1877 De schrijver is niet
De Schrijver van Thet Oera Linda Bôk is niet Cornelis Over de Linden.
door Gerrit Jansen, Corrector van C.O.’s nagelaten geschriften. [JJK 166 - origineel]
Nieuwediep, Berkhout & Co., 1877.
Stoomsnelpersdruk van A.A. Bakker Cz.
[3] Nimmer had ik kunnen denken, toen de heer Cornelis Over de Linden mij zijn Manuscript vertoonde en beproefde ’t met mijne hulp te vertalen, dat ik nog eenmaal als verdediger van dat H.S. zou moeten optreden. Ik heb mij niet juist uitgedrukt. ’t Oera Linda Bôk te verdedigen, nadat ’t door een geleerde, zoo knap in de vergelijkende taalstudie als de heer Beckering Vinckers is gewogen maar te licht bevonden, zou van mijne zijde een dwaasheid zijn. Ik versta vrij wel ’t Fransch en van ’t Duitsch weet ik zooveel, dat ik in Duitschland behoorlijk kan voortkomen. Van ’t Friesch weet ik juist zooveel, dat ik met vrij wat moeite ’t „Friesch Jierboeckjen” kan lezen, en ook daarin komen nog veel woorden voor, die ik niet kan vertalen.
Een beoordeeling dus van de brochure van den heer B.V. „De onechtheid van het Oera Linda Bôk, aangetoond uit de wartaal waarin het is geschreven,” zou mij niet voegen. Ik wil er mij daarom ook niet aan wagen; maar wel wil ik een paar aanmerkingen, neen, ook dat zou te stout zijn, bedenkingen maken, tegen ’t zoo even genoemde geschrift.
De heer B.V. heeft alle eer van dat schrijven, want ’t is een proeve van doorwrochte taalstudie, waarin hij duidelijk heeft aangetoond, dat in ’t H.S. een aantal grammaticale bespottelijkheden voorkomen, die een deskundige dadelijk van de onechtheid overtuigen.
Met weemoed zie ik ’t Oera Linda-Bôk daardoor gebrandmerkt als een letterkundige mystificatie.
[4] ’t Was toch zoo mooi en ik zou mij innig verheugd hebben over de omkeering, die ’t in de geschiedenis der volkeren zou hebben te weeg gebracht. ’t Is nu eenmaal niet anders en ik zal er dus wel in moeten berusten.
Toch ziet ’t H.S. er zoo uit, dat ik ’t bij den eersten aanblik een hooge oudheid toeschreef, en als ik eerlijk wil opbiechten, dan is ’t geloof aan die oudheid nog niet verminderd, al wil ik die nu juist niet terugbrengen tot 1256 n.C.
Ik heb in mijn leven wel eens meer oude handschriften gezien in verschillende bibliotheken, zelfs heb ik gelegenheid gehad in familie-papieren te snuffelen, die ruim een eeuw oud waren, en toch zagen die er nog dikwijls nieuw uit, vergeleken bij de bladen, waarop ’t H.S. geschreven is.
Ik verzeker u, heeren bestrijders, uw oordeel zou misschien wel wat gewijzigd zijn geworden, wanneer gij ’t oorspronkelijke H.S. hadt gezien.
Evenmin als men door de kussens en dekens door elkander te gooien, een bed ’t voorkomen kan geven van beslapen te zijn, evenmin kan men kunstmatig aan papier ’t aanzicht van oudheid geven. De tint er in te brengen zou wellicht nog gaan, maar de randen te krijgen zooals ze er uitzien en ze zwart te maken met allengs tot wit overgaande kleur, dat is een onmogelijkheid.
Welnu, zoo ziet ’t H.S. er uit!
In de door mij genoemde brochure van den heer B.V. wordt aangetoond, dat de schrijvers of schrijfsters van ’t O.L.B. schromelijk tegen de naamvallen hebben gezondigd, en niet ten onrechte.
Bij nadere beschouwing is zulks bij mij geen bewijs voor de onechtheid. Die oude Friezen en Friezinnen, aan wie ’t H.S. zijn ontstaan moet te danken hebben, waren [5] voorzeker geen taalgeleerden. Verbuigen en vervoegen hadden zij stellig niet geleerd, althans op de burchtscholen schijnt taalkunde niet op den rooster van werkzaamheden gestaan te hebben. Dat ze dus tegen de regels der grammatica zondigden is niet alleen te vergeven, maar ’t zou wonder zijn, als ze ’t niet gedaan hadden. Ware hun stijl zuiver geweest en hadden ze alle regels der grammatica bij hun schrijven in acht genomen, dan zou hun werk mij zeer verdacht zijn voorgekomen.
Ga maar zelf eens na.
De wet zorgt tegenwoordig, nu wij de 19e eeuw n.C. hebben, dat er op de scholen voldoend onderwijs wordt gegeven; de onderwijzers moeten blijken van hunne kennis geven bij verschillende examens, en hoe ziet ’t er uit, wanneer men een brief ontvangt? Ik geloof daarvan te kunnen meêpraten, daar ik, door mijne onderscheidene betrekkingen, met menschen van verschillenden stand en leeftijd dagelijks in aanraking kom. Niet alleen eenvoudige lieden, maar zelfs schrijvers, auteurs anders gezegd, die zich op ’t gebied der letteren eenigen naam verworven hebben, waren verplicht hun werk aan de beschavende hand van den corrector toe te vertrouwen, wanneer ’t in ’t licht moest komen.
Die zonden tegen geslacht en naamval, die misplaatsing van d., t. of dt. komen standvastig voor. Zelfs worden die fouten niet consequent gemaakt, en bij geluk of bij ongeluk schrijft men wel eens enkele malen zonder fouten.
Om een voorbeeld te noemen: de spelling van ’t woord neen is mij wel eens onder de oogen gekomen als ne en nee, niettegenstaande dat woord, dat eenvoudige woord, wellicht duizend en meer malen onder de oogen van den schrijver of de schrijfster gekomen was. Door eenvoudige lieden heb ik woorden zien smeden, die hoogstwaar[6] schijnlijk nimmer in ’t woordenboek der Nederlandsche taal zullen opgenomen worden. Zou nu een taalgeleerde, na verloop van vier of vijf eeuwen, wanneer hij zulk een opstel, in den tegenwoordigen tijd geschreven, in handen kreeg, mogen beweren, dat ’t onecht was en zou ’t bewijs van onechtheid voldoende zijn, wanneer hij op gronden kon verklaren, dat men in de 19e eeuw zoo niet schreef? Deze feiten, door mij herhaaldelijk waargenomen, zouden met bewijzen kunnen worden gestaafd, al wekt zulks ook verwondering bij geleerden op. ’t Is dus, m.i. nog geen bewijs van onechtheid, wanneer er grammaticale fouten te vinden zijn in ’t H.S.
Dat er woorden in voorkomen, die eerst in lateren tijd gebruikt werden, is van meer gewicht, en ’t spijt mij, dat ik daarover niet kan oordeelen; ik moet dat derhalve aan meer bevoegden overlaten. Misschien deelt de eene of andere kenner van ’t O.-Friesch daaromtrent nog wel eens zijne bevinding mede.
Ik zou gezwegen hebben op de terechtwijzingen, die op bloot grammaticale gronden berusten, maar nu de persoon van Cornelis Over de Linden wordt aangevallen, nu men hem wil betichten ’t H.S. zelf vervaardigd te hebben, vermeen ik niet te mogen zwijgen, te meer, daar mijn naam genoemd is en aan een paar woorden, die ik zou gesproken hebben, een gewichtvolle beteekenis wordt gehecht. Eerlijk moet ik bekennen: De laatst verschenen brochure van den heer B.V. heeft mij niet bevredigd. Waren de daarin aangevoerde bewijzen onwederlegbaar geweest, dan had ik moeten zwijgen; maar nu wordt spreken plicht.
Met bescheidenheid durf ik verzekeren, dat ’t volgende, ook de denkbeelden van anderen daarover zal wijzigen.
—
[7] Cornelis Over de Linden was een flink, krachtig gebouwd man, wiens open en eerlijk gelaat bij den eersten aanblik ’t idée van dubbelhartigheid, listigheid etc. uitsloot. Zonder nu juist een Lavater te zijn, gevoelde men, dat hij de man niet was, die een bedrog zou willen plegen en ’t stelselmatig zou kunnen volhouden. Men heeft de aandacht gevestigd op hetgeen ik nopens de eerste kennismaking tusschen O. en mij heb geschreven en daaruit aanleiding gevonden hem ongunstig te beoordeelen. Een kleine opheldering zal dat oordeel over hem zeker wijzigen. Men moet met de omstandigheden ten volle bekend zijn, wil men oordeelen.
’t Schrift der mij toevertrouwde cahiers was niet van de hand van O. (trouwens, zijn schrift was mij destijds onbekend). Een brief werd mij vertoond van een zoogenoemden vriend uit A., niet van dezelfde hand die de cahiers geschreven had, en toch liet ik mij oogenblikkelijk na zijn vertrek ontvallen: „De man verbeeldt zich misschien mij om den tuin geleid te hebben, maar dan had hij ’t beter moeten overleggen. ’t Is zijn eigen werk!” Ik had destijds nog nooit gehoord, dat hij als auteur een letter op ’t papier gezet had. Ik haal dit voorval aan, niet om daarmede mij zelf een brevet van scherpzinnigheid te geven, maar om duidelijk in ’t oog te doen vallen, welk een groot contrast er bestaat tusschen deze onschuldige en onnoozele fopperij en de door en door slimme handelwijze, hem toegeschreven in zake ’t Oera Linda-Bôk. ’t Is waar, een mensch blijft zich zelf niet altijd gelijk, maar hier zou ’t verschil toch nog al van belang zijn.
Men heeft ’t zoo trachten voor te stellen, alsof deze handeling een bewijs van onoprechtheid in O.’s karakter zou zijn, en toch kan men, met een weinig welwillendheid, hieraan een geheel anderen uitleg geven.
[8] Niet alleen werd mij de correctie der geschriften opgedragen, maar tevens verzocht O. mij, mijn oordeel over hunne letterkundige waarde te zeggen. Had hij mij zoo goed gekend als later ’t geval was, dan zou hij voorzeker anders gehandeld hebben. Natuurlijk moest mijn oordeel over zijn werk meer onpartijdig zijn, wanneer de schrijver mij onbekend was en zou alzoo hoogere waarde verkrijgen. Hoe dikwijls ziet men toch, dat beleefdheid en vriendschap gewicht leggen in de schaal, wanneer men ergens over moet oordeelen.
—
Aan den stijl kent men den man, is een spreekwoord, waaraan nog al eenige waarde wordt gehecht.
Ik heb eenige dozijnen cahiers, met opstellen van O., ter bewerking gehad, en dat gaf mij gelegenheid met diens stijl bekend te worden. Herhaaldelijk werden door O. bijzonder lange volzinnen gebruikt, die door ’t aantal bepalingen, daarin voorkomende, niet alleen onduidelijk, maar somtijds voor den lezer onbegrijpelijk werden.
Daardoor zag ik mij genoodzaakt, die volzinnen in tweeën, ja soms in drieën te splitsen. ’t Klad dier geschriften, in ’t bezit van den heer L.F. Over de Linden, zou dit nog kunnen bewijzen.
Leest men ’t Oera Linda-Bôk, dan valt ’t verschil van zinsbouw duidelijk in ’t oog. De volzinnen daarin zijn kort en kernachtig. Bijzonder lange volzinnen komen er niet in voor.
Moeielijk is ’t, aan te nemen, dat een persoon als O., over wiens letterkundige bekwaamheden wij later zullen spreken, in tweeërlei stijl zou schrijven.
De tegenwerping is gemaakt, dat O. ’t Friesch niet genoeg machtig was om aan zijne liefhebberij voor lange volzinnen toe te geven.
[9] Deze bewering heeft meer schijnbare dan werkelijke waarde. Zou O. ’t O.L.B. inderdaad geschreven hebben, dan stel ik mij voor, dat hij deed als iemand, die een vreemde taal, b.v. ’t Fransch, eenigen tijd bestudeerd heeft. Hij zou zijn opstel in ’t Nederlandsch hebben opgeschreven en ’t daarna in ’t O.Fr. hebben overgebracht, en men had geen verschil van zinsbouw aangetroffen. — Een kernachtig, pittig gezegde kwam in zijne geschriften meermalen voor. Zie ’t O.L.B. en ga daarin aandachtig ’t scheppingsverhaal na. Is ’t niet of ge een Oostersch verhaal leest, bij die beeldspraak, die gloeiende tint, die over ’t geheel ligt? Over de Linden was practicus in al zijne handelingen en hierin herkent men duidelijk den poëet.
—
Bij een bezoek vroeg ik aan O. of hij geen plan had zijne geschriften in ’t licht te geven. „Daaraan zal ik later eens denken,” was zijn antwoord, als ik gepensioneerd, meer tijd voor zoo iets zal hebben en ook een meer onafhankelijke positie heb, dan nu ik nog in ’s Rijks dienst ben. In een later gesprek bood hij mij de uitgave aan, en zeî daarbij, „dat de voordeelen, die daaruit konden voortvloeien, geheel ten mijnen bate zouden zijn.”
De geschriften hadden hun weg wel gevonden, daaraan twijfel ik niet, maar ik had toch in de zaak geen zin.
Mijn antwoord op dat voorstel was, dat ik hoogst ongaarne anoniem schreef; dat er noodzakelijk critiek moest volgen, wegens hetgeen hier en daar in strijd gevonden werd met algemeen aangenomen begrippen, of met hetgeen tegen de wetenschappelijke uitspraken streed. Vele denkbeelden en beschouwingen waren ook met mijne [10] overtuiging in strijd. Ik zag derhalve geen kans ze te verdedigen en moest ’t aanbod afslaan, te meer, daar ’t mij niet vrij stond hier en daar wat te schrappen of te wijzigen.
O. betuigde, dat ’t hem alleen te doen was, om zijne denkbeelden onder de menschen te brengen, want hij wilde hen gaarne wijzer en beter maken.
Van theorie zonder practijk was hij een verklaarde vijand en dit heeft hem dikwijls onaangenaamheden in zijne betrekking bezorgd. ’t Idée dat men zich, na hetgeen de tegenstanders van ’t O.L.B. van hem hebben medegedeeld, ofschoon zij hem niet gekend hebben, zal maken, is, dat begrijp ik zeer wel, glad verkeerd. Velen zullen denken aan een door en door slim persoon, wiens handelingen op listige berekening waren gegrond. Die beschouwing is niet juist, want hoewel uitnemend knap in zijn vak en ook nog in andere zaken, was hij iemand, die zeî wat hij meende, die „een kat een kat” durfde noemen, en ieder mensch van wereldkennis weet, dat zulks niet geraden is, althans wanneer men niet geheel onafhankelijk mag gerekend worden.
De onaangenaamheden die zijne soms ruwe rondborstigheid hem veroorzaakte, verbitterden meermalen zijn gemoed. In zulke oogenblikken sprak en schreef hij somwijlen, in strijd met de gezonde rede. Kon ik hem bij zulke gesprekken niet altijd gelijk geven, dan volgde meestal zulk een stortvloed van bewijzen, soms vrij vreemdsoortig, dat ik ’t verstandiger achtte, ’t gesprek op een ander onderwerp te brengen. Wij bleven dan vrienden en elk behield zijne overtuiging.
[11] De letterkundige kennis van O. was, zooals men in zijne omstandigheden kon verwachten, alles behalve volledig. Sommige onderwerpen, die zijne belangstelling bijzonder opwekten, had hij bestudeerd, in enkele punten grondig, in andere deelen oppervlakkig.
Maar hij kon er van meepraten, dat ’t de moeite waard was er naar te luisteren. Stuitte hij in zijne studie op hinderpalen, op iets dat boven zijn begrip ging, dan hakte hij den gordiaanschen knoop eenvoudig door. ’t Laat zich dan ook wel verklaren. In zijne jeugd had hij weinig of niets geleerd, en op een leeftijd waarin anderen in den regel meenen dat ’t leeren voorbij is, begon hij zich eerst met ijver op ’t verkrijgen van kundigheden toe te leggen.
Vandaar de vreemdsoortige richting in zijne studie.
Volgens zijn zeggen had O. vroeger tot de orde der V.M. behoord, maar hij scheen ook daar niet gevonden te hebben wat hij zocht. Nu gewaagt hij in zijne geschriften van een orde, die nog geheimzinniger of liever nog minder bekend moet zijn dan die der V.M., de orde der vrije bouwlieden. Is ’t een uitvinding zijner fantaisie of bestaat die orde werkelijk? Ik waag ’t niet hieromtrent te beslissen. Hij houdt dat denkbeeld intusschen steeds vol. Iemand als O., die in ’t wilde had gestudeerd, moest noodwendig een bibliotheek hebben, uit de meest heterogene bestanddeelen samengesteld. Met zijne kennis stond ’t dan ook dikwijls vreemd, altijd wanneer men op zaken doelt, die buiten zijn beroep lagen. Over sommige dingen kon hij uitmuntend meepraten. Met de chronologie was hij gewoonlijk schrikkelijk in de war, al had hij van de gebeurtenis zelf ook een goed denkbeeld. Hij studeerde Fransch en bracht ’t daarin tot op zekere hoogte; maar zijne moedertaal kon hij niet zuiver schrijven.
[12] Iemand met zulk een goed verstand kon toch, bij behoorlijke leiding, door privaat onderricht, in drie maanden wel op de hoogte komen van ’t gebruik der naamvallen en de vervoeging der werkwoorden, en O., die zooveel schreef, kon ’t noodzakelijke daarvan spoedig gewaaar worden. Er waren leemten in zijne kennis, die hij onmogelijk kon aanvullen, eerstens wegens gebrek aan tijd, ten tweede omdat hij bij zijne studie de noodige leiding miste; want merken wij hier wel op, dat hij les in ’t teekenen en andere zaken gaf, om eenigermate de uitgaven te kunnen bestrijden, die zijne studie en bibliotheek hem kostten. O. was iemand, die reeds studeerde toen hij nog werkman was. Eerst in 1848 kreeg hij ’t wat ruimer, toen hij opzichter werd bij den zaagmolen. ’t Was dus hier niet de rijke liefhebber, die de beste uren van den dag aan zijne lievelings-bezigheid kon wijden, maar de door arbeid vermoeide werkman, die in zijne vrije uren zijnen geest trachtte te beschaven. Welk onderscheid ’t geeft op die verschillende wijzen te studeeren kan ieder begrijpen, die onder ongunstige omstandigheden zijne kundigheden heeft moeten verzamelen. Tot aan zijn dood was O. in ’s Rijks dienst, wel is waar later als baas of 1e meesterknecht; maar dat ook een chef vermoeid kan zijn, al heeft hij geen gebruik van zijne handen behoeven te maken, kan ieder begrijpen, die aan ’t hoofd van zaken staat of vroeger heeft gestaan. Er zullen dus in ’t leven van O. onderscheidene dagen zijn voorgekomen, waarop hij minder geschikt was, na afloop van zijn dagwerk, te studeeren of te schrijven.
Tot goed begrip der zaak diene men te weten, dat een 1e Meesterknecht op ’s Rijks Marinewerf te Willemsoord iemand is, die practijk en theorie van scheepsbouw in zijn’ persoon moet vereenigen; niet, zooals dokter Eelco [13] Verwijs verkeerdelijk voorstelt, een man die in zijne werkplaats staat te schudden van ’t lachen over de poets, die hij een geleerde gespeeld heeft, maar een man, die onder zijne onmiddellijke bevelen eenige honderden werklieden heeft, wier arbeid door hem wordt geregeld.
—
O. was in ’t bezit van werken over ’t Fransch, ’t Noorsch, ’t IJslandsch, ’t Duitsch, ’t Engelsch, enz.
Wat zijn Engelsch betreft, neme men in aanmerking, dat O. een flinke zeereis had gedaan, en, zooals bekend is, ieder zeeman spreekt min of meer Engelsch. Zijn vlug verstand zal hem meerdere vorderingen hebben doen maken dan anderen, maar, bij gebrek aan verder onderricht en gelegenheid om zich te bekwamen, oordeele ieder verstandig mensch hoeveel of dit wel beteekend heeft. Over ’t Duitsch heeft hij mij nooit gesproken. Ik heb eerst na zijn dood gehoord, dat hij er wat van wist. Dat hij in beide talen voor geen spécialiteit kon gelden, evenmin als voor ’t Fransch, durf ik gerust verzekeren.
Geven wij nu eens een overzicht van de kundigheden des mans, die ’t Oera Linda-Bôk zou gemaakt hebben.
Toen ik den heer Cornelis Over de Linden leerde kennen, kon hij: lezen, voor zijne betrekking voldoende schrijven, verstond algebra en meetkunde, voor zoover zijne betrekking zulks vereischte, misschien iets meer; uitmuntend bouwkundig teekenen, een weinig handteekenen, wat Engelsch, een weinig Duitsch, redelijk wel ’t Fransch en ook iets van de taal, waarin ’t O.L.B. geschreven is. Zijne geschriften zijn, wat opvatting en inkleeding der stof betreft dikwijls origineel en practisch. Hij weet, als hij de stof volkomen meester is, zeer goed uit te drukken wat hij meent en brengt soms in verbazing [14] door ’t vreemde en verrassende van zijne voorstellingen, maar maakt somtijds, als men er ’t minst op verdacht is, een genialen luchtsprong, zoodat de lezer een oogenblik verbluft staat, eens lacht en bij zich zelf denkt: „hoe komt de man er bij!” Dat hij een nieuwe taal zou scheppen is, m.i., op zijn minst genomen belachelijk. Naar mijn beste weten heb ik u hier O. geschetst in zijne kennis en in zijne studie. ’t Is natuurlijk geen zaak, die men met een weegschaal en gewicht kan bepalen. Misschien heb ik ’t eene iets te hoog, ’t andere iets te laag geschat, maar globaal genomen, gaf ik hier een duidelijk overzicht. Kan zoo iemand, ook al is hij in ’t bezit van de volgende oude en nieuwere taalboeken een taal scheppen? Ziehier de lijst:
- Gijsbert Japix.
- ’t Emsiger Landregt.
- Taalk. aanw. op Oud-Friesche woorden.
- Woordenboek op G.J.
- Kronijk van Friesland.
- Alt. Friesisch Wörterbuch.
- Oud-FriescheSpreekwoorden.
- Friesche spraakleer.
- Handleiding tot het lezen der Friesche taal.
- Angelsaksisk Sproglaere.
- Proeve van Friesch en NederlandschWoordenboek.
- Asega Buch, ein Altfris. Gezetsbuch der Rüstringer.
- Handbook of Anglo-Saxon Rootwords.
- Oud-Noorsche spraakleer.
- IJslandsch leesboek.
- Friesche tongval.
—
Kan iemand met die gegevens een taal scheppen, een nieuwe taal scheppen, waarmeê niet alleen eenvoudige lieden, maar zelfs deskundigen, geleerden beet worden genomen?
Die er kans toe ziet moge ’t vrij beproeven, maar zal hij slagen, dan moet hij wat meer tijd en gelegenheid en [15] vrij wat meer onderricht gehad hebben, dan bij Cornelis Over de Linden ’t geval was.[1]
—
’t Behoeft geen betoog, dat O. knap in zijn vak is geweest, want zonder buitengewone knapheid werkt een eenvoudig werkman zich (daar hier van geen protectie sprake kan zijn) niet op tot de hoogte van 1e Meesterknecht aan de Marinewerf te Willemsoord.[2] Bewijzen van zijnen ijver en kunstvaardigheid zijn er nog in menigte voorhanden. Modellen van onderscheidene schepen, ware kunststukken (die bekroond zijn geworden) heeft hij gemaakt. Meer dan 120 teekeningen, den scheepsbouw betreffende, worden van hem bewaard. Hoeveel zoogenaamde vrije uren moet de man daaraan niet besteed hebben! Eenige dozijnen cahiers, de heer Berk spreekt wel van 5 dozijn, heeft hij volgeschreven met oorspronkelijke opstellen. Met zijne gewoonten bekend, weet ik, dat hij zijn oorspronkelijk klad had overgeschreven, wanneer mij de cahiers ter correctie werden aangeboden. Na de correctie schreef O. zijn werk in ’t net, en dus verkrijgt men, behalve de genoemde, nog andere cahiers, wier aantal men niet juist kan bepalen.
Die 60 cahiers kunnen dus zonder tegenspraak met nog vrij wat vermeerderd worden.
Ook heeft O. een werkje over den scheepsbouw uitgegeven, met uitslaande platen.
Hoeveel vrije uren zouden met dien arbeid niet verantwoord zijn?
[16] Als een grief wordt tegen O. aangevoerd, dat hij zijne taalkennis voor zijne kinderen verborgen heeft gehouden.
Zooals de woorden hier voorkomen geven zij een scheeve voorstelling van de zaak. De kinderen wisten zeer goed dat vader Fransch verstond. In onze gesprekken heeft O. mij meer dan eens verteld, dat hij zelf hun de beginselen der Fr. taal heeft onderwezen. Zelfs herinner ik mij zeer goed hoe hij oordeelde over den ijver, aanleg en lust tot studie van elk hunner. Ook was hij gewoon enkele tijdschriften uit ’t buitenland nu en dan des avonds in den huiselijken kring te lezen, en trof hij iets aan, dat zijne belangstelling buitengewoon opwekte, dan gaf hij daarvan de vertaling ten beste. De verklaring der zonen. zou, altijd wanneer ’t bericht juist is, misschien kunnen doelen op zijne kennis van de Friesche taal. Welke redenen O. had die kennis verborgen te houden, heeft hij mij nooit medegedeeld, misschien wel, omdat ik hem er nooit naar gevraagd heb.
Wanneer ik nu nog hier bijvoeg, dat de bibliotheek van O. in een kast werd bewaard, die in de huiskamer stond en dat ik de deuren daarvan dikwijls heb zien open staan, dan ligt ’t voor de hand, dat men de titels der boekwerken kon lezen, en daar genoemde heeren reeds sinds lang geen kinderen meer waren, waren zij wel in staat over de studie of lectuur van hunnen vader te oordeelen.
—
Nu komen wij aan ’t oogenblik, waarop ’t veel besproken Manuscript ten tooneele komt.
Volgens getuigenis van den heer Munnik was ’t O. reeds in 1845 bekend, dat er een oud Manuscript bestond, dat betrekking had op de familie. Eerst in 1848 heeft hij ’t in zijn bezit gekregen. Aan zijn kleinzoon deelt [17] O. mede, dat hij zich zoo blij aanstelde, alsof hij een gouden horloge gekregen had. De heer Dekker getuigt daarentegen, dat O. ’t prul haast niet wilde aannemen, waardoor tante Aafje in haar voornemen om ’t hem te schenken, bijna aan ’t wankelen werd gebracht.
Ziedaar twee tegenstrijdige verhalen.
Nemen we nu eens aan, dat O. hier komedie speelt, dat hij bezig is aan de proloog. Wat speelt hij dan onnoozel en slecht. Hij verdient hier waarlijk geen applaus. ’t Was van ’t grootste belang voor hem, altijd wanneer hier bedrog in ’t spel was, met de meeste omzichtigheid te werk te gaan. ’t Was toch met zekerheid te verwachten, dat de echtheid van ’t H.S. bestrijders zou vinden en de wijze waarop het aan ’t licht moest gebracht worden, was van ’t hoogste gewicht. Ook O. kon dit zeer goed begrijpen, en nu zou hij hierin zoo onberaden te werk gaan? Een oplossing van de tegenstrijdigheid der beide gezegden zou waarschijnlijk alleen O. zelf kunnen geven, wanneer hij nog in leven was. Dat is zeker: geen verstandig man zal een doolhof bouwen en den draad van Ariadne aan den eersten boom den besten vasthechten.
Aan tijd heeft ’t niet ontbroken (1848—1871) om, met verstandig overleg, de zaken zoo te schikken, dat een ontdekking tot de onmogelijkheid zou behooren. Moet men hier bedrog vooronderstellen, dan is de zaak zoo onnoozel, zoo dom overlegd, dat men eer aan een onnoozelen bloed, dan aan een scherpzinnig man, een verstandigen kop moet denken.
’t Zou, m.i. al te grofwezen, wanneer men ’t verschil van beide opgaven als een argument zou willen aanvoeren, dat O. zelf de maker en van de onechtheid van ’t O.L.В. overtuigd was. Zou de man, die zoo onnoozel handelde, een werk kunnen schrijven, dat sinds eenige jaren bij [18] heeren geleerden de hoofden op hol + ettelijke pennen in beweging heeft gebracht? Ieder oordeele voor zich zelf, maar mijne conclusie in deze is:
Had O. willens en wetens misleiding willen plegen, dan had hij de zaak wel zoo overlegd, dat de ontdekking van ’t bedrog, zoo niet onmogelijk, dan toch vrij wat moeielijker zou geweest zijn. Hij was niet genoodzaakt voorzichtig te zijn, omdat hij niets te verbergen had en heeft daarom (wie kan hier beslissen onder welken indruk of in welken zielstoestand) een verschillende lezing van één en dezelfde zaak gegeven.
—
Men heeft onderzoek te Enkhuizen bij de nog levende familieleden van O. gedaan. De heer W. O. de L. zou, in de eenvoudigheid zijns harten, een verklaring nopens de oudheid van ’t H.S. hebben afgelegd, in de meening, dat hij een verhaal bevestigde, hem door O. zelf gedaan. — O, heilige onnoozelheid! Een 80jarige vrouw, ik meen tante Antje, weet van ’t bestaan van zulk een familiestuk niet af. Ik wil gelooven, dat zij een braaf mensch is, die volgens hare meening de waarheid spreekt, maar is zij even naïef als eerstgenoemde getuige, dan verwondert ’t mij niet, dat grootvader Andries er haar niet eens over gesproken heeft.
Op bl. 23 van zijne brochure, die aan zal toonen wie het Oera Linda Bôk geschreven heeft, maakt de heer B.V. de opmerking, dat O. ’t Friesch van de familie Siderius, natuurlijk de taal die tegenwoordig in Friesland gesproken wordt, niet heeft kunnen weergeven, dat zijne poging daartoe volkomen mislukt is. Gaarne neem ik die bewering van een deskundige aan, maar onwillekeurig rijst bij mij dan de vraag op: hoe kan O. ’t O.L.B. in ’t [19] Oud-Friesch geschreven hebben, daar hij niet eens in staat is een paar woorden in de tegenwoordige Friesche taal weêr te geven? ’t Laatste zou toch vrij wat minder moeite in hebben, dan een nieuwe of oude Friesche taal te scheppen. Uit volle overtuiging geeft de heer B.V. hier een attest van onbekwaamheid aan O., dat met ’t hem toegeschreven reuzenwerk een scherp contrast vormt.
—
Bij die gelegenheid leerde hij, n.l. Dr. Ottema, mij de letters kennen, schrijft O. in zijne opdracht aan zijn’ kleinzoon Cornelis. — Men heeft ook hieruit de onoprechtheid van O. willen bewijzen.
Met meer recht kan men hier aan verkeerde redactie denken. Dat een man, in ’t bezit van een aantal Friesche werken en brandende van begeerte om ’t groote raadsel te ontcijferen, na jaren inspanning nog niet eens de letters zou kennen, herinnert mij aan ’t vertelseltje van den knaap, die zeven jaren over ’t A.B.C. gestudeerd had. ’t Is te ongerijmd om zulks te gelooven. In een gesprek hierover met de familie O. werd mij ’t oorspronkelijke H.S. nog eens vertoond. Daarin zijn ook letterteekens als ks, ng, th en gs. Deze ontbreken zoo men weet in onze hedendaagsche taal en konden dus vrij wat moeielijkheid opleveren. Doelt O. nu hierop, dan wordt de zaak begrijpelijk en heeft hij alleen zich zeer onduidelijk uitgedrukt. Ook vindt men in ’t H.S. klinkletters met en zonder accents.
—
In de familie O. bestond een overlevering van vroegere grootheid. De Oera-Linda’s hadden in lang vervlogen tijden tot de aanzienlijken in den lande behoord. Ook Jan O.d.L., vader van C.O., spreekt dit gevoelen in [20] vroolijke buien (zou men hier ook kunnen lezen onbewaakte oogenblikken) uit. Die man, ons als zorgeloos en onnadenkend voorgesteld, had zoo iets niet uit zich zelf, maar moest ’t van anderen hebben vernomen, natuurlijk van oudere leden zijner familie, anders zou de zaak ook in zijne oogen van geen gewicht geweest zijn. Hem kan men toch, zijn karakter in aanmerking genomen, geene geslepenheid of arglistig bedrog ten laste leggen. Vanwaar dan dat stout volgehouden pochen op de oudheid van zijn geslacht? Gronden weet hij niet aan te voeren, en toch heeft hij de innige overtuiging, dat zijn beweren waarheid is. Er bestond dus een overlevering omtrent ’t voorgeslacht, en die overlevering moest noodwendig op eenigen grond steunen, want eenvoudige lieden komen uit zich zelf niet tot dergelijke gedachten.
Moet ’t snoeven van Jan ons niet tot de overtuiging voeren, dat hem ’t een en ander, al was ’t dan niet in duidelijke woorden, is medegedeeld, en geeft ons dat geen recht om te beweren, dat de verschijning van ’t O.L.B., of liever van ’t H.S., hierde oplossing geeft? Grootvader Andries kent ’t karakter van Jan, hij geeft hem daarom den kostbaren familieschat niet in handen, maar hij ziet tevens, met den scherpen blik, sommigen grijsaards eigen, dat hij ’t eenmaal zal kunnen toevertrouwen aan zijn’ kleinzoon Cornelis, die ’t niet alleen in eere zal houden, maar er wellicht eenmaal ten bate der familie meê zal weten te handelen.
—
In een gesprek tusschen den heer Berk en mij, omstreeks een jaar geleden, zou ik mij hebben laten ontvallen: dat ’t schrijven van ’t O.L.B. niet boven de krachten van O. ging.
[21] Openlijk verklaar ik, dat die woorden nooit door mij kunnen gesproken zijn. Integendeel, bij voorkomende gelegenheden heb ik onderscheidene malen beweerd, dat O. de auteur van ’t H.S. niet kon zijn. Daar de woorden, mij toegeschreven, cursief zijn gedrukt, daar ze in couranten zijn overgenomen als een gewichtig argument tot staving van ’s heeren B.V. beweren, zoo zie ik mij genoodzaakt, duidelijk en bepaald te verklaren:
’t Vervaardigen van Thet Oera Linda-Bôk ging, volgens mijn oordeel, wel boven de krachten van Cornelis Over de Linden, 1e Meesterknecht op ’s Rijks Marinewerf te Willemsoord.
Worden zijne lievelings-ideeën er in aangetroffen, dan heeft hij ze er uit gehaald.
’t Zal hem gegaan zijn als iemand, die den zin van een verhaal, in een vreemde taal geschreven, hier en daar kan vatten, maar aan de vertaling van ’t stuk niet zou kunnen beginnen, door zijn gebrek aan genoegzame kennis. Die zich de beginselen van zijne eigene taalstudie kan herinneren, raadplege hierover zijn oordeel.
Daar ik niet aan kwade trouw kan en mag denken bij den heer B. en evenmin bij den heer B.V., kan ik hier alleen een misverstand vermoeden.
De heer Mooij, die destijds bij onze gesprekken tegenwoordig was, verklaarde mij eerst zich niet te kunnen herinneren, dat ik die woorden had gesproken, eenige dagen later zeide M. ’t niet vast en zeker te weten, daar door ’t lange tijdsverloop (circa een jaar) zijn geheugen hem wellicht ontrouw was geworden. ’s Mans karakter waarborgt zijne goede trouw en ’t spijt mij nu maar alleen, dat men zulk een gewichtige verklaring niet van mij op schrift heeft gevraagd, daar ik betuigde gaarne al ’t mogelijke te willen doen om ’t zoeken naar de waarheid in deze zaak te [22] steunen. ’t Lag toch voor de hand, aan zulk een bewering gewicht te hechten en men had er dus niet lichtvaardig over heen mogen loopen.
’t Bewijst intusschen alweer, hoe weinig men kan afgaan op gesproken woorden, die soms, of verkeerdelijk des sprekers meening uitdrukken, of verkeerd worden verstaan. Kan een man van kennis en flinke ontwikkeling als de heer M. zich niet eens een gesprek duidelijk herinneren, dat een jaar geleden gevoerd werd over een zaak, die hem belang inboezemde, welke waarde kan men dan hechten aan de getuigenis van eenvoudige, bejaarde lieden, die onverwachts over zaken worden ondervraagd, die jaren geleden zijn voorgevallen.
—
’t Familiewapen, in ’t bezit van den heer L.F. O., ziet er, m.i. niet uit, alsof ’t door een dillettant in de kunst is vervaardigd. — Evenwel, hierin durf ik niet beslissen.
Maar — zou O. ’t gemaakt hebben, toen hij, in vol vertrouwen op de geloofwaardigheid van ’t O.L.B., met den luister van zijn geslacht dweepte, — men vergeve den man dan die kleine ijdelheid. Wie onzer toch is geheel zuiver van deze zonde?
Tot nog toe was de taak, die ik op mij genomen had, niet moeielijk. Ik behoefde de zaken slechts van een tegenovergesteld standpunt te beschouwen, om ze in een geheel andere kleur te zien. Thans komen we echter aan een moeielijkheid, daar ’t verhaal van Buddha voor ons ligt.
De levensgeschiedenis van den stichter der Buddhistensecte toch komt voor in „les Ruines,” door Volney, in de geschriften van O. en in ’t oorspronkelijke H.S., — en [23] wel vrij gelijkluidend. Deze zwarigheid deed mij den arbeid een paar dagen staken. De oplossing van dit schijnbaar moeielijke punt vermeen ik echter gevonden te hebben in de volgende, niet onwaarschijnlijke verklaring:
O. had Volney gelezen en herlezen, waardoor de levensbeschrijving van Buddha hem uitmuntend te pas kwam bij ’t vervaardigen van zijn onuitgegeven handschrift over ’t ontstaan der verschillende godsdienst-secten. Hierin ligt niets vreemds.
Moeielijker is de overeenkomst van dit verhaal tusschen Volney en ’t O.L.B. te verklaren en toch wordt de zaak begrijpelijk, wanneer men dieper nadenkt. ’t O.L.B. verhaalt, dat ook de Friezen (de Geertmannen) in Azië hebben gewoond, en daar zij nog al hielden van rondzwerven, hetgeen uit hunne veelvuldige tochten blijkt, zijn zij ook in aanraking gekomen met Buddha en zijne aanhangers. Zelfs was een Fries de vriend en medgezel van Buddha. De geschiedenis van Buddha was dus bij hen bekend, en, daar ’t lezen en schrijven niet zeldzaam onder de Friezen was, kon die worden bewaard en tot ’t nageslacht overgebracht.
De Aziaten, die voor ’t meerendeel niet lezen en schrijven konden, hebben ’t verhaal als legende, bij mondelinge overlevering bewaard.
Somwijlen wijkt de overlevering door den tijd af van de oorspronkelijke gebeurtenis, maar meestal wordt die bijna woordelijk van den vader aan de zonen verhaald, die, te onontwikkeld om er zelf wat bij te voegen en door lectuur geen andere zaken er meê kunnende verwarren, ’t verhaal zonder eenige wijziging aan hun nageslacht weergeven. Zoo kan ook de geschiedenis van Buddha, na verloop van eeuwen, onveranderd aan den onderzoeklievenden Volney zijn medegedeeld.
[24] De overeenkomst is dus niet zoo vreemd als zulks bij den eersten oogopslag schijnt.
De heer B.V. beweert, dat er in de nagelaten bibliotheek van O. de noodige gegevens gevonden zijn om ’t O.L.B. samen te stellen.
Leest men de Geschiedkundige aanteekeningen en ophelderingen van Thet Oera Linda-Bôk, door Dr. J.G. Ottema, dan vindt men daarin aanhalingen uit Tacitus, Dio Cassius, Strabo, Plinius, Plutarchus en andere schrijvers uit de Oudheid. De berichten dier schrijvers komen overeen met onderscheidene gedeelten van ’t O.L.B. Nu is ’t toch zeker dat O. de werken dier aangehaalde schrijvers niet in zijne bibliotheek had, en al waren ze in zijn bezit geweest, ’t zou hem weinig gebaat hebben, want, hoe knap ook, hij verstond geen Grieksch of Latijn. Hoe was ’t O. nu mogelijk een verhaal te scheppen, in overeenstemming met de genoemde klassieken? Zoolang die vraag niet behoorlijk is opgelost, zal ieder met mij moeten erkennen: Cornelis Over de Linden kan de schrijver van ’t Oera Linda Bôk niet geweest zijn, en zulk een werk ging wel boven zijne krachten.
—
’t Oera Linda Bôk bevat: een dichterlijk scheppingsverhaal, een geschiedenis van onderscheidene volkeren, die voortgekomen zijn uit den Frieschen stam of met de Friezen in betrekking hebben gestaan, benevens een aantal wijze en billijke wetten.
De bestaande geschiedenis, door de Ouden geschreven, wordt in ’t O.L.B. omgekeerd en toch komt zij in een aantal punten er weder meê overeen. Dat alles is geschreven in een vreemde taal, over wier oudheid ik hier niet [25] wil twisten, maar die toch niet gelijk staat met een der bekende talen.
Onderstellende dat ’t O.L.B. onecht is, dan heeft de maker een kennis van de wereldgeschiedenis gehad, die men wel bij een professor, maar niet bij een werkman kan vooronderstellen. Niet alleen werd hier een uitgebreide kennis vereischt, maar ook de kunst om met de plaats gehad hebbende feiten te goochelen, zou ik haast zeggen.
De geschiedenis, zooals die voorkomt in ’t O.L.B., zou dan door een uiterst bekwame hand als was gekneed zijn, en, zoo iets vereischt meer talent als schrijver, dan men O. kan toekennen, wanneer men een paralel trekt tusschen dat werk en de door hem nagelaten geschriften. Had O. ’t werkelijk gedaan bij de gelegenheid tot studie, die onder zijn bereik viel, dan is hij zijne bestemming geheel en al misgeloopen, want dan is in hem een uitstekend professor in de geschiedenis verloren gegaan.
’t Verstand van den wetgever, blijkende uit de wijze en billijke wetten, die men in ’t O.L.B. vindt, moet groot geweest zijn. Ik zou den man een plaats naast Mozes en Solon waardig keuren. Zijn die wetten voortgekomen uit ’t brein van O., dan is ’t jammer voor ons vaderland, dat zijne verdiensten eerst na zijn’ dood voor den dag komen. Hij had als minister uitstekende diensten kunnen bewijzen. Wie weet of wij dan niet sinds lang in ’t bezit zouden zijn van een goede wet op ’t onderwijs, een defensie-wet en nog een aantal andere wetten, die dringend worden verlangd.
Beschouwt men ’t O.L.B. als een tendenz-roman, dan heeft ’t ontegenzeggelijk hooge letterkundige waarde, en de schrijver had in dat genre met eere kunnen optreden. — Wil men O. als de schrijver beschouwen, [26] dan leefde in ons midden een letterkundig genie, door niemand als zoodanig gekend, als zoodanig geëerd.
Ware die gave in hem opgemerkt, de sterren aan den letterkundigen hemel zouden met één vermeerderd zijn geworden.
In den man, die als knap in zijn vak mag geroemd worden, die zelfs in enkele opzichten zeer goed ontwikkeld was, die een aantal geschriften vervaardigd heeft, waarvan eenigen niet onverdienstelijk zijn, stak dan een professor in de geschiedenis, een wetgever en een bekwaam romanschrijver!
’t Is zijne familie, zijn’ vrienden en zijn’ medeburgers altijd onbekend gebleven en alleen de heeren Beckering Vinckers en Berk[3] hebben ’t helaas eerst na zijn dood ontdekt.
Niet alleen ik, maar ook anderen, die O. jaren lang gekend hebben, zijn echter nog ongeloovig genoeg, om ’t bewijs, door den heer B.V. geleverd, dat O. de maker van ’t O.L.B. moet zijn, aan te zien voor een bewijs dat geen steek houdt.
Om duizendkunstenaar op wetenschappelijk gebied te worden is niet alleen genie, maar ook grondige studie een vereischte.
—
De handelingen van verschillende tegenstanders van de echtheid van ’t H.S. heb ik minder waardig gevonden. Voor de verschijning van de brochure van den heer B.V., waarin zou aangetoond worden wie de schrijver van ’t H.S. was, heeft men in onderscheidene couranten op de stemming van ’t publiek gewerkt, ten einde de gemoederen voor te bereiden op de dingen die komen zouden niet alleen, maar zelfs reeds als bewezen doen voorkomen, wat [27] nog bewezen moest worden. Als ’t veranderen van O.’s voornaam (die toch nog al vrij bekend was) in Gerrit een aardigheid moest zijn, dan beken ik volgaarne ’t geestige daarvan niet te vatten.
Er is, volgens de tegenstanders, blanco Overlandsch papier gevonden bij stapels. — Waarom niet bij bergen? Op Overlandsch papier had O. zijne andere geschriften geschreven. — ’t Is een leugen van de grootste soort, want ik heb die geschriften gecorrigeerd, en is ’t noodig daarvoor getuigen bij te brengen, niets zal mij gemakkelijker vallen.
O. had een gereserveerde kamer, een soort van geheim kabinet in zijne woning. Meer dan honderdmaal ben ik ten zijnen huize geweest, maar ik heb er nooit iets van kunnen merken. Tot naricht diene, dat ’t huis een gewoon burgerwoonhuis was, met drie kamers en een keuken. — Men zou er dus niet in verdwalen. Eerst was ’t papier uit een bekende fabriek te Maastricht, en men zou zelfs bij benadering kunnen opgeven, wanneer ’t vervaardigd was. Later had O. ’t meêgebracht uit China, waartoe hij op zijne onderscheidene reizen ruimschoots gelegenheid had. De man heeft één zeereis gedaan.
Duidelijk is ’t, dat men den heer Beckering Vinckers niet verantwoordelijk kan stellen voor de dwaasheden van anderen, die hun best deden hem te helpen in zijn arbeid om te bewijzen dat C. Over de Linden de schrijver van ’t zooveel gerucht makende boek zou zijn.
Zulke argumenten worden evenwel ook gelezen en niet ieder lezer is in staat te onderzoeken, wat hier echt of valsch is.
—
[28] Had O. met behulp van zijne bibliotheek werkelijk ’t O.L.B. geschreven en ’t op een listige manier voor een overoud stuk willen doen doorgaan, dan zou ’t zijne zaak geweest zijn al ’t mogelijke in ’t werk te stellen, de ontdekking van ’t bedrog te voorkomen. — Hij had daartoe eenvoudig de verdachte boeken, die in zijn bezit waren, behoeven te vernietingen. Zulks zou in dat geval raadzaam geweest zijn, toen Dr. Ottema met de vertaling gereed was. O. heeft, daar hij ter goeder trouw was, daaraan niet eens gedacht en zeker nooit vermoed, wat men hem eenmaal zou trachten aan te wrijven.
Iemand die slim genoeg was om de geleerde wereld te misleiden, moest toch ook slim genoeg zijn zich en zijne familie te dekken, dat hier niet moeielijk zou geweest zijn.
Is die tegenstrijdigheid hier niet op onomstootelijke gronden te verklaren, dan acht ik voldoende bewezen te hebben, dat ’t Oera Linda Bôk niet kan geschreven zijn door Cornelis Over de Linden.
—
De liefde tot de waarheid dreef mij aan O. te verdedigen,[4] en ik vooronderstel ook, dat zijne beschuldigers insgelijks aangespoord werden door liefde tot de waarheid. Heeft men ter goedertrouw gedwaald en is men in zijn ijver te ver gegaan, een zacht oordeel volge, want reeds de Ouden kenden de spreuk:
Errare humanum est.
- - - [29]
Résumé van de punten van beschuldiging, tegen Cornelis Over de Linden aangevoerd.
1. „Het blijkt dat hij, evenals zijn vader, vol was van de overtuiging, dat hij van een overoud Friesch geslacht afstamde.”
Dat had C.O. dus niet uit zich zelf. Ik vind hierin geen punt van beschuldiging. Ik zou zelfs willen beweren, dat daarvoor eenige grond was.
2. „Het blijkt dat hij veel in het verborgen werkt.”
Zijne nagelaten geschriften, teekeningen, werkstukken en modellen, getuigen waaraan hij de hem overschietende vrije uren besteed heeft.
Niemand heeft, ofschoon er moeite genoeg is aangewend om zoo iemand te vinden, tot heden kunnen getuigen, dat hij C.O. betrapt heeft op ’t vervaardigen van ’t O.L.B., een werk, dat jaren arbeid van hem zou geëischt hebben.
’t Ongemerkt vervaardigen van een dergelijk werk zou op zich zelf reeds een kunststuk zijn.
3. „Hij maakt een familiewapen in ’t verborgen. ”
Er valt hier te bewijzen dat C.O. ’t Oera Linda Bôk en niet dat hij een familiewapen heeft vervaardigd.
4. „Hij verbergt voor zijne kinderen zijne verkregen taalkennis,”
[30] Lees hierover ’t door mij medegedeelde, dan zal blijken, dat hier een scheeve voorstelling van de zaak wordt gegeven.
„die, schoon ten minste in 1840 reeds begonnen, zijn zonen in 1876 onbekend was.”
In 1840 begon C.O. Fransch te leeren. De uitgebreidheid zijner kennis is door mij medegedeeld, waaruit blijkt, dat die kennis alles behalve voldoende was voor de vervaardiging van ’t hem toegeschreven werk. ’t Blijkt verder, dat die beschuldiging zoo niet geheel, dan toch voor ’t grootste gedeelte moet vervallen.
5. „Hij verbergt voor zijne kinderen zijne letterkundige werkzaamheden.”
Hier beweert men een onmogelijkheid.
In den tijd dat C.O. moest studeeren, had hij een groot gezin te onderhouden en was niet bij machte een huis te bewonen, waarin apartementen konden afgezonderd worden.
Zat hij te schrijven, dan moesten de huisgenooten er toch, daar dat werk zich onmogelijk tot eenige avonden kon bepalen, daarvan iets gewaar worden.
’t Idée van ’t geheime kamertje, de gereserveerde werkplaats anders gezegd, zou men hier moeten aannemen; maar ik vertrouw, dat na ’t gelezene, geen verstandig mensch meer aan zoo iets kan denken. Bij ons aan den Helder vindt men geen middeleeuwsche gebouwen; integendeel, de huizen zijn er zeer modern (licht en dicht) gebouwd.
Hoewel de kinderen zeer goed wisten dat vader letterkundigen arbeid verrichtte, was ’t hun niet bekend welke geschriften hij vervaardigde.
[31] De kinderen hebben intusschen vader dikwijls zien schrijven. ’t Omgekeerde zou, na ’t hier aangetoonde, een onmogelijkheid zijn; maar zij hebben hun vader nooit zien werken aan ’t O.L.B.
De vreemdsoortigheid van dergelijken arbeid had anders noodwendig hunne aandacht moeten trekken. In den tijd toen hij ’t O.L.B. zou vervaardigd hebben, waren de kinderen oud en wijs genoeg om hunne opmerkingen te maken. Nu had C.O. als opzichter aan den zaagmolen en later als[5] baas of 1e meesterknecht aan de Rijks Marinewerf een kamertje of kantoor ter zijner beschikking.
Ik wil ’t niet tegenspreken. Maar daar had hij ieder oogenblik bezoek te verwachten, hetzij van ondergeschikten, die zijne bevelen kwamen vragen, of van superieuren, die hem kwamen raadplegen of hunne bevelen gaven.
Men begrijpt licht, dat zulk een kantoortje geen zeer geschikte werkplaats was voor geheime bezigheden. Daarbij had C.O. in laatstgenoemde betrekking een schrijver ter zijner beschikking. Diens tegenwoordigheid was dus een groot beletsel bij ’t verrichten van werkzaamheden, die niet gezien mochten worden.
De gelegenheid om ongemerkt een zoodanig werk tot stand te brengen ontbrak C.O. geheel.
6. „Hij geeft zijn eigen werk bij den heer G. Jansen voor dat van een ander uit.”
Een prachtig juristisch bewijs, dat C.O. daarom ook ’t O.L.B. zou vervaardigd hebben!
Rechtskundig zou ’t niet gelden; in hoever dit [32] een zedelijk bewijs is, laat ik ’t liefst over aan ’t oordeel van onpartijdige beoordeelaars.
Mij is ’t een bewijs, dat de beschuldigingen, ten laste van C.O., uit alle mogelijke hoekjes bijeengeschraapt zijn. Wel heeft men hem door een bril met donkere glazen moeten bekijken, om daaruit af te leiden, dat hij ook in staat zou zijn ’t O.L.B. op bedriegelijke wijze bij ’t publiek te introduceeren.
7. „Hij verbergt voor Dr. Ottema zijne kennis van de letters en de taal van ’t O.L.В.”
Ik heb reeds aangetoond in welken zin deze beschuldiging hoogstwaarschijnlijk moet worden opgevat. Misschien zou Dr. Ottema dat punt tot volkomen klaarheid kunnen brengen, misschien ook niet. Maar ingeval van niet, dan acht ik mijne beschouwing van de zaak aannemelijker dan hetgeen de heer B.V. daaromtrent schrijft.
8. „Hij verbergt voor Dr. Ottema zijne kennis van Yes-os.”
In ’t bezit van een ex. van Volney in ’t Fransch, en wat meer zegt, van een Hollandsche uitgave, moest C.O. noodwendig met de geschiedenis van Yes-os of Buddha bekend zijn. Heeft C.O. die kennis werkelijk voor Dr. Ottema verborgen gehouden, dan zou hij alleen voldoende redenen voor deze handelwijs kunnen geven. Tegen deze bezwarende omstandigheid zet ik over, dat C.O. van nature wantrouwend tegenover geleerden, steeds aarzelde met zijne kennis te pronken. Betrof ’t zijn vak, dan kon hij op goede en deugdelijke ervaring steunen, maar hij besefte zelf te goed de leemten in zijne studie en dat maakte hem schroomvallig in dat opzicht, vooral wanneer hij van zijne kennis schriftelijke mededeeling zou moeten doen.
Die eigenaardigheid in ’t karakter van С.О. [33] verklaart ons wellicht, waarom hij slechts één vertrouwden vriend inzicht in zijnen letterkundigen arbeid gaf.
9. „Hij verbergt het jaartal en den naam van den binder van ’t boekwerk, waaruit hij de hoofddenkbeelden van zijne bekende geschriften heeft gehaald en die we in ’t O.L.B. weervinden.”
„Hij verbergt.” ’t Zou nog eerst bewezen moeten worden, dat hij zich daaraan heeft schuldig gemaakt. Deze bewering steunt op geen enkel bewijs en wordt maar stoutweg gesteld, alsof ’t een. axioma was. De heer B.V. heeft C.O. nooit gekend, de heer Berk evenmin. ’t Boek is laatstgenoemde eerst na den dood des vorigen bezitters in handen gekomen. Onwillekeurig rijst de vraag bij mij op: hoe de heer B.V. hier stoutweg kan verklaren dat C.O. dit gewichtige feit heeft gepleegd? Kan deze verklaring niet bewezen worden, dan is hier, om een zacht woord te gebruiken, vrij lichtvaardig geoordeeld.
Is er al bewezen, dat C.O. genoemd werk heeft laten inbinden? Is ’t al bewezen, van wien ’t afkomstig is? In de laatste jaren is Volney toch niet herdrukt. ’t Boek moet dus een oud exemplaar zijn. Wie weet door hoeveel handen ’t gegaan is, eer ’t in zijn bezit kwam!
En verder: wat zou ’t gegeven hebben den naam van den binder etc. onkenbaar te maken. Kon dat ex. tot eenige ontdekking leiden, dan was ’t met weinig moeite te vernietigen geweest.
Ziedaar nu de gronden, waarop men den staf over Cornelis Over de Linden gebroken heeft!
Hoeveel van de aangevoerde argumenten steunen daarbij niet op een „men zegt.”
[34] Zouden er geen deugdelijker bewijzen moeten aangevoerd worden om onpartijdigen te overtuigen, dat C.O. ’t vaderschap kan ten laste gelegd worden van ’t O.L.B. en zou de heer Beckering Vinckers, die ’t Handschrift als een onecht kind wil beschouwd hebben, niet beter gedaan hebben aan dit artikel van ’t wetboek te denken: ’t Onderzoek naar ’t vaderschap is verboden?
Nieuwediep, April 1877. Gerrit Jansen.
- - - [35]
Naschrift.
- Door den heer Berk werd mij ’t vorige jaar de vraag gedaan, of de heer B.V. van mijn brief gebruik mocht maken. — Van de vergunning, daaromtrent door mij gegeven, is dan ook gebruik gemaakt — maar op een eenigszins vreemde wijze. Niet de brief is opgenomen, maar alleen een fragment daaruit, en dat had ik niet bedoeld; dat was mij ook niet gevraagd.
Op die wijze kunnen de zaken een geheel ander voorkomen krijgen.
Door drukke bezigheden had ik van mijn’ brief geen copie genomen. Ik schreef daarom den heer B.V. en verzocht hem beleefdelijk mij copie van mijn schrijven te zenden, geen oogenblik twijfelende of ik zou bij hem dezelfde bereidwilligheid aantreffen, die ik ten zijnen opzichte had getoond.
Als antwoord ontving ik ’t volgende:
Kampen, den 5 April 1877.
WelEdele Heer!
De verlangde copie zal u onmiddellijk geworden, zoodra ik van u een door den Heer Berk gevizeerd getrouw verslag van uw gesprek met genoemden Heer mag ontvangen.
Hoogachtend,
UEdele dv. dienaar,
(was get.) J. Beckering Vinckers.
[36] Ik had in mijne eenvoudigheid nooit gedacht, dat men in zulk een geval voorwaarden zou durven stellen — en dan nog welke voorwaarden! Had de heer B.V. mij hierover rondweg geschreven, dan zou ik hem naar mijn beste weten hebben ingelicht — echter niet wanneer de inlichting als voorwaarde wordt gesteld.
Ieder fatsoenlijk man zal begrijpen, dat op een dergelijk schrijven geen antwoord kan gegeven worden.
Ik zal evenwel den brief als een curiositeit bewaren.
Noemt de heer B.V. Kampen in een zijner brochures de stad der dwaze streken, ik heb er vrede meê, maar had toch liever gezien, dat ’t aantal daarvan niet door hem met een vermeerderd geworden was.
—
’t Ontbrekende van mijn brief zal ik hier bijvoegen, steunende op de getrouwheid van mijn geheugen.
„Als ik een vergelijking maak tusschen de geschriften van O. en ’t O.L.B., dan zou ik ze rangschikken in dier voege: ’t Werk over de natuurkundige aardrijksbeschrijving ’t minste, zijne geschriften over ’t ontstaan der verschillende godsdienst-secten daar ver boven, maar ’t O.L.B. ver boven ’t laatstgenoemde. Volgens mijn persoonlijk gevoelen kan C.O. ’t niet gedaan hebben.”
Noten
- ↑ Tenzij men mocht willen aannemen, dat Frya van hare waakstar haren fieren zoon, die Frya’s geslacht tot vroegere eere wilde terug brengen, had geinspireerd.
- ↑ Lees over die betrekking, pag. 12.
- ↑ Genoemde heeren hebben C.O. niet persoonlijk gekend.
- ↑ Want de man is dood en kan dus zelf niet voor zijne zaak opkomen.
- ↑ Deze betrekking is reeds vroeger door mij beschreven.