NL085.12 Medeasblik
Ontwerp 2026 Ott
Overwijn 1951
Ottema 1876
[/117] Hoe het den Magy verder gegaan is.
Nadat de Moeder vermoord was, liet hij de lamp en de maagden naar zijn schip brengen, benevens allen inboedel, [119] die hem behaagde. Vervolgens ging hij het Flymeer op, want hij wilde de maagd van Medeasblik of van Stavoren rooven, en die tot Moeder aanstellen. Doch daar waren zij op hunne hoede gebracht. De zeelieden van Staveren en Alderga waren hem gaarne te gemoet getrokken, maar de groote vloot was op eene verre tocht uit. Nu gingen zij heen en voeren met hunne kleine vloot naar Medeasblik en hielden zich schuil achter de luwte der boomen. De Magy naderde Medeasblik, bij helderen dag en schijnende zon. Evenwel gingen zijne manschappen stoutweg op de burgt aanstormen. Maar als al het volk met de booten geland was, kwamen onze zeelieden uit de kreek weg en schoten hunne pijlen met brandende terpentijnballen op zijne vloot. Zij waren zoo goed gericht, dat vele van zijne schepen terstond in brand waren. Die op de schepen de wacht hielden, schoten ook naar ons, doch zij raakten niets. Toen ten laatste een schip al brandende naar het schip van den Magy dreef, beval hij zijn stuurman af te houden, maar die stuurman was de Denemarker, die den Fin geveld had; deze zeide: gij hebt onze Eeremoeder naar den bodem van de zee gezonden om te melden, dat gij komen zoudt, dat zoudt gij door de drukte wel vergeten; nu wil ik zorgen, dat gij uw woord gestand doet. De Magy wilde hem afweren, maar de stuurman een echte Fries en sterk als een jukos, klemde beide handen om zijn hoofd en tilde hem over boord in de golvende zee. Vervolgens heesch hij zijn bruin schild in top en voer recht toe recht aan naar onze vloot. Daardoor kwamen de maagden ongedeerd bij ons, maar de lamp was uitgegaan, en niemand wist, hoe het gekomen was. Toen zij op de onvernielde schepen hoorden, dat de Magy verdronken was, trokken zij weg, want de zeelieden daarvan waren meest Denemarkers. Nadat de vloot ver genoeg was, wendden onze zeelieden en schoten hunne brandpijlen op de Finnen af. Toen de Finnen dat zagen en hoe zij verraden waren, liep alles door elkander en er was langer geen gehoorzaamheid noch bevel. Op dat tijdstip liep de bezetting hen uit [121] de burgt. Die niet vluchtte werd afgemaakt en die vluchtte vond zijn einde in de poelen van het Krylinger woud.
Naschrift.
Toen de zeelieden in de Kreek lagen, was er een spotter uit Staveren onder hen, die zeide Medea mag wel lachen, als wij haar uit hare burgt redden. Daarom hebben de maagden die Kreek Medeaméilakkia genoemd. De gebeurtenissen, die daarna geschied zijn, mogen iedereen heugen. De maagden behooren die op hare wijze te verhalen en goed te laten beschrijven. Daarom rekenen wij hiermede onzen arbeid volbracht. Heil.
Einde van het Boek.
Noten
[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 12 Verdeeldheid
Aangepaste volgorde:
[[{{{altback}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 15d Frana's Uiterste Wil