NL198.19 Bloed
Ontwerp 2026 Ott
Overwijn 1951
Ottema 1876
[/239] Aan het noordeinde van Brittannia dat vol met hooge bergen is, daar zit een Schotsch volk, voor het meerendeel uit Fryas bloed gesproten; voor het eene deel zijn zij uit de Keltana-volgers, voor het ander gedeelte uit Britten en vluchtelingen, die allengs met der tijd uit de tinlanden derwaarts vluchtten. Die uit de tinlanden kwamen, hebben al te gader buitenlandsche vrouwen of van buitenlandsch ras. Zij zijn alle onder de heerschappij der Golen, hunne wapenen zijn houten bogen en sprieten met punten van hertshoornen, of ook van flinten. Hunne huizen zijn van zoden en stroo, en sommigen wonen in de holen der bergen. Schapen, die zij geroofd hebben, is hun eenige schat. Onder de afstammelingen van de Kelta-navolgers hebben sommigen nog ijzeren wapenen, die zij van hunne voorvaderen geërfd hebben. Om nu goed verstaan te worden, moet ik mijn verhaal over het Schotsche volk laten rusten, en iets van de heinde Krekalanden (Italie) schrijven. De heinde Krekalanden hebben te voren ons alleen toebehoord, maar sedert onheugelijke tijden hebben zich daar ook nakomelingen van Lyda en Finda nedergezet, van deze laatsten kwamen eindelijk een heele hoop van Troje. Troja alzoo heeft eene stad geheeten, die het volk van de verre Krekalanden (Griekenland) heeft ingenomen en verwoest. Toen de Trojanen in de heinde Krekalanden genesteld waren, toen hebben zij daar met tijd en vlijt eene sterke stad met wallen en burgten gebouwd, Rome, dat [241] is Ruim, geheeten. Toen dat gedaan was, heeft het volk zich door list en geweld van het geheele land meester gemaakt. Het volk, dat aan de zuidzijde der Middellandsche zee huist, is voor het meerendeel uit Phoenicie weg gekomen. De Phoeniciers (Puniers) zijn een basterd volk, zij zijn van Fryas bloed en van Findas bloed en van Lydas bloed. Het volk van Lyda is daar als slaven, maar door de ontucht der vrouwen hebben deze zwarte menschen al het andere volk verbasterd en bruin geverfd. Dit volk en die van Rome kampen gestadig om het meesterschap van de Middellandsche zee. Voorts leven die van Rome in vijandschap met de Phoeniciers. En hunne priesteren, die het rijk alleen beheerschen willen over de aarde, mogen de Golen niet zien. Eerst hebben zij den Phoeniciers Missellia afgenomen, daarna alle landen die zuidwaarts, westwaarts en noordwaarts liggen, ook het zuiderdeel van Brittannia, en allerwege hebben zij de Phoenicische priesters, dat is de Golen, verjaagd; daarop zijn duizende Golen naar Noordbrittannia getogen. Kort verleden was daar de opperste der Golen gezeten op de burgt, die geheeten is Kerenak, dat is hoek, van waar hij zijne bevelen gaf aan alle Golen. Ook was daar al hun goud te zamen gebracht. Keren herne (uitverkoren hoek) of Kerenak is eene steenen burgt, die aan Kalta behoorde. Daarom wilden de Maagden van de nakomelingen der Kaltana-volgers de burgt weder hebben. Alzoo was door de vijandschap der Maagden en der Golen veete en twist over het Bergland gekomen met moord en brand. Onze zeelieden kwamen daar dikwijls wol halen, die zij kochten voor bereide huiden en linnen. Askar was dikwijls mede geweest; in stilte had hij met de Maagden en met sommige vorsten vriendschap gesloten, en zich verbonden, om de Golen te verjagen uit Kerenak. Toen hij daarna weder terug kwam, gaf hij de vorsten en krijgshaftigste mannen ijzeren helmen en stalen bogen. De oorlog was mede gekomen en kort daarna vloeiden stroomen bloed bij [243] de hellingen der bergen neder. Toen Askar meende, dat de kans hem toelachte, ging hij met veertig schepen heen, en nam Kerenak en den opperste der Golen met al zijn goud. Het volk waarmede hij tegen de soldaten der Golen had gestreden, had hij uit de Saksenmarken gelokt met beloften van grooten krijgsbuit en roof. Dus werd den Golen niets gelaten. Naderhand nam hij twee eilanden tot bergplaats voor zijne schepen, en vanwaar hij later uitging, om alle Phoenicische schepen en steden te berooven, die hij beloopen konde. Toen hij terug kwam bracht hij bijna zeshonderd der grootste knapen van het Schotsche bergvolk mede. Hij zeide, dat zij hem tot borgen gegeven waren, opdat hij zeker wezen mocht, dat de ouders hem getrouw zouden blijven; doch dat was onwaar, hij hield die als eene lijfwacht aan zijn hof, waar zij dagelijks les kregen in het rijden en in het hanteeren van allerlei wapenen.
Noten
[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 19c Reintje's Droom