideal dadurch, dass sie es zur Karikatur seiner selbst macht. Was ist aus der Lehre der Weltverleugning und Weltverachtung, welche Buddha und Christus gepredigt haben, auf geschichtlichem Boden geworden? Hüben wie drüben ein hierarchisches System, welches eingestandenermaszen das Leben bedingen und bestimmen, die Welt so oder so besitzen und beherrschen will. Auf die idealisehe Frage nach der Menschenbruderschaft gab die Geschichte den faulen Lamaïsmus und den herrschsüchtigen Papalismus, die Ketzerverfolgungen und die Religionskriege zur Antwort. Die [37] metaphysische Substanz des buddhistischen wie des christlichen Dogma’s verflüchtigte sich spurlos in dem Pomp und Geräusch eines auf sinnliche Wirkung berechneten Kultus. Die abstrakte Doktrin verwandelte sich in konkreten Götzendienst. An die Stellen der idealisch-erhabenen Erscheinungen des Königssohnes von Kapilavastu und des Zimmermanssohnes von Nazara traten ihre gröszen-wahnwitzig-realen Zerrbilder, der Tale Lama zu Hlassa und der Papst in Rom.” ( Joh. Scherr.)

In ’t verhaal, zooals we ’t daar gaven, treffen we behalve Buddha geen enkelen naam aan, die in ’t O.L.B. aan den „wijze van Kasamyr" gegeven wordt. En die naam Buddha beteekent niet „buidel”, zooals zijn Friesche vriend hem noemde (volgens Dr. Ottema’s vertaling), maar die naam is zuiver sanskriet en beteekent: de ontwaakte, de tot erkenning gekomene, de wetende.[45] Zooals ’k reeds in een mijner brieven[46] aan den heer B.V. schreef, zijn de andere namen aan Volney’s Ruïnes ontleend. De heer L.F. o.d. Linden ontkent dit,[47] en beroept zich op de Geschiedk. Aant. van Dr. Ottema (pag. 28, 29). De laatste verdedigt daarin de namen Jessos en Krisen als bijnamen van Buddha, of beter gezegd Jessos als naam en Krisen als bijnaam. Deze verdediging is echter volkomen mislukt; gaan we, om dit aan te toonen, de verdediging na.

„Bij de verdrijving van het Buddhisme uit Kashmir en de verspreiding naar oostelijk gelegen landen, schijnt de naam Jess verloren geraakt te zijn en in de legende plaats gemaakt te hebben voor dien van Gautama en Sakyamuni.”

[38] Hoe de legende, of liever de geschiedenis aan de laatste twee namen komt, hebben we gezien. Dr. Ottema neemt op gezag van ’t O.L.B. aan, dat Kaschmir de bakermat van ’t Buddhisme is, en zegt dat deze leer van daar verdreven (volgens ’t O.L.B. reeds bij Buddha’s leven), zich naar oostelijk gelegen landen uitbreidde. Dit nu is in strijd met de geschiedenis, uit de oudste oorkonden (inschriften, munten en geschriften) opgesteld.[48]

Kort na den dood van Buddha wenschte men de regelen en voorschriften van den meester te verzamelen; er werd een concilie belegd te Râdschagriha onder voorzitterschap van den meest geliefden leerling Kâçyapa, door Buddha zelven met den mantel bekleed. Door 500 arhats (vromen) werden daar Buddha’s voorschriften over vinaya (discipline), en verder zijn leer, sûtras of dharma (wet), vastgesteld; zoo ook de abhidharma (methaphysica). Een verzameling van kloosterregels, b.v. in de pratimôksch-sûtra, de sûtra der verlossing (van de zielsverhuizing natuurlijk), alsmede een verzameling van spreuken, van Buddha afkomstig, was de vrucht van dit eerste concilie. Een tweede concilie had ongeveer 100 jaar na Buddha’s Nirvâna plaats, onder de regeering van Kâlaçôka (Açôka den oudere) over Magadha; toen werden eenige duizenden monniken uitgestooten, omdat ze een tiental door Buddha verboden handelingen voor geoorloofd verklaard hadden. Maar nog altijd bleef ’t Buddhisme beperkt tot de streek van Buddha’s eerste optreden (Benares). Nadat Alexander echter zijn inval in Indië gedaan had, waardoor Grieksche strategie en politiek tot over de oevers van den Indus heen [39] haar triomfen had gevierd, konden de volken niet meer zoo afgesloten leven en werken. Het Buddhisme had bovendien krachtig gerukt aan de palissaden van ’t kastensysteem; koning Açôka stond reeds boven de priesterschap en kon reeds trachten, de grenzen van Magadha’s rijk uit te breiden. Zijn geslacht, dat der Nanda’s werd echter tusschen 320 en 310 v.Chr. van den troon gestooten door een lid van lagere kaste Tschandragupta (Gr. Sandrakottos), die begon met een einde te maken aan de Grieksche heerschappij in Pandschâb, en later zijn residentie van Râdschagriha verlegde naar Pataliputra (Gr. Palimbothra, westel. van ’t tegenwoordige Patna aan de Ganges). Zijn rijk strekte zich toen uit van den Indus-, tot den Ganges-mond, en van ’t Himalaya-, tot ’t Vindhyagebergte; en binnen deze grenzen (waartoe Kaschmir niet behoorde) bleef ’t Buddhisme nog wel een vijftig jaar beperkt. Uit zijn geslacht, dat der Maurya’s, stamde de jongere Açôka, bijgenaamd Dharmaçôka, d.i. Açôka der wet, door wiens bescherming ’t Buddhisme tot z’n hoogsten bloei geraakte. Door hem werd de Buddhistische bouwkunst in staat gesteld, den tegenwoordigen bezoeker te verrassen met overblijfselen van reliquiëntorens (stûpas), zuilen en grootsche rotstempels, die de bouwwerken van ’t Brahmaïsme verre achter zich laten. Door hem werd ’t Buddhisme uitgebreid onder de dravidische volken binnen zijn rijk, en werd het tot staatsgodsdienst verheven. Geen wonder: Buddha’s leer had hem, den telg uit de geminachte kaste, gemaakt tot evenboortige van den Kschatriya, zelfs van den Brahmaan! Nergens echter werd ’t Brahmaïsme vervolgd; er werd niet met ’t zwaard gemissioneerd. Door [40] den grooten toevloed van vreemde bestanddeelen, die nu in ’t Buddhisme kwamen, werd Buddha’s leer verbasterd en een derde concilie noodig. Dit werd te Pataliputra in ’t jaar 246 of 243 v.Chr. gehouden. Toen eerst begon ’t Buddhisme, krachtens een besluit dier vergadering, te trachten, zich buiten de grenzen van Açôka’s rijk uit te breiden. Een eeuw later stond het in vollen bloei in Alexandria (de hoofdstad van ’t Yavana-land, ’t tegenwoordige Kandahar).

Eerst toen werden de Himalaya -volken, en verder ’t Mahrattaland, Kanara en Maisur (in Dekhan), zelfs Birman en Pegu met een missie bedacht. Ook de overgang van Lankâ (Ceylon) tot de nieuwe leer dagteekent uit dezen tijd; de koning van genoemd eiland werd door Açôka’s zoon en dochter bekeerd. — Na dezen vloed bleef de ebbe niet uit. Ongeveer 50 jaar na Açôka’s dood werd zijn geslacht van den troon gestooten en een nieuwe dynastie, die ’t Buddhisme vijandig was, heerschte gedurende 200 jaar over ’t oude rijk van Magadha. Toen trad de vloed weer in. Ten tijde van Christus’ geboorte maakte een Turaansch nomadenvolk, de Yuetschi of Indo-Skythen een einde aan ’t Grieksch-Baktrische rijk en veroverde ’t Gangesland. Zij bekeerden zich tot ’t Buddhisme, doch brachten elementen van den Perzischen Mithrasdienst naar Indië en werkten een vermenging van ’t Çivaïsme en Buddhisme in de hand; uit hun tijd dagteekenen ook de eerste sporen van Buddhistische bidraderen.[49] Onder ’t bestuur hunner vorsten kwam een Chineesch gezantschap in Indië (61 n.Chr.) om de bewoners van ’t Hemelsche rijk, niet bevredigd door de wijsheid van Confucius, in kennis te doen komen met de [41] leer van den wijze uit ’t geslacht der Çâkya’s. — Koning Kanischka (op de munten luidt deze naam Kanerkes) riep een vierde Buddhistisch concilie saâm, in ’t klooster Dschâlandhara in Kaschmir; daar werden nieuwe geschriften in den kanon opgenomen en werd deze in de Sanskriettaal erkend. De vorige conciliën toch hadden zich van de Pâli-taal, ’t dialekt van Magadha bediend. Op Ceylon en in de Zuid -Buddhistische landen in ’t algemeen werd Pali de heilige taal, terwijl ’t Noord -Buddhisme ook in China en aangrenzende landen z’n godsdienst in ’t Sanskriet hield. Genoemd concilie werd door de zuidelijke Buddhisten niet aangenomen, de toegevoegde geschriften werden door hen verworpen en een blijvende scheuring ontstond. — En weer begon ’t te ebben. In de 3de eeuw na Chr. werden de Yuetschi verdrongen door de inheemsche Gupta’s; en ’t Buddhisme, beschermelinge van de verdreven vreemde indringers was den Brahmanen dubbel hatelijk. Van de Chineesche pelgrims, die in de volgende eeuwen Indië bezochten, vond Fa-hian (4de eeuw) de Buddhisten nog betrekkelijk in aanzien; Sung-Yung (6de eeuw), sterk in verval ook wat hun zedelijk -godsdienstige levenskracht betrof; terwijl Hiuen-thsang (7de eeuw) ze gelijk stelt met de haeretieken, te midden waarvan ze leven. Kort daarna begonnen de vervolgingen, die met de verdrijving van Buddha’s godsdienst uit diens geboorteland, Hindostan, eindigden. (700—1100 na Chr.[50] Het zuidelijk Buddhisme week naar Birman en Siam en hield op Ceylon stand; ’t noordelijk bleef in Nepaul. Van China uit kwam ’t Noord-Buddhisme naar Korea (4de en 5de eeuw) en naar Japan (6de eeuw). Ook oostelijk Achter-Indië (Anam [42] en Cochinchina) ontving zijn Buddhisme van China en niet van Ceylon. Eerst na de verdrijving uit Voor-Indië vestigde ’t Buddhisme zich in Tibet, dat tegenwoordig het middelpunt van de noordelijke groep uitmaakt. — Ziedaar in korte trekken den weg door ’t Buddhisme genomen sinds zijn ontstaan.

„Doch de invloed van Buddah’s leer schijnt zich ook westwaarts verspreid te hebben bij de vuuraanbidders in Aria, bij de Parsen en bij die in Aderbeidshan, welke laatste in hunnen naam Yezidi’s, volgers van Jess, de herinnering aan Buddha’s eersten naam bewaard hebben.”

Het eerste gedeelte dezer uitspraak is zoo onbepaald mogelijk; waarin moet de invloed van Buddha’s leer op de godsdienstige denkbeelden der genoemde volken bestaan? Toch zeker, niet de vuurdienst is ontstaan uit de zoogenaamde zuivere Buddha-leer, d.i. de oude Wralda-leer. Die vuurdienst bestond eeuwen vóór Buddha, en heeft met den lichtdienst van de Frya’s kinderen niets te maken. Trouwens ’t O.L.B. zelf (p.223 reg. 15 v. b.) maakt onderscheid tusschen vuur-, en lichtcultus.

Dat Yezidi, volgers van Jess zou beteekenen, laat ik voor rekening van Dr. O.; doch dat de Yezidi (ook Danasin geheeten), wonende in de landstreek tusschen Perzië en ’t noorden van Syrië, en ook in Syrië zelf, geen volgelingen van Buddha zijn, is zeker. Zij staan bekend onder den naam van duivelaanbidders.

„’t Spreekt van zelf, dat zij den duivel niet aanbidden; maar zij gelooven, dat de duivel nog vóór het einde [43] der dagen weder met God verzoend zal zijn; daarom is ’t voorzichtig en raadzaam hem bijtijds tot vriend te maken; zij richten daarom enkele gebeden tot hem, zonder hem even wel de eer der aanbidding te bewijzen.”[51]

Niebuhr zegt van hen:[52]

„zij spreken met eerbied van den Koran, van het Evangelie, van den Pentateuch en de Psalmen, en wanneer zij er van overtuigd worden Yezidi te zijn, beweren zij, dat zij van denzelfden godsdienst zijn als de Sonnieten. Zij hebben de besnijdenis op de wijze der Mohamedanen.”

Dat de Yezidi een machtige Mohamedaansche sekte geweest zijn, blijkt uit de volgende omstandigheid. De komeet, die drie jaar na de troonsbestijging van Murad III (1574) verscheen, was volgens den Mufti van dien tijd dezelfde als die, welke reeds elfmaal bij verschrikkelijke gelegenheden gezien was; de elfde maal had dit plaats bij ’t ontstaan van de sekte der Yezidi,[53] volgers van Yezid.

„Desgelijks bij de Slavonische volken, waaronder de Oud-Poolsche Mythologie den naam Jess geeft aan de hoogste Godheid en tevens aan de schitterendste en grootste der planeten, Jupiter.”

Vollmer[54] geeft:

„Jess (Slavische M). Höchster Gott der Polen; er gibt Segen und Heil, wesshalb man ihm vorzugsweise vor den anderen Gottheiten opferte. Die alten Schriftsteller, welche immer vergleiche mit griechischen oder römischen Gottheiten suchten, gaben ihm den Namen des Jupiter der Slaven.”

Jess (naar Vollmers spelling) was dus de Slavische Jupiter, d.i. de Slavische lichtgod, de opperste hemelgod, en als zoodanig is die naam uit ’t sanskr. djaus ontstaan, even [44] als uit ’t zelfde woord, dies, diespiter (Jupiter), djovino, jovino (Juno) enz. zijn afgeleid.[55]

„Fo is de in China gebruikelijke naam voor Buddha.”

Zonder twijfel; doch hiermede is niet aangetoond, dat Fo, valsch beteekent, zooals ’t O.L.B. verkeerd opmerkt. Fo is een in ’t Chineesch taaleigen gegronde verbastering van ’t woord Buddha.

„Krisen. Buddha wordt in Indië voor de negende Awatera (menschwording) van Vishnu gehouden en beschouwd als eene voortzetting van de Awatera van Krishna, zoodat Buddha geacht wordt. de herleefde Krishna te wezen”.

Vollmer geeft (s.308):

„Buddha ist nach einer Sage 1029 vor Christus geboren, und wird in Indien für die neunte Awatara Wischnu’s, und für eine Fortsetzung der Awatara des Krischna angesehen.”

Was dit juist, d.i. was de 9de avatâra een voortzetting van de 8ste, dan zou de 8ste toch ook wel een voortzetting van de 7de, de 7de van de 6de, enz. wezen. Immers de Buddha-incarnatie heeft evenmin iets gemeens met de Krishna-incarnatie, als deze met de voorafgaande Râmatschandra-incarnatie. Met Dr. Ottema op gezag van Vollmer voortredeneerend, en een avatâra beschouwend als een voortzetting van de voorgaande, zou Buddha achtereenvolgens wezen, de herleefde Krishna, de herleefde Râmatschandra, de herleefde Paraçu-Râma, de herleefde dwerg (vâmanâvatâra) een man-leeuw (nrisinhâvatâra), een ever (varâhâvatâra), een schildpad (kûrmâvatâra), een visch (matsyâvatâra). Deze beschouwing [45] der avatara’s gaat niet op, doch is ook volstrekt niet gegrond in ’t idée van avatâra. Uiteenzetten hoe ’t oorspronkelijk denkbeeld van ayatâras zich uit ’t Brahmaïstisch pantheïsme laat verklaren, en waarom ze juist aan Vishnu, den god der drie schreden en b.v. niet aan Brahma, worden toegeschreven, zou te ver voeren. Het eenige verband tusschen de avatâra’s is dat, ’t welk in het gedicht Mahâbhârata (Bhagavad gîtâ IV, 6ff) aldus wordt uitgedrukt:

„Zoo dikwijls een verslapping van de wet en een verheffen van onrecht plaats heeft, daalt Vishnu in de eene of andere gestalte neer.”

Geen voortzetting dus van de eene avatâra uit de andere; ’t eenige verband is, dat dezelfde godheid neerdaalt.

Eerst na Buddha’s optreden is de leer der avatara’s in ’t Brahmaïsme ontstaan als tegenwicht voor den persoonlijken verlosser der Buddhisten. Eerst toen is ’t Brahmaïsme, dat z’n oude goden niet wilde opgeven, er toe gekomen, om de verlossing der wereld van allerlei plagen, door de verschijning van een god in dierlijke en menschelijke gestalte te doen plaats hebben. De laatste incarnatie van Vishnu als Krishna was een bepaalde oppositie tegen Buddha; daarmede werd tegenover den strengen moraalprediker een vroolijke, de zinnelijkheid streelende gestalte als verlosser geplaatst. Is Buddha een historische persoonlijkheid, de figuren der avatara’s zijn slechts figuren aan ’t oude epos ontleend. En toen later Buddha niet meer gevaarlijk was; toen ’t nieuwere Brahmaïsme na eeuwen langen strijd den voorrang boven ’t Buddhisme gekregen had, toen werd als concessie aan ’t onderdrukte Buddhisme, ook Buddha tot incarnatie van Vishnu verheven. [46] Terwijl de Vishnu-dienst dan ook in de Krishna-incarnatie z’n toppunt bereikt en in Mahâbhârata ’t eerst, in de Puranas ’t veelvuldigst voorkomt, — treft men de Buddha-incarnatie noch in de epische gedichten, noch in de Purâna’s aan. Slechts een onbeduidende sekte, de Bauddha-Vaishnava’s hechten aan deze 9de incarnatie. Zij vereeren den god Vishnu in abstrakter vorm dan de gewone volksgodsdienst, en door vasthouden aan deze leer en een vroom leven gelooven zij bevrijding van de wedergeboorten, en ’t wonen in Vaikuntha (Vishnu’s hemel) deelachtig te worden. Tot dit doel moet de in Buddha geincarneerde Vishnu hen voeren. Het oudste getuigenis voor deze Buddha-incarnatie is volgens Lassen een inschrift in Buddhagayâ van ’t jaar 948.

Verder geeft de heer Ottema de legende van Krishna, ter verdediging van O.L.B. p.187:

„het volk heette hem Krishna (Kris-en), dat is herder.”.

Volney zegt (p.137):

„... comment Vichenou incarné sous la forme de berger noir, et sous le nom de Chris-en, il délivra le monde du venimeux serpent Calengam”, etc.

De samensteller van ’t O.L.B. had dus voor de vertaling van Chris-en of Krishna, de keus tusschen „berger” en „noir”. Ongelukkig heeft hij verkeerd gekozen en Krisen vertaald door berger (herder), het had moeten zijn door noir (zwart). Immers de naam Krishna beteekent: de zwarte.[56] En deze beteekenis wordt dan ook volkomen gerechtvaardigd door de sage, aan het Mahâbhârata en de Purâna’s ontleend. Ze luidt ongeveer aldus: De aarde klaagde aan de vergaderde goden over den last, die zij te dragen had, omdat er zoo veel [47] demonische wezens geboren werden en door hun bovenmenschelijke kracht eene vreeselijke tirannie oefenden; inzonderheid was dit ’t geval met koning Kansa in Mathurà aan de Yamunà. Als dat zoo voortging, dreigde de aarde, zou ze in den diepsten afgrond wegzinken. De goden begaven zich nu, met Brahmà aan ’t hoofd, te zamen naar Vishnu, den alles omvattenden bewerker der schepping, der onderhouding en der vernieling, en smeekten hem deemoedig om hulp. Toen Brahmà de bede had voorgedragen, trok Vishnu zich twee haren uit, een wit en een zwart, en zeide:

„deze mijne haren zullen ор de aarde nederdalen en haar van den last vrij maken. Maar ook alle goden moeten ieder naar zijn kracht met de hoogmoedige Asura’s krijg voeren; de laatsten zullen door den glans van Vishnu’s oogen omkomen. Het zwarte haar zal in ’t achtste kind van Dêvakî mensch worden en Kansa dooden, die een incarnatie is van den demon Kalanêmi.”

Deze Dêvakî is de zuster van Kansa, de gemalin van Vasudeva. Daar Kansa reeds bij de bruiloft van zijn zuster met Vasudeva voorspeld was, dat ’t achtste kind uit dit huwelijk hem van troon en leven berooven zou, zoo liet hij zijn zuster zorgvuldig bewaken en haar eerste zes kinderen dadelijk na de geboorte dooden.

Het zevende kind wordt op wonderdadige wijze vóór de geboorte aan Rohinî, een andere vrouw van Vasudêva, medegedeeld; dat is Bala Râma, die ook wonderbaarlijke kracht tot den strijd tegen de reuzen verkrijgt, want in hem is ’t witte haar van Vishnu geïncarneerd. Toen het achtste kind, Krishna, geboren werd, ontstond er groote vreugde in den [48] hemel van Vishnu; bloemen werden naar beneden gestrooid en hemelsche muziek klonk ter eere van den jonggeborene, die de wereld van den tiran Kansa en van allerlei plagen bevrijden zou. Het kindje had vier armen en ’t teeken van Vishnu op de borst. Vasudeva aanbad in dit kind Vishnu, en smeekte dat hij toch dezen vorîn niet behouden zou, daar hij voor ’t leven van ’t kind vreesde. Vasudêva wist geen ander redmiddel, dan den knaap te verwisselen tegen een meisje. Dwars door de golven van den gezwollen stroom Yamuna, droeg hij ’t kind naar een herder Nanda, wiens vrouw Yaçôdâ terzeltder tijd een meisje ter wereld gebracht had, en bracht dit aan zijn vrouw. Doch zelfs het meisje wilde de gruwzame koning dooden; het ontvlood echter naar den hemel, omdat zich Lakschmi (volgens een andere Purâna echter Durgà) in dit meisje geïncarneerd had. Tevens verkondigde het den koning, dat de knaap, die hem dooden zou, nu geboren was, en trots zijn waakzaamheid zich in vrijheid bevond. Kansa besloot, de jonggeboren knapen in zijn rijk om te brengen,[57] en wel daardoor, dat booze geesten in menschelijke gestalte zich als minnen over ’t land zouden verspreiden, om de pasgeborenen met haar giftige melk te dooden. Toen een dier vrouwen ook Krishna wilde vergiftigen, greep hij de borst met de beide handen en zoog met zulk een heftigheid, dat de vrouw dood neerstortte. Ook tegen verdere aanslagen van ’s konings zijde beveiligde zich Krishna. — Nog vertelt de sage, dat hij onder de herders leefde, en de lieve ling der Gôpîs (herderinnen) was, ook dat uit zijn herderstijd zijn bijnamen Gôvinda en Gôpâla afkomstig zijn; dat [49] hij met zijn broeder Bala Râma, die ook onder de herders leefde, de twee sterkste kampvechters van koning Kansa overwon en dat Krishna eindelijk den gruwzamen koning doodde, en zich geducht maakte in den strijd der Kuru’s en Pandu’s. Na den dood van zijn broeder wilde hij ook niet langer leven, en werd door een jager getroffen, die hem voor een gazelle aanzag.

De verdediging van Dr. Ottema is hiermede gevallen, en de vraag doet zich op, hoe is de maker van het O.L.B. aan de namen Jessos en Krisen gekomen? Eenvoudig doordien hij dat gedeelte van Volney’s Ruïnes, waarin die twee namen voorkomen, niet heeft begrepen. Deze uitspraak rust op ’t volgende.

Volney (p.114): „Le Chinois l’adore dans Fôt, l’habitant de Ceylon dans Boudah, le Tibetain dans Boudd”; ...

(p.243): „Observez d’ailleurs que Boudd est la ge avatar ou incarnation de Vichenou”, ...

(p.137): „... comment incarné sous la forme de berger noir, et sous le nom de Chris-en, il (Vichenou) délivra le monde du venimeux serpent Calengam, et parvint, après en avoir été mordu au pied, à lui écraser la tête.”

(p.197—204: waar de schr. bezig is, met ’t Mozaïsch scheppingsverhaal, den zondeval en z’n gevolgen, de kindsheid, het werken, den dood en de opstanding van Jezus langs astronomischen weg te verklaren, en Jezus zelven tot zonnegod te verheffen, — en [50] sluit met de woorden:)

„Enfin ces traditions, citant jusqu’à ses noms astrologiques et mystérieux, disaient qu’il (c.à.d. l’enfant, né d’une vierge, qui écrasera la tête du serpent et délivrera le monde du péché) s’appelait tantôt Chris, c’est-à-dire le conservateur; et voilà ce dont vous, Indiens, avez fait votre dieu Chris-en ou Chris-na; et vous, chrétiens, Grecs et Occidentaux, votre Chris-tos, fils de Marie; et tantôt, qu’il s’appelait Yés, par la réunion de trois lettres, lesquelles, en valeur numérale, formaient le nombre 608, l’une des périodes solaires; et voilà, ô Européens! le nom qui, avec la finale latine, est devenu votre Iésus ou Jésus, nom ancien et cabalistique attribué au jeune Bacchus”, etc.[58]

Ziedaar de gegevens; nu heeft de schr. van ’t O.L.B. hoogstwaarschijnlijk aldus geredeneerd:

Boudah, dezelfde als Fôt en als Boudd (Volney 114).

Boudd, 9de avatâra van Vishnu (V. 243).

Vishnu als Chris-en bevrijdt de aarde van een slang (V. 137).

Chris-en is de naam van het kind, dat den kop van een slang verplettert (V. 203)

Dit kind heet ook Yés. (V. 204)

Yés-us en Jess -us is ’t zelfde (V. 197)

derhalve: Jessus = Fo = Krisen = Buda (O.L.B. p.187.)

[51] De schrijver vergat echter te voldoen aan de eenige voorwaarde, waaronder deze vergelijking identiek wordt, en waarvan Volney uitging. Die voorwaarde is: Jessus beschouwen als astrologischen naam voor den zonnegod. De schr.. van ’t O.L.B. neemt Jessus als naam van den mensch Buda, en toont daardoor, Volney niet begrepen te hebben; evenmin als de heer L.F. o.d. Linden, die op p.39 van zijn brochure schrijft:

„Den naam Yes heeft Volney uit traditions sacrées et réligieuses als bijnaam van Buda.”

Het geschrift van Dela-Hellenia sluit met een visioen, een schildering der toekomst:

„Maar als de priesters zullen wanen, dat zij al het licht van Frya’s en van Jessos’ leer uitgedoofd hebben, dan zullen er in alle oorden menschen opstaan, die de waarheid in stilte onder elkander bewaard en voor de priesters verborgen hebben. Deze zullen wezen uit vorstelijk bloed, van priesterlijk bloed, van Slavonisch bloed en van Fryas bloed. Deze zullen hunne lampen en het licht buiten brengen, zoodat alle man de waarheid moge zien; zij zullen wee roepen over de daden der priesters en vorsten. De vorsten, die de waarheid liefhebben en het recht, die zullen van de priesters afwijken; het bloed zal stroomen, maar daaruit zal het volk nieuwe krachten vergaderen. Finda’s volk zal zijne vindingrijkheid ten gemeenen nutte aanwenden, en Lyda’s volk zijne krachten, en wij onze wijsheid. Dan zullen de valsche priesters weggevaagd worden van de aarde; Wralda’s geest zal alom en allerwege geëerd en aangeroepen worden; de wetten die Wralda bij den aanvang in ons gemoed legde, zullen alleen gehoord worden; daar zullen geene andere [52] meesters, noch vorsten, noch bazen wezen, als die welke bij algemeenen wil gekozen zijn; dan zal Frya juichen, en Irtha zal hare gaven alleen schenken aan den werkenden mensch. Dit alles zal aanvangen vierduizend jaren nadat Atland gezonken is,[59] en duizend jaren later zal er langer geen priester noch dwang op aarde zijn. Dela toegenaamd Hellenia, waak!”

Voorzeker een schoon en duidelijk antwoord op de vraag, gedaan door den Genius der Ruïnen (pag. 59):

„Enfans de la nature! Jusques à quand marcherez-vous dans le sentier de l’ignorance? Jusques à quand méconnaîtrez-vous les vrais principes de la morale et de la religion?”

En dat pad van onwetendheid, wie hebben het gebaand en wie hebben de volkeren gedwongen het te betreden? „De priesters en de vorsten”, klinkt ’t antwoord der fiere Frya’s telgen. Is ’t niet, of ze geïnspireerd zijn door dienzelfden Genius der Ruïnen, waar hij zegt (p.58):

„Il s’est élevé sur la terre des imposteurs qui se sont dits confidens de Dieu, et qui, s’érigeant en docteurs des peuples, ont ouvert des voies de mensonge et d’iniquité; ils ont attaché des mérites à des pratiques indifférentes ou ridicules; ils ont érigé en vertu de prendre certaines postures, de prononcer certaines paroles, d’articuler de certains noms; ils ont transformé en délit, de manger de certaines viandes, de boire certaines liqueurs à tels jours plutôt qu’à tels autres.”

— En de vorsten?... (p.51):

„Les chefs des nations ont continué de marcher dans les voies de mensonge et de tyrannie!”

— En de volken?... (p.51):

„Les peuples ont continué de s’égarer dans les ténèbres des superstitions et de l’ignorance!”

[53] Verzet dus, predikte Volney, „contre l’oppression des deux castes dites sacerdotale et féodale!” (p.283) en een tachtig jaar later verheft het O.L.B. z’n, „Waak! waak!” om vorsten en volken te waarschuwen tegen de listen en streken eener vleiende en dreigende, ware godsvrucht en vrije geestontwikkeling vermoordende, steeds zich zelve bevoordeelende priesterschap. Moge die Waak-roep weerklank vinden tot aan ’t einde van wereld en tijd!

En nu verlaten we Pandschâb, en stevenen met Liudgert, den schout-bij-nacht[60] van Wichhirte, naar ons geliefde thuis. Op weg nog een paar opmerkingen. (O.L.B. p.165 en verv.)

Gedurende 1224 jaar hadden de Friezen bij de vijf wateren[61] gezeten, toen Alexander de Groote den Indus afzakte en in 327 v.Chr. hun kolonie aandeed. Zou hij ook hen onderwerpen? Ze duchtten het, scheepten zich in, en „vertrokken met al hun have.” Alexander sprak echter met Wichhirte, die wegens ziekte was achtergebleven, en nadat ze „brood en zout” met elkaar gedeeld hadden, liet de Fries door zijn zoon de vloot terughalen. Alexander, ditmaal getrouw aan zijn woord, huurde alle schepen. Weder was Wichhirte ziek geworden, zoodat zijn schout-bij-nacht Liudgert met ’s konings vlootvoogd Nearchus zee kozen in de richting van de Gangesmonden. De tocht liep zonder voordeel af wegens oneenigheid onder ’t scheepsvolk. Intusschen had Alexander door zijn achtergebleven soldaten onder toezicht en met hulp der Friesche scheepstimmerlieden schepen laten bouwen, om met zijn geheele leger de Ganges op te [54] varen. Door den onwil zijner soldaten, die bang waron voor de zee, en die de timmerschuren in brand staken, werd zijn plan verijdeld, en hij genoodzaakt terug te keeren. Weder moesten de Friezen dienst doen en Nearchus met zijn vloot naar den Euphraat brengen; als ze daar gekomen waren, mochten zij zich daar neerzetten (waarom ze dan ook vrouwen en kinderen meenamen), of terugkeeren, hun loon zou hun even goed uitbetaald worden. — Zoo staat dan Alexander met zijn leger in de kuststreek Pattalene, terwijl Nearchus met de vloot in de nabijheid ligt, beiden gereed te vertrekken.

Waar lag Pattalene? De Indus stroomt met zeven monden in zee; de namen waren en zijn (van ’t W. naar ’t O.): Sagapa (Pitty), Sinthos Stoma (Darraway), Chrysoun Stoma (Ritshel), Chariphus (Fetty), Sapara, Sabala, Lonibare. Het groote hierdoor gevormde eiland heette Pattalene of Delta, waar de stad Pattala lag. Dr. Ottema zegt:[62]

„Vervolgens noemt hij (Nearchus in zijn reisverhaal bij Arrianus) ook hunne stad Pattala, doch daarin vergist hij zich (Nearchus zelve, die als vlootvoogd de tocht meemaakt!), want Arrianus noemt Minnagara als de stad van Pattalene.”

Dat die vergissing zoo groot is, geloof ’k niet. In Pattalene toch lag de stad Pattala, ’t tegenwoordige Thattha (14 uur Z.Z.W. van Hyderabad), terwijl Minnagara (ten O. van den Indus) de hoofdstad was van ’t kustlandschap Syrastrene (tegenwoordig de geheele kust van Guzerate), aan de oostgrens van Pattalene sluitend. Ook wordt Minnagara als hoofdstad gehouden van Indo-Scythia (ten W. van den Indus), een algemeenen naam voor vele volken en streken (Amatae, Musicani [55] Regio, Bolingae, Dimuri, Megari, Ordabae, Mesae, Uri, Sileni, daarna een woestijn, verder de Abaortae, Suertae, weer een woestijn, eindelijk de Sarkophages en Umbrittae). Hierdoor is verklaard hoe Dr. Ottema twee maal Minnagara (één aan den westoever van den Indus en één ten O. van de rivier) heeft gevonden.[63] Dat echter Minnagara zuiver Friesch en van den naam der eeremoeder Minna afgeleid zou wezen, — dat verder die naam gevormd zou zijn even als Walhallagara enz. betwijfel ’k. In Azië toch bestonden gelijktijdig met Minnagara ook:

  • Singara (Sinjar) aan den berg Singara in Mesopotamië;
  • Margara, in ’t landschap der Daetichae, dicht bij de Ganges;
  • Antachara in ’t land der Chatriaei;
  • Agara (tegenw. Agra aan de Jumna) in ’t land der Candali;
  • Nagara (Nuggar of Nagar) in de landschappen Suastene en Coryaea;
  • Tagara (Deoghir) in ’t kustlandschap Ariaea (Oostwaarts van Patalene);
  • Aramagara (Carwar bij Goa) in ’t kustlandschap Lymirica;
  • Argara (bij ’t dorp Arlingurry) aan de Sinus Argaricus (Palksstraat);
  • Canagara (Canara ten N. van Visagapatam) in ’t landschap Maesolia;
  • Aganogara in ’t land der Marundae (India extra Gangem).
  • Cattigara en Cocoranagara in China.

Ook zie ’k niet in, dat deze woorden er meer Friesch uitzien dan b.v. de stedennamen: Harmagora, Mandagora, Pacidara, Cottonara, Cottabara en zooveel andere meer.

[56] Doch keeren we naar Nearchus’ vloot terug, die zeilreê ligt in de haven van Crocola (waarschijnlijk ’t tegenw. Karatschi in ’t district Karkalla). Alexander zelf gaat met zijn leger uit Pattala,

„langs de kust door de dorre woestijn, dat is door het land, dat Irtha opgeheven had, uit de zee, toen zij de straat achter onze voorvaderen had opgehoogd, zoodra zij in de Roode zee kwamen,”

en toeft in Nieuw Geertmania (Caramanië) waar hij Nearchus ontmoet.

De gebeurtenis, waarop Liudgert hier in zijn dagboek ’t oog heeft (O.L.B. p.169), vinden we in Adela’s boek (O.L.B. p.105) beschreven en in de Inleiding door Dr. Ottema toegelicht (p.XXVI). Cecrops n.l. had Thyrhis (Tyrus) genomen en de daar wonende Friezen trokken heen

„door de straat, die in deze tijden op de Roode zee uitliep. De koning van Tyrus later ziende, dat zijn allerbeste zeelieden vertrokken waren, zond al zijne schepen met zijne wilde soldaten om hen dood of levend te vatten. Maar als zij bij de straat kwamen, beefden beide aarde en zee. Daarop hief Irtha haar lijf daar zoo omhoog, dat al het water de straat uitliep, en dat alle wadden en schorren als een burgtwal voor hen oprezen.” (O.L.B. p.105).

Uit de vergelijking van deze twee verhalen, de tocht van Geert naar Indië, en de tocht van Alexander (met Nearchus en Liudgert) uit Indie, blijkt duidelijk dat de schrijver van ’t O.L.B. niet alleen „met chronologie schrikkelijk in de war is”, [aant. JO: in de tekst stond hier een tweede noot 63 die echter niet in de lijst aantekeningen voorkwam; een verwijzing naar G. Jansen De schrijver is niet... (bl.11) zal hier bedoeld zijn.] maar zich ook in plaatsbepaling „schrikkelijk” vergist. Hij verwart den woesten, onherbergzamen, vlakken kustzoom van Gedrosië met de uitgestrekte vlakte van Lybië. Misschien [57] is de fout te herleiden tot eene chronologische en heeft de schr. Alexanders bezoek aan het orakel van Ammon op de oasis Siwah (331 v.Chr.) een vijftal jaren te laat gesteld. Hoe ’t zij, het aangehaalde is en blijft een Bok in ’t Oera Linda Bôk.[64]

Als bizonderheden betreffende den tocht van Pattala tot den Euphraat wordt in ’t O.L.B. gemeld:

„Toen wij te Nieuw Geertmanja kwamen (Nieuw Geertmanja is een haven, die wij zelve gemaakt hadden om daar water in te nemen), ontmoetten wij Alexander met zijn leger. Nearchus ging aan wal en vertoefde drie dagen. Toen ging het weder verder.”

Volgens dit verhaal heeft de ontmoeting bij het landingspunt, n.l. de haven Nieuw Geertmanja, plaats, en vertrekt de vloot drie dagen daarna, zonder dat de troepen aan land komen. Op zich zelve is dit reeds onwaarschijnlijk, doch wordt ’t te meer, omdat ’t verhaal strijdt met dat van Nearchus, e.a. „Te Para herstelde zich het overschot van het ongelukkige leger. Vervolgens trok men door bebouwde streken naar Karamanië of Kerman. Hier kwam ook Craterus, die langs een veel beteren weg over Candahar en langs den Helmind getrokken was, met zijn leger aan. Ook werd Alexander hier door de aankomst van Nearchus verrast, die vijf dagreizen zuidwaarts geland, en op de tijding, dat de koning zoo nabij was, zich tot hem gespoed had. Nearchus begaf zich weldra weder naar zijne vloot terug, en zette de vaart tot aan den mond van den Euphraat voort.”[65]

Streckfuss meldt, dat de haven, waar de vloot aan de met talrijke palmbosschen begroeide kust van Caramanië landde, bij Harmozia lag; dat ’t volk een legerplaats opsloeg, en dat [58] Nearchus, toen hij hoorde dat ’t leger op vijf dagreizen in ’t binnenland stond, een verschanst kamp liet opwerpen en na eenige dagen met zijn onderbevelhebber Archias en eenige trouwe vrienden de reis naar ’t binnenland aanvaardde.[66]

Ook hier is dus de schrijver van ’t O.L.B. „met de chronologie in de war,” een gebrek door den heer Gerrit Jansen aan den heer Corn. o.d. Linden toegeschreven.

In 303 v.Chr. loopt Friso’s vloot ’t Flymeer binnen en over de Kolonie in ’t Oosten geeft ’t O.L.B. na dien tijd geen berichten meer.

Zoo meen ’k in ’t voorafgaande overtuigend aangetoond te hebben:

a) De berichten over ’t verblijf der Friezen aan den Indus zijn niet afkomstig uit den tijd, door ’t O.L.B. genoemd,

b) Die berichten zijn voor ’t meerendeel onwaar.

c) Ze zijn afkomstig van een schrijver, die met den maatschappelijken en godsdienstigen toestand der Hindu’s niet bekend is, en die zich om plaats-, en tijdbepaling niet bekommert.

Hieruit besluit ’k:

1°. Het Oera Linda-Bôk is onecht;

en in verband met de twee brochures, door den heer J. Beckering Vinckers betreffende het bewuste H.S. uitgegeven:

2°. De heer Cornelis over de Linden voldeed aan alle vereischten, om vervaardiger van genoemd H.S. te zijn.

POSPASTO.*

[*d.i. nagerecht — JO] [66]

’t Is you that say it, not I. You do the deeds, / And your ungodly deeds find me the words. — Milton.

Met weerzin zet ’k me tot schrijven van de volgende regelen, doch ’t dubbelzinnige licht, waarin de heer D. Dekker m’n nasporingen en ’t resultaat van m’n onderzoek geplaatst heeft, noodzaakt me er toe. Bovendien eischt de beleefdheid als stadgenoot dat ik hem antwoord; ’k zal hierbij echter gedachtig zijn aan ’t spreekwoord: qual ballata, tal sonata.

In ’t 3de nommer van den 11den Jaargang (21 April 1877) van „Euphonia”; verscheen kort na de uitgave van ’s heeren Beckering Vinckers tweede brochure, eene beoordeeling, geteekend D. Dekker. Om alle misverstand te voorkomen, moet ’k vooraf de opmerking maken, dat we hier niet te doen hebben met Douwes Dekker (Multatuli), maar met D. Dekker (Texelaar). Heeft de eerste verklaard in z’n „Japansche Gesprekken”, dat hij „geen buik heeft”, — de tweede behoort [67] tot de tegenovergestelde categorie. „Wie ’n buik heeft, dik, rond, formosus dat is: vol van vorm, o Kami! vooral onopengesneden als ’n bundel preeken, kan verondersteld worden tot men te behooren.” Aan deze definitie voldoet onze D. Dekker; en ’k kan de betrekking tusschen beide personen niet korter uitdrukken dan door te stellen: hunne letterkundige bekwaamheden staan tot elkander in omgekeerde reden van den omvang hunner buiken.

De heer Dekker dan, geeft aan mijn onderzoek den naam van „snuffelen.” ’k Heb er vrede mee; „Name ist Schall und Rauch, umnebelnd Himmelsgluth!„ troost Faust z’n Gretchen; maar de uitkomst van dat „snuffelen”? Alexander John Ellis, de bekende Engelsche taalgeleerde, schrijft in „The Academy” van juist denzelfden datum als Euphonia: „Referring to the book (2de brochure van den heer B.V.) itself for details, I can only find space for indicating the results, which depend upon circumstantial evidence quite strong enough to hang a man.” De heer Dekker schrijft: „Naar mijne meening heeft hij (B.V.) wel vermoedens, hier en daar zelfs sterke vermoedens geopperd, maar geen onwederlegbare bewijzen geleverd, dat Baas Over de Linden het O.L.B. heeft geschreven”. (De heer Dekker heeft „ geopperd ” gecursiveerd). En nu gaat hij aan ’t bestrijden. ’t Is onnoodig, die bestrijding hier punt voor punt te weerleggen; dat b.v. de oude heer O.d.L. ’t H.S. een prul zou genoemd hebben, is reeds bestreden door den heer L.F.o.d.L. in diens brochure (p.17), terwijl door datzelfde geschrift (p.42), Dekkers vermoeden onwaar wordt, dat een muzikant ’t notenboek zou geschreven hebben. Dat [68] de heer Dekker geen recht heeft in de taal-kwestie mee te praten, omdat hij er niets van weet, — is duidelijk. Dat de geschriften, waarvan de brochure van den heer B.V. spreekt, werkelijk bestaan (de heer Dekker drukt ettelijke malen zijn twijfel daarover uit), blijkt uit de brochures van de heeren O.d.L. en Jansen; en indien de heer Dekker zich de moeite had willen getroosten, om zijn lichaam gedurende vijf minuten in beweging te stellen en den heer L.F.O.d.L. op te zoeken, zou hij zich van ’t bestaan hebben kunnen overtuigen. Onder de inderdaad grappige, te midden van zoovele onbeduidende argumenten, behoort ’t volgende tweetal.

„We konden C.I te goed om eenvoudig te gelooven, wat een man, die hem niet gekend heeft van hem belieft te vertellen, wat hij heeft moeten vernemen van anderen of ontdekken uit de werken, waarvan het bestaan slechts op zijn getuigenis berust.”

Dit is m.a.w.: Berk kan over den heer Corn. o.d. Linden geen oordeel vellen, omdat hij hem niet gekend heeft, en niets anders gedaan heeft, dan bijna twee jaren een nauwgezet onderzoek instellen naar ’s mans levensomstandigheden, leefwijze, en kennis, bij personen die dagelijks met hem in aanraking kwamen; — niets anders dan de nagelaten letterkundige geschriften, dus geen familiegeheimen, met zorg nagaan, en de ideeën, daarin neergelegd, zorgvuldig vergelijken met die van ’t O.L.B.

Zoo iets schrijft een onderwijzer, die toch op zijn school hoogstwaarschijnlijk ook geschiedenis en aardrijkskunde geeft. Is dan de heer Dekker zelf met Mozes door de Roode Zee [69] getrokken, zonder z’n laarzen vuil te maken; en heeft hij zelf met Mevrouw Semiramis loopen „lustwandeln” in haar hangende tuinen? Heeft hij zelf ’t zwaard getrokken tegen de Saraceenen, of heeft hij getracht, een medaille te verdienen voor ’t redden van drenkelingen, toen keizer Barbarossa verdronk? Is de heer Dekker huisvriend geweest van Jacob van Artevelde, of biechtvader van de Maagd van Orleans? — Heeft hij dan zelf gezien, wat hij van aardrijkskunde vertelt? Zou er eigenlijk wel een Australië bestaan, en zou de laatste Noordpool-expeditie wel werkelijk tot zoo hooge breedte gekomen zijn, als ze voorgeeft? — Doch meer dan genoeg. Ofschoon ’k den ouden heer Over de Linden tot mijn spijt niet persoonlijk gekend heb, toch geloof ’k na mijn tweejarig onderzoek te mogen zeggen: ik ken den heer Corn. o.d. Linden Sr. beter dan de heer Dekker, terwijl mijn oordeel minder partijdig is dan dat van den laatsten, die zoo uit de hoogte neerziet op „Baas” over de Linden; en die den heer Beckering Vinckers, den „bewerker van Whitney’s wetensch. taalbeoefening”, durft toevoegen:

„hoe komt het in uw brein op, om de overeenkomst der taalfouten in het oorspronkelijke O.L.B. en in de nagelaten werken van C.I als bewijs te willen aanmerken van het vaderschap van ’t boek van baas over de Linden.”

Het tweede argument van den heer Dekker is dit:

„Wanneer ik al die werken (noodig om daaruit de voor ’t samenstellen van ’t O.L.B. vereischte kennis te verzamelen) in mijn boekverzameling heb, kan ik daarom nog geen O.L.B. schrijven”.

– Waarde heer! maak U niet ongerust dat men U voor den schrijver zal houden; geen sterveling zal er U toe in [70] staat achten, na ’t lezen van uw novellen (?) in Texelsch (?) dialect. Mocht er echter nog bij den een of ander een vonkje twijfel overblijven, hij leze een tiental bladzijden uit uw „Geschiedenis van den Helder”, — zoo hij dan nog niet slaapt, zal hij zeggen: neen, deze is niet de geschiedschrijver van Frya’s volk! Er is meer noodig dan een boekverzameling om het O.L.B. te schrijven; daartoe zijn noodig een hoofd, dat denkt; een hart, dat voelt; een taai geduld, dat niet opziet tegen jaren arbeids, omdat die arbeid ten bate van het volk” moet komen; — daartoe is noodig: Cornelis Over de Linden te wezen.

Verder in zijn schrijven zegt de heer Dekker, van mijn verhouding tot den heer L.F. o.d. Linden sprekende: „waarom dan den heer Berk te vergunnen, de nagelaten werken zijns vaders te zien en te lezen?” — Een antwoord op die vraag is reeds gegeven door den heer L.F. o.d. Linden; deze wist, dat ’k in ’t eerst niet ’t minste vermoeden had; en toen ’k later den ouden heer als schrijver begon te beschouwen, waren de heeren o.d.L. de eersten, die van dit vermoeden kennis hadden.

Nog zochten we verder, omdat het in deze zaak om waarheid te doen is; dat ’t resultaat, waartoe mijn hooggeachte leermeester op ’t Gymnasium te Kampen gekomen is, gedeeltelijk op grond van mijn onderzoek, een ander is, dan dat waartoe de heer o.d.L. geraakte, — is duidelijk; doch het openbaar maken van beide was noodzakelijk. ’t Doel is, den langen strijd over echt of onecht uit te maken; over ’t H.S. zwijgen, vóór dit geschied is, zou gelijk staan met [71] levend begraven. Nog gaan de heer o.d.L. en ik met elkaar om; en zoo de heer Dekker zich daarover verwondert, dan ligt de schuld aan zijn bekrompenheid, en bewijst hij daardoor, dat hij niet ’t minste begrip heeft van eerlijk, wetenschappelijk onderzoek. Na de ’t laatst besproken vraag eindigt de heer D. met:

„Schuilt daar iets achter? Ik vermoed het, maar wil dat vermoeden nu niet uitspreken, doch behoud mij voor dit later te doen, wanneer er heeft plaats gehad, wat ik vermoed dat gebeuren zal.”

Hierop teeken ’k aan, dat de heer D. D. nog steeds vermoedende is. —

Een tweede schrijven was dat van den heer Gerrit Jansen, die zich op pag. 33 en elders zijner broch.) „vertrouwd vriend” van den heer Corn. o.d. Linden noemt. Op grond van zijn eigen woorden (pag. 8):

„Hoe dikwijls ziet men toch, dat beleefdheid en vriendschap gewicht leggen in de schaal, wanneer men ergens over moet oordeelen;”

— kan men zijn oordeel niet als onpartijdig beschouwen.

Verder vindt zijn oplossing van de Buda-kwestie (op p.23) weerlegging in ’t eerste gedeelte dezer brochure; zijn „ welwillendheids-pleidooi” (o.a. p.7, 19, 22 enz.) ga ’k voorbij; door ’t overige worden mijn berichten aan den heer B.V. eer gestaafd dan gelogenstraft. Er blijft alleen dit (p.20):

„In een gesprek tusschen den heer Berk en mij, omstreeks een jaar geleden, zou ik mij hebben laten ontvallen: dat ’t schrijven van ’t O.L.B. niet boven de krachten van O. ging. Openlijk verklaar ’k, dat die woorden nooit door mij kunnen gesproken zijn.”

[72] Zooals door den heer G. Jansen toegegeven wordt, was bij ’t bedoelde gesprek onafgebroken tegenwoordig de heer Mooy, hoofdonderw. aan den Helder, door wien ’k bij mijn komst alhier (1 April ’75) de familie o.d.L. en ’t H.S. leerde kennen, en die de vriendelijkheid had, mij later ook met den heer Jansen in contact te brengen. De heer Mooy was zeer ingenomen met den inhoud van ’t O.L.B. en had reeds vroeger in een der hier bestaande letterkundige vereenigingen de aandacht gevestigd op de vele schoone fragmenten er van. Was zijn oordeel partijdig, dan voorzeker zou het ten gunste der echtheid moeten geweest zijn; hij toch was van der jeugd af aan vriend van den heer L.F.o.d.L. geweest. Doch de heer Jansen zegt zelf (p.21): „’s mans karakter waarborgt zijn goede trouw.” Even als altijd zette ’k me tot ’t opschrijven van ’t gesprokene, zoodra ’k thuis kwam (zondag namiddag). Het verslag van dit gesprek, dat ’k zeer belangrijk vond en dus zoo letterlijk mogelijk had onthouden, heb ’k vóór ’t wegzenden aan den heer B.V. den heer Mooy voorgelezen (maandag middag daaropvolgend), bepaald met ’t doel te vernemen of deze ook aanmerkingen had. In dat verslag nu kwam de bewuste uitdrukking van den heer Jansen voor, — en de heer Mooy heeft er geen aanmerking op gemaakt. Op grond hiervan blijf ’k beweren, dat de heer Jansen wel gezegd heeft (2de Broch. B.V. p.54): „Het maken van ’t H.S. ging niet boven C.I ’s krachten,” tot staving er aan toevoegende: „’t zijn zijne ideeën, zijn lievelingsdenkbeelden omtrent God en maatschappij.” Trouwens deze bijvoeging wordt door den heer Jansen niet ontkend.

[73] Het laatste verscheen de brochure van den heer L.F. o.d. Linden, waarin deze de conclusiën van den heer B.V. tracht omver te werpen; n.l. 1°. dat ’t H.S. onecht zou zijn; 2°. dat de oude heer o.d.L. het vervaardigd zou hebben. Een vergelijking van beider heeren schrijven zal ’t gevoelen van den lezer naar de eene of andere zijde moeten doen overhellen. Om der waarheids wille moet ’k op een paar zaken opmerkzaam maken.

1°. De heer o.d.L. ontkent, gezegd te hebben, „dat zijn vader geen talen kende, zelfs geen Friesch,” alleen wat schoolfransch door meester Rijkers. Met onderteekende verklaringen kan ’k de waarheid van mijn bericht niet staven; ik merk alleen op, dat, toen ’k zulks aan den heer Vinckers schreef, ik geen oogenblik aan de echtheid van ’t H.S. twijfelde; ’t was toen lang vóór de eerste brochure van den heer B.V. Met nagenoeg niemand had ik toen over den ouden heer O.d.L. gesproken, omdat ʼk niets van hem wist en hij mij dus geen belang inboezemde. ’t Blijft dus de vraag: van wie anders dan van den heer L.F.O.d.L. kan ’k de verklaring hebben? Bovendien met welk doel zou ’k die verklaring toen hebben kunnen geven, toen ’k nog niet twijfelde aan de echtheid van ’t H.S. en op den ouden heer niet ’t minste vermoeden had?

2°. „Als ik den heer B. opsomde, wat mijn vader al had moeten doen, om de hoogste plaats, welke hij aan ’s Rijks werf bereiken kon, te verkrijgen, enz. enz. ... dan stemde B. mij gereedelijk toe, dat mijn vader voor eene bezigheid als de vorenbedoelde, onmogelijk tijd en plaats heeft kunnen vinden.

„En die overtuiging is hij nog toegedaan, hoezeer de heer [74] B.V. dat niet doet uitkomen; dezer dagen heeft de heer B. dit nog aan Ds. Dyserinck te kennen gegeven. Ons beider doel was de zaak tot klaarheid te brengen.”

De eerste alinea is niet juist. Ik heb tot den heer Dyserinck gezegd: dat ik niet den tijd en de plaats precies kan aangeven, wanneer en waar ’t H.S. vervaardigd zou zijn door den heer Corn. o.d.L. Dit nu is geheel iets anders; volgens ’t geen de heer L.F.o.d.L. mij laat zeggen, heeft C.O.d.L. onmogelijk tijd en plaats gehad, waaruit volgt dat hij ook onmogelijk ’t H.S. vervaardigd heeft. Uit mijn werkelijk gesproken woorden blijkt, dat ’k den heer C.o.d.L. als vervaardiger beschouw, maar den tijd en de plaats van vervaardiging niet kan aangeven. — En wat de 2de al. betreft: de heer Dyserinck heeft mij verlof gegeven te schrijven, dat ik hem dit niet gezegd heb; zelf ben ik overtuigd, dat ik ’t niet heb kunnen zeggen.

3°. De heer o.d.L. klaagt (op pag. 35) dat ’t geen door Dr. Ottema in diens verschillende brochures is verzameld, bij den heer B.V. eenvoudig genegeerd wordt. – In ’t eerste gedeelte dezer brochure heb ’k dit verzuim (?) een weinig trachten goed te maken.

4°. „Betrekkelijk de vriendschap tusschen mijn vader en den Heer Stadermann teeken ik aan, dat die zich bepaald heeft tot den omgang als welwillende buren, hoogstens één jaar lang, in 1847. Na dien tijd is mijn vader verhuisd en hield de omgang geheel op. De verstrekte inlichtingen aan den Heer B.V. in deze zaak zijn geheel onjuist. Maar waar moet men dan heen met de gevolgtrekkingen?”

[75] Integendeel; die inlichtingen, door mij verstrekt, zijn volkomen juist. Voor een paar weken heb ’k me gewend tot den zoon van den heer Ernst Stadermann. Deze bevestigde wat hij vroeger reeds heeft gezegd en wat opgenomen is in de noot van pag. 38 der brochure-Vinckers, er thans bijvoegende: hoe kan de heer O.d.L. dit zeggen; in 1847 was ’k vier jaar, dus meer dan twee jaar jonger dan mijn zoontje daar; ’k zou er dus niets meer van kunnen weten; en toch weet ’k alles zeer goed en heb menigmaal met den ouden heer O.d.L. gesproken. Ik was dan ook geen vier, maar veertien jaar, zooals ’k vroeger gezegd heb; de tijd, dat de twee (n.l. o.d.L. en mijn vader) ’t meest bij elkaar waren, zijn de jaren 1856, 57, 58.” — Tevens vernam ’k, dat de oude heer Stadermann gestorven is in ’t eerste gedeelte van ’t zelfde jaar, in welks laatste gedeelte de heer C.o.d.L. met ’t H.S. voor den dag is gekomen. — De gevolgtrekking, dat de heer Stadermann zijn vriend (hoogstwaarschijnlijk zonder het te vermoeden) inlichtingen verschafte, betreffende den inhoud van Gr. en Rom. schrijvers en op ander gebied — blijft dus van volle kracht. Bovendien kocht de heer St. volgens getuigenis van zijn zoon, veel oude werken op verkoopingen bij den ouden heer Bom te Amsterdam, ’t zij voor anderen, ’t zij voor eigen lektuur.

5°. Op pag. 40 en 45 noemt schr. de meer genoemde nagelaten geschriften, navolging van ’t O.L.B. Dit is echter onmogelijk, zoowel met ’t oog op den inhoud (ze schrijven over geheel andere zaken), als op den tijd, noodig tot stellen, schrijven, corrigeeren en copiëeren er van.

[176] Door dit vijftal opmerkingen kan een oordeel over de brochure van den heer o.d.L. in betrekking tot ’t O.L.B. niet anders dan winnen in juistheid. En moge er iets pijnlijks in liggen voor den zoon, dat de vader zooveel besproken en zoo verschillend beoordeeld wordt, — hij denke aan ’t woord van Swift: „Censure is the tax a man pays to the public for being eminent.” Want dat was de heer Cornelis over de Linden!

Den Helder, 1 Juli 1877. J.F. Berk.

Aantekeningen.

  1. Met een paar kleine veranderingen uit Schiller: „Die Macht des Gesanges.”
  2. De Onechtheid van het Oera Linda-Bôk, aangetoond uit de wartaal waarin het is geschreven, door J. Beckering Vinckers. Haarlem, Erven F. Bohn, 1876.
  3. De Schrijver van Thet Oera-Linda Bôk is niet Cornelis over de Linden, door Gerrit Jansen. Nieuwediep, Berkhout & Ch., 1877.
  4. Beweerd maar niet bewezen. Bestrijding van de argumenten, voorkomende in de Brochure van den Heer J. Beckering Vinckers over Het Oera Linda Boek, door L.F. over de Linden. Leeuwarden, H. Kuipers, 1877.
  5. Jon. Swift, Thoughts on various subjects.
  6. Dr. J.G. Ottema, De Deventer Courant en Het Oera Linda Boek, pag. 27.
  7. Dr. J.G. Ottema, Geschiedkundige Aanteekeningen en Ophelderingen bij Thet Oera Linda Bok, 1873.
  8. Wie heeft het Oera-Linda-Boek geschreven? door J. Beckering Vinckers, Kampen, Laurens van Hulst, 1877.
  9. Dr. J.J. Kreenen, Aardrijksk. Handboek 1870, deel V, p.310.
  10. Dr. F.C.L. Sickler en Dr. J.J. Hisely. Oude Aardrijksk. met de nieuwe vergeleken.
  11. De naamsafleidingen in ’t O.L.B. zijn vreemd. Daar tegenover staan de volgende verklaringen: Drange of Drangiana is ontstaan uit Zarange door een gewone verwisseling van Z met D, en samentrekking van twee lettergrepen. De bewoners van dit Zarange heetten Zarangaei, welk woord samenhangt met ’t Arab. Zarichon, groeven, holen, diepten; ’t beteekent dus: de in holen wonenden. Genoemde naam is nog bewaard in ’t tegenwoordige Zarang in Sigistan. / De Iraniërs noemden het gebied, besproeid door den Indus, diens vijf zij- takken en de Sarasvatî [die tegenwoordig in ’t zand smoort]: hapta hendu, d.i. zeven stroomen; van daar de namen Hindu, Hindostan, Indië. / Niet alleen volksnamen, ook namen van steden zijn volgens ’t O.L.B. van Frieschen oorsprong, zooals o.a. Massilia (p.84: Mis-sellia = miskoop = verkeerde koop) en Cadix (p.80: Kâdik kadijk, een steenen dam), terwijl ’t eiland Creta z’n naam ontleent „aan de woeste kreten, die de bewoners aanhieven,” (p.57). Andere afleidingen zijn de volgende: Massalia (bij de Grieken) of Massilia (bij de Romeinen) is ontstaan uit de Phoen. woorden maoss = vesting, en alah = stijgen, hoog zijn; ’t woord beteekent: hooge vesting. Ook getuigen de Ouden, dat deze stad gedeeltelijk op hooge rotsen amphitheatrisch rustte. De stad Cadix, vroeger Gades en Gadeira, heeft haar naam te danken aan ’t Phoen. Gaderah, d.i. ommuurde, beschutte, bevestigde plaats. Het eiland, dat bij de Romeinen Creta heette, droeg vroeger den naam Kriti, en stamt van het Kananaeische woord Crethi boogschutter; deze afleiding stemt overeen met ’t verhaal der Ouden, dat de Kretenzen uitstekende boogschutters waren. Het Kattegat, zoo genoemd, „omdat daar de burgtmaagd Kaat over boord sprong” (O.L.B., p.77), heeft zijn naam van: kat = boot, en gata = straat, en beteekent dus scheepsdoor vaart. Over Himalaya en Kaap Lindesnes, zie de eerste brochure over ’t O.L.B. van den heer B.V. Aant. [2].
  12. Bronnen voor de geschiedenis dier tijden zijn o.a. de Zend-Schriften en de Veda’s. Haug [Essays] stelt den tijd van opstelling der eerste geschriften aldus: de Gâthâ’s, minstens vóór 1200 v.Chr.; de oudere Vendidâd tusschen 1000 en 900 v.Chr.; de jongere Yaçna tusschen 800 en 700 v.Chr.; de jongere Vendidâd (Pazend] ongeveer 500 v.Chr.; de Yeshts tusschen 400 en 300 v.Chr. Wat de Hindu’s betreft, zoo zijn volgens Max Müller (History of ancient sanskr. Literature): de Mantra’s (nieuwere hymnen] tusschen 1000 en 800, de oudere tusschen 1200 en 1000 v.Chr. opgeschreven.
  13. C.P. Tiele, De Godsdienst van Zarathustra.
  14. Een oogenblik meende ’k wel een spoor der kolonie te vinden. Uit den ontzaggelijken strijd, dien Zarathustra en zijn Mazda-volgers te voeren hadden tegen de Indra-dienaars en hun priesterschap, wordt in de oude Arische geschriften melding gemaakt van Fryana, Grèhma en Bendvô. Ongetwijfeld hebben de wonderlijke naamsafleidingen van ’t O.L.B. er schuld aan, dat ’k in de drie genoemde personen een Frya’s man en een Grevetman zag, verbonden met een inlandsch vorst, die deel namen aan den oorlog. De rol, die zij speelden, was echter in strijd met het Friesche karakter en voor den Wralda-dienaar onmogelijk. Woedend toch vervolgde dit driemanschap de gezeten, akkerbouwende Ariërs in ’t belang der woeste nomadische priestervorsten; met woord en zwaard trachtten zij het heilige vuur te doen wijken voor de vereering van den krijgsgod Indra, en het lied ter eere van den eenen, waarachtigen Ahuramazda te doen vervangen door den onstuimigen krijgszang van Agni-priesters, dronken van Homasap.
  15. C.P. Tiele, De Godsdienst van Zarathustra, p.63.
  16. Tiele, p.236.
  17. Volney, Les Ruïnes; 13me. ed. p.240.
  18. p.140, [13me, ed].
  19. Het lengtedal Tibet, tusschen de zuidelijke helling van den Karakorum en de noordelijke helling van den Himalaya, is gesplitst in Middel- en Klein-Tibet, en behoort grootendeels tot ’t rijk van Kaschmir. Het rijk van Kaschmir, dat aan den in 1857 overleden Ghobol-Sing behoorde, is schatplichtig aan ’t Indo-Britsche rijk. [Pütz -Jurrius, Vergel. Aardrijksk. I].
  20. Köppen, Die Religion des Buddha, II, p.121 enz.
  21. Is ’t daarom misschien dat de schr. van ’t O.L.B. den naam Kasamyr vertaalt door: zeldzaam. — De tegenwoordige naam Kaschmir is afkomstig van ’t oude Gagaemira, eene stad in de landschappen Suastene en Goryaea (langs de rivieren Coas en Suastus) in India intra Gangem. De tegenwoordige stad Kaschmir, thans zoo genoemd als hoofdstad, heet ook Serinagur, en was oudtijds Herarassa, hoofdstad, der Caspiraei. — De schrijfster uit ’t O.L.B. heeft reeds Kasamyr!
  22. Gartenlaube 1877, p.260 met houtsnee.
  23. Een hymne uit de Rig-Veda (vóór 600 v.Chr.), die ’t ontstaan van de wereld voorstelt onder het beeld van een offer, door de goden gebracht. Het offerdier is hierin Puruscha, de mensch, doch niet als individu, maar als collectief, of ook als ideaalmensch, of ook als wereldidee. Van deze beroemde maar duistere sûkta (hymne) bestaat een fr. vertaling in de voorrede van Burnouf’s Bhagavata-Purâna, een duitsche in Weber’s indische studiën, een eng. bij Muir.
  24. De betrekking tusschen vader en zoon komt duidelijk uit in ’t volgende: [Dr. Karl Schmidt’s Gesch. der Pädagogik, 3tte, aufl. I, p.105. Indiën. — Die Kasten-Erziehung]: „Der Vater zahlt im Sohn die Schuld, erlangt in ihm Unsterblichkeit / Wenn eines neugebornen Sohns lebendges Angesicht er schaut. / Der Mann geht in die Gattin ein und ruht als Keim im Mutterschooss, / Und wird von ihr als neuer Mensch im zehnten Mond zur Welt gebracht. / Nur dann wird wirklich Weib das Weib, wenn er in ihr geboren wird, / Das Wesen ist erncut, nicht neu, das sie in ihrem Schoosse trägt.”
  25. p.140, [13me, ed].
  26. Schmidt’s, Gesch. der Pädag I, p.101.
  27. Paul Wurm, Gesch. der indischen Religion. 1874.
  28. In de Mahâbhârata vindt men sporen, dat zelfs in oud-arische streken religieuse gebruiken bestonden, die meer met ’t Fetischisme overeenkomen dan met den Veda-godsdienst. Daaronder behoort de slangendienst aan den boven-Indus en in Kaschmir, die zelfs ten tijde van Alexander den Groote nog sterk verbreid was, ofschoon ook dáár de Brahmanen de heerschende priesterkaste vormden, Gedurende den strijd tusschen Brahmaisme en Buddhisme, en in het latere Brahmaisme treden in sommige streken Çiya-, en Vischnu-priesters op.
  29. Tiele, Zarath. p.240; Wurm, Ind. Rel. p.55.
  30. Zie over den naam Wr-alda, de eerste brochure van den heer B.V., (aant. 2), p.55.
  31. Atharva-Veda. Vergel.: Abhandlung über die Cosmogonie der heidn. Völker, von Adolf Wuttke, voorkomende in de Verhandelingen uitgegeven door het Haagsche Genootschap tot verdediging van de Christelijke Godsdienst, 10de deel, 1ste stuk. 1850.
  32. Mattheus 19, vs. 17.
  33. Burnouf, Introd. à l’histoire du Bouddhisme.
  34. Wuttke, Cosm. der heidn, Völker, p.43.
  35. Volney, Les Ruïnes 13me. ed. p.141. De schrijver laat den Tibetaanschen Lama spreken; eeuwen na Buddha is ’t toen reeds sterk verbasterde en met een paradijs verrijkte Buddhisme in Tibet verkondigd.
  36. Dr. Ottema, Dev. Cour. en het O.L.B., p.13. / Het kolossale anachronisme (ongeveer 600 jaar) is te verkiaren door de uitspraak van den Heer Gerrit Jansen in diens brochure (p.11): „Met de chronologie was hij (de heer Corn. o.d. Linden) gewoonlijk schrikkelijk in de war.”
  37. Eitel, Handbook for the student of chinese Buddhism. London 1870; p.6.
  38. Beal, a catena of Buddhist scriptures from the Chinese, London 1871, p.117. / „Een Buddhakschêtra is een Chiliokosmos, duizend werelden, die aan de heerschappij van een Buddha zijn toevertrouwd. Behalve de onze zijn nog ontelbare andere, die weer onder andere Buddhas staan.” [Wurm, p.133].
  39. De eerste zienswijze is van Max. Müller [in Dhammapada], Beal [a catena of etc.] en Eitel [three lectures of Buddhism, 1871]. De tweede meening zijn o.a. Burnouf, Köppen, Wassiljew toegedaan.
  40. Beal, p.201 etc.
  41. Dr. Ottema, Gesch. Aant. p.27 ff.
  42. P. Wurm, Gesch, der Ind. Rel., p.68.
  43. De naam Rischi, waarmede de oudste dichters en profeten genoemd worden, beteekent niet noodzakelijk een priester; de Rischi komt eerder overeen met de oudtestamentische profeten, want er wordt zoowel op zijn goddelijke inspiratie als op zijn groote vroomheid gewezen. In de latere hymnen worden de oude Rischis tot gevierde heiligen, terwijl zelfs goden zooals Indra en Agni, Rischis genoemd worden in de Rig-Veda.
  44. De botanische naam is Pippola of Ficus religiosa. Deze soort van ’t geslacht Ficus onderscheidt zich door de aanmerkelijke grootte en ’t aanzienlijk aantal luchtwortels, die van zijn takken afdalen en zich in den grond vasthechten. Aan de Nerbuddah, in Voor-Indië, groeit zulk een boom, die met zijn luchtwortels, eene ruimte van 225 vierk. meters beslaat.
  45. De verklaring Buda = buidel, of zooals in de nagelaten cahiers van den heer Corn. over de Linden, buta = boeten, stel ’k op één lijn met de afleidingen: neef Teunis = Neptunus, Minerva = mijne erven, Finnen = fijnen, Hindos = hinden, Fo [’t fr. faux] = valsch, enz. Al deze verklaringen zijn gegrond op den klank der woorden. Zoo ook moet volgens Dr. Ottema, Almanland, Ameland; Liudgarda, Leeuwarden beteekenen („Leeuwarden, de Middelzee en Het O.L.B.” door Dr. Ottema, Oct 76). Verder zal Twiskland wel Tuïstoland, d.i. Duitschland moeten geven; enz. Een merkwaardige afleiding van dien aard bevindt zich in de nagelaten cahiers. Aldaar wordt Clovis vertaald door [koppen] kloover; doch daar de schrijver niet wist dat Klovis (Lovis = Louis, Lodewijk) of Klovic, ontstaan is uit ’t frankische Chlodwic, waarvan de oudste vorm Hludwîc was, zoo neemt hij Hludwîc als afzonderlijken naam, als een bijnaam, aan Clovis door de priesters gegeven. Die naam Hlud-wîc beteekent volgens den schrijver: litenwijk, d.i. toevlucht voor de liten, de lagere standen. Hij zou dus identiek zijn met den Floris V-bijnaam: der keerlen god. Deze vergissing vinden we in ’t O.L.B. terug, waar Buddha en Fo als twee verschillende bijnamen voor den zelfden persoon worden gebruikt. Volgens Max Müller en Stanisl. Julien is echter ’t Chineesche Fo, verkort uit Fo-t’o, niets anders dan ’t gewijzigde woord Buddha, dat zuiver Sanskriet is.
  46. J. Beckering Vinckers, „Wie heeft het O.L.B. geschreven?” p.47, 48. [De aldaar opgegeven pagina’s zijn uit een andere editie van de Ruines].
  47. L.F. o.d. Linden, „Beweerd maar niet bewezen,” enz., p.39, ff.
  48. Wurm, p.142, ff.
  49. Bidraderen of bidtrommels vindt men bij Lamaistische Buddhisten. Er zijn kleine en groote trommels, de eerste in de handen der biddenden, de laatste in tempels en huizen, In ’t huis worden ze door ieder binnentredende gedraaid. Soms ziet men ze op de gevels, zoodat ze door den wind in beweging gebracht worden; ook worden ze boven den haard door den rook gedreven, of door water op de wijze van watermolens. Ze zijn tonvormig en volgepropt met papieren, waarop niets staat dan zoo vaak mogelijk: „Om! Mani padmê! Hum!”
  50. Omstreeks 1100 werden de Buddhisten in Kaschmir nog eens door een Koning beschermd.
  51. De Aarde en hare Volken, Jaarg. 1869, pag. 44 ff.; tevens wordt daar gesproken over de vereering der Yezidis van Sjeikh Adi, en over den zoogenaamden „haan der Yezidis.”
  52. Ds. James Gardner [bewerkt door J. G. R. Vos], „De Godsdiensten der wereld.” Nieuwediep, de Buisonjé, 1871. Art. Yezidi.
  53. De sekten in den Mohamedaanschen godsdienst kunnen in twee soorten: orthodoxe en kettersche verdeeld worden. De eerste dragen den naam van Sonnieten, omdat zij ’t gezag erkennen van de Sonna, d.i. van de verzameling der overleveringen, betreffende de gezegden en handelingen van den profeet; van hen bestaan vier hoofdsekten. Kettersche sekten zijn die, welke heterodoxe denkbeelden hebben, in hoofdvoorschriften en zaken van geloof. Daarvan bestaan er vele, waaronder de Yezidi, dus genoemd naar den stichter Aboe Yezid ’l-Bastâmi. [Vergelijk o.a.: M. Keyzer, De Leerstellingen van de Mohammedaansche godsdienst].
  54. Vollmer, Vollständiges Wörterb. der Mythol. aller Völker, 2te Aufl. s. 672.
  55. Jacob Grimm, Deutsche Mythol. 3te ausg. I, s. 177. Karl Simrock, Handb, der Deutschen Mythol. 4te aufl., s. 271. Vergel. ook Mone’s Heidenth.
  56. Zie o.m.a.: W. Hurd, Gesch. van alle godsdiensten, eerste deel, bl. 254. Wurm, p.237.
  57. Men zou hier denken aan Herodes’ kindermoord. Werkelijk zijn er meer punten vau overeenkomst tusschen de Krishna-, en de Christusfiguur, die het vermoeden doen ontstaan, dat nieuw-testamentische verhalen invloed geoefend hebben op de teekening van den Krishna. (Zie hierover o.a. een belangrijke bijdrage van Dr. Ticle in ’t „Theologisch Tijdschr.” 11e Jaarg., le stuk).
  58. Volney teekent hierop aan: „[L’une des périodes solaires]. Voy. l’ode curieuse de Martianus Capella au soleil, traduite par Gébelin, volume du Calendrier, pag. 847 et 548,” / Over den Bacchus (Sabazios Dionysos] bijnaam Yés, en de formule: „Evoi Saboi, Hyes Attes, Attes Hyes,” zie Dr. Werner, Die Religionen und Culte des vorchr, Heidenth. 1871, p.322 ff., waar „Hyeg” verklaard wordt door „Hij is het vuur!" als uitroep van ’t priesterkoor. / Den bijnaam „feuergeborene” voor Bacchus [kind van Zeus en Semele] komt ook voor in: Die Götter und Heroen des class. Alterth. von prof. Stoll, 4te aufl., s.240. / Vollmer, 8. 650: Hyes [Gr. M.] Beiname des Bacchus.
  59. Volgens ’t O.L.B. is Atland verzonken 2193 v.Chr. Vierduizend jaar later is: 1807 n.Chr. Wij leven dus reeds in ’t eind van ’t overgangstijdperk!
  60. Dagteekent die naam „die alleen bij ’t Nederl. zeewezen in gebruik is, en waarvan iets dergelijks niet bij eenig ander bestaat,” werkelijk uit den tijd van Alexander den Groote? „De eerste maal dat deze benaming in echte bescheiden voorkomt, is in eene Instructie of Berigtschrift van den jare 1603 voor de Commissarissen in het Vlie en de sont, die belast werden met het opzigt over de Koopvaardijschepen, gaande naar en keerende uit Noorwegen en de Oostzee; uit welke bijzonderheid schijnt te moeten opgemaakt worden, dat de titel van Schout-bij-nacht het eerst bij den Handel en de Zeevaart is in gebruik gekomen en van dezelve, tot het Zeewezen is overgebragt. Bij dit laatste wordt deze benaming het eerst in het jaar 1614 gevonden waarna dezelve van tijd tot tijd voorkomt, bepaaldelijk in de lijst der schepen en bevelhebbers, welke den zeeslag van Duins (1639) hadden bijgewoond, waarin Jonkheer Kats aldus genoemd wordt.... De naam Commandeur bleef ’t langst bij de scheepsmagt der provincie Zeeland in Zwang, totdat dezelve in of omtrent den jare 1665 algemeen bij ’t Nederl. Zeewezen, met dien van Schout-bij-nacht schijnt verwisseld te zijn geworden.” Zie verder hierover, en over den oorsprong van den naam: Gesch, van het Nederl. Zeewezen, door Mr. J.C. de Jonge, 1ste deel, bl. 424 ff.
  61. O.L.B., p.105. „Pangab, dat is in onze spraak vijf wateren, omdat vijf rivieren met haar naar de zee toestroomen.” / O.L.B., p.221. „Pangab, dat is vijf wateren,.... omdat vier andere rivieren door zijn mond in zee stroomen.”
  62. Gesch. Aant., p.23.
  63. Inleiding tot de 2de Uitg. van ’t O.L.B., p.XXVI.
  64. Vergelijk: Dev. Cour. en O.L.B. door Dr. Ottema, p.27; „het O.L.B. spreekt zich nergens en nimmer tegen, is nooit met zich zelven in strijd, is in den volsten zin des woords altijd consequent.” Zie boven aant. 61. Heeft Dr. Ottema soms daarom het Handschrift, Oera Linda Bok genoemd?
  65. Schlosser’s Wereldgesch. 1861. II, p.260.
  66. Streckfuss, Wereldgesch. I, p.348.