1871 Winkler
JJK 8 Winkler, J. — Over het oude friesche Handschrift — LC 17-9-1871.
Over het oude friesche Handschrift.
De verschillende ingezonden stukken over het veel besprokene oude Friesche handschrift, die in de laatste nummers van deze courant zijn opgenomen en waarin het voor en tegen van verschillende kanten wordt besproken, nopen mij ook mijn inzicht in deze zaak bekend te maken. De zaak toch wekt niet slechts mijne bijzondere belangstelling op, maar ik ben er ook rechtstreeks in betrokken. Het friesch genootschap van geschied-, oudheid- en taalkunde namelijk stelde, geruimen tijd reeds geleden, een nauwkeurig afschrift van het bedoelde handschrift mij ter hand met de vereerende opdracht om over den inhoud van dat handschrift en over de echtheid daarvan verslag uit te brengen. Eenigen tijd later (ik meen ongeveer een klein jaar) bracht ik in eene vergadering van genoemd genootschap dan ook mijn verslag daarover uit. Dat verslag luidde voor de waarde en de echtheid van het handschrift zeer ongunstig. Ook was dat verslag in weinig woorden samengevat, want ik vond den inhoud van het handschrift zoo beuzelachtig en de onechtheid er van zoo duidelijk dat ik het niet waard oordeelde der vergadering er iets naders van mede te deelen, noch in bijzonderheden te treden. Wat ik toen beweerde is ook thans nog mijne vaste overtuiging. Die overtuiging is het gevolg van een nauwkeurig onderzoek wat de taal van het handschrift betreft. Immers, wijl mij een afschrift en niet het oorspronkelijke geschrift was ter hand gesteld (het oorspronkelijke handschrift is nog steeds in het bezit van den eigenaar aan den Helder), zoo kon ik slechts over de taal oordeelen; over het letterschrift, over het papier, den inkt en over zoo vele andere bijkomende zaken niet; over deze laatst genoemde zaken kan ik ook thans nog geen oordeel vellen. Mijn oordeel is geheel het gevolg van mijne eigene overtuiging en zonder den invloed van iemand tot stand gekomen. Moest ik alzoo vreezen, toen ik hoorde en las dat de geleerde Dr. J.G. Ottema het door mij voor onecht verklaarde handschrift voor echt en uiterst belangrijk hield, een voorbarig vonnis te hebben geveld, zoo veel te meer verheugde het mij te vernemen en in het bijvoegsel van deze courant van 12 September ll. te lezen dat de heer G. Colmjon, wiens grondige kennis van de friesche taal, oud en nieuw en van de daarmede verwante talen genoegzaam in en buiten Friesland met roem bekend is, eveneens tot de zelfde gevolgtrekking gekomen was als ik gemaakt had. De grondige bewijzen door den heer Colmjon in zijn bovengenoemd opstel medegedeeld, hebben mij niet alleen in mijn reeds voor lang geuit oordeel versterkt, welk oordeel overigens slechts in algemeenen zin door mij was uitgesproken, maar ik schroom thans niet om met hem te verklaren dat, naar ’t mij, voorkomt, het handschrift na 1853 geschreven moet zijn en dus wel van zeer jonge dagteekening is.
Ten einde aan iedereen te doen zien hoe weinig de zaken die in het handschrift verhaald worden, waar kunnen zijn, wil ik wijzen op twee zaken die beschreven staan in dat gedeelte van het handschrift, dat de heer Ottema heeft laten afdrukken in de Leeuwarder Courant van zondag 10 September jl. onder het opschrift: „Eene reis langs en Rijn in de zesde eeuw voor Christus.” Daarin staat dat Apollonia (nog al een echte friesche naam!) Adelasdochter die „burchtfâm” (eene soort van priesteres) was, met „thrê grêva burchhêra” en met „thrja alda fâmna” met drie mannen dus en met drie vrouwen, en dat nog wel drie oude vrijsters, van Friesland langs den Rijn tot in Zwitserland reisde. Zij gebruikte tot dien reis „en fvl jêr,” een vol jaar tijds. Dit is zeker niet te lang, als men bedenkt dat er toen geene wegen waren, hoogstens slechts eenige voetpaden van de eene woning naar de andere, namelijk slechts daar, waar menschen woonden en zich vast neergezet hadden. Grootendeels was het land toen met groote, duistere bosschen bezet en met soms onbegaanbare moerassen vervuld. Daarenboven waren toen de oevers van den Rijn, even als nu nog, op vele plaatsen met bergen, met hooge, steile steenrotsen bezet, die steil uit het water oprezen en nog niet van kunstig in de helling uitgehouwen wegen, nog veel minder van tunnels voorzien. Hoe hebben Apollonia en hare reisgenooten dien tocht langs den Rija dan gedaan? In eenen wagen, te paard rijdende of loopende? En dat in ongebaande, veelal ontoegankelijke wildernissen! Maar misschien reisden ze te water in een’ boot of eenig ander vaartuig. Nu, zoo de Friezen, zes eeuwen voor Christus reeds vaartuigen hadden, die voor zulk eene reis geschikt waren, zoo kouden ze deze vaartuigen toch niet anders voort bewegen dan door middel van roeien, trekken en met den stroom afdrijven, of op het allerbest, door zeilen. Maar ze reisden uit Friesland naar Zwitserland, dus tegen den stroom van den Rijn in. Tegen dien fellen stroom in te roeien is thans nog, nu men veel beter en geschikter vaartuigen heeft, uiterst moeielijk en vordert zeer weinig; zes eeuwen voor Christus had men zeker nog met veel meer moeielijkheden te kampen. Neemt men daarbij nog in acht dat Apollonia den geheelen Rijn langs reisde, en dat het gezelschap uit drie mannen slechts en vier vrouwen bestond, waaronder drie oude vrouwen waren, die zeker al weinig mans waren in ’t roeien tegen stroom op den Rijn, dan kan men niet aannemen dat Apollonia deze wijze van reizen gebruikte. En zeilen ging nog veel minder. Hoe dikwijls zullen ze tegenwind, windstilte of storm hebben gehad! Hoe gebrekkig zal hun zeil en treil geweest zijn! En blijft niet anders over dan te denken dat de drie mannen, die tot het reisgezelschap van Apollonia behoorden, beurt om beurt of allen te gelijk in de lijn liepen en het vaartuig tegen stroom in (al weêr geen kleinigheid) voorttrokken. Maar bij de toenmalige gesteldheid van de Rijnoevers is ook dit onmogelijk. Buitendien, waar leefden onze reizigers van? Logementen noch herbergen, nog iets van dien aard vonden ze op hunnen weg. Of sleepten ze voor een vol jaar levensbehoeften meê? Want aan te nemen dat de reizigers steeds teerden op de gastvrijheid van de menschen, die ze ontmoetten, is zeer gewaagd, al brengt men de groote gastvrijheid van die oude tijden er bij in aanmerking. Onze reizigers moesten toch minstens twee maal daags zich met spijs en drank versterken en verkwikken. Maar troffen ze altijd menschen aan, wier gastvrijheid ze konden inroepen? Bij de schaarschheid der bevolking in die dagen is dit niet te denken.
Apollonia schijnt, volgens het verhaal van ’t handschrift, bijzonder op de kleederdracht der vrouwen die ze op reis ontmoette, gelet te hebben en vooral hare aandacht op de oorijzers der vrouwen te hebben gevestigd. Trouwens, dit was voor haar, als Friezin, zeer natuurlijk. Zoo zegt ze dat de bevolking aan de oevers van den Rijn, goud wonnen uit het Rijnwater, maar „tha mângêrta ne drogon thêr nêne goldne krona fon,” dat is: de meisjes droegen daar geen gouden kronen van. En later zegt Apollonia dat de meisjes te Alderga gouden kronen op het hoofd droegen, even als te Stavoren: „lik to Stavere wêron tha mângêrtne mith golden kronum vppira holum sjarad”. Maar de oorijzers waren oorspronkelijk van ijzer gemaakt; de naam duidt het nog uit. Het waren oorspronkelijk slechts zeer smalle en dunne ijzeren beugeltjes, die de Friezinnen om het hoofd droegen ten einde te beletten dat hare goudblonde lokken haar over ’t gelaat hingen en al te los en lastig om ’t hoofd zwierden.[1] Nog in de midden-eeuwen waren de oorijzers van dat fatsoen en van ijzer. Zulk een oud friesch ijzeren oorijzertje wordt nog te Leeuwarden in het museum van het friesch genootschap voor geschied- oudheid- en taalkunde bewaard, en is, toevallig, juist te Stavoren voor den dag gekomen. Eerst later maakte men de oorijzers van zilver en nog later, bij de toenemende weelde, van goud en werd het fatsoen al breeder en breeder. Maar dat zes eeuwen voor Christus de vrouwen te Stavoren gouden kronen (oorijzers) op het hoofd droegen, dat is een leugen en de ongerijmdheid daarvan moet iedereen die nadenkt duidelijk in ’t oog vallen.
Ik zal van deze zaak niet meer zeggen, ofschoon het wel verleidelijk is mijnen lezers te laten lachen om de potsierlijke alleidingen van eigennamen van allerlei landen en plaatsen, uit de friesche taal, die in het handschrift veelvuldig voorkomen. Maar uit hetgeen door anderen reeds over het handschrift is medegedeeld, heeft de lezer reeds gezien dat de naam van het Himalajah-gebergte in Azie komt van himel, hemel en laya, leiden; van het eiland Creta in de Middellandsche Zee komt de naam van de wilde kreten die het volk (de eilandbewoners) aan hief toen de Friezen eeuwen voor onze tijdrekening hen eens bezochten. Er staat ook in dat een friesche zeeman die Jôn heette, zijnen naam heeft gegeven aan de eilanden-reeks bewesten Griekenland, aan de Jonische eilanden en dat de Hellenen, de oude Grieken, zoo heetten omdat ze op de hellingen van de bergen woonden.
— Maar ’t is waarlijk al mooi genoeg! —
Leeuwarden. / Johan Winkler.
Noot
- ↑ Zie mijn opstel: Het oorijzer, voorkomende in het tijdschrift De oude tijd, jaargang 1871 afl. 5 en 6.