NL091.11 Verraad
Ontwerp 2026 Ott
Overwijn 1951
Ottema 1876
[/127] Dit zijn de nagelaten geschriften van Bruno, die schrijver geweest is op deze burgt.
Nadat de aanhangers van Adela alles hadden laten overschrijven, elk in zijn rijk, wat op de wanden der burgten gegrift was, besloten zij eene Moeder te kiezen. Daartoe werd eene gemeene vergadering belegd op deze hiem. Naar de eerste raad van Adela werd Teuntja aanbevolen. Dit zoude ook geslaagd zijn, doch nu vroeg mijne Burgtmaagd het woord: zij was altijd in de meening geweest, dat zij Moeder zoude worden, uit oorzaak dat zij hier op de burgt zat, van waar meest alle Moeders gekozen waren. Toen haar het woord gegund was, opende zij hare valsche lippen en sprak: Gij allen schijnt zeer te hechten aan Adelas raad; doch dat zal daarom mijn mond niet sluiten noch snoeren. Wie toch is Adela en waar komt het van daan, dat gij haar zulken hoogen lof toezwaait? Gelijk ik tegenwoordig, zoo is zij te voren hier Burgtmaagd geweest; [129] doch is zij daarom wijzer en beter als ik en alle andere? of is zij meer gesteld op onze zeden en gewoonten? Was dat het geval, dan zoude zij wel Moeder geworden zijn, toen zij daartoe gekozen is, maar zij wilde liever een huwelijk hebben met alle vreugde en genoegens, die daaraan verbonden zijn, in plaats van eenzaam over haar zelve en het volk te waken. Zij is zeer helderziende, goed, maar mijne oogen zijn verre van verduisterd te wezen. Ik heb gezien dat zij haren echtgenoot grootelijks bemint, nu goed, dat is loffelijk, maar ik heb verder gezien, dat Teuntje Apols nicht is. Wijders wil ik niets zeggen.
De voornaamsten begrepen heel goed, waar zij luwte zocht, maar onder het volk kwam tweespalt, en, naardien het meerderdeel van hier kwam, wilde het Teuntje die eer niet gunnen. De redeneringen werden geëindigd: de messen uit de scheede gehaald, en er werd geene Moeder gekozen. Kort daarop had een van onze boden zijn makker geveld. Tot nu toe was hij braaf geweest, daarom had mijne Burgtmaagd verlof hem buiten de landpalen te helpen. Doch, in plaats van hem te helpen naar het Twiskland, zoo vluchtte zij zelve met hem over de Wesara en voorts naar den Magy. De Magy, die zijne Fryaszonen behagen wilde, stelde haar aan als Moeder op Godaburgt in Schoonland; maar zij wilde meer, zij zeide hem dat, bijaldien hij Adela uit den weg ruimen konde, hij meester zoude worden over geheel Fryas land. Zij was eene vijandin van Adela, zeide zij, want door hare ranken was zij geene Moeder geworden. Bijaldien hij haar Texland wilde toezeggen, zoude haar bode zijne krijgslieden tot wegwijzer dienen. Al deze zaken heeft haar bode zelf beleden.
Noten
[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 13c De Gifpijl