1874 Ottema Kon. Akad.
JJK 51 getekend 1-5-1874 (deel Ottema) en 20-4-1874 Ideel L.F.O.d.L. (PDF)
De Koninklijke Akademie en het Oera Linda Boek
door Dr. J.G. Ottema
Te Leeuwarden, bij H. Kuipers, 1874.
[met bijlage:]
Open Brief van L.F. Over de Linden
aan de Koninklijke Academie van Wetenschappen
Den lezer Heil!
De Nederlandse Spectator van 18 april 1874 deelt het volgende mede:
»De Afdeeling der Koninkl. Akademie, bestemd voor de taal-, letter-, geschiedkundige en wijsgeerige wetenschappen, heeft hare gewone vergadering gehouden op Maandag den 13n dezer.
De Heer Leemans deed een voorstel of het namelijk niet zaak zoude zijn, dat de Akademie het beruchte Oera Linda Bok aan het onderzoek eener commissie onderwierp. Hij zelf gelooft volstrekt niet aan zijn echtheid, maar hij wenschte wel, dat de zaak werd uitgemaakt, opdat ook buitenlands zekerheid zou verkregen worden omtrent dit handschrift.
De Heer Dirks was daarvoor; te meer nu, gelijk hij mededeelde, de bezitter van het handschrift gestorven is en men niet weet waar het nu zal blijven; want kort voor zijn dood was hem 1000 pond sterling er voor geboden. Nu is er vrees, dat het zonderlinge handschrift weer even vreemd verdwijnt, als het gekomen is.
De heer van den Bergh meent, dat de Akademie dat niet moet doen, omdat zij zich zou kompromitteeren. Het ding is al te ongerijmd om aan ernstig onderzoek te onderwerpen.
Dit bleek ook uit het oordeel van anderen, die zich in gelijken zin uitlieten, zooals de Heeren Beets en Kern, en ten slotte werd met vrij groote meerderheid het voorstel verworpen.”
In de Haarlemsche Courant leest men dit bericht met de volgende woorden:
»In de jongste vergadering van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen is door den Heer Leemans voorgesteld, eene commissie te benoemen ten einde de Academie voor te lichten bij het uitspreken van een oordeel over de waarde en de echtheid van het befaamde "Oera Linda Bok". Na eene uitvoerige discussie, waaraan onderscheidene Leden deelnamen, bleek uit de gehouden stemming, dat de meerderheid der aanwezigen het door den Heer Leemans aangeprezen onderzoek geene voor de Academie aanbevelenswaardige taak acht. Vrij algemeen was men overtuigd, dat het zogenaamde "Oera Linda Bok" niets is dan een recente en niet eens handige bedriegerij. Ook de Heer Leemens zelf bleek die meening te zijn toegedaan.”
Zoo spreekt de Akademie.
Is zij bevoegd zoo te spreken?
Met uitzondering van den Heer Dirk, is er onder de Leden van de Akademie niemand, die het Handschrift gezien heeft, waarschijnlijk niemand die het boek gelezen heeft, en zeer zeker niemand die genoeg ervaren is in de Oud-Friesche taal om de taal van het Handschrift te waardeeren of zelfs om het boek zonder behulp van mijne vertaling te lezen en te verstaan.
De Akademie wil daarom ook niet onderzoeken, maar zij veroordeelt en brandmerkt zonder onderzoek.
Zulk een oordeel oordeelt zich-zelf.
Daartegenover stel ik het oordeel van Dr. Eelco Verwijs, uitgesproken in een brief aan den Heer Cornelis over de Linden, onder dagteekening van den 13 October 1867.
»Toen ik de gefacsimileerde bladen door toezending van den Heer Jansen (te Harlingen) ontving, was ik niet weinig verbaasd over eene zo belangrijke ontdekking. Ik zette mij dadelijk aan het werk om het gezondene te copieeren. Het schrift trof mij al dadelijk door het vreemde karakter, dat niet, zoo als gij vermoedt, op Romeinsch schrift gelijkt, maar veel meer den aard bezit van oud Runen schrift. Met het Handschrift voor mij zou ik het even snel kopieeren als gewoon schrift, en ik raad u dus aan, u den tijdroovenden arbeid te besparen het door behulp van mailpapier naauwkeurig weer te geven.
Zoo als ik zeide, was ik hoogelijk ingenomen met den vondst en deelde dien velen mijner vrienden mede. Een deel er van was zeer gemakkelijk verstaanbaar en, hoewel wat jonger kleur vertoonende, niet ongelijk aan de taal der oude Friesche Wetten uit de 13e en 14e eeuw. Doch er waren ook passages in, die ik niet verstond en nog niet versta en waarvoor nog al eenige naauwgezette studie zal noodig zijn, om ze te kunnen oplossen. De eerste 21 bladen maakten mij niet veel wijzer over den inhoud.
Met verlangen zag ik naar eene verdere bezending uit, en had intusschen al eens bij den Heer Jansen zoeken te informeeren, hoe groot het geheel was, enz. Ik ontving eene tweede bezending en zette mij vol ijver weder aan het overschrijven.
Bij het eerst toegezondene had het mij meermalen getroffen, dat onder de oude taalvormen zoo veel uitdrukkingen verscholen waren, die een veel jongeren oorsprong aanduidden, en dit trof mij nog meer bij het tweede gedeelte. Er waren er in, die ik onmogelijk voor oud meende te kunnen houden, en zoo rees bij mij het vermoeden op van een letterkundig bedrog, een namaaksel van lateren tijd, dat wel met zeer veel talent was vervaardigd, maar toch niet met genoegzaam talent, om niet hier en daar zijne valschheid te verraden.
Ik dacht dat men (wie begreep ik niet) den toeleg had om er mij eens te doen inloopen, en na deze vermeende ontdekking van valscheid van het stuk schreef ik aan den Heer Jansen een brief, waarin ik hem die bedriegerij meldde. Doch telkens dacht ik toch, hoe gaarne wou ik dien knappen kerel eens zien, die met zoo veel talent zoo iets kon doen. Telkens nam ik het toegezondene weer ter hand; doch daar ik taal noch teeken van den Heer Jansen meer hoorde, dacht ik dat mijn vermoeden juist was geweest, en liet de zaak verder rusten.
En daar ontvang ik uwe mij zoo hoogst welkome bezending (t.w. het eerste gedeelte van het origineele handschrift) waardoor mij de echtheid onwederleggelijk wordt bewezen, en waarvoor ik u hartelijk dank zeg. Doch nu begin ik veeleischend te worden, maar ben dat met het vertrouwen iets goeds te willen. De wetenschap kan aan het bekend worden van uw handschrift veel, zeer veel hebben. Het is zeker hoogst belangrijk voor de Friesche taal der middeleeuwen, waarvan geen enkel letterkundig produkt overig is dan alleen wetten.
Doch nog belangrijker voor de letterkunde, die er een merkelijke aanwinst door zoude krijgen. Al is de kunstwaarde niet groot, het is in alle gevallen curieus. Wegens de onvolledige kennis kan ik nog moeielijk zeggen, wat het eigenlijk is, maar stel mij toch de zaak zoo voor. Een uwer voorouders uit de 13e eeuw heeft een oud-familie-heiligdom overgeschreven en laat dat als een kostbaar reliquie aan zijn zoon na. Dat stuk bevat allerlei overleveringen van her en der bijeenvergaderd en daaronder velen van zeer ouden datum, van heidenschen oorsprong.
En nu kom ik op uwe vraag, hoeveel per bladzijde het wel zoude kosten om het voor u in het Hollandsch over te zetten; het antwoord is eenvoudig niets. Wanneer gij mij vergunt van het Handschrift kennis te nemen, ben ik volgaarne bereid het voor u van A—Z te vertalen. Doch ik wil iets anders. Is het niet van belang, dat zoodanig Handschrift wordt uitgegeven? Ik geloof, ja. Zoo gij dan zoo goed wilt zijn het mij toe te zenden, zal ik er kopie van maken en trachten het een en ander, dat nog duister voor mij is, op te lossen. Met eenige dagen zend ik u gaarne de vertaling van een paar bladen als proef.
Kunt gij u met mijn denkbeeld vereenigen, en wilt gij uw Handschrift afstaan ter uitgave, dan zoude het misschien best zijn bij eene eventueele uitgave de Hollandsche vertaling naast den oorspronkelijken text te doen drukken, ten einde het werk daardoor meer voor het algemeen toegankelijk te maken. Wilt gij het mij toezenden, dan zou ik het liefst met eenigen spoed hebben, daar er in het laatst van deze maand eene vergadering is van het Provinciaal Friesch Genootschap. Daar zoude ik gaarne van de voor Friesland zoo gewichtige ontdekking verslag willen geven.
Zijt gij nu niet tegen de uitgave, dan zal het wel het beste zijn van het Friesch Genootschap te verzoeken of dit zich wil belasten met die uitgave; want, ik ben er eenigermate mede bekend, een drukker wordt er niet altijd gevonden, die zich voor de uitgave van dergelijke werken laat vinden, die voor hem geene winstgevende zaak kunnen zijn. Zoodanige zaak moet door een Genootschap ondersteund worden om het licht te kunnen zien.
Kan ik nu in de vergadering verslag over het Handschrift uitbrengen, dan zou ik aanstonds den voorslag willen doen, het op kosten van het Genootschap te doen drukken. Belast ik mij met de uitgave, dan ontvang ik voor mijne moeite een 20tal exemplaren, naar ik meen, waarvan ik u volgaarne een 10tal zou willen afstaan. Gij hebt dan meer dan een geschreven kopie en geheel kosteloos, terwijl gij u voor de wetenschap zeer verdienstelijk hebt gemaakt door het Handschrift ter uitgave af te staan, enz. enz.
Was geteekend Eelco Verwijs.
Van dit oordeel heeft Dr. Verwijs in zijne geheele briefwisseling met den Heer C. Over de Linden, loopend tot 28 Junij 1870, dus gedurende drie jaren, geen woord teruggenomen.
Evenmin heeft hij een woord daarvan herroepen, toen de Heer Over de Linden en stuk uit dezen brief heeft laten drukken in de Spectator van 4 November 1871, no. 44.
Aldaar haalt de Heer Over de Linden ook eene zinsnede aan uit een brief van Dr. Verwijs van den 16 October 1867:
»Is het bewuste Handschrift een Heiligdom in uw familie, zoo ja, vergun dan de openbaarmaking, zoo neen, mag ik dan in mijne kwaliteit als Archivaris er met den Commissaris des Konings en Gedeputeerden over spreken, en hun een voorstel doen met u te onderhandelen over de overname.”
Dat voorstel is gedaan en op last van den Commissaris des Konings en H.H. Gedeputeerde Staten is Dr. Verwijs den 20 of 21 November aan den Helder geweest, om met den Heer Over de Linden te onderhandelen over den verkoop van het Handschrift. Het resultaat van die zending heeft Dr. Verwijs schriftelijk in een rapport aan Gedep. Staten medegedeeld, onder dagteekening van 17 December 1867, meldende dat zijne poging vruchteloos geweest, en de Heer Over de Linden onder geene voorwaarden tot afstand van zijn Handschrift te bewegen was.
In de vergadering van het Friesch Genootschap van 28 November 1867 heeft Dr. Verwijs uitgebracht een verslag van zijn onderzoek naar de Handschriften in het bezit van den Heer Over de Linden te Helder. (Hij bezat namelijk behalve het Friesche Handschrift, ook nog een geschreven boek, dat gebleken is een afschrift te zijn van Worp van Thabor.)
In de vergadering van het Friesch Genootschap van 4 Februarij 1868 is op een voorstel van Dr. Verwijs besloten, het Bestuur te machtigen, om voor rekening van het Genootschap (tot een bedrag van 40 gulden) onder toezicht van den Heer Verwijs eene kopij laten vervaardigen van het Handschrift.
Zulk een kopij is dan ook vervaardigd door den Heer F. Goslings, en berust thans in de Bibliotheek des Genootschaps.
Wat nu de vertaling betreft die Dr. Verwijs aan den Heer Over de Linden beloofd had te zullen leveren, daarvan is niets gekomen.
Hij heeft het H.S. niet vertaald, ofschoon hij in een verloop van drie jaren er tijd genoeg voor had, en in weerwil dat die vertaling de voorwaarde was waarop de eigenaar hem het H.S. ten gebruike had gegeven. Als hij in staat geweest was het te vertalen, dan was hij als eerlijk man verplicht geweest die vertaling te leveren.
In plaats daarvan ontving de Heer Over de Linden tot zijne groote teleurstelling een brief d.d. 24 April 1870 van dezen inhoud:
»Daar ik zelf door zoo veel andere werkzaamheden ben overladen, heb ik (de kopij van) uw Handschrift in handen gegeven aan iemand te Leeuwarden, die veel aan "t Friesch doet en zeer veel vrijen tijd heeft (den Heer Johan Winkler). Door hem het werk op te dragen meende ik u spoediger te kunnen helpen dan wanneer ik zelf er zoo eens te hooi en te gras een uurtje aan kon geven.” Get. E.V.
De heer J. Winkler bracht in de vergadering van het Friesch Genootschap van den 24 November 1870 verslag uit omtrent zijn ondrzoek van het Oud Friesche H.S. Hem kwam het zeer verdacht voor, doch hij kon geen opheldering geven, wanneer, door wien en met welk doel het zou zijn vervaardigd.
»De inhoud is allervreeemdst, deels mythologisch, deels historisch, de taal is ten deele oud Friesch, maar er komen ook uitdrukkingen in voor, die van zeer jonge dadteekening schijnen te zijn. Volgens zijn oordeel zoude eene vertaling den tijd en de moeite daaraan besteed niet beloonen.”
Nu verzocht ik het afschrift te mogen onderzoeken. Reeds de eerste lezing en vergelijking hiervan met d gefacsimileerde bladen, waarvan Dr. Verwijs in zijn brief van 13 Oct. 1867 spreekt, deed mij inzien dat het door den Heer Goslings gemaakte afschrift van duizende fouten wemelde en daardoor bijna onverstaanbaar en voor eene uitgave volstrekt onbruikbaar was.
Hieruit bleek mij dat de Heer Goslings, en dus ook Dr. Verwijs, onder wiens toezicht hij werkte, het Handschrift slechts zeer gebrekkig had kunnen lezen. Het verwonderde mij dus ook niet, dat de Heer Winkler eigenlijk er niet wijs uit had kunnen worden, en het gemakkelijker had gevonden zijne onkunde met eene waanwijze minachting te bemantelen.
Ik begreep dat ik beginnen moest met het oorspronkelijke Handschrift nog eens van den Heer Over de Linden op te vragen en weer over te schrijven. Deze, wantrouwend geworden door de teleurstelling van de zijde van Dr. Verwijs ondervonden, gaf niet dan zeer schoorvoetende gehoor aan mijn verzoek. Doch toen ik hem het eerste katern met een bijgevoegde vertaling kon terug zenden, gelukte het mij zijn vertrouwen te winnen.
Daardoor werd ik in staat gesteld in de vergadering van 16 Februarij en 23 Maart 1871 bij het Friesch Genootschap een uitvoerig verslag omtrent het Handschrift uit te brengen, welk verslag, bestemd om in de Vrije Fries N.R. VIe deel 3e stuk te worden opgenomen, reeds bij het jaarverslag des Genootschaps (1870-1871) gevoegd en algemeen verspreid is.
Dit verslag wekte den toorn van den Spectator en zijn aanhang. Het teeken werd gegeven over de geheele linie, en nu regende het beoordeelingen, de eene al hatelijker als de andere, in tijdschriften en dagbladen, ofschoon niemand het Handschrift gezien had.
Door de laagste middelen, door spot en hoon, smaad en schimp moest de uitgave van dat boek onmogelijk gemaakt worden, en bovenal voorkomen worden, dat het Friesch Genootschap tot de uitgave van dat boek zoude besluiten.
Had Dr. Verwijs het H.S. kunnen lezen, vertalen en uitgeven, o! dan zoude men geene loftuitingen genoeg gehad hebben voor zijne geleerdheid en de belangrijkheid van zijn werk.
Maar juist die tegenstand noodzaakte mij om eene poging te doen het boek bij inteekening uit te geven en in die poging ben ik boven verwachting geslaagd.
Dewijl de zeven voornaamste schrijvers tot het geslacht Oera Linda behoorden, heb ik aan het geheel den titel gegeven: Thet Oera Linda Bok.
Hoewel sedert de uitgave van het boek niemand een woord, van hetgene ik in mijne Inleiding en later in mijne Aanteekeningen geschreven heb, tot nog toe heeft kunnen weerleggen of met bewijzen tegenspreken, - komt thans de Akademie met eene machtspreuk voor den dag: het is eene recente en wel zeer onhandige bedriegerij.
Deze beschuldiging is zij verplicht met bewijzen te staven, en wel door te bewijzen, dat het H.S. tusschen de jaren 1853 en 1867 is vervaardigd, en aan te toonen, hoe, waar en door wien dat geschied zoude zijn.
Doch zulk een persoon bestaat niet, want hij zoude meer geleerdheid moeten bezitten als de heele Koninklijke Akademie met alle geleerde Genootschappen in ons land te zamen genomen.
Het H.S. is intusschen een erfstuk in de Familie Over de Linden. De nu overleden eigenaar van het H.S. schreef mij daarover het volgende:
»Mijn overgrootvader heft zich uit Friesland met der woon naar Enkhuizen begeven. Hij had twee zoonen, waarvan de oudste Andries genaamd mijn Grootvader was, en waarschijnlijk in Friesland geboren is. Ik heb althans zijn naam niet op het geboorteregister te Enkhuizen kunnen vinden. De Over de Lindens, die op heden te Enkhuizen wonen, zijn afstammelingen van den jongeren broer. Mijn grootvader was in zijne jeugd huistimmermansbaas, en is bij de ouden van dagen nog bekend onder den naam van Driesbaas. Doordien hij den eed niet voor de Republiek wilde doen, is hij het stadswerk en ook het burgerwerk kwijt geraakt en zoodoende arm geworden. Mijn vaders broers zijn vroeg gestorven. Ik ging jaarlijks voor pleizier van Amsterdam of elders naar Enkhuizen. Als mijn grootvader, die veel van mij hield, daar ik de eenige stamhouder was, mij hoorde praten, dan zeide hij: je spreke nu wel heel grootsch, maar je moet nooit vergeten, dat je van Friesch bloed bent: als je groot wordt zal ik je dat alles wel eens uitleggen.”
Dit laatste is niet mogen gebeuren. Hij stierf den 15 April 1820 in den ouderdom van 61 jaren.
»Van al wat mijn grootvader te voren bezeten had, was hem slechts een groote koepel en een tuin overgebleven. In die koepel heeft hij verder geleefd. Mijne tante Aafje huwde en kwam met haar man bij grootvader in of grootvader bleef bij hen. Toen grootvader gestorven was, liet mijn vader en diens andere zuster haar de koepel en tuin behouden, en zoo kwam het weinigje van mijn grootvader in handen van mijn tante, wier man H. Reuvens [m.z. Reuvers] heette.
Toen ik een man was geworden, wilde mijne tante het Handschrift aan mij zenden, maar Reuvens, die zich inbeeldde dat het soms eene aanwijzing op eenige zaak van waarde bevatte, wilde het niet toestaan. In Augustus 1848 bezocht ik mijne moeder en tegelijk mijne tante, die mij toen het handschrift gaf, zeggende: "ik heb nog wat voor je van Grootvader: je oom wou nooit hebben dat ik het je gaf. Hij is nu dood, en Koops (Jakobus Meijlhof heette haar tweede man) weet er niets van." Daarop stelde zij mij het Handschrift ter hand, zeggende: ik geloof dat het Friesch is.
Zoodra ik den tijd had, kocht ik een Friesch woordenboek van Gijsbert Jakops (Gijsbert Japicx), vervolgens een paar anderen, maar zij hielpen mij niet.
Eens voor mijn pleizier naar Amsterdam zijnde, logeerde ik bij een Neef en Nicht, maar ik kon daar niet slapen. Ik sliep dus in een logement in de Warmoesstraat, maar was daarover niet gesticht. De tweede morgen komt de Heer Siderius met zijne vrouw in de gelagkamer en spreken van naar Harlingen gaan. Ik luister en denk, wat drommel, ze zeggen dat je van Friesche afkomst bent, en je bent overal geweest en in Friesland niet, ga met die menschen mee.
De Heer Siderius inviteerde mij bij hem aan huis en bragt mij den volgende morgen weg, met de vermaning, dat hij hoopte, dat het nu niet voor het eerst en laatst zou zijn. Zoo zijn wij vrienden gebleven, en zoo is al pratende het Handschrift op de lappen gekomen, hetwelk naar het zeggen van den Heer Siderius best door den onderwijzer Jansen vertaald kon worden. In plaats van het Handschrift stuurde ik echter kalkees of facsimiles. De Heer Jansen liep er mee naar Dr. Eelco Verwijs. Deze hield mij van 67 af aan de praat en gaf zijne kopie aan het Friesch genootschap, en liet mij fluiten.”
Tot zooverre de Heer C. Over de Linden.
En nu vraag ik elk weldenkend en waarheidlievend mensch, of dat de taal is van een bedrieger en leugenaar, of wel die van een openhartig, rondborstig en eerlijk man.
Wat mij betreft, is het nog al wel, dat de Akademie niet de onbeschaamdheid heeft mij persoonlijk te beschuldigen van de vervaardiger te zijn van een geschrift, dat zij voor bedrog uitscheldt.
Dit laatste doet A. Pannenberg te Aurich, die in de Göttingische gelehrte Anzeigen, Stück 4, 28 Januar 1874, onder andere het volgende schrijft:
»Die Handschrift will aus dem Jahre 1256 (n.Chr.) stammen und eine Abschrift sein von einen uralten skrivfiltcodex, dem ein unfreiwilliges Seebad Seine Dauerbarkeit genommen. Sie is unzweifelhaft innerhalb der letzten 20 Jahre angefertigt, wie es scheint mit oberflächlicher Kenntniz mittelalterlicher Texte. Die Sprache is überal eine Rückübersetzung aus dem Holländischen ins Altfriesischen, oder vielmehr der Versuch einer solchen in Bezug auf die Wortbildung und biegung.
Dr. Ottema ist ein guter Kenner des Altfriesischen und, wie die vorstehende Tafel zu pag. 8 zeigt, im Rückübersetzen geübt.
Täuschen wir uns, wenn wir dem Herrn Dr. Ottema zu Ehren annehmen, dass er selbst sich diese sonderbare Mystification erlaubt hat? Dass der Codex in die Hand des jetzigen Besitzers schon im August 1848 gekommen wäre, wie in der Einleitung erzählt wird, würde man vielleicht noch glauben können, wenn nicht die Pfahlbauten, die darin hervortretende erst in neuerer Zeit (1870) bei einigen Holländern erstandene Angst vor dem deutschen Mutterlande (Prussophobie) und ähnliche Eigenthümlichkeiten entgegen standen. Man wird wohl annehmen müssen, dass die ‚Inleiding" ein wesentlicher, nur etwas später abgefasster Bestandteil des Werken selbst ist.”
Als tegenhanger dienen het volgende: In de Catalogue of Choice Rare and Curious Books, selected from the Stock of Trübner & Co., London, no.4, April 1874, leest men deze aankondiging:
Linda Bok:– het Oera Linda Bok naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw. (Edited by Dr. J.G. Ottema) Leeuwarden, 1872.
– Ottema (J.G.) Geschieedkundige Aanteekeningen en Ophelderingen bij Thet Oera Linda Bok. 8vo. Leeuwarden, 1873.
The manuscript, from which the Linda Bok is now first printed, is stated to have been in the possession of the Friesic family of the Over de Lindes since time immemorial. It professes to be a chronicle of the Friesic race in general, and of the Over de Lindes in particular. The first half is said to have been written by Adela, an ancestress of the Over de Lindes, and by her children, Adelbrost and Apollonia, about fve centuries and a half B.C.: and the second half by the descendants of Adela, about 200 years B.C. According to a family tradition, the MS had always to descend as a heirloom from father to son or grandson, with the injunction of its being copied from time to time in order to guard against its loss. The codex which now exists professes to have been copied by Hiddo oera Linda in the year of our Lord 1256.
Dr. Ottema has edited the book as scrupulously as scholars edit the works of the ancient classics, and has prefixed too it a very learned introduction in the Dutch language. The original Friesic text is carefully printed, with a Dutch translation on the opposite page. This publication has created considerable excitement in the Dutch learned world, the Friesians upholding most resolutely the genuineness of the manuscript, and the Dutch deriding all notion of its authenticity.
However that may be, the Dutch scholars themselves admit whilst declaring the document a forgery, that it is a forgery at least several hundred years old, and here is the rub: if forgery at all, how is it that the MS reports a visit to the piledwellers in Switzerland about five centuries B.C., when, since Herodotus"s account of the pile-dwellings of the Paeonians, nothing more has been heard of pile-dwellers until 1853, when Dr. Keller first made known his discovery of the remains of such dwellings in the Lake of Zurich!!!
Leeuwarden, 1 Mei 1874.
Dr. J.G. Ottema.
Open Brief van L.F. over de Linden
aan de Koninklijke Academie van Wetenschappen (Afdeeling Letterkunde)
naar aanleiding van het voorstel van den Heer Leemans, omtrent het Oera Linda Bok.
In de Nieuwe Rotterdammer van Vrijdag jl. las ik het verslag omtrent het verhandelde in de Vergadering van jl. Maandag van de afdeeling Letterkunde der Koninklijke Academie van Wetenschappen te Amsterdam. Aan het gedeelte gekomen waarbij melding wordt gemaakt, dat de Heer Leemans voorstelt eene commissie te benoemen om der vergadering tot voorlichting te dienen bij het uitspreken van haar oordeel over het befaamde Oera Linda Bok, werd ik aangenaam aangedaan door de gedachte, dat er eindelijk eens door een afdoenden maatregel meerder licht zoude komen in de questieuse zaak, die tot zooveel gepraat en geschrijf reeds aanleiding gaf, echter meest tusschen personen, die daartoe niet geregtigd waren, omdat zij het Handschrift zelf nimmer hadden gezien en hunne opinien, ook daarom, elken redelijken grond misten.
Ik stelde mij reeds voor een bezoek van de commissie te zullen ontvangen, die, door een nauwgezet onderzoek van het stuk, en zonder zich te storen aan allerlei dwaze onderstellingen en beweringen van anderen, zich overtuiging zoude trachten te verschaffen omtrent de echtheid.
Hoe vond ik mij echter, het verslag verder lezende, teleurgesteld in mijne verwachting. De vergadering – waarbij waarschijnlijk geen enkel lid te vinden is, dat zich zoude kunnen beroemen het Handschrift te hebben gezien – zaamgekomen om werkzaam te zijn in het belang van de vaderlandsche letterkunde, te waken tegen het verloren gaan van voor de geschiedenis en letterkunde belangrijke documenten – doch zoo weinig van het Handschrift wetende, dat een harer leden eene commissie nodig acht, die door hare voorlichting na onderzoek, de vergadering in staat zal stellen haar oordeel over bedoeld stuk uit te spreken, – die vergadering stapt met zevenmijlslaarzen over eene reeks bijeengebragte bewijzen heen, en acht zich in staat en gerechtigd: niet te oordeelen, maar wel om te veroordeelen, en het stuk eenvoudig en klakkeloos uit te maken voor een "recente" niet eens "behendige bedriegerij".
Geen onaardig compliment voor mijne familie! – En wat het geval nog curieuser maakt: het lid, dat zoo even doordrongen is van het gewigt van het H.S., zoodanig, dat het eene voorlichtende commissie noodig acht om te waken tegen een niet-oordeelkundig oordeelen, – is terstond gereed zich naar anderer opinie te voegen, en acht het nu zelf ook gemakkelijker, figuurlijk gesproken, de koe af te maken, dan de onzekerheid op te heffen of het dier wezenlijk lijdende is aan veronderstelde gebreken. Op zoodanige manier is het mogelijk binnen den korts-mogelijken tijd, eene groote hoeveelheid documenten, al ware 't ook 3500 K.G., te veroordeelen en naar de papiermolen te verwijzen.
Of ik andere verwachtingen had van eene vergadering als deze? Ongetwijfeld; mij dunkt, waar zij blijk kreeg, dat omtrent de al- of niet echtheid van het H.S. geen stellige overtuiging bij de leden bestond, had de vergadering minstens verpligt geweest, met hare bedenkingen tegen de echtheid voor den dag te komen. Had zij willen besluiten omtrent het Handschrift geen oordeel uit te spreken, dan ware die betuiging genoeg geweest.
Nu zij echter verder gaat, haar oordeel uitspreekt, en het stuk eene "recente" bedriegerij noemt, is zij zedelijk verpligt: ten 1ste tegenover mij, als tegenwoordig bezitter of liever bewaarder van het H.S., ten 2e tegenover den Heer Dr. Ottema, ten 3de tegenover leden van hare afdeeling die een andere overtuiging zijn toegedaan, en ten 4de tegenover het publiek, dat met belangstelling van hare handelingen kennis neemt, – om haar uitgesproken oordeel over het H.S. te motiveren: en dan niet op losse gronden, maar voet bij stuk houdende, beginnende met de wederlegging der bewijzen van echtheid, die door den Heer Dr. Ottema in de Inleiding van de uitgegeven vertaling van het Handschrift zijn opgesomd, welke bewijzen sedert zijn vermeerderd door den uitslag van een scheikundig onderzoek omtrent de geaardheid van het voor het H.S. gebezigde papier, en door de Geschiedkundige Aanteekeningen en Ophelderingen bij thet Oera Linda Bok door Dr. J.G. Ottema, in het laatst van het vorig jaar uitgegeven bij den Boekhandelaar H. Kuipers te Leeuwarden.
Ware eene vergadering tot het bespreken van het H.S. vastgesteld, dan zoude men m.i. beleefd hebben gehandeld, den Heer Ottema, – die zich in deze zaak, ter wille van de wetenschap, zoo vele opofferingen van tijd en moeite heeft getroost, – uit te noodigen deze vergadering bij te wonen en van hem, als daartoe het meest voorbereid, de wederlegging van verschillende bedenkingen en meeningen te vragen.
Had de "veroordeeling zonder proces" niet door de vergadering plaats gehad, dan geloof ik dat in langen tijd, en misschien nooit meer, het befaamde Oera Linda Bok door mij ter sprake zoude zijn gekomen. Nu men evenwel zoover gaat, dat de waarheidsliefde van mijne familie in twijfel wordt getrokken, acht ik mij geroepen daartegen te protesteren en vermeen geene onbillijke vordering te doen, wanneer ik van de bovengenoemde Afdeeling der Academie van Wetenschappen verzoek, dat zij verklaart ten deze in overijling te hebben gehandeld, genegen is de zaak in nader onderzoek te nemen en den uitslag van haar onderzoek bij behoorlijk gemotiveerd rapport publiek te maken. Daartoe wil ik haar tegemoet komen door de aanbieding, die ik hierbij doe, om, tegen schadeloosstelling van reis- en verblijfkosten, op nader te bepalen dag, zelf met het Handschrift in haar lokaal te Amsterdm te komen, opdat de leden persoonlijk zich omtrent het stuk kunnen overtuigen en meer gegrond kunnen oordeelen.
Met verschuldigde hoogachting en met beleefd verzoek om eenig antwoord, zij 't ook met een enkel woord, heb ik de eer te zijn
UEd. Dv. Dienaar, L.F. over de Linden.
Helder, 20 April 1874.