NL130.21 Noordland
Ontwerp 2026 Ott
Overwijn 1951
Ottema 1876
[179] Dit geschrift is mij over Noordland of Schoonland gegeven.
Ten tijde dat ons land neder zonk, was ik in Schoonland. Daar ging het zoo toe. Er waren groote meeren, die van den bodem als een blaas uitzetten, dan spleten zij vaneen, uit de scheuren kwam eene stof, alsof het gloeijend ijzer was. Er waren bergen, wier kruinen aftuimelden, deze stortten neder en vernielden wouden en dorpen. Ik zelf zag, dat een berg van een ander werd afgerukt. Lijnrecht zeeg hij neder. Toen ik naderhand ging zien, was er een meer ontstaan. Toen de aarde hersteld was, kwam er een hertog van Lindasburgt met zijn volk en eene maagd, die alom uitriep: de Magy is schuldig aan al het leed, dat wij geleden hebben. Zij trokken steeds voort en het heer werd al grooter. De Magy vluchtte weg, men vond zijn lijk, hij had zich zelf omgebracht. Toen werden de Finnen verdreven naar ééne plaats, daar mochten zij leven. Er waren ook van gemengd bloed, deze mochten blijven, doch velen gingen met de Finnen mede. De hertog werd tot koning gekozen. De kerken, die heel gebleven waren, werden vernield. Sedert dien tijd komen de goede Noormannen dikwijls op Texland om raad van de Moeder. Doch wij kunnen hen niet voor rechte Friezen meer houden. In de Denemarken is het zeker gegaan, als bij ons. De zeelieden, die zich zelven stoutelijk zeekampers noemen,zijn op hunne schepen gegaan, en naderhand zijn zij terug getrokken.
Heil!
Noten
[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 14g De Broekmannen
Aangepaste volgorde:
[[{{{altback}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 14c Friso's Vloot