Jump to content

1992 Jensma - Lees, leer en waak

From Oera Linda Wiki
Revision as of 11:29, 21 July 2026 by Jan (talk | contribs) (missed ocr errors)
(diff) ← Older revision | Latest revision (diff) | Newer revision → (diff)
Gepuliceerd in De Vrije Fries, 1992 bl. 8-52 / Gebruikte afbeeldingen, hier niet overgenomen: p.10 Over de Linden; p.12 Ottema; p.14 zgn. ‘facsimile’ letterblad 1872; p.15 Jol als wiel van tijd; p.25 Winkler; p.27 Verwijs; p.29 Haverschmidt; p.30 tekening Foudgum; p.38 kaart Foudgum

Lees, leer en waak

Het Oera Linda Bok. Een rondleiding

Goffe Jensma

Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen tekenen en wonderen doen om, ware het mogelijk, de uitverkorenen te verleiden. / Marcus 13:22

Laten uw lendenen omgord zijn en uw lampen brandende. / Lucas 12:35

Sinds het 125 jaar geleden opdook in een rode blikken trommel in een huis in Den Helder, zijn er over het Oera Linda Bok (voortaan: OLB[1]) verschillende visies te berde gebracht. Er waren er die het boek voor authentiek hielden en er waren er die dat niet deden. Maar daarmee was de kous niet af. De historiografie van het OLB, met elkaar meer dan duizend titels, laat zien dat de eigenlijke vraag moet zijn: hoe hielden sommigen het voor echt of onecht? Vanaf 1867 is het boek onder meer beschouwd als één van de oudste kronieken ter wereld, als gefalsificeerde familiekroniek of als gemystificeerde Friese kroniek, bedoeld om de geleerden op de proef te stellen. Hoe men het ook zag, men bleef spreken van het geheim van het OLB.

Dit opstel bestaat uit twee delen. In het eerste zal ik proberen aannemelijk te maken dat het OLB niet alleen een gefalsificeerde of gemysticificeerde familiekroniek of Friese kroniek is, maar in de eerste plaats een ‘theologisch’ tractaat.

Het OLB is een merkwaardige constructie. Het laat zich veeleer zien als een in lagen uitgegraven put waar men in kan lopen, dan als een overzichtelijk opgetrokken bouwwerk. In deze put wil ik — een gevaarlijke onderneming, ik weet het — met de lezer afdalen. In het tweede deel zal ik proberen ongeschonden weer boven te komen.

I. Een afdaling in de bouwput van het Oera Linda Bok

De eerste twee niveaus: familiekroniek en Friezenbijbel

De tekst van het OLB kent verschillende niveaus. In eerste instantie werd het gepresenteerd als een kroniek van de familie Over de Linden te Den Helder. Het was de hellingbaas Cornelis over de Linden (1811-1874), die vanaf juni 1867 het manuscript bij stukjes en beetjes vanuit die rode blikken trommel haalde en ze — in kopie — opstuurde aan de Friese archivaris-bibliothecaris Eelco Verwijs in Leeuwarden. Het handschrift stond toen nog bekend onder de naam ‘de volgelingen van Adela’. In de tekst van het boek kwam de naam Over de Linden (op zijn oud-Fries: Ovira Linda of Oera Linda) meermalen voor. De Ovira Linda’s traden vooral op als schrijver. Zo werden er onder andere gedeeltes gepresenteerd als zijnde van de hand van Frethorik en Konerêd [9] Ovira Linda en werden de twee opdrachten aan het begin van het boek ondertekend door Hiddo en Liko Ovira Linda. Nadat het handschrift, op de vergadering van 24 november 1870 van het Friesch Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde te Leeuwarden, in handen was gekomen van de Leeuwarder conrector Dr. J.G. Ottema (1804-1879), toonde deze zich de vurigste pleitbezorger van de echtheid van het OLB als familiekroniek.

Of eigenlijk: ook als familiekroniek, want door de echtheid op dit niveau aan te nemen, kon hij (en wilde hij) er niet onderuit om het OLB ook voor echt aan te nemen op een dieper, tweede niveau. namelijk als kroniek van de oudste Friese geschiedenis. Hij besloot zijn inleiding bij de eerste editie van het boek, dat door hem Oera Linda Boek werd genoemd, dan ook triomfantelijk met:

In onze voorstelling reikten de geschiedkundige herinneringen van ons volk niet hooger, dan tot de komst van Friso, den vermeenden stamvader der Friezen; doch hier ontwaren wij, dat die herinneringen opklimmen tot meer dan twee duizend jaren voor Christus, en in hoogen ouderdom die van Hellas overtreffen en die van Israël evenaren.[2]

In deze oudste geschiedenis van de Friezen (die tevens zowat de oudste geschreven geschiedenis überhaupt pretendeerde te zijn) speelden niet alleen de voorvaderen van Cornelis over de Linden (die nu volgens Ottema wel een telg uit het oudste adellijke geslacht van Europa moest zijn) een rol; een bonte stoet van proto-Friezen passeerde al vechtend, zeevarend, ontdekkend, lijdend en strijdend de revue. Sommige van hun namen waren bekend uit andere, oudere Friese kronieken, andere waren nieuw.

En passant werd op deze manier een aantal oudere fantastische Friese kronieken als die van Occo Scharlensis (uit 1597) gesanctioneerd en raakte de discussie over het OLB verstrengeld met die over de authenticiteit en de waarheid van oude Friese kronieken überhaupt. De impliciete strekking was immers ongeveer dezelfde: ‘wij, Friezen, zijn een volk van zeer oude oorsprong’. Bijna ongemerkt werd in deze felle discussie het OLB tot een al dan niet als echt aan te merken kroniek.

Toch was deze discussie ten onrechte. Vergelijkt men namelijk de ‘betoogtrant’, dan komen grote verschillen voor het licht. De oudere kronieken hanteren een serieuze, geleerde, humanistische toon; om te overtuigen spreken ze de rede aan.[3] Het OLB daarentegen is grappig, (quasi-)naïef, romantisch en doet een appèl op het gevoel. Dit verschil vloeit voort uit een verschil in perspectief. ‘Kronikeurs’ als Scharlensis of Suffridus Petrus (1590) schreven beschouwend/redenerend. De maker van het OLB schreef fictie. Dat laatste wil zeggen: hij heeft geprobeerd om zich te verplaatsen in de positie van de proto-Friezen. Zijn overtuigingskracht ligt in de direkte rede. Bij het schrijven was zijn uitgangspunt: stel, dat de oudheidkundigen met hun conjecturen gelijk hebben, wat zou een getuige uit de oudheid dan in een eventuele bron hebben geschreven? Daarin ligt de komisch-satirische kracht van het OLB als Friese kroniek.

Zonder enige twijfel heeft de maker hierbij geput uit een grote hoeveelheid oudheidkundige literatuur, onder andere over Friesland.[4] Klaarblijkelijk heeft hij zo gewerkt dat hij allerlei artikelen, passages en boeken stuk voor stuk of soms met een aantal tegelijk ‘parafraseerde’ en parodieerde eenvoudig door de uitkomst ervan terug te brengen naar het niveau van ‘bron’. Deze parafrases zijn aan elkaar gelast, door elkaar gehutseld, verminkt en door een — eveneens opzettelijk gefragmentariseerde en verminkte — verhaallijn heen gewerkt.

Dit opgelegde fragmentarische karakter komt overeen met de denkbeelden [10] over mythologieën zoals die in de negentiende eeuw golden. Waren niet de Griekse en Germaanse mythologieën verzamelingen fragmenten en was de Bijbel, althans voor de modernisten en de vrijdenkers van de jaren zestig, niet ook een aan elkaar genaaide lappendeken van de meest verschillende bronnen, geschreven door de meest uiteenlopende figuren? Precies zo bestond nu het Oera Linda Bok uit een verzameling fragmenten die kris-kras door elkaar stonden. Soms spreekt iemand een vergadering toe, dan weer haalt een ander aan het eind van zijn zeevarend leven herinneringen op en dan weer volgt een groot aantal proto-Friese wetten of een stuk godsdienstleer uit onbekende bron.

Vele van deze fragmenten verwijzen naar één gebeurtenis, namelijk naar de vloed die Atlantis (= Aldlân = Oudland) in 2193 voor Christus in zee deed verzinken. Die vloed zette de geschiedenis van de oudheid in beweging. Hele volksverhuizingen waren het gevolg. Het volk van Finda en van Lyda vluchtte voor het water naar het land van Frya, de moeder van de Friezen. Logisch dat de verdere geschiedenis van de Friezen werd beheerst door oorlog, twist en [11] nijd tussen de kinderen van de stammoeders Frya, Lyda en Finda en al die andere Noordelijke en Zuidelijke volkeren die in het boek worden genoemd.

Het is heel opmerkelijk, dat geen van de interpretatoren er ooit in is geslaagd om een samenhangende samenvatting van de inhoud te geven. Doorgaans volstond men met het noemen van enkele hoogtepunten, zoals bijvoorbeeld de rol van de proto-Friezen bij het totstandkomen van de Griekse democratie, en van de doldwaze etymologiën. Zo zou de Himalaya zo heten omdat deze bergen de hemel aaiden, was Neptunus vernoemd naar Neef Tunis en hadden de Inka’s hun naam te danken aan de zeestrijder Inka van ‘wie nooit meer iets is vernomen’. Het is, zoals we nog zullen zien, niet toevallig dat het boek als kroniek geen samenvatting toelaat.


Zo hebben we nu twee niveaus onderscheiden, dat van familiekroniek en dat van oude Friese kroniek. Voor de interpretatoren van het OLB bleven nu verschillende mogelijkheden open. Wanneer men de vraag naar de authenticiteit bevestigend beantwoordde, kon men vervolgens de vraag naar de ‘waarheid’ gaan stellen, dat wil zeggen naar de ethische of morele betekenis van deze geschiedenis. Omdat in het boek zelf werd aangegeven dat de tekst herhaaldelijk was overgeschreven (voor de laatste keer in 1256), konden deze interpretatoren ook gemakkelijk voor een tussenpositie kiezen. Sommigen van hen meenden dat het hier ging om een door al dat overschrijven verminkte Friese kroniek. De kopiisten hadden de zaak danig door elkaar gehutseld en één van hen — een ijdel figuur misschien — had het, toch wel heel ongeloofwaardige karakter van familiekroniek eroverheen gelegd. In het interbellum hadden sommige Duitse en ook bepaalde Nederlandse geleerden voor deze optie een onverkwikkelijke voorkeur en ontwaarden ze nu een ‘Urquelle’ van oud-Germaanse wijsheid.[5]

De meeste interpretatoren hielden het OLB echter voor onecht en dus voor namaak. Voor hen deden zich allerlei nieuwe moeilijkheden voor. Deze betroffen vooral het motief of de motieven van de maker. Omdat de tekst zelf daarover door haar onsamenhangende karakter geen uitsluitsel gaf, legden deze interpretatoren het boek aan de kant. Om de maker te ontmaskeren, begonnen ze allerlei extern materiaal te verzamelen. Ze bestudeerden brieven, getuigenverklaringen, geruchten, ingezonden stukken in kranten en wat dies meer zij. Veruit de meeste van de meer dan duizend titels over het OLB bestaan uit speculatieve besprekingen van dit soort bronnen en van mogelijke makers. Het vreemde, maar ook wel weer goed verklaarbare verschijnsel deed zich daarbij voor dat deze bronnen elkaar in de loop van de tijd steeds meer begonnen tegen te spreken. De belangen, gevolg van een eenmaal ingenomen positie, moesten worden verdedigd.[6]

Hierbij dient gezegd dat enkele interpretatoren — meestal na al een mogelijke maker te hebben aangewezen — vervolgens weer teruggrepen naar de tekst en terecht de vraag stelden: welke bronnen zijn er gebruikt om dit boek te schrijven en wie had indertijd toegang tot deze bronnen? Zij kwamen samen tot de conclusie dat de maker ingevoerd moet zijn geweest in bepaalde (voornamelijk in Friesland verschenen) historische literatuur uit de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw.[7] Dus, zo stelden ze vast, moest de dader in kringen van Friese taalgeleerden worden gezocht.


Op deze gronden werden mannen als Eelco Verwijs, Joost Hiddes Halbertsma, Montanus de Haan Hettema en Albartus Telting tot verdachten.[8] Maar [12] verondersteld dat zij de kennis hadden gehad, wat waren dan hun motieven?

Sommige van de eerste en derhalve ook meest onbevangen lezers was het al opgevallen dat er in het OLB bepaalde heel moderne verschijnselen aan de orde werden gesteld. Een proto-Fries maakt een reisje langs de Rijn, de proto-Friezen zijn bang voor hun oosterburen.[9] Ook de latere interpretatoren stelden de vraag naar de verhouding tussen de actualiteit van de jaren zestig van de vorige eeuw en de inhoud van het OLB. Maar naarmate die jaren zestig verder verwijderd raakten en het beeld ervan in de geschiedschrijving uitkristalliseerde, werd het vanzelfsprekend moeilijker om overeenkomsten op te merken.

De interpretatoren die meenden dat het OLB een gefalsificeerde of gemystificeerde Friese kroniek was, speculeerden nu dat het boek eigenlijk ging over Friese grootheidswaanzin (‘wij zijn het Israël van het Noorden’) uit de jaren 1840 tot 1860[10] of over de ruzies in het Friesch Genootschap in de periode 1827 tot 1867.[11] De bovengenoemde heren hadden allen een problematische verhouding gehad met de Friese wetenschappelijke wereld zoals die werd belichaamd in en geautoriseerd door het Friesch Genootschap. Ze hadden reden tot wrok. Over het algemeen meende deze groep van interpretatoren dan ook dat het motief van de maker erin moest zijn gelegen dat hij dit ‘Israël van het Noorden’ op de proef wilde stellen en belachelijk maken. En in de veronderstelling dat ze dus eigenlijk met een sleutelroman van doen hadden, vierden sommigen van hen nu soms hun etymologisch vernuft bot op de namen van de in het boek genoemde helden.[12]

Daardoor werd de zaak nog veel ingewikkelder en dat komt door het parodiërende karakter van het boek als kroniek.[13] Immers, hoe kan men met een overduidelijke parodie een stel geleerden op de proef stellen over de vraag ‘echt of onecht’. Wat de wetenschappelijke kant van de zaak betreft, bleek dit parodiërende karakter het meest uit de taal waarin het boek was geschreven. Het Oera-Linda-Bokse oud-Fries, zo werd al vlug na 1870 geconstateerd, was in feite een mengsel van nieuw-Fries, stads-Fries, Nederlands, Duits, Engels [13] en wat oud-Friese woorden.[14] Daarin was het een parodie op het archaïserende gebruik van het Fries in sommige kringen. De eerste zin van het boek maakte dit meteen al duidelijk: “Thrittich jêr âftere dei that thju folksmoder wmbrocht was truch thêne vreste Magy stand et er årg vm to — Dertig jaren na de dag, waarop de volksmoeder omgebracht was door de overste Magy, stond het er erg om toe’. Alleen al op die eerste bladzijde staan een stuk of acht uitdrukkingen die laten zien dat de taal van het OLB als parodie bedoeld was. Daar komt onder meer nog bij dat in het boek zelfs een (sinds Champollion taalkundig gezien belachelijk overbodige) sleutel werd gegeven om het oude quasi-runenschrift waarin het boek was geschreven te kunnen lezen. Dit runenschrift was waarschijnlijk een parodie op de wijze van drukleggen van Friese teksten in oud-Friese spelling en in gothische letters, welke in kringen van het Frysk Selskip in gebruik was.

Zó opgelegd was de parodie dat de maker van het boek toch tenminste even met de ogen moeten hebben geknipperd toen hij zag hoe een serieuze ontvangst het in het kleine comité van het Friesch Genootschap werd bereid. Iemand die de wetenschappelijke vermogens van bepaalde genootschapsleden op de proef had willen stellen, had vanzelfsprekend veel beter een kortere, in zo goed mogelijk oud-Fries geschreven tekst kunnen laten opduiken op een handschriftenveiling, in een bibliotheek of in een kruikje in een terp.[15]

Natuurlijk blijven we nu met de vraag zitten waarom sommige van de genootschapsleden en sommige andere lezers het handschrift desondanks voor authentiek aanzagen. Ik kom daar straks op terug. Hier wil ik alvast concluderen dat de interpretatoren over het algemeen twee zaken door elkaar hebben gehaald. Ze hebben de graagte waarmee bepaalde genootschapsleden in de ‘echtheid’ geloofden, verward met een streven daarnaar door de maker.

Het derde niveau: chronologie en morele antropologie

Vanaf de tweede ring hebben de interpretatoren herhaaldelijk een blik in de diepte geworpen. Zij die overtuigd waren van de echtheid van het geschrift wezen op de ‘eeuwige wijsheid’ die uit deze ‘kroniek’ sprak. Van de andere kant kwamen opmerkingen over overeenkomsten tussen het OLB en de vrijmetselarij of over het democratisch en feministisch gehalte van de oude Friezen. Deze opmerkingen waren meestal ironisch van toon. Dat komt hoofdzakelijk omdat ze vanuit het hogere standpunt van het tweede niveau werden gemaakt. Om het OLB te begrijpen, komt het erop aan dat we de morele inhoud serieus nemen en plaatsen in de context van de jaren zestig van de vorige eeuw. Daartoe moeten we afdalen in de diepte van — wat ik noem — het derde niveau. Het OLB geeft zelf twee sleutels die dit mogelijk maken. namelijk een chronologische en een moreel-antropologische sleutel.

Net als de vrijmetselaars en de Joden hielden de inwoners van het OLB er hun eigen jaartelling op na. De eerste van de twee opdrachten of voorwoorden (ondertekend respectievelijk door Hiddo en Liko over de Linden) geeft in dit opzicht al een deel van de sleutel prijs door het OLB-jaar 3449 gelijk te stellen aan het christelijke jaar 1256. Het begin van de OLB-jaartelling wordt gevormd door de vloed die Atlantis in zee deed verzinken. Deze vloed vond dus plaats in 2193 voor Christus. Dit jaar is niet willekeurig gekozen. Het komt namelijk overeen met het jaar waarin volgens negentiende-eeuwse almanakken de zondvloed had plaatsgevonden.[16] Deze almanakken gingen op hun beurt uit van de bijbelse chronologie die in de negentiende eeuw bijvoorbeeld door de ontwikkelingen in de geologie en de biologie onder vuur was komen te staan. [14] Zo parodieerde de maker door het ontwerp van dit tijdssysteem dus ook die almanakken en de (rechtzinnige) bijbelse chronologie.

Dat blijkt ook wel als men verder leest en ziet dat die tijdrekening in het OLB nog verder is uitgewerkt. Bij mijn weten heeft geen van de interpretatoren die uitwerking belangrijk genoeg geacht om er verdere aandacht aan te besteden. Ik wil dit wel doen. Om de passages waarin deze tijdsorde word besproken te kunnen begrijpen, moet eerst iets worden verteld over het merkwaardige runenschrift waarin het boek is geschreven. De letters van dat schrift zijn gevormd naar de mal van het jol. Het jol is een wiel met zes spaken. Het runenschrift bestaat met enige kleine wijzigingen uit niets anders dan Romeinse kapitalen die zijn gevormd in de mal van dat jol (zie illustratie).

Het symbool van het jol is ontleend aan de Germaanse mythologie; het [15] symboliseert daar het wiel van de tijd. Diezelfde functie heeft het ook in het OLB. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een profetie die wordt uitgesproken door de laatste volksmoeder Frana:

Hoor aarde en wees blij met mij. In de tijden dat Atland is gezonken, stond de eerste spaak van het jol boven. Daarna is ze neergegaan en onze vrijheid met haar. Als het twee spaken of twee duizend jaren neergegaan is, dan zullen de zonen opstaan, die de vorsten en priesters al hoererende bij het volk hebben verwekt, en tegen hun vaders getuigen. [...] Nog duizend jaren zal de spaak naar beneden dalen en al meer neder zijgen in de duisternis en in het bloed over u uitgestort door de lagen der vorsten en priesteren. Daarna zal het morgenrood weder aanvangen te gloren. Dit ziende zullen de valsche vorsten en priesters allen te zamen tegen de vrijheid kampen en worstelen; maar vrijheid, liefde en eendracht zullen het volk in hare hoede nemen, en met het jol uit de vuile poel rijzen. (p. 114)

De conclusie ligt voor de hand. Als iedere spaak van het jol met zijn zes spaken voor 1000 jaar staat, dan duurt een ommegang dus 6000 jaar. De tijdsorde van het OLB is cyclisch[17] en ziet er als volgt uit:

[afb. wiel met bij spaak van 12 uur: licht/ vrijheid/ 2193 v.Chr.; 2 uur: 1193 v. Chr.; 4 uur: 193 v. Chr.; 6 uur: 807/ duisternis/ slavernij; 8 uur: 1807; 10 uur: 2807.]

Het Jol als wiel van de tijd

Ik heb op de uiteinden van de spaken een aantal jaartallen getekend. Om de inhoud van dit derde niveau te kunnen begrijpen is dit strikt genomen echter overbodig. Want eenmaal in deze diepste laag van het OLB aangekomen, zijn de jaartallen volstrekt contingent geworden. Ze waren nodig om het OLB als Friese kroniek (lineair) te structureren. Hier, op dit derde niveau, doen ze er niet meer toe. Nu is het veel belangrijker om vast te stellen dat er volgens de maker van het boek in de geschiedenis processen zijn die zichzelf herhalen. [16] Iedere zesduizend jaar — of eigenlijk: steeds weer opnieuw — wordt het gevecht herhaald tussen donker en licht, tussen slavernij en vrijheid. Op dit niveau aangeland kunnen zesduizend jaar een dag zijn en kan een dag zesduizend jaar duren. We zijn hier aangeland in een verbeelde ‘werkelijkheid’, die als tekst het resultaat is van allerlei vertekenende literaire procédés: personificaties, allegorieën, metaforen, metonymen, synecdoches en hyperbolen. In deze werkelijkheid zou een heel volk uit maar twee personen kunnen bestaan of kan een dorpsschool worden ‘afgebeeld’ als universiteit.

Ik heb die jaartallen toch ingetekend omdat er een belangrijke aanwijzing uit kan worden afgeleid.[18] In de laatste wil van de laatste volksmoeder komt namelijk nog een profeterende passage voor:

De vorsten die de waarheid liefhebben en het recht, die zullen van de priesters wijken. Bloed zal stromen, maar daaruit zal het volk nieuwe krachten vergaren. Finda’s volk zal zijn vindingrijkheid tot nut van het algemeen aanwenden en Lyda’s volk zijn krachten, en wij onze wijsheid. Dan zullen de valse priesters weggevaagd worden van de aarde; Wralda’s geest zal alom en allerwegen geëerd en aangeroepen worden. Het geweten dat Wralda bij den aanvang in ons gemoed legde, zal alleen gehoord worden. Er zullen geen andere meesters, noch vorsten, noch bazen zijn dan die welke bij algemene wil gekozen zijn. Dan zal Frya juichen en de aarde zal hare gaven alleen schenken aan de werkende mens. Dit alles zal aanvangen vierduizend jaar nadat Atland is gezonken en duizend jaren later zal er langer geen priester noch dwang op aarde zijn. (p. 191)

In dit citaat wordt de cirkel gesloten. Vierduizend jaar nadat Atland is gezonken wil zeggen: in 1807. Daarmee is aangegeven waar het OLB begint. Op dit niveau gaat het OLB over de geschiedenis van de negentiende eeuw, die begint met het bloed dat in de Franse Revolutie is vergoten. In die revolutie begint de tijd van de strijd om het nieuwe licht en de nieuwe vrijheid.

Om dit verhaal van nieuwe vrijheid en nieuw licht te kunnen begrijpen, biedt het boek een derde sleutel, namelijk een indeling naar mensentypen. Op het niveau van het OLB als Friese kroniek werden vanzelfsprekend talloze volkeren genoemd: Grieken, Phoeniciërs, Egyptenaren, Golen, Brittaniërs, Marsaten en tientallen andere. Maar dwars daar doorheen schemert steeds een andere indeling van het mensdom. Steeds weer duiken drie typen mensen op die tot ieder volk kunnen behoren: kinderen van de witte Frya, van de gele Finda of van de zwarte Lyda. Deze driedeling vormt de morele antropologie van het OLB.

Al vrij in het begin van het boek worden deze stammoeders aan de lezer voorgesteld. Het zijn niet, zoals in oudere humanistische kronieken te doen gebruikelijk, de zonen van Noach van wie alle mensen afstammen, het zijn de dochters van de hoogste God Wralda (wat in het ‘Fries’ zowel ‘wereld’ (wrâld) als ‘de oeroude’ (oerâlde) betekent). De passage heet ‘dit is onze vroegste geschiedenis’ (p. 13):

Wralda, die alleen goed en eeuwig is, maakte de aanvang. Toen kwam de tijd. De tijd wrochtte alle dingen en ook de aarde. De aarde baarde alle gras, kruiden en bomen, alle lieflijke dieren en alle erge dieren. Alles wat goed en lieflijk is, bracht zij bij dag en alles wat kwaad en erg is, bracht zij bij nacht voort. Na het twaalfde Jolfeest baarde zij drie maagden.

Lyda werd uit gloeiende,
Finda werd uit hete en
Frya werd uit warme stof.

[17] Toen zij te voorschijn kwamen, spijsde Wralda hen met zijn adem, opdat ze mensen zouden worden en aan hem gebonden zouden zijn. Zodra zij volwassen waren, kregen ze vreugde en plezier in de dromen van Wralda. Een spits[19] trad in hun binnen en nu baarden zij elk twaalf zonen en twaalf dochters, elke joltijd een paar. Daar zijn alle mensen van gekomen.

Vanwege de ruimte is het niet mogelijk om dit scheppingsverhaal, dat tot de meest literaire delen van het OLB hoort, in zijn geheel te citeren. Voor mijn betoog is het voldoende om het belangrijkste verschil tussen deze drie typen mensen te noemen.

Op dit derde niveau is Frya niet langer de moeder van alle Friezen maar is ze, net als haar zusters, een allegorische figuur. De zwarte Lyda staat voor de sentimentele mens en de primitieve wilde, haar gele zuster Finda voor de overbeschaafde, burgerlijke mens en de witte Frya voor de mens die in zijn beschaving zijn natuur erkent en beheerst. Misschien moeten we zelfs zeggen dat het hier niet in de eerste plaats om drie soorten mensen gaat, maar om drie geallegoriseerde ‘krachten’ die in iedere mens werkzaam zijn. De ene mens laat zich meer leiden door zijn driften en zijn natuur, de andere geeft maar al te graag toe aan de verfijnde verlokkingen van redeneerkunst en beschaving, maar de kunst is het om tussen beide het midden te houden.

Het middel om dit midden te vinden en te houden en tevens de belangrijkste eigenschap van de kinderen van Frya is het ‘geweten’.[20] Daarvan vertelt ons in zijn memoires de oude ziener Minno:

Wralda of Alfader heeft mij vele jaren gegeven en over vele landen en zeeën heb ik rondgevaren en na alles wat ik gezien heb, ben ik overtuigd dat wij [kinderen van Frya] alleen door Alfader uitverkoren zijn om een geweten te hebben. Lydas volk vermag geen geweten te maken noch te houden, zij zijn daarvoor te dom en te wild. Vele geslachten van Finda zijn slim genoeg, maar ze zijn gierig, hoogvarend, vals, onkuis en moordzuchtig. (pp. 45-47)

De maker van het OLB geeft vervolgens ook een definitie van ‘geweten’, die tevens laat zien hoe knap en humoristisch hij weet te spelen met dat zelf-ontworpen Oera-Linda-Boks:

Het woord ‘Ewa’ [eeuwig] is te heilig om een gemene zaak te benoemen. Daarom heeft men ons ‘Evin’ [even] leren zeggen. ‘Ewa’, dat wil zeggen zeden[21] die bij alle mensen gelijk in het gemoed zijn geprent, opdat zij mogen weten wat goed en verkeerd is en waardoor zij het vermogen hebben om hun eigen daden en die van anderen te beoordelen, dat wil zeggen voorzover ze goed en niet misdadig zijn opgevoed. Ook is er nog een andere zin aan vast. ‘Ewa’ wil ook zeggen ‘gelijk’, ‘vlak als water’, recht en slecht gelijk water dat door geen stormwind of wat anders verstoord is. Wordt water verstoord, dan wordt het oneffen, onrecht, maar het neigt altijd om weer effen te worden. Dat ligt aan zijn vanzelfheid, even als de neiging tot recht en vrijheid in Frya’s kinderen ligt. Deze neiging hebben wij door Wralda’s geest, onze vader, die luid in Frya’s kinderen spreekt. Daarom zal die ook eeuwig beklijven. ‘Ewa’ is ook het andere zinnebeeld van Wralda, die eeuwig recht en onverstoord blijft, ofschoon het in zijn lichaam erg om toe gaat. ‘Ewa’ en onverstoord zijn de kenmerken van de wijsheid en rechtvaardigheid die door alle vrome mensen gezocht en door alle beoordelaars moeten worden bezeten. (p. 47)

Ik stel de lezer voor om in gedachten het woord ’Wralda’ te vervangen door ‘God’ en vervolgens het bovenstaande nog eens te lezen. En om een lang [18] verhaal kort te maken, zet ik dan tegenover dit citaat een ander. Het stamt uit Stavermans Buitenkerkelijkheid in Friesland en gaat over de moderne richting die in Friesland vanaf 1858/59 veel succes had:

Aan dit anti-supra-naturalisme [van de modernisten] ligt ten grondslag een volstrekt monisme, waarbij God en heelal twee begrippen worden, die zeer dicht naast elkaar geplaatst worden en vaak nauwelijks te onderscheiden zijn. Dit geldt ook voor de verhouding God en mens, voor de relatie openbaring en menselijke rede. God heeft zich nooit anders geopenbaard en spreekt ook nooit anders tot de mens dan in de geest van de mens, in zijn geweten, dat God hem als enige norm en toets voor zijn geloof en zijn leven heeft meegegeven. De heteronomie van weleer maakt plaats voor de autonomie van de moderne mens en de vrijheid des geestes, eens door Christus geschonken, maar naderhand door Schrift- en Kerkgezag verdrongen en overwoekerd, wordt weer in ere hersteld.[22]

We kunnen vaststellen dat dus zowel in de ‘oude leer’ (‘formlêre’ betekent natuurlijk ook ‘formulier’) van het OLB als in de moderne theologie het geweten en de eenheid van God en wereld (Wralda is immers ‘de oeroude’ en ‘de wereld’) een centrale rol spelen.

De moderne richting'[23]

In Friesland heeft de moderne richting binnen de Nederlands Hervormde Kerk een tijdlang veel succes gehad. Vanaf 1840 tot ca. 1858/59 was het modernisme nog vooral een universitaire en dan met name Leidse aangelegenheid geweest. In Leiden werd door de theologen J.H. Scholten en A. Kuenen een eerste lichting modernistische predikanten opgeleid die aan het eind van de jaren vijftig ook op de Friese kansels verschenen. Onder hen heerste een bijna overmoedige geest van enthousiasme. ‘De geesten ontwaken. Het is een lust om te leven’, typeerde bijvoorbeeld de predikant P.H. Hugenholtz de Friese atmosfeer rond 1862[24] In kringen van intellectuelen was het modernisme het gesprek van de dag.[25]

Dit succes lag hierin dat de modernisten probeerden om de resultaten van de opkomende natuurwetenschappen (bijvoorbeeld de eerdergenoemde geologie en biologie) in overeenstemming te brengen met de theologie. Hun streven had een aantal theologische gevolgen. Het modernisme erkende niet langer de Bijbel als de door God geopenbaarde waarheid. Zij was niets anders dan een historisch boek, een verzameling fragmenten. Vanzelfsprekend had dit tot gevolg dat ook Christus niet langer een Godmens kon zijn. Hij werd tot een door zijn godsdienstigheid bij uitstek voorbeeldig en navolgenswaardig mens, die niet de wonderen had kunnen verrichten die in het Nieuwe Testament worden beschreven. Deze waren immers strijdig met de natuurwetenschappelijke wetten van oorzaak en gevolg. Men moest dergelijke passages zinnebeeldig uitleggen. Hoewel de modernisten dus het goddelijk gezag van de Bijbel en de wonderdoende Jezus verwierpen, waren zij er echter (en dit is een uitermate belangrijke vaststelling) ten diepste van overtuigd dat ze juist daardoor en alleen zo de godsdienst (en de kerk) voor de moderne mens konden behouden. Men kan zich afvragen of er ooit in welke kerk in Nederland dan ook een ‘radicaler’ geloof is gepredikt dan dit modernisme. Door ‘het geweten’ in de plaats van de goddelijke openbaring te stellen, balanceerde het op de grens tussen religie en een niet-godsdienstig zedelijk besef.

In de praktijk leidden de modernistische opvattingen ook tot een andere rol van de predikanten. Dezen spraken hun gemeenteleden bijvoorbeeld niet [19] meer toe met ‘broeders en zusters’, maar met ‘mijne vrienden’, bedienden niet langer doop en avondmaal en probeerden donderpreek en kanseltaal te mijden. Kortom. zij beschouwden zichzelf als primi inter pares in de kerkelijke gemeente. Zij hielden er ook op algemeen maatschappelijk en politiek gebied democratische en egalitaire opvattingen op na. Ieder geweten is voor God gelijk. Daarin waren ze het tegendeel van vele anderssoortige predikanten, die zichzelf in de maatschappij presenteerden als van God geroepenen en dus op hun strepen stonden.

Hun succes heeft niet lang geduurd, want aan de ene kant organiseerde en verhardde de orthodoxie zich, terwijl aan de andere kant de leerstukken van het modernisme voor velen aanleiding waren om de kerk en het christelijk geloof definitief vaarwel te zeggen. De moderne richting verloor zo de strijd om de gunst van het volk. In later dagen, ongeveer vanaf 1870, deden de modernisten dan ook leerstellig water bij de wijn en raakten de vrijzinnigen intern verdeeld, zodat we kunnen concluderen, dat de moderne richting een door het enthousiasme van een groep predikanten en intellectuelen gedragen radicale fase heeft gekend in de periode 1860 tot 1870.


Uit dit enthousiaste en radicale modernisme heeft de maker van het OLB de literaire consequentie getrokken. Als de Bijbel een historisch boek is, staat hij niet langer (als openbaring) buiten de geschiedenis. En als Christus een historische figuur is, kan hij in principe de hedendaagse geschiedenis binnenwandelen. Het bevrijdende van de moderne theologie is dan dat er geen wezenlijk verschil meer bestaat tussen het heilige van eeuwig en het leven van alledag, tussen de ernst van boven en de humor van beneden.

De maker van het OLB heeft ernaar gestreefd deze ernst en humor zo met elkaar te vermengen dat ze elkaar versterken. Veruit het grootste deel van de tekst van het OLB vloeit rechtstreeks uit dit beginsel voort. De wetten, de oude godsdienstige leer, de gelijkenissen en grote delen van de vertelde geschiedenissen van allerlei personen zijn alle het resultaat van deze geest en werkwijze.[26]

Een goed en grappig voorbeeld daarvan is de parabel van Troost (pp. 143-145). Daarin is een aantal bijbelverhalen geparafraseerd en in elkaar geschoven: ‘de rijke jongeling’. ‘de zaaier’ en vooral ‘tweeërlei fundament’. De maagd Troost staat ‘een ongezellig gierig’ man te woord wiens huis door het onweer is vernield:

‘Stond het dan niet op een nol of een terp’, vroeg Troost.

‘Nee’, zei-ie, ‘mijn huis stond eenzaam bij de oever. Alleen heb ik het gebouwd maar ik kon er alleen geen terp voor maken.’

‘Ik wist het wel’, zei Troost, ‘de maagden hebben het mij gemeld. Jij hebt je hele hele leven gegruweld van de mensen uit angst dat je iets voor hen moest doen of aan hen geven. Maar daarmee kan men niet ver komen, want Wralda, die mild is, keert zich af van de gierigen.’ (p. 145)

De vergelijking met de Evangeliën ligt voor de hand. Daar wordt het geloof vergeleken met een huis dat op een rots moet worden gebouwd, wil het niet door de stroom en de watervloed worden weggespoeld.


Ook de allesoverheersende metaforiek van het boek is ontleend aan de Evangeliën. Op het niveau van kroniek zijn de kinderen van Frya zeevarende, strijdbare Friezen. ‘In het heen en omvaren ligt ons heil’, zeggen ze van zichzelf (p. 155). Zo komt het ook dat ze overal ter wereld hun sporen hebben nagelaten. [20] Op het derde niveau krijgt dit woord ‘heil’ echter een religieuze betekenis en is het varen symbool voor het geloof dat weigert beelden te maken, maar in plaats daarvan naar het geweten luistert en het zo oefent. Het land heeft gebaande paden, de zee kent miljoenen wegen. De kinderen van Frya varen en als ze zich op het land begeven, dan hebben ze een voorkeur voor havenplaatsen.

Deze beeldspraak wordt nog verder gevoerd. De Friese zeevaarders en strijders hebben de opdracht om op hun vele reizen de lamp brandende te houden. Op het niveau van kroniek wordt daarmee gezinspeeld op een oude Germaanse vuurcultus, op het derde niveau staat dat ‘lamp’ voor geloof. Eén van de sleuteltermen in het boek is het te pas en te onpas uitgeroepen ‘Waak’ en de opdracht van Frya’s kinderen is: ‘Laten uw lendenen omgord zijn en uw lampen brandende’.[27] De lamp en de ‘ijzeren wapens’ zijn de vaste attributen van de kinderen van Frya. Op dit niveau kan men het OLB dan ook beschouwen als een modernistisch getinte preek op deze tekst uit het evangelie van Lucas.

Niet modernistisch, maar modernistisch getint; dat blijkt uit enkele van de vertellende passages waarin de richtingenstrijd in de Hervormde kerk het onderwerp is. De maker van het OLB heeft opgemerkt hoe rond 1830 de volkskerk uit de tijd van de Republiek verdeeld geraakt en uiteengevallen was. De Groninger Richting (ca. 1830), het orthodoxe Fries Réveil (ca. 1830), de Afscheiding (1834) en nu het modernisme, alle hadden ze hun eigen opvattingen over Christus. Of eigenlijk, zo zou men met Joost Hiddes Halbertsma kunnen zeggen, presenteerden ze de goegemeente alle hun eigen Christus.[28] Slechts iemand die door het modernisme was aangeraakt en die ervan uitging dat Christus niet meer was dan een historische figuur, kon nu de stap doen die de maker van het OLB zette. Hij durfde de ontheiliging aan om al die verschillende Christusfiguren een Friese mantel aan te trekken en ze vervolgens aan het bekvechten te zetten. Hij noemde ze (aspirant-)‘volksmoeders’.

De hierboven op bladzijde 13 al aangehaalde eerste zin van het boek kan nu worden begrepen als: ‘Dertig jaar (1860-30=1830) na de dag, waarop het christusbeeld van de oude volkskerk omver werd gehaald door de Magy, stond het er erg om toe.’ De aanduiding Magy kan men bijna letterlijk nemen en opvatten als een personificatie van het geloof in het bovennatuurlijke, in het supra-naturalisme. Om het woord Magy te verklaren wordt in het boek (op het niveau van kroniek) het volk van de Magyaren opgevoerd:

De priesters zijn de eenigste heeren, zij noemen zichzelf Magyaren, hun aller overste heet Magy, hij is hoofdpriester en koning met een; al het andere volk is nul in ’t cijfer en gelijk en allen zijn onder hun geweld. Het volk heeft niet eens een naam; door ons worden zij Finnen genoemd want ofschoon hun feesten allemaal treurig en bloedig zijn [het door de modernisten afgeschafte avondmaal], zijn zij daar toch zo fijn op, dat wij daarbij achterstaan [...] Zij meenen dat alles vol is van kwade geesten die in de mensen en dieren sluipen, maar van Wralda’s geest weten zij niks. (p. 73)

Bij die laatste uitdrukking zij aangetekend dat in deze tijd de orthodoxe hervormden voor ‘fijnen’ (vandaar de naam ‘Finnen’) werden versleten.

Ik beperk me hier verder tot twee van die christusfiguren, ten eerste de aspirant-volksmoeder Syrhêd (Sieraad), bijgenaamd Kalta. In het boek is ze de tegenstandster van Minerva alias Nyhellenia alias Hellenia alias Hellicht. Syrhêd heeft haar bijnaam Kalta (raaskallen) te danken aan de zeelieden die vonden dat ze in wel erg duistere bewoordingen raad gaf. De vastelanders meenden juist dat dit een erenaam was. Kalta (op het niveau van kroniek de moeder der Kelten) staat voor de Christus van de orthodoxe hervormden. Mogelijk [14] verwijst de naam ‘Syrhêd’ naar ‘opsmuk-geloof’. Zij probeert de gunst van het volk te winnen onder andere door als een wonderdoende Christus over het water te lopen:

Toen zij zag dat de zeelieden meer en meer van haar weken, wilde zij hen door vrees winnen. Was de maan vol en de zee onstuimig, dan liep zij over de wilde vloed, de zeelieden toeroepende dat zij allen zouden vergaan indien zij haar niet wilden aanbidden. Voorts verblindde zij hun ogen waardoor zij water voor land en land voor water hielden, ...

Geen wonder dat de orthodoxen dachten dat ze vaste grond onder de voeten hadden. De maker van het OLB concludeert echter droogjes:

... daardoor is menig schip vergaan met man en muis. (p. 89)

Zo weten Frya’s zeelieden het beter en houden ze het (aanvankelijk) met Minerva. Deze dankt haar bijnaam ‘Nyhellenia’ onder andere[29] aan de raad die zij gaf, die nieuw was en helder boven alle. Nyhellenia of Hellicht — van haar echte naam heet ze Minerva omdat ze ‘mijn erven’ in haar boezem draagt — staat voor de modernistische Christus. De modernen dragen hun geweten in hun boezem en de moderne richting werd ook wel aangeduid als ‘Het nieuwe Licht’.[30]

In de beschrijving van de oorlog tussen Kalta en Minerva neemt de maker van het OLB een zekere afstand van het modernisme. De absurde strijd tussen beide aspirant-volksmoeders wordt weliswaar door Kalta verloren maar uiteindelijk wordt ook Minerva slachtoffer. De manier waarop dat gaat, is kenmerkend voor de denkwijze van de maker van het OLB. Daarom hier een wat langer citaat. Minerva raakt in gesprek met ‘enige priesters en vorsten’, die haar ondervragen:

Eens kwamen zij met een bende volk. De pest was over het land gekomen.

Zij zeiden: ‘wij zijn allen bezig de goden te offeren opdat zij de pest mogen weren.[31] Wil jij dan niet helpen om hun gramschap te stillen. Of heb je de pest zelf over het land gebracht met je kunsten’.

‘Nee’, zei Minerva, maar ik ken geen goden die erg doende zijn. Daarom kan ik niet vragen of zij beter willen worden. Ik ken één god. Dat is Wralda’s geest. Maar doordat hij god is doet hij ook geen kwaad’.

‘Waar komt het kwaad dan weg?’, vroegen de priesters.

‘Alle kwaad komt van u en van de domheid van de mensen die zichzelf door u laten vangen’.

‘Indien jouw godheid dan zo bijster goed is waarom weert hij het kwaad dan niet’, vroegen de priesters.

Hellenia antwoordde: ‘Frya heeft ons op weg gebracht en de Kroder, dat is de tijd, die moet het overige doen. Voor alle rampen is raad en hulp te vinden, maar Wralda wil dat wij die zelf zullen zoeken opdat wij sterk zullen worden en wijs. Willen wij niet, dan laat hij ons onze gezwellen uitknijpen[32] opdat wij zullen ervaren wat na verstandige daden en wat na dwaze daden volgt’.

Toen zei een vorst: ‘ik zou wanen, dat het beter was om dat te weren’.

‘Wel mogelijk’, antwoordde Hellenia, ‘want dan zouden de mensen blijven als tamme schapen. Jij en de priesters zouden hen dan willen hoeden, maar ook scheren en naar de slachtbank voeren. Maar zo wil onze godheid het niet, hij wil dat wij elkaar helpen, maar hij wil ook dat ieder vrij zij en wijs worde. Dat is ook onze wil en daarom kiest ons volk zijn vorsten, graven, raadgevers en alle bazen en meesters uit de wijste van de goede mensen opdat alleman zijn best zal doen om wijs en goed te zijn. Zo [15] doende zullen wij eens weten en aan het volk leren dat wijs wezen en wijs doen alleen leidt tot zaligheid’. (pp. 51-53)

Minerva veegt de vorsten en de priesters dusdanig de mantel uit en maakt ze er en passant ook op attent, dat ‘reinheid van binnen’ de enige manier is om de gunst van het volk te winnen. Maar nu treedt één van de principes van het OLB in werking. In plaats van na deze uitbrander het volk te mobiliseren en Hellenia het land uit te drijven, beginnen de vorsten en priesters haar te roemen. Ze verkondigen alom:

dat het de alleroverste godheid had behaagd om zijn wijze dochter Minerva, bijgenaamd Hellenia, onder de mensen te zenden van over zee met een wolk om de mensen goede raad te geven en dat alleman die haar wilde horen rijk en gelukkig zou worden en eens baas zou worden over alle koninkrijken van de aarde. Haar beelden stelden ze op de altaren of ze verkochten ze aan de domme mensen. Zij verkondigden allerwegen raadgevingen die zij nimmer had gegeven en vertelden wonderen die zij nooit had gedaan. Door list wisten zij zich zelf meester te maken van onze gewetens en zeden en door wanspraak wisten zij alles te bewijzen en te verbreiden. Zij stelden ook maagden onder haar hoede, schijnbaar onder de hoede van Festa onze eerste eremoeder [bedoeld wordt de historische Christus], om over dat heilige vuur te waken. Maar dat licht hadden ze zelf opgestoken en in plaats van de maagden wijs te maken en daarna onder het volk te zenden om de zieken te verplegen en de kinderen te onderwijzen, maakten zij ze dom en van gedempt licht en zij mochten niet buiten komen. Ook werden zij tot raadgeefsters gebruikt, maar die raad was voor de schijn uit hun monden, want hun monden waren niet anders dan de roepers waardoor de priesters hun begeerten uitspraken. Toen Nyhellenia gevallen was wilden wij een andere moeder kiezen. Sommigen wilden naar Texland om daar één te vragen maar de priesters die bij hun eigen volk het rijk weer in hadden, wilden dat niet gedogen en kreten ons bij het volk uit voor onheilig.” (pp. 55-57)

Uit deze laatste alinea (maagden zijn hier waarschijnlijk studenten en met Texland wordt bedoeld het ‘hemelse rijk’- zie verder) wordt duidelijk dat de maker heeft gevonden dat het modernisme verstard was geraakt en zich ten onrechte met de ‘machtige’ vorsten en priesters had ingelaten. In deze passages vinden we het principe dat in het OLB steeds opnieuw en in vele vormen terugkeert. Op het moment dat niet langer het geweten — als een ‘panta rhei’- wordt geraadpleegd en geoefend, wordt een geloof, een Christus, tot holle vorm. God en geweten zijn voor de maker bijna identiek. Datzelfde principe geldt ook waar het de ‘politiek’ betreft. Op het moment dat de ‘vorsten en priesters’ vergeten dat ze uit het volk opgekomen zijn en daarom dat volk dienen te vertegenwoordigen, zijn het hypocriete ploerten geworden, kinderen van Finda. Nu we weten dat met ‘volksmoeders’ verschillende christusfiguren worden bedoeld, kunnen we ons ook afvragen hoe een groot schandaal een dergelijk werk — indien goed begrepen — indertijd in orthodoxe kringen zou kunnen hebben veroorzaakt. Het is in dit verband goed om te laten zien hoe ver de maker van het OLB deze personificatie heeft durven doorvoeren. Zo neemt hij de beeldspraak van een ‘verkracht geloof’ wel heel letterlijk. Vlak voordat de laatste volksmoeder Frana (de ‘heilige’ Christus van de volkskerk tot 1830) door de Magy over scheepsboord wordt geworpen, sluipt er een ‘vuile Fin’ (een orthodoxe fijne) haar slaapkamer in, om haar te ‘nêdgja’.

De moeder weerde hem af, dat hij rugwaarts tegen de wand strompelde. [23] Toen hij weer op de been was, stak hij zijn zwaard in haar buik, zeggende: “wil je mijn kul niet, dan zul je mijn zwaard hebben”. (p. 115)

Men kan veronderstellen dat de tijdgenoot juist vanwege het vòòrkomen van zulke aanstootgevende stukken terug zal zijn geschrokken om de tekst uit te leggen zoals ik nu doe. Een passage als die waarin Kalta over het water loopt zal ongetwijfeld menige lezer aan Christus hebben doen denken. Maar als die lezer vervolgens heeft geprobeerd om ‘volksmoeder’ te lezen als ‘Christus’, dan zal zijn interpretatie door deze verkrachtingsscene in de kiem zijn gesmoord.

Tussentijdse conclusie

Op de bodem van het OLB aangekomen, wil ik kort samenvatten welke weg we zijn gegaan, dat wil zeggen hoe het OLB kan worden gelezen. Allereerst moet men doorzien dat het hier noch om een echte, noch om een quasi-familiekroniek alleen gaat. Op dit eerste niveau is het boek een falsificatie. Vervolgens is er hier sprake noch van een echte, noch van een quasi-Friese kroniek alleen. Op dit niveau is het boek een verzameling contingenties, blijft het daardoor onleesbaar en is het een mystificatie. De sleutel tot een goed begrip ligt dan ook daaronder op het derde niveau. Men moet zich losmaken van de gesuggereerde inhoud van het begrip ‘Frya’s volk’ als Friezen en er de moderne, vrije mens voor in de plaats stellen. Pas dan kan men — hoewel beslist niet gemakkelijk — het boek als een eenheid zien, zonder dat men direkt een maker hoeft te noemen of een motief hoeft aan te geven. Pas zo krijgt de tekst betekenis.

De ‘familiekroniek’ is vrij gemakkelijk te scheiden van de twee andere niveaus. De naam 'Ovira Linda’ komt namelijk slechts een beperkt aantal keren voor.[33] Veel moeilijker is het om het tweede en derde niveau uit elkaar te houden. Mogelijkerwijs is het boek zo samengesteld dat de maker eerst een basistekst heeft geschreven die ongeveer overeenkomt met wat ik het ‘derde niveau’ noem, dat wil zeggen een soort van modernistisch getint tractaat onder andere over de richtingenstrijd in de Hervormde Kerk. Vervolgens is die tekst door de gehaktmolen van de Friese mythologie gehaald en aangevuld. Men mag gerust aannemen dat deze eerste redactie heeft ingehouden, dat alle namen van personen en plaatsnamen zijn aangepast aan de oude Friese kronieken en de rest van de wereldgeschiedenis (en dus op het derde niveau óf volstrekt willekeurig óf dubbelzinnig zijn) en dat de genoemde jaartallen er bijna willekeurig doorheen zijn gestrooid.


Zo kunnen we dus het OLB zien als een driedimensionaal cryptogram of beter: als een tekenfilm bijvoorbeeld van Broer Konijn. Immers, Broer Konijn is eigenlijk een mens met een konijnepakje aan (en een voorkeur voor wortels). Stel nu (en het is wel getekend), dat Broer Konijn in één van zijn avonturen als geharnast ridder terecht komt in de middeleeuwen, dan is er sprake van dezelfde dubbele vermomming als in het OLB. Het verhaal lijkt dan om de ridder te gaan in wie men onmiddellijk (hij eet wortels) Broer Konijn herkent. Eigenlijk is echter de mens in het konijnepakje het onderwerp. Het publiek herkent immers Broer Konijn als mens en zou hij Broer Konijn niet als zodanig herkennen, dan zou de tekenfilm niet alleen een slap verhaal over konijntjes worden, maar ook onbegrijpelijk. De overeenkomst tussen de ridder, het konijn en de mens is natuurlijk dat ze alle drie van wortels houden, zoals de OLB-ers van lampen.

II. En nu weer omhoog

[24] Ik hoop de lezer later een ruimer uitzicht op deze bodem van het OLB te kunnen bieden en hem dan ook in kennis te mogen brengen met figuren als Multatuli, Willem III, paus Pius IX en Thorbecke die hier allen in Friese vermomming zeevaren en strijden. Maar nu (de batterij van mijn zaklamp is half leeg) is het tijd om weer op te klimmen. De vraag is nu een andere, namelijk of we op de terugweg aanwijzingen kunnen vinden voor mogelijke auteurs.

Deze terugweg is nog veel gevaarlijker dan de heenweg. Er is immers al zo vaak gezocht naar de namen van mogelijke makers en nooit zijn er werkelijk overtuigende bewijzen geleverd. Maar zou het niet kunnen zijn dat dit gebrek aan overtuigingskracht daardoor wordt veroorzaakt, dat het OLB steeds als ‘lege vorm’ is beschouwd, als niet meer dan een onsamenhangende en parodiërende ‘parafrase’ van oudheidkundige literatuur. Door er zo naar te kijken kan men in de tekst ook niet meer zien dan een middel om iemand of een groep mensen te grazen te nemen. Het doel of het motief van de maker blijft buiten de tekst.

Ik heb al aangegeven dat er iets heel ongerijmds schuilt in deze manier van kijken. Met een zo omvangrijk en tot in detail verzorgd handschrift, dat langs zoveel omwegen en met zoveel moeite de wereld in wordt geholpen en dat desondanks als opgelegde parodie wordt gepresenteerd, moet meer aan de hand zijn. Nu we dus een mogelijke samenhang en betekenis hebben gevonden, is het misschien ook gemakkelijker om een profielschets van de eventuele auteur te geven.

In het algemeen kunnen we vaststellen dat we moeten zoeken naar iemand die thuis was in de Friese kronieken, geschiedbronnen en taal. Dat was al eerder vastgesteld. Bovendien — en dat is nieuw — moet de maker van modernistischen huize komen. Het hoeft hier vanzelfsprekend niet om één persoon te gaan, het kunnen er ook twee of meer zijn.

Een testament

De enige keer dat er (bij mijn weten) in de OLB-literatuur serieus over de moderne richting is gesproken, was in 1916. Toen stierf in Haarlem Johan Winkler (1840-1916). In zijn vrije tijd was deze arts een Frisiast pur sang geweest en wat belangrijker is: hij had als lid van het Friesch Genootschap de OLB-affaire van meet af aan meegemaakt en was de langstlevende van de genootschapsleden van indertijd. Bovendien was hij nauw bij de affaire betrokken geweest. Toen de bibliothecaris-archivaris van Friesland, Eelco Verwijs (de man die het manuscript van Over de Linden had gekregen), in 1868 een baan in Leiden kreeg, had hij het handschrift ter beoordeling aan Winkler gegeven. Deze had het op de vergadering van het Friesch Genootschap van 24 november 1870 teruggegeven en erbij gezegd dat hij het niet authentiek achtte. Dat was het moment waarop de conrector van het Leeuwarder Stedelijk Gymnasium Dr. J.G. Ottema toestemming vroeg om het ook eens in te zien. Deze verklaarde het vrijwel meteen voor echt. Winkler durfde de oude, geleerde man niet tegen te spreken.

Pas na zijn dood sprak Winkler. Hij meende de OLB-affaire opgelost te hebben en deponeerde daarom in 1907 een aantal bescheiden in een kistje dat hij aan het Friesch Genootschap gaf.[34] Kort nadat hij was overleden werd het geopend. Winkler wees als schuldigen aan: de dominee-dichter François Haverschmidt, de bibliothecaris-archivaris Eelco Verwijs en ook (als medium) Cornelis over de Linden.

[25] Winkler was niet de eerste die deze namen noemde. Al voordat het OLB in druk was verschenen, waren in 1871 in de Nederlandsche Spectator dezelfde namen genoemd.[35] Haverschmidt was immers van 1862 tot 1864 predikant geweest in Den Helder waar het manuscript was opgedoken. In de wandelgangen (ook in die van het Friesch Genootschap[36]) werd gefluisterd dat Eelco Verwijs de ‘grappenmaker’ was. Beide namen werden ook in Friesland met elkaar in verband gebracht, bijvoorbeeld door de modernistische doopsgezinde predikant A.A. Deenik: ‘Ik heb al bij mij zelven gedacht, of mijn vriend Haverschmidt, die zeer intiem is met Dr. Eelco, en die aan den Helder gestaan heeft, misschien het zijne zou kunnen gedaan hebben om dezen tweeden Macpherson aan eene firma te helpen.[37] Aan deze beschuldigingen bij geruchte kwam een einde toen zowel Verwijs als Haverschmidt in 1875 en 1876 in de krant hun medewerking ontkenden en kort daarop Beckering Vinckers met veel overtuiging Over de Linden als auteur aanwees. Ik kom daarop straks terug.

Winkler gaf echter niet alleen namen, maar ook motieven. Het idee, zegt hij, kwam van Haverschmidt, predikant in Den Helder, een ‘guitig, snaaksch man [die onder] de schuilnaam ‘Piet Paaltjes [...] verschillende rijmen (gedichten is daarvoor wel te weidsch eenen naam), veelal van kluchtigen aard’ heeft geschreven. Haverschmidt, één van de eerste predikanten van de moderne richting, zou hebben willen

trachten een geheimzinnig geschrift op geheimzinnige wijze in de wereld te brengen — een geschrift vol leugens en fabels, op zeer aannemelijke wijze voorgesteld. Als dat geschrift dan door sommigen, misschien door velen voor waarachtig zoude aangenomen geworden zijn, dan wilde hij later voor ’t licht komen als de opsteller, de schrijver daarvan, en op die wijze den lieden aantoonen, dat, zoo min als zijn geschrift op waarheid berustte, zoo min ook de Bijbel een Heilig, een waarachtig boek was.[38]

Volgens Winkler zou Haverschmidt Over de Linden en Verwijs bij zijn plan hebben betrokken. Deze laatste, die kennis van het oud-Fries had, zou de tekst [26] hebben geëmendeerd en aangevuld. Verwijs zou nog een bijkomend motief hebben gehad.[39] Hij wilde de pedante ‘archivarius’ van Leeuwarden, Wopke Eekhoff, een hak zetten.[40] Aan Winklers verklaring werd — juist waar het Haverschmidts motief betrof — geen enkele waarde gehecht.[41] Men vond het te ver gezocht. Bovendien achtte men Haverschmidt niet Fries genoeg. Beide argumenten zijn discutabel.[42] In het licht van het bovenstaande is Winklers veronderstelling, geloof ik, de moeite van een toetsing wel waard.

François Haverschmidt en Eelco Verwijs[43]

Het zijn geen figuren die men maar zo in de houdgreep heeft, deze Verwijs en Haverschmidt. In sommige opzichten leken ze op elkaar, in andere waren ze elkaars tegenpolen. Beiden waren complexe karakters, die hier een introductie behoeven. Ik wil een poging wagen tot een kort dubbelportret.

Van de beiden was Verwijs de oudste. Hij werd geboren in 1830, Haverschmidt in 1835. Hoewel Verwijs waarschijnlijk van wat deftiger komaf was, was hun achtergrond gedeeltelijk eenzelfde. Beiden hadden ze namelijk een flinke scheut predikantenbloed in zich. Verwijs, domineeszoon uit Deventer, stamde van vaderskant uit twee van die typische Ancien-Régime predikantendynastieën: de West-Friese Verwijzen en de Friese Renemans. Haverschmidts moeder was een Bekius, een telg uit net zo’n eeuwenoude Friese predikantenfamilie. Het was niet toevallig dat Verwijs en Haverschmidt, zij het in de verte, familie van elkaar waren.[44]

Beiden studeerden ze. Haverschmidt reisde in 1852 vanuit zijn geboortestad Leeuwarden af naar het ‘bolwerk van het modernisme’ Leiden. Daar studeerde hij in navolging van zijn grootvader theologie. Hij voltooide die studie in 1858. Hier tekent zich een eerste verschil af. Want weliswaar volgde ook Verwijs het voorbeeld van zijn vader en grootvader, maar hij stapte na drie jaar over naar de letteren en verhuisde in 1853 van Groningen naar Leiden. Deze breuk met de (familie-)traditie is typerend voor Verwijs. Om nog een voorbeeld te geven: toen hij in 1857 promoveerde (op een proefschrift over Maerlant), deed hij dat als eerste promovendus in de Nederlandse letteren in het Nederlands en gaf hij te kennen in zijn door-de-weekse pak en zonder de gebruikelijke plechtigheden te willen promoveren:

Mijn redenen zijn deze: Waar een oude vorm (het Latijn) wordt afgeschaft [...] daar mag men gerust een anderen vorm, die niets dan het bespottelijke voor zich heeft, ook afschaffen.[45]

Het zou als motto boven zijn biografie kunnen staan. Want zo komt Verwijs ook in zijn werk naar voren, als de man, de vertegenwoordiger van de moderne tijd, die heeft afgerekend met de traditie en die alle bekrompenheid die daar nog uit voortvloeit bekritiseert en vooral bespot.[46] De ene holle vorm sleurde in zijn werk de andere mee. Dit spottende dat zich uitte in mystificerende hekeldichten of in felle recensies, is wel begrijpelijk bij iemand die zo openlijk en nadrukkelijk afstand wil doen van traditie en geloof.

Verwijs was van de beiden de scherpe (maar af en toe wat kil en sarcastisch overkomende) criticus. In zijn vak — de Nederlandse letterkunde — stond hij dan ook uitstekend bekend. Haverschmidt was de veel gevoeliger ‘schepper’. Als ik het goed zie, komt dat doordat hij die breuk tussen vroeger en nu wel als een probleem ervaarde. In Leiden was ook hij gaan twijfelen aan de vanzelfsprekendheid van het geloof van zijn jeugd. Maar hij miste het. Wat zich bij Verwijs laat zien als een (mogelijk) conflict tussen hem en zijn omgeving, werd bij Haverschmidt voor alles tot een innerlijk conflict. In bijna al zijn werk [27] (gedichten, lezingen, verhalen, preken) lijkt hij een antwoord te zoeken op de vraag: wat is er (met mij en met de wereld) gebeurd? In zijn verlangen om dat verzoenende antwoord te vinden en daarmee het geluk van vroeger te herwinnen, raakte hij op gespannen voet met de werkelijkheid. Dit verlangen kan men daarom romantisch noemen.

Het antwoord dat Haverschmidt probeerde te geven op die vraag was niet dat van een objectief historicus, maar dat van een ‘schrijver’ die in zijn verbeelding de eigen binnenwereld en de buitenwereld met elkaar in overeenstemming probeert te brengen. Haverschmidt maakte daarbij een exuberant gebruik van de vormen en stijlmiddelen die de romantische humorcultus uit deze tijd bood.[47] Hij stapelde fictie op fictie op fictie. Hij parodieerde literaire genres, wisselde hoogdravende gedachten af met volkse spreektaal, liet zijn grillige fantasieën de vrije loop, vergrootte, verkleinde, smolt de ‘gansche wereldgeschiedenis’ inéén tot één schreeuw om wraak[48] en huilde een oceaan vol om een verloren liefde. Van Gilse vat dit, zij het in een wat ingewikkelde zin, heel goed samen:

Vaak schijnen heden en verleden nauw verweven tot één weefsel van door de verbeelding tot persoonlijke beleving gevormde aanschouwde werkelijkheid en tot beeld verlevendigde herinnering[49]

Zo smeedde Haverschmidt in zijn werk aaneen, wat voor hem in de werkelijkheid pijnlijk gescheiden was.

In zijn studententijd deed hij dat door de figuur ‘Piet Paaltjens’ in het leven te roepen. Zoveel leven blies de kwetsbare en vaak sombere Haverschmidt deze ironisch-romantische dichter-figuur in, dat de verhouding tussen Paaltjens en hem er bijna één was van twee verschillende personen. Het geheim van Paaltjens’ succes lijkt me de averechtse dynamiek tussen hem en zijn omgeving. Hij (Paaltjens) had namelijk de volgende eigenschap. Hoe meer men hem voor ‘echt’ begon aan te zien en van hem begon te houden en hoe ernstiger men hem nam, des te marmerbleker, spotzieker, vluchtgrager en dichterlijker werd hij. [28] En andersom zelfs: omdat hij graag wilde dat men hem ernstig zou nemen en van hem zou houden, ging hij op zijn beurt tot het alleruiterste, tot over de grens van de dood: ‘Voor u te sterven is zoo zoet’.[50] Als gefingeerd personage kon hij vervolgens zo’n dweperig zinnetje parodiëren door het letterlijk te nemen. Er is in de Nederlandse literatuur geen tweede voorbeeld van een alter ego dat zo bedreven was in de kunst van het sterven en weer uit de dood opstaan als deze Paaltjens. Zijn favoriete dood was de verdrinking. bij voorkeur in een zee van tranen. Ik kom op dat thema straks terug.

De Paaltjens-figuur paste en hoorde thuis in de Leidse studentenwereld, waar de zwarte romantiek bloeide. Daar werd de ‘Piet Paaltjens show’ opgevoerd[51] waarin sommige van Haverschmidts vrienden meespeelden, bijvoorbeeld door brieven aan Paaltjens te schrijven. Dat deed ook Eelco Verwijs, die op 1 maart 1858 een brief richtte aan de ‘schim van den onsterfelijken Piet Paaltjens’. In die brief staan (voor zover ik weet[52] en puur chronologisch gezien[53]) de namen Verwijs, Paaltjens en Haverschmidt voor de tweede keer samen genoemd. De eerste keer was in het gedicht ‘Jan van Zutphen’s afscheidsmaal’. Daarin portretteert Haverschmidt Verwijs als de aan de drank geraakte middeleeuwse geestelijke Eligius van Oversticht (Verwijs’ zelfgekozen pseudoniem). Het quasi-middeleeuwse gedicht geeft een mogelijke eerste aanwijzing voor hun schrijverschap van het OLB. Het speelt zich namelijk zogenaamd af in 1257 en dat is één jaar nadat (ook zogenaamd) Hiddo Ovira Linda het OLB ondertekent: namelijk in 1256.[54]

Ik heb deze passage over de Paaltjens-cultus opgenomen om te laten zien, dat Haverschmidt de kunst van het mystificeren verstond (en nodig had) als geen ander en in ieder geval even goed als de maker van het OLB. Bovendien wordt zo duidelijk, dat Haverschmidt de literaire vormen en stijlmiddelen beheerste die ook in het OLB kunnen worden teruggevonden. Tenslotte heb ik Paaltjens geïntroduceerd omdat hij na de Leidse periode samen met Haverschmidt naar Friesland verhuisde. Daar, zo zegt hij zelf, trad hij in het ‘tweede tijdperk van mijn leven, [...] de dagen van mijn omdolingen langs stranden en op tentoonstellingen’.[55]

Wanneer men de ontwikkeling van Haverschmidts schrijverschap in ogenschouw neemt, dan is deze op één uitzondering na vrij ‘natuurlijk’. Als kind schreef hij (toneel-)stukken voor in de huiskamer, als gymnasiast hield hij redevoeringen voor de schoolvereniging, als student had hij de grimmige en extraverte Paaltjens om zich te uiten en tenslotte, als predikant hield hij veel soberder en introvertere preken en nutsvoordrachten waarin hij zich lijkt te oefenen in het zichzelf blootgeven. Hoewel de thematiek grotendeels dezelfde bleef, paste hij zichzelf en zijn manier van schrijven dus aan bij de omgeving waarin hij verkeerde. De uitzondering is de lange overgangsperiode tussen 1858 en 1870. In deze tijd ontwikkelde Haverschmidt de stijl en de vorm die zijn latere periode kenmerkten. Tegelijkertijd bleef echter ook Paaltjens aktief. En daarbij kan men een vraag stellen: lag het wel zo voor de hand, dat een predikant er zo lang nog een dergelijk studentikoos alter ego op nahield? Haverschmidt heeft zelf ook het ongerijmde daarvan ingezien:

Dat heertje met zijn witte das
Was eertijds een minnezanger:;
Doch sinds het die witte das aanheeft,
Minnedicht het niet langer.[56]

Zo er bij zo’n overdaad aan mystificaties nog onderscheid gemaakt kan worden [29] (afb.) [30] tussen waarheid en leugen, dan laten de feiten toch in ieder geval zien dat Haverschmidt in deze strofe uit 1865 een beetje jokte. De figuur Paaltjens werd namelijk in de jaren na 1858 zelfs nog ‘echter’ gemaakt dan hij al was. Het lijkt me bepaald niet onaannemelijk, dat Verwijs daarbij een rol van betekenis heeft gespeeld. In 1862 nam J. van Vloten in zijn Nederlandsch dicht en ondicht der negentiende eeuw niet alleen alle gedichten op die Paaltjens in de Leidse studentenalmanakken had gepubliceerd; hij gaf daarbij ook een verslag van een ‘weerzien met Paaltjens’ aan de noordkust van Friesland. Dit bericht werd door Van Vloten ingeleid als afkomstig van Haverschmidt zelf.[57] In de eerste druk van de Snikken en Grimlachjes uit 1867 is ditzelfde verslag (als voetnoot) ook opgenomen, maar staat op de plaats van die mededeling over de herkomst: ‘Het bericht van dit weerzien ontving de geleerde taal- en letterkundige Dr. Eelco Verwijs van een mij zeer welbekende hand. Dr. J. van Vloten nam het op in het tweede deel van Nederlandsch dicht en ondicht der negentiende eeuw, bladz. 623.’

Hier wordt allereerst de autoriteit van twee taalgeleerden aangewend om Paaltjens meer garantie van echtheid te geven dan hij ooit had gehad. Het noemen van een boektitel en paginanummer dient als extra bewijs.[58] Mogelijk heeft Verwijs Haverschmidt en Van Vloten met elkaar in contact gebracht[59] en fungeert hij daarom nu bij ditzelfde bericht als ‘nieuw’ medium.[60] Misschien zijn er andere redenen.

Haverschmidt en Verwijs hebben elkaar na 1858 waarschijnlijk vaker gezien dan ervóór. In dat jaar verhuisden ze beiden naar Friesland.[61] Verwijs werd leraar moderne talen in Franeker (1858-1862) en later provinciaal archivaris-bibliothecaris (1862-1868), Haverschmidt predikant in het terpdorpje Foudgum aan de noordkust van Friesland (1859-1862). Die twee plaatsen liggen niet vlak bij elkaar, maar van Verwijs is bekend dat hij in deze tijd veelvuldig in het vlak bij Foudgum gelegen Dokkum logeerde. Het ligt voor de hand dat hij van daaruit Haverschmidt vaak heeft opgezocht.[62] [31] Over Haverschmidts periode in Foudgum is niet zo heel veel meer bekend dan wat hij er zelf in een voordracht uit 1880 over zegt.[63] Het is een weemoedig, mild ironisch verhaal over het leven van een piepjonge, eenzame en ongetrouwde predikant in zo’n kleine gemeente. Maar bij al die zachte weemoed valt des te meer op hoe een felle toon Haverschmidt aanslaat als hij over de ‘andersdenkenden’ — de afgescheidenen en het opkomende ‘ultra-gereformeerdendom’ — komt te spreken. Dan is er geen sprake meer van een verinnerlijkte verbeelding, maar worden man en paard genoemd. Twintig jaar na dato klinkt er zo nog steeds iets door van de frustraties van een beginnend predikant, die geen ‘contact’ kon krijgen met de meeste van zijn gemeenteleden en die zelfs zijn eigen karakter en (geloofs)opvattingen geweld moest aandoen om de lieve vrede te bewaren:

Allerergst [was het] wel, als ik, in opgewekte bui, aan zucht tot scherts toegaf. Zoo onschuldig konden mijn vrolijke invallen niet zijn, of ik merkte al spoedig aan strakke gezichten en oogen die gewisseld werden, dat ik heelemaal op verboden terrein geraakt was. Geen wonder: men had er, die van de leer waren, dat lachen zonde was, en dat het tenminste voor iemand, die niet volkomen zeker van zijn genadestaat [was], niet te pas kwam, een opgeruimden toon aan te slaan.[64]

Met dit onbegrip hebben vele van de modernistische predikanten uit de jaren zestig geworsteld. Ze meenden dat ze niet begrepen werden en hunner ondanks de mensen de kerken uitjoegen. Ze konden niet begrijpen dat het volk zich afkeerde van een geloof dat zoveel beter op de moderne tijd afgestemd was en dat een zo sterke geest van gelijkheid ademde. In het nauw gebracht door de orthodoxie zochten ze daarom steun bij elkaar, ook of juist in de ‘fijne’ streken rondom Dokkum waar een vijftal modernistische predikanten zich in 1866 (toen Haverschmidt al weg was) verenigden in ‘onze krans’.[65]

Deze afstand tussen predikant en (kerk)volk was niet alleen een probleem van modernistische predikanten. Juist hier ligt een overeenkomst in omstandigheden tussen Verwijs en Haverschmidt, die de band tussen hen beiden kan hebben versterkt. Volgt men namelijk Verwijs in zijn Friese jaren (1858-1868), dan blijkt uit zijn recensies en lezingen dat ook hij zich op zijn manier onbegrepen voelde door het volk. Of beter: dan blijkt hoe vurig hij door het (Friese) volk begrepen wenste te worden. Heel expliciet — en geheel in de lijn van één van zijn leermeesters, namelijk Joost Hiddes Halbertsma[66] — stelde hij zich op het standpunt dat de elitecultuur zich per definitie rekenschap moet geven van de volkscultuur, omdat ze daaruit voortkomt.[67]

In Friesland aangekomen wilde hij dat adagium in de praktijk toetsen en stortte hij zich vrijwel meteen in het Friese culturele leven. Hij was onder meer lid van het deftige Friesch Genootschap en van het veel kleinburgerlijker Frysk Selskip.[68] Dat laat zien hoe hij zich minder aantrok van allerlei rigide standsverschillen dan te doen gebruikelijk. Klaarblijkelijk zag hij voor zichzelf als geschoold letterkundige een sturende rol weggelegd. Hij toonde zich een ijverig lid van beide genootschappen. Echter deze getoonde goede wil en ijver werden niet beloond. Onder andere door zijn felle (‘de aard van het beest’, zei hij zelf[69]) kritieken kwam hij in conflict met leden van beide genootschappen. Hij verweet Friestalige auteurs als bijvoorbeeld Waling Dijkstra dat ze de volksliteratuur plat en banaal maakten. Maar deze schrijvers uit de school van Frysk Selskip en Winterjûnenocht zagen hem op hun beurt als een aanmatigende indringer en wensten hem niet als gids, ‘want zeer zeker is het dan met de friesche taal gedaan’.[70] In de kring van het Nederlandstalige en vanouds meer intellectuele [32] Friesch Genootschap joeg hij de heren tegen zich in het harnas door hen — op diezelfde felle toon — verregaande luiheid te verwijten.[71]

Toch gaat het dunkt me niet aan om Verwijs als pur sang kritikaster aan te merken. De verwijten die hij de Friese volksletterkundigen maakte, vloeiden voort uit zijn idealistische literatuuropvatting. Uit zijn kritieken blijkt dat hij niet de (Friese) volksliteratuur als zodanig laakte,[72] maar het plat-realistische dat hij er soms in meende aan te treffen. Hij meende dat dit (platte) realisme de uiteindelijke dienares van het despotisme zou zijn, omdat het het volk ‘ontwapende’. In een land als Nederland waar staatkundige en godsdienstige vrijheid bestond, was het de taak van de moderne richting om dit realisme krachtig te bestrijden en diende de volksletterkunde het volk aan te spreken niet op zijn platte sentimenten, maar op zijn edele oorspronkelijkheid. Dat was de manier om het volk te verheffen tot weerbaarheid. Zo zag hij de letterkunde ‘in hare edelste richting’ als democratisch.[73]

Als men ziet hoe de toon van Verwijs’ kritieken steeds feller werd en hoe de conflicten zich opstapelden, dan kan de conclusie zijn dat hij gefrustreerd is geraakt in zijn bedoeling om een literaire brug te slaan tussen elite en volk. Hij zal zich in zijn laatste Friese jaren geïsoleerd, onbegrepen en eenzaam hebben gevoeld.[74] Zijn vertrek naar Leiden, waar hij vanaf 1868 onder leiding van M. de Vries aan het Groot Nederlandsch Woordenboek zou werken, komt dan ook geenszins als verrassing. Zijn ‘democratische’ opvattingen hadden zo voor hem zelf een averechts gevolg.

Op de literaire podia van zijn tijd speelde Verwijs vooral de rol van criticus. Daarnaast schreef hij voor kleinere kring een stuk of wat gedichten in het Middel-Nederlands die het midden houden tussen imitaties, parodieën, mystificaties en falsificaties. Vergelijkt men in dit opzicht zijn kwaliteiten met die van Haverschmidt, dan hoeft er weinig twijfel te bestaan over de vraag wie van beiden op dit terrein de betere was. Verwijs’ verzen zijn zoals hij zelf ook was: geleerd (door taalgebruik), tijdkritisch, maar voor het overige vlak en zonder al te veel inhoud. Hij ‘beheerste’ de kunst, maar miste de grillige fantasie en de innerlijke gedrevenheid die Haverschmidt zo kenmerkten.[75] Bij Haverschmidt was het bijna omgekeerd: de kunst beheerste hem.

We kunnen proberen om ons hun ‘intieme’ vriendschap voor ogen te stellen. Dat kan niet anders dan onder veel voorbehoud want er zijn weinig bronnen. Deze vriendschap zal gebaseerd zijn geweest op een aantal overeenkomsten: hun verwantschap, hun Leidse achtergrond, hun belangstelling voor literatuur, hun romantisch-idealistische smaak daarin (de voorliefde voor mystificaties), hun moderne inslag en de daaruit voortvloeiende frustraties over hun eigen problematische positie in de wereld. De verschillen tussen hen beiden zullen de rolverdeling binnen die vriendschap hebben bepaald. Men kan zich voorstellen dat Haverschmidt opkeek tegen de vijf jaar oudere, zelfzekerder, veel geleerdere en veel wereldser Verwijs. Hij was zeer ontvankelijk voor de mening van dergelijke figuren.[76] Andersom geldt dat Verwijs zijn vriend kan hebben benijd om het scheppend vermogen dat hij zelf miste.[77]

Twee thematische overeenkomsten

Ik wil in de rest van dit opstel de proef op de som nemen en ingaan op de mogelijke rol van Haverschmidt. Op grond van het bovenstaande lijkt de rolverdeling, zoals Winkler die beschreef, logisch. Haverschmidt zou dan de basistekst hebben geschreven. Zowel naar literaire vorm als naar theologische inhoud past dit vermoeden. Op de rol van Verwijs zal ik, ook omwille van de beschikbare [33] ruimte, niet en detail ingaan. De Jong heeft in zijn Het Geheim van het Oera Linda Boek daarover conclusies getrokken waarvan vele (met enige correcties en aanvullingen) nog steeds hout snijden. Het laat zich aanzien dat Verwijs’ mogelijke rol bij het bedenken van en het schrijven aan de basistekst niet erg groot is geweest. Hij hutselde in een later stadium de stukken door elkaar, schreef ‘inleidende’ passages, vertaalde of verving in elk geval nieuw-Friese woorden door oud-Friese, parafraseerde oudheidkundige studies en voegde hier en daar een paar bladzijden toe. Ik zal daarop terugkomen in een uitgebreidere studie.[78]

Er zijn nogal wat aanwijzingen voor het auteurschap van Haverschmidt. Tussen zijn werk en (mijn interpretatie van) het OLB bestaan namelijk tal van thematische en ‘biografische’ overeenkomsten. Soms betreft het werk uit eerdere tijd, soms van later datum. Er zijn echter twee lezingen bewaard gebleven uit de jaren 1861 en 1863 waaruit blijkt dat Haverschmidt een voorstellingswijze van de richtingenstrijd in de kerk als in het OLB en van wat ik eerder genoemd heb de ‘morele antropologie van het OLB’ eigen waren.

De eerste van die twee voordrachten is een nutslezing, gehouden in Holwerd in januari 1861.[79] De wat hoogdravende toon is aangepast aan het nutspubliek en is daarom totaal verschillend van die van het OLB. De overeenkomsten liggen in de manier waarop Haverschmidt gebruik maakt van een bont mengsel van allerlei allegorieën, metaforen en personificaties en vooral in de thematiek. Het verhaal — een soort van voyage imaginaire — bestaat uit twee delen. In het eerste vertelt Haverschmidt over zijn ‘eigen’[80] geschiedenis. In de vorm van een allegorie verhaalt hij hoe hij (een wandelaar) afkomstig is uit het Schone land der Kinderspelen en Jongelingsdromen. Hij heeft het verlaten maar hij weet zelf nauwelijks waarom (typische Haverschmidt-uitdrukking; het overkomt hem ook allemaal maar). Hij ging weg met vage motieven, omdat hij ‘meer wilde’, ‘hoger wilde genieten’. Langs de weg van de Wetenschap en na veel Twijfel en Strijd, Onzekerheid en Ongeloof, Vertwijfeling, maar dankzij Hoop, Vriendschap, Liefde en Geloof is hij nu aangekomen, niet in het land van Idealen, zoals hij dacht, maar in het Land van de Alledaagse Werkelijkheid.

Wat dit betekent merkt hij als hij een wandeling door deze werkelijkheid maakt. Er is daar één prachtige Zon (=God), maar waar hij ook gaat of staat, steeds weer komt hij mensen tegen die ruzie maken over de hoedanigheden van die Zon. Er zijn ruzies tussen wetenschappers en leken over wat er nu eigenlijk draait, de aarde of de zon: er zijn mensen die groene, blauwe, rode of andere kleuren brillen ophebben, die bij hoog en laag volhouden dat de zon groen, blauw of rood is; er zitten mensen in een verduisterde herberg te discussiëren over de zon, terwijl deze buiten vrolijk schijnt; er zijn vooraanstaande lieden die hun onderdanen meeslepen in hun kleur. De conclusie van het verhaal is dat de zeven kleuren van het spectrum tezamen het kleurloze zonlicht maken. Met name de voorgangers en aanzienlijken zouden die kennis ten nutte moeten maken om eendracht te bewerkstelligen.

Een dergelijke manier van voorstellen is een eerste stap op weg naar de in het OLB afgeschilderde strijd tussen de verschillende christusfiguren als personificaties van de geloofsrichtingen. De onderliggende boodschap van het OLB is ook precies dezelfde. Steeds weer wordt ook daar op het aambeeld van eendracht, liefde en vrijheid gehamerd. In het OLB is de ‘Fryasburcht te Texland’[81] hiervan het symbool; in de introductie op deze lezing spreekt Haverschmidt van ‘die Hemelse Tempel die ik wenste dat u en mij en alle menschen [34] omvatte, het Heiligdom der Eendracht, des Vredes, der Liefde.’ Op het eerste deel van deze lezing kom ik aanstonds nog terug.

Over de tweede lezing kan ik korter zijn: ‘Sinterklaasvertelling of Hoe het afliep met drie zoontjes wier moeders iets voor hen kochten tot St. Nicolaas’. Daarin gaat het om drie moeders die elk aan hun zoontje een flesje met magisch vocht geven. Van Gilse vat het verhaal samen:

Adalbert, die van zijn sentimentele moeder te grote doses Elixir Sentimentale krijgt, wordt een sentimentale romantische ironicus en melancholicus en sterft 21 jaar oud aan de tering. Dirk wordt door een teveel aan Oleum Practicum op zijn haar een zelfgenoegzaam burger. De moeder van Willem echter doet de juiste dosis Aqua Rationalis in zoonliefs was-water en maakt hem aldus tot een wijs vroom man.[82]

Het valt op, dat — hoe algemeen een dergelijke indeling ook moge zijn — hier precies dezelfde driedeling wordt gemaakt als in het OLB. Bij alle onvoorspelbare wendingen in Haverschmidts teksten is dit een uitgekristalliseerde vorm. Lyda en Adalbert, Dirk en Finda en Willem en Frya, het zouden goede huwelijken zijn.

Maar misschien hadden de dames ook hun partners kunnen vinden in studentenkringen. Deze zelfde driedeling vinden we namelijk ook terug in het gedicht ‘Drie Studentjes’, dat in 1859 werd gepubliceerd. Aan dit gedicht valt allereerst trouwens de militante toon op die we zeker van de latere Haverschmidt niet zo gewend zijn. Het is dezelfde toon als die van het OLB. Vergelijk bijvoorbeeld de volgende strofen met de hiervoor (pp. 15 en 16) aangehaalde profetieën uit het OLB:

Eén sprak dan zoo dof en hoonend
Van het lijden dezer eeuw.
De gansche wereldhistorie,
Zei hij, was hem één schreeuw
Eén rauwe schreeuw om wrake
Over hen, wier vuig belang
Het menschdom vertrapt en verknoeid had,
Al zestig jaarhonderden lang!
Maar de dag des gerichts was niet ver meer!
Reeds kleurde’t morgenrood
De toppen der bergen en spelde
Den nacht der leugen den dood!
Reeds hoorde hij’t lied van de valbijl,
Die den kop der dwingelandij
Van haar rotten romp zou scheiden:
‘De verjongde volkren zijn vrij!’

In het gedicht komt deze kreet voor rekening van één van de drie studentjes, die veel van Finda, Lyda en Frya hebben. Hun verschillende lot komt met die indeling overeen. Na hun afstuderen gaat de één (de ‘Lyda’) naar het land van de ‘vampyrs// en kruipende slangen’. Hij vindt in de wildernis een vroege dood. De tweede (de ‘Frya’) bestrijdt vooroordeel en domheid in een land vol padden en wespen en sterft er een langzame dood. De derde (de ‘Finda’) verburgerlijkt:

[35] Ze hebben den armen strijder
Zóólang gerold en gesold,
Tot als, wat er frisch was en edel
In zijn vrije borst, is gestold.[83]

Wellicht werpt zo’n passage ook een ander licht op Haverschmidts biografie. Niet het afscheid van Leiden als zodanig zal hem hebben dwarsgezeten als wel dat zovelen van zijn eigen studievrienden verburgerlijkten en in studententaal tot ‘ploerten’ werden. De morele driedeling uit het OLB laat mogelijk zien hoe hij zelf ‘in de koude wereld’ met aanpassingsmoeilijkheden kampte die zijn blik bepaalden. De driedeling is dan in laatste instantie verbeelding van de tegengestelde krachten die hij ook in zichzelf voelde werken.

‘Biografische’ overeenkomsten

De bovenstaande overeenkomsten zijn bij verre na niet de enige. Legt men de tekst van het OLB naast die van Haverschmidts voordrachten, gedichten en preken, dan blijken er talloze te zijn.[84] Vanzelfsprekend mag men niet van bewijzen spreken, daarvoor zijn dergelijke voorstellingen en indelingen te algemeen. De opeenstapeling ervan maakt het echter wel aannemelijker dat Haverschmidt de hand in het OLB heeft gehad. Om meer houvast te krijgen wil ik nu overgaan op één veel specifiekere, zij het meteen ook (hoe kan het bij Haverschmidt anders?) veel ingewikkelder overeenkomst.

Ik heb tot nu toe een tweetal zaken wel genoemd maar niet uitgewerkt, te weten de geallegoriseerde ‘autobiografie’ uit de lezing te Holwerd en Piet Paaltjens’ voorkeur voor verdrinking. Het laatste eerst. Niet alleen Paaltjens houdt van verdrinken, ook in Haverschmidts (overige) werk speelt ditzelfde thema een grote rol. Het opvallende daaraan is dat het verdrinken op zichzelf genomen niet als negatief wordt beschreven. Het duidelijkst is deze symboliek uitgewerkt in de schets ‘Mijn Broertje’. Het gegeven van dit verhaal is: een jongetje van acht heeft een broertje van drie dat in een sloot achter hun huis verdrinkt. Het verhaal gaat niet over de schuld maar over de machteloosheid van het jongetje van acht. Na de dood van zijn kleine broertje begint hij zich af te vragen waarom broertje is verdronken. Als hij hoort dat God hem heeft weggenomen raakt hij in een zo zware (geloofs)crisis dat zelfs de predikant deze niet meer kan oplossen. Pas wanneer de jongen, die zwaar ziek raakt, zijn ogen opslaat en in de van tranen blinkende ogen van zijn moeder kijkt vindt het troost.[85]

Over de symboliek in dit ogenschijnlijk eenvoudige verhaal kan men opmerken dat het water in Haverschmidts verbeelding fungeert als de scheiding tussen de zorgeloze, gelukkige jeugd en de volwassenheid met zijn uit bewustwording voortvloeiende twijfels. Van Gilse merkt daarover op:

Een verzoening tussen de twee werelden van droom en werkelijkheid is slechts mogelijk op min of meer ‘mystieke’ wijze: door de blik, waarmee de moeder het kind aanziet, krijgt het weer ‘het oude gevoel’; in die blik is iets van de al-omvattende Goddelijke liefde[86]

Zo fungeert deze God-moeder-water-symboliek in het latere werk van Haverschmidt. In het geval van de figuur Paaltjens ligt de zaak iets anders. Diens voorkeur voor verdrinking is niets anders dan de logische consequentie uit deze symboliek. Hij neemt de zaak letterlijk en begeeft zich dus grimlachend en spottend over de bodem van die zelfgehuilde zee van tranen op de weg terug. De verdrinking is voor hem een onderdompeling in gelukzalige melancholie.

[36] Aldus treffen we Paaltjens ook aan in het gedicht ‘De Friesche poëet’. Daar kukelt hij namelijk van de boot tussen Staveren en Enkhuizen, vindt hij op de zeebodem het legendarische Oude Staveren weer, raakt hij in gesprek met het vrouwtje van Stavoren, en in verwarring omdat zij als geboren Friezin geen oorijzer draagt en gebroken Hollands spreekt:

Verbasterd is mijn Friesland
Tot op den bodem der zee.

Tegen zoveel bederf is zelfs Paaltjens niet bestand; hij verkiest opnieuw de dood: ‘de haaien//Verdeelen hun zangerige buit.’

Ook in de Holwerder lezing vinden we deze, misschien gedeeltelijk aan Heine ontleende symboliek terug. Daar wordt het ‘Schone Land van Kinderspelen en Jongelingsdromen’ als volgt omschreven:

In dat land is het heerlijk, meer dan hier. Daar zijn geen sloten maar heldere meren, in wier donkerblauwe diepten men neer kan zien tot op de bodem. En op die bodem — daar glinsteren de marmerwitte paleizen van langverzonken steden en om de gouden torens der tempels daarbeneden zwemmen zilveren vissen — zooals hier kraaien om de kerken vliegen [...] En daar is niets dat beter bewaakt en meer geruststelt dan een moederoog.[87]

Wat in deze beelden opvalt is hoe er bij alle verdere grilligheid in Haverschmidts verbeelding toch een vast en tevens zeer specifiek patroon aanwezig is. Onze oorsprong, het geluk van onze jeugd ligt op de bodem van een oceaan. Het voorbeeld van ‘De Friesche poëet’ laat zien dat deze oorsprong, dit Land van Kinderspelen en Jongelingsdromen voor Haverschmidt ook Friesland kon zijn.[88]

In het eerste deel van dit opstel is al verteld hoe in het OLB de vloed, die Atlantis (Oudland) in zee deed verzinken, een centrale rol speelt. Die vloed wordt in het OLB vier keer beschreven, de eerste twee keren in algemene zin en daarna in twee meer ‘autobiografisch’ getinte verhalen. Hoe de wereld er voor de vloed uitzag wordt in de eerste passage verteld:

Voor de erge tijd kwam, was ons land het schoonste van de wereld. De zon rees hoger en er was zelden vorst. Aan de bomen en heesters groeiden vreugde en plezier die nu verloren zijn. Onder de graszaden hadden wij niet alleen uitverkoren, liever en blijde, maar ook zoete die als goud blonk en die men onder de zonnestralen bakken kon.[89] Jaren werden niet geteld, want het ene jaar was even blij als het andere. (p. 66)

In een van de beide andere passages wordt dit land ‘schoonland’ genoemd (Skênland; op kroniekniveau op te vatten als Scandinavië). Na de vloed blijken de Schoonlanders — net als het vrouwtje van Stavoren — ‘verbasterd en bedorven’. (p. 111).

In het algemeen vatten de interpretatoren deze passages over de vloed op als beschrijvingen van afzonderlijke gebeurtenissen. Friesland, zo redeneerden ze, werd nu eenmaal vaak door watersnoden geteisterd. Ik denk dat die interpretatie onjuist is, al was het alleen maar omdat al deze vloedgolven gepaard gaan met enorme aardverschuivingen; en die komen in Friesland aanmerkelijk minder voor. Het gaat hier m.i. dus steeds om dezelfde vloed en wel die waarmee de geschiedenis in het OLB begint. En deze vloed heeft als symbool eenzelfde betekenis als in het werk van Haverschmidt: ze scheidt niet een oude toestand van een nieuwe, maar zet de verbeelding van een oude toestand tegenover de ervaring en kennis van de nieuwe.

Dat het hier niet alleen om water, maar ook om tranen gaat bewijst de tweede [37] de passage (uit het ‘scheppingsverhaal’). Wanneer Frya aan haar kinderen haar wet heeft gegeven, dan zakt de bodem onder haar voeten weg en stijgt ze op naar haar waakster terwijl ondertussen de lucht zwart wordt en niet moe van het tranen storten. De donder spreekt vanuit de hemel en de bliksem schrijft aan het luchtruim: ‘Waak’. De gehoorzame kinderen bouwen dan samen een terp met een burcht erop, de Fryasburcht. Op de wanden schrijven ze Frya’s wet (de Tex) en het land eromheen noemen ze Texland (p. 19).

In de derde passage kunnen we misschien zelfs een stuk ‘autobiografie’ van Haverschmidt herkennen: aan de jonge nieuwsgierige Frethorik mogen de ‘op goden lijkende beelden’ niet worden getoond voordat hij heeft leren ‘lezen en schrijven’. Het verband met de ‘Weg van de Wetenschap’ uit de Holwerder lezing ligt voor de hand. Terwijl hij ‘studeert’ wordt er ontucht gepleegd met de Magy. De vloed is het gevolg:

Maar de aarde zou hem tonen dat zij geen Magy noch afgoden mocht toelaten tot de heilige schoot waaruit zij Frya baarde, Even als het wilde paard zijn manen schudt, nadat het zijn berijder grasvallig heeft gemaakt, even zo schudde aarde haar wouden en bergen. Rivieren werden over de velden gespreid. De zee kookte. Bergen spuwden naar de wolken en wat ze gespuwd hadden, slingerden de wolken weer op aarde [...] De wouden, waarin beelden waren, werden opgeheven in het spel van de winden. [...] Toen de lente kwam, hief de aarde zichzelf op. IJs smolt weg. Eb kwam en de wouden met de beelden dreven naar zee (p. 159)

En nu komt Friesland ter sprake en schuiven mythologie, psychologie, theologie en geschiedenis in elkaar: door deze vloed ontstaan in de ‘Liudgaarde’ dertig zoute plassen, in West-Flyland vijftig, dat is evenveel als er in Friesland en in West-Friesland gemeenten zijn. Het principe van deze vloed is dus tegelijkertijd de overgang van gouden tijd naar geschiedenis, van jeugd naar volwassenheid, van zorgeloze onkunde naar kennis en twijfel, van eenheid in geloof naar richtingenstrijd en bijgeloof, en dat alles uitgedrukt in het beeld van de overstroming van het oude, mythische Friesland, dat voortaan — we hebben Paaltjens als getuige — op de bodem van de zee ligt. Het oude Friesland (‘ôld Frya.s.lând’ staat er) van het romantisch verlangen is getransformeerd in het moderne Friesland waarvan Frethorik nu onder andere weet dat het niet oneindig groot is, dat het dertig gemeenten en nog veel meer geloofsrichtingen en sekten heeft. Deze heel specifieke stijlfiguur van de transformatie van een verleden wereld in een alledaagse en moderne, samen met de metafoor van het water als (gelukzalig vertekenende) spiegel ligt ten grondslag aan het OLB, aan Haverschmidts Holwerder lezing als ook, in een ironischer zin, aan ‘De Friesche Poëet’.

Dat het hier om ‘autobiografische’ passages gaat, zou eens te meer kunnen blijken uit de beschrijving van één van die oude Friese ‘burchten’: ‘Nu wil ik zelf schrijven, eerst over mijn burcht en dan over wat ik heb mogen zien’ (pp. 147-149). ‘Mijn burcht ligt aan het noord-einde van de Liudgaarde’, zegt zekere Appolonia en dat wil zeggen in het noorden van Friesland. Tussen deze passage en Haverschmidts eerdergenoemde lezing over Foudgum bestaan nogal wat overeenkomsten. Zo staat er: ‘Ziet iemand van de toren neer, dan ziet hij de gedaante van het Jol’. Ter illustratie heb ik een kadastraal kaartje bijgevoegd. Als men van de Foudgumer toren naar beneden kijkt, ziet men aan de voet van de terp de ringweg en kan men in de voetpaden de spaken van het Jol zien. Ik noem een aantal andere overeenkomsten. OLB: ‘De drie noordelijke huizen zijn vol koren en andere behoeften’; lezing: ‘... aan den voet van den [38] terp drie boerderijen’ (n.b.: er stonden in Foudgum in werkelijkheid vijf boerderijen). OLB: ‘Twee zuidelijke huizen zijn voor de maagden, om school te houden en te wonen’; lezing: ‘...de pastorie [...] daarnaast het kerkhof. Bij het kerkhof waarin de ruim zeventigjarige meester woonde’. OLB: ‘Op de grond tussen de zuidelijke huizen, daar zijn allerlei kruiden van heinde en verre, daarvan moeten de maagden de kracht leren kennen’; lezing: ‘...de ruim zeventigjarige meester, wiens tuin met bijenstal aan mijn hof paalde’. OLB: ‘langs de dijk nog twaalf noodhuizen; lezing: ‘een tiental arbeiderswoningen’.

Bij deze overeenkomsten zij opgemerkt dat het OLB gedeeltelijk in travestie[90] is geschreven; onder ‘burgtmaagd’ kan men ‘predikant’ verstaan en onder ‘maagd’ ‘meester’. Dat brengt ons op een ander aspect, namelijk op de verhouding tussen verbeelding en werkelijkheid. De principes in deze passage zijn de omkering (man=vrouw) en de hyperbool. Het OLB geeft: ‘onze burcht is de grootste...’, en door vermenigvuldiging van de heilige getallen van het OLB (3,7 en 12) wordt ons een enorm gebouw voor ogen getoverd. In de lezing is het precies andersom: ‘...mijn dorpje, dat zóó klein was, zóó klein dat het haast niet eens een dorpje heeten mocht’. Nog een fraaier staaltje van die overdrijving is de afschildering van het dorpsschooltje als een universiteit waar de grijsaard de meisjes ‘recht en plicht [rechten], zedekunde [theologie], kruidkunde en heelkunde [medicijnen], geschiedenissen, vertellingen en zangen [letteren]’ onderwijst. Zo wordt in deze passage de werkelijkheid uitvergroot en gemaskeerd.

Deze maskerade is natuurlijk ook nodig omdat deze burchtmaagd (jonkvrouw is misschien een betere vertaling) zogenaamd in het Friesland van zo’n 2500 jaar geleden leefde. Dat oude Friesland was (in de verbeelding ook van Haverschmidt) veel groter en mooier dan het tegenwoordige. Wanneer men dit eenmaal weet, komt er nog een overeenkomst tussen het OLB en de [39] Foudgumer lezing voor het licht. OLB: ‘Aan de zuidzijde van de buitenste ringdijk is de Liudgaarde omtuind door het groot Lindenwoud. [...] ... daar zijn vele buitenlandse bomen en bloemen, door de zeelieden meegebracht’ In een hierboven geciteerde passage hebben we al gezien hoe de grote vloed deze wouden optilde en naar zee dreef. In de lezing staat de ‘verklaring’: ‘Alleen boomgewas is er te schaarsch, en blijft zelfs onbeduidend waar, meer naar het Zuiden veen en zand de klei vervangen. Wèl heet het daar de Wouden’, een naam die herinnert aan de bosschen, voor eeuwen misschien al door stormen geveld of door menschenhand uitgeroeid’. Appolonia’s beschrijving eindigt met de opmerking dat burchtmaagden hun plaats niet mogen innemen voordat ze een jaar lang hebben gereisd. Appolonia blijkt een reisje langs de Rijn te hebben gemaakt. Het zij opgemerkt, dat Haverschmidt in 1861 dezelfde reis maakte.[91]

Reacties in de biografie

De kritische spot van Verwijs, de ingewikkelde scherts van Haverschmidt: hun gemeenschappelijke preoccupatie met de gunst van het ‘volk’; hun frustraties en hun machteloosheid; hun jeugdige overmoed — al deze elementen zouden ook kunnen wijzen in de richting van een ander motief dan door de interpretatoren van het OLB is gesuggereerd. In één van zijn kritieken bespreekt Verwijs de verdiensten van de nutsmannen uit de eerste helft van de negentiende eeuw:

’t Waren edele, ernstige mannen, die zich de ontwikkeling des volks met de meeste warmte aantrokken; — helaas! waarom bezaten zij nu en dan niet wat meer speelsche fantasie, niet een sprank van humor en geest, waar ze voor het volk schreven. De volksboeken zouden dan gewis minder nuttige lessen bevatten, maar ook niet zoo iets zwaars op de hand hebben.[92]

Het zou volledig bij deze twee mogelijke makers van het OLB passen als ze het in de eerste plaats bedoeld hadden als een volksboek. Een boek dat in de leesgezelschappen, op de winterjûnenocht-bijeenkomsten, op de vergaderingen van het Frysk Selskip en van al die Friese departementen van het Nut[93] en in de kolommen van de Friese kranten het gesprek van de dag zou vormen; een boek dat in die gesprekken en in een onbevangen lezen zijn geheimen één voor één zou onthullen. De lust om te ‘ontdekken’ en de lach over de doldwaze vermommingen en de ‘brike’ volksetymologieën zouden hand in hand gaan met de ernst van de ‘moderne’ boodschap. Vanzelfsprekend was er dan geen mooiere introductie van het boek denkbaar dan dat het door het Friesch Genootschap — dat deftige gezelschap van Friese cultuurpriesters — zou worden uitgegeven.[94] Maar zo Verwijs en Haverschmidt het OLB met deze bedoeling hebben geschreven, dan hebben ze zich vergist in zichzelf, in hun publiek en in de tijd. Het OLB werd namelijk een ernstig studieboek en in de kranten en op de andere hierboven genoemde podia werd niet het OLB zelf onderwerp van gesprek, maar ‘het mysterie van het OLB’.


Hoe kon dit gebeuren? En: Wanneer is het OLB tot ‘geheim’ geworden? Een eerste reden waarom het niet tot ‘publieksboek’ werd ligt bij de schrijvers zelf. Het OLB is voor een volksboek te ingewikkeld van beeldtaal en te geconstrueerd van vorm. Winklers oordeel over Haverschmidts Paaltjens-poëzie (‘gedichten is daarvoor wel te weidsch een naam’) zegt veel. Zijn bizarre humor werd over het algemeen slecht begrepen.[95] Vervolgens droeg de fragmentarisering van de grondtekst ook bepaald niet bij tot de toegankelijkheid van het boek.

[40] Misschien hebben de schrijvers gedacht dat een zo opgelegde parodie als vanzelf tot onderzoek naar de betekenis van de tekst zou uitnodigen. Dat is niet gebeurd en dat komt omdat Ottema het werkelijk hoogst onvoorstelbare deed door het boek voor authentiek te verklaren. Zelfs sommige tijdgenoten konden zich dat al niet indenken; ze veronderstelden dat Ottema mee in het complot zat.[96] Door zijn verklaring van echtheid was Ottema degene die het OLB tot mysterie maakte. Hij verzamelde — in een ware folie aux Frisons — een heel stel verdedigers van de authenticiteit om zich heen, nog vóórdat hij de tekst in druk bezorgde. Niet de betekenis van de tekst (als verhouding tussen tekst en actualiteit), maar de verhouding van deze tekst tot andere kronieken werd zo het kernpunt van de discussie.[97]

Ook het antwoord op de vraag hoe Ottema zo ver kon komen is niet eenduidig. Behalve psychologische factoren[98] — Ottema was een vroeg-oud man — zal het gedrag van Verwijs sterk hebben meegespeeld. Hij was immers de man die het manuscript het Friesch Genootschap binnenloodste en zo de mystificatie voltooide door zijn gezicht in de plooi te houden. Dat brengt ons direkt op de vraag tot hoever die mystificatie zich dan wel niet uitstrekte en of Over de Linden in het complot zat of niet.

De interpretatoren die Over de Linden voor een man van goede trouw hielden, moesten wel geloof hechten aan zijn verhaal dat hij het manuscript in 1848 van zijn tante Aafje had geërfd. Aan de sterke, inhoudelijke bewijzen dat het OLB uit de jaren zestig van de vorige eeuw stamt, is door mijn interpretatie nog één toegevoegd. Tenzij men dus in allerlei onmogelijke constructies wil geloven[99] of Over de Linden zelf voor de schrijver houdt,[100] is het uiterst onwaarschijnlijk dat deze in het spel van Verwijs en Haverschmidt niet heeft meegespeeld.

Die vaststelling heeft één enorme consequentie, namelijk dat ook vele van de gebeurtenissen tussen 1867 en 1874 (toen Over de Linden stierf) zich achter het waas van de mystificatie hebben afgespeeld. Het betekent niet alleen dat de briefwisseling tussen Verwijs en Over de Linden deel is geweest van het spel,[101] maar waarschijnlijk ook de boekencollectie in het bezit van Over de Linden.[102] Daaronder was een goudecht handschrift van de kroniek van Worp van Thabor, dat als lokaas werd gebruikt. Over de Linden zei het Friesch Genootschap namelijk dit handschrift toe, indien het OLB zou worden vertaald. In zijn brieven aan Winkler maakte Verwijs maar al te graag gebruik van deze gelukkige omstandigheid om Winkler van de noodzaak van een vertaling te overtuigen.[103] Onder Over de Lindens boeken was — zo bleek na zijn dood — ook een aantal [onbeschreven bladen papier?], dat nodig was om het OLB te schrijven. Op grond van deze boekenlijst wees Beckering Vinckers Over de Linden als auteur aan.[104]

Maar wellicht was dit juist de bedoeling. Misschien zijn deze boeken wel met opzet aan Over de Linden gegeven. Als Over de Linden geen verdenking op zich had willen laden, zou hij deze boeken voor zijn dood ongetwijfeld hebben verkocht of verbrand. Die conclusie dringt zich nog sterker op uit iets anders. Over de Linden bleek namelijk ook papier in huis te hebben dat van hetzelfde formaat was en uit dezelfde fabriek kwam als het papier waarop het OLB was geschreven. Het enige verschil was dat dit papier niet oud-geel was gemaakt,[105] Men kan dus vermoeden dat Over de Linden bewust de verantwoordelijkheid op zich heeft willen nemen. De vraag is dan natuurlijk: waarom en wanneer?


Zoals gezegd verklaarde Ottema het OLB voor echt kort na de vergadering van 24 november 1870. Toen liep het plan van Verwijs en Haverschmidt spaak. De [41] ‘grap’ werd ‘ernst’. Misschien hadden Verwijs en Haverschmidt in eerste opzet gehoopt dat ze tot literaire ‘volkshelden’ zouden uitgroeien en door de steun van het publiek ‘onschendbaar’ zouden worden. Nu dreigde allerlei ander kwaad. Ottema, nota bene een oud-leraar van Haverschmidt, was bezig er in te vliegen en daarmee kwam de hele mystificatie in een totaal ander daglicht te staan. Wat bedoeld was als een heel erg ver doorgevoerde en niet bepaald onschuldige grap werd nu pas tot bedrog. Het OLB werd tot kwaadaardige falsificatie. Als Ottema bij zijn mening zou blijven, zou ontdekking zeker voor Verwijs het einde van zijn carrière hebben betekend. Ook al was het niet zo bedoeld geweest, door zijn ‘grousum leagenjen’ en zijn poker-face was het immers zo ver gekomen.

Zowel Verwijs als Haverschmidt reageerden dan ook binnen de kortste keren, ieder op zijn eigen manier. Verwijs schreef vanuit Leiden al op 1 december 1870 Ottema een brief, waarin hij — tevergeefs — argumenten aanvoerde tegen de echtheid van het boek.[106] Op 4 december vervolgens nam Piet Paaltjens afscheid van Haverschmidt. De fut was eruit: Paaltjens ‘wilde niet meer sterven’.[107] In dezelfde maand raakte Haverschmidt in een zo diepe crisis dat hij acht maanden lang uit de roulatie was. In het laatste kwartaal van 1871 is Haverschmidt zelfs bij Ottema thuis geweest. Klaarblijkelijk heeft hij wel zijn excuses aangeboden, maar is de sfeer niet zodanig geweest dat hij een bekentenis kon of wilde uitspreken.[108] In december van datzelfde jaar, toen dankzij Ottema’s onvermoeide ijver de OLB-affaire volop in de belangstelling van literair Nederland stond, schreef hij het gedicht ‘Verzoek’. Daarin staan de volgende strofen:

Voor wat sniksel en gegrimlach
Zijne dichtergaaf misbruikend,
Rijdt hij lastig op de tongen,
Maalt hij lastig door het brein.
Arme Piet! het uur zal komen
Dat gij jammert om de jubel,
Om den lof van ’t luie Neêrland
Thans goedkoop-duurkoop verrukt!
Ja dát uur moog u ’t verloochnen
Van onwaardige partijen
In het vrije ‘Drie Studentjes’
Redden — van de schande althans;
Om het leven te verdienen,
Naar een eereplaats te dingen,
Moet ge u zetten aan ‘Van Zutphen’s’
Wreed-bedorven ‘Afscheidsmaal’;
Moet ge, met wat zout en olie,
Het nog redbre toebereiden
Tot een schotel vol verkwikking —
Waar’ ’t ook slechts voor ú-alleen.[109]

Zowel ‘Jan van Zutphens afscheidsmaal’ als ‘Drie studentjes’ vertoonden, zoals hierboven is vastgesteld, enkele overeenkomsten met het OLB.

[42] Misschien had Winkler gelijk met te zeggen dat Haverschmidt en Verwijs na verloop van tijd voor hun auteurschap hadden willen uitkomen. Na de vergadering van 24 november 1870 was dit echter niet meer mogelijk zonder grote schade aan te richten. Ottema zou de risee van literair Nederland zijn geworden, idem dito zijn medestanders in en buiten het Friesch Genootschap.[110] Verwijs’ carrière en naam, en mogelijkerwijs ook die van Haverschmidt, zouden ernstig zijn geschonden. Men zou kunnen vermoeden dat bepaalde mensen in de kring van het Friesch Genootschap wel op de hoogte (van een deel van de toedracht) zijn geweest. Om een voorbeeld te noemen: Verwijs was zwager en goede vriend van de secretaris van het Genootschap, Isaac Telting. Indien Verwijs in het openbaar had bekend, zou ook deze Telting als naaste familie — of hij op de hoogte was of niet doet trouwens niet terzake — in een werkelijk onmogelijke positie zijn geraakt. Wat was er in dit geval logischer en diende het gemeenschappelijk belang meer dan dat de hellingbaas Cornelis over de Linden, die geen enkele band met deze heren had, de schuld op zich nam?

In oktober 1871 stuurde Over de Linden een brief naar de Nederlandsche Spectator, die hij begon met te zeggen: ‘Ik ondergetekende verklaar, dat bovengemeld boek niet na 1853 door ‘Piet Paaltjens’ of door een anderen geleerden ‘Piet’ is gemaakt’.[111]

Voor deze mogelijkheid pleit ook de publieke ontkenning van Verwijs in de Groninger Courant en in de Nederlandsche Spectator. Zonder blikken of blozen wees hij in beide artikelen de inmiddels al overleden Over de Linden aan als schuldige en zichzelf als gefopte. Maar hoe!:

Moge het gewoonlijk niet aangenaam zijn, wanneer men beet wordt genomen, om dit geval kan ik het mijn origineel niet kwalijk nemen. Ik vergeef het hem gaarne, want hij wist wat hij deed, en hij deed het alleraardigst. Liever leg ik een krans op het graf van dien verren achterneef van den Vader der logenen, dien aartsguit.[112]

Ook Haverschmidt ontkende in een kort briefje aan de Zutphense Courant waarvan Hof terecht opmerkt dat de ontkenning hier niet bepaald ondubbelzinnig is.

Wees zoo goed, mijnheer de redacteur, en vertel aan Uwe lezers, dat gij misgeraden hebt. Ik heb het Oera Linda-Bok nog niet eens gelezen, laat staan dat ik het geschreven heb. Anders. Dr. Ottema heeft mij zelf gezegd, ik mogt willen, dat ik knap genoeg was om het te maken. Maar in dat geval zou ik er ook eerlijk voor uitkomen; want Dr. Ottema is nog een oud leermeester van mij, en ik houd veel te veel van hem om hem te kunnen foppen.[113]

Een bekentenis zou om nog een andere reden zeer pijnlijk zijn geweest. In zijn editie van het OLB gaf Ottema af en toe verklarende noten. Meestal betroffen ze ‘etymologische kwesties’. Twee van die noten springen er uit. Op bladzijde 138 merkte Ottema op:

Cf. Hegel a.h.l.

Deze associatie was correct. Het gaat in deze passage inderdaad om een parafrase van de in Nederland destijds niet erg hoog aangeslagen Hegeliaanse filosofie.[114] In schril contrast met deze correcte voetnoot, staat de tweede. Op pp. 183-191 wordt het verhaal verteld van ‘Jessos’, die dezelfde zou zijn als Fo, Krishna en Buddha. Dit werd Ottema te gortig. Hoewel er in het handschrift gespeld werd ‘Jes-us’, vertaalde hij Jessos’ en zette in de voetnoot:

Jes-us, evenmin te verwarren met Jezus, als Krisen (Krishna) met Christus.

[43] Ottema heeft de beslissende stap dus niet gezet. Hij hield het er nu op, dat de Friese cultuur even oud was als de Joodse. De eigenlijke vraag aan de lezer die in het OLB impliciet aan de orde werd gesteld was echter: geloof je in de echtheid van dit boek én in die van de Bijbel of werp je liever met de echtheid van dit boek ook de Bijbel als openbaring van God aan de mens van je? Denk je niet dat de Bijbel een historische tekst is als zovele, dat Jezus een historische figuur was als wij allemaal en dat juist daarin de waarde van het geloof ligt? Dit was aan Ottema en aan de genootschapsgoegemeente veel te veel gevraagd.

Wanneer nu Verwijs en Haverschmidt in het kleine comité van het Friesch Genootschap het boetekleed hadden aangetrokken, dan zou hen ongetwijfeld ook gevraagd zijn waarover het boek ging. Misschien zou Verwijs er geen moeite mee hebben gehad om eerlijk te antwoorden. Hij volhardde later (niet zonder verbittering) in zijn mening; ook toen het militante karakter van het modernisme, waarvan het OLB uitdrukking is, langzamerhand omsloeg in een meer defensieve houding. Tot aan zijn vroege dood in 1880 bleef hij de spotzieke, felle en sarcastische criticus.

Voor de predikant Haverschmidt lag de zaak anders. Wellicht heeft hij gevonden dat hij van zichzelf te veel gevraagd had en beschouwde hij het boek als een produkt van zijn onrijpe en onvolwassen geest en van een duistere periode waarin hij het geloof aan God bijna geheel had verloren. ‘Ach, mijn arm hart werd geslingerd, rechts en links, en indien ik het u alles verhalen zou...’[115]


Zo was het OLB in 1870 al het produkt van een voorbije periode. Het was de uitdrukking van Haverschmidts onzekere gemoedstoestand na zijn studie, van een al te enthousiast, radicaal en in de praktijk onhoudbaar modernisme en van een korte periode waarin sommige predikanten liever de moed opbrachten om op de rand van geloof en ongeloof te balanceren dan de kerk te verlaten. Net als veel modernistische dominees heeft ook Haverschmidt (in 1863) op het punt gestaan het ambt en daarmee waarschijnlijk ook de kerk en het geloof vaarwel te zeggen. Aan het eind van de jaren zestig overwon hij zijn twijfels en voegde hij zich bij wat men de ethische richting in het modernisme noemt.


Als mijn interpretatie van het OLB, als een door het modernisme geïnspireerde tekst, steek houdt en als Haverschmidt en Verwijs samen het OLB hebben geschreven — en de lezer neme mijn mening a.u.b. voor wat hij of zij die waard vindt —, dan is het een zeer waardevol document. Want het laat de contouren zien van de ‘vrolijke wetenschap’ die de modernistische theologie ooit was en van het tragische misverstand dat ze te weeg bracht.

In dat geval zou de Friese literatuur twee schrijvers en de Nederlandse één boek rijker zijn en dan zou men — niet naar niveau, maar wel naar intentie — deze grootste mystificatie uit de Nederlandse literatuur kunnen plaatsen bijvoorbeeld bij Multatuli’s Max Havelaar (1860) en Busken Huets Brieven over den Bijbel (1858).

Dan zou men de OLB-affaire ook kunnen zien als een keerpunt in Haverschmidts schrijverschap. Ottema zou in zijn onnozelheid Paaltjens het leven onmogelijk hebben gemaakt en er onbedoeld mee voor hebben gezorgd dat diens bizarre humor na 1870 tot het verleden behoorde. Ervoor in de plaats kwam een veel mildere, al te ingehouden ironie. De schrijver voor een ‘wereldpubliek’ werd tot voordrachtskunstenaar in kleine kring.[116] Men kan bij die ontwikkeling de vraag stellen of Haverschmidt niet beter af was geweest als hij als een middel tegen zijn kwaal zijn spreekbuis Paaltjens bij zich had kunnen [44] houden. Nu werd zijn leven een worsteling met ‘de worgengel die geen scherts verstond’.

* * *

Mijn rondleiding is voltooid. De put kan weer dicht. Op het deksel heb ik geschreven: ‘lees, leer en waak’. Overgeschreven, want zo staat het in het OLB. Bij het lezen van die woorden zou iedere negentiende-eeuwse Fries die niet beter wist onmiddellijk hebben kunnen denken aan het Leeuwarder leesgezelschap ‘Lees, leer en betracht’. Maar er was niemand die niet beter wilde weten.

Noten

In dit opstet loop ik vooruit op twee boeken: It reade raske fan Salverda, een geschiedenis van cultuur in Friesland in de negentiende eeuw en Priester noch dwang, waarin de hier behandelde stof in extenso ter sprake zal komen. Het onderzoek voor het eerste boek is verricht in opdracht van de Fryske Akademy. Voor hulp, vertrouwen en tegenspraak dank ik prof.dr. E.H. Waterbolk, Paul Koopman. Hotso Spanninga en Yme Kuiper.

  1. Er bestaan twee (Nederlandse) edities van het OLB, die van Ottema (Leeuwarden 1872 (herdrukt: Leeuwarden, 1876 en reprint: Amsterdam 1971)) en die van J.F. Overwijn (Enkhuizen 1941: herdrukt: Dordrecht, 1951). Wat de vertaling betreft verdient de editie Ottema de voorkeur boven die van Overwijn; wat de weergave van de ‘Friese’ tekst aangaat is het net andersom. Het handschrift kent slechts één interpunctie-teken. Overwijn heeft daaraan niet geknoeid, Ottema heeft de interpunctie, zoals dat heet, hersteld. Ik citeer hier uit Ottema’s editie, die ruimer voorhanden is. Ik heb in Ottema’s vertaling niet alleen de spelling genormaliseerd. Waar Ottema duidelijk interpreteerde, heb ik zijn vertaling veranderd door de ‘Friese’ tekst zo letterlijk mogelijk te nemen. Een enkele keer heb ik een interpretatie uit andere bron overgenomen. Deze heb ik in het notenapparaat verantwoord. // Voor wat de literatuur aangaat, zie J.J. Kalma ‘Thet Oera Linda Bôk’. Bibliografie van gedrukte stukken en overzicht van de verzameling brieven, handschriften, portretten enz., (Leeuwarden 1956). Het OLB, waarvan het handschrift wordt bewaard op de Provinciale Bibliotheek te Leeuwarden, is ook in het Duits en in het Engels vertaald.
  2. OLB, Inleiding Ottema, xxvi.
  3. Dit geldt overigens minder voor Occo Scharlensis’ Croniicke ende warachtige beschrijvinghe van Vrieslant (Leeuwarden 1597) dan voor Suffridus Petrus’ De Frisiorum antiquitate et origine libri tres (Keulen 1590). Door zijn kroniekmatige opzet is echter ook Occo’s boek oneindig veel ‘begrijpelijker’ dan het OLB. Zie over de oudere fantastische geschiedschrijving: J. Bolhuis van Zeeburgh, Kritiek der Friesche Geschiedschrijving (Amsterdam, reprint 1962) en E.H. Waterbolk, Twee eeuwen Friese Geschiedschrijving (Groningen-Batavia 1952).
  4. Behalve een vracht brochures en (krante-)artikelen, zijn er twee omvangrijke monografieën over het OLB voorhanden: M. de Jong Hzn, Het geheim van het Oera-Linda-Boek (Bolsward, 1927) en G.J. van der Meij, Kanttekeningen bij het Oera Linda Boek. Een afspiegeling van de taalgeleerdheid, denkbeelden en schrijfstijl van dr. J.H. Halbertsma, doopsgezind predikant in Deventer (s.l.; s.a. <ca. 1980>). Los van de bewijsvoering van hun hypotheses is het hun grote verdienste dat ze hebben laten zien welk oudheidkundig materiaal de maker heeft gebruikt.
  5. Bepaald berucht is in dit verband Herman Wirth, die het boek tussen de beide wereldoorlogen gebruikte om in de Germaans-Duitse cultuurwereld omhoog te klauteren. Zijn publicaties maakten vooral in Duitsland enorme discussies los (alleen al in 1934 verschenen er 191 titels). Zie A.H. Huussen, ‘Het Oera Linda Boek: mystificatie of falsificatie?’, in: Z.R. Dittrich e.a., Knoeien met het verleden (Utrecht-Antwerpen 1984), 88-110.
  6. Het meest treffende staaltje daarvan is: Eén van de proto-Friezen maakt in het OLB een reisje naar Zwitserland en ziet daar hoe de mensen aan de rand van een meer in ‘paalwoningen’ wonen. Deze ‘paalwoningen’ zijn echter pas in 1853 bij een extreem lage waterstand ontdekt. In De Vrije Fries van 1859 werd een en ander vermeld. Het OLB moet dus in elk geval na 1853 en waarschijnlijk zelfs na 1859 zijn gemaakt. Daar staat tegenover, dat enkele jaren na het uitkomen van het boek (in 1876) een stel inwoners van Den Helder in bijzijn van de burgemeester van die plaats onder ede hebben verklaard dat zij het handschrift bij Over de Linden hadden gezien voor 1848/1850. Deze getuigenverklaringen werden verzameld door de zoon van Cornelis over de Linden, Leendert Floris, die onvoorwaardelijk in de echtheid geloofde.
  7. Zie noot 4.
  8. Eelco Verwijs (1835-1880) is in staat van beschuldiging gesteld door De Jong, Geheim, Joost Hiddes Halbertsma (1789-1869) door Van der Meij, Kanttekeningen: Montanus de Haan Hettema is ‘ondervraagd’ door J.J. Kalma, ‘Montanus de Haan Hettema (1796-1873). Frisiomaen én querulant’, in: Idem, Dit wiene ek Friezen 5 (Leeuwarden 1984) 50-56. De Friese dichter Telting werd aangebracht door Ph.H. Breuker, ‘It Friesch Genootschap, it Friesch Jierboeckjen en it Oera Linda Boek’, Vrije Fries 60 (1980), 49-65.
  9. B.v. L.B. (=P.A.S. van Limburg Brouwer), ‘Het Handschrift, De Nederlandsche Spectator (1871) 311.
  10. Dit thema wordt met name in De Jong, Geheim aangesneden. Naar mijn mening is zijn beeld van een in zijn achterlijkheid vermegalomaniseerde negentiende-eeuwse Friese wetenschap nogal overdreven. Ik kom hier in mijn Reade Taske nog op terug.
  11. Van der Meij, Kanttekeningen en De Jong, Geheim. De vaak ruzie-achtige sfeer in de kringen van het Friesch Genootschap week niet af van de twistziekte van coterietjes waar de Nederlandse letterkundige genootschappen in het algemeen om bekend stonden. Breuker, ‘Friesch Genootschap’, neemt een kijkje achter de schermen.
  12. Met name Van der Meij, Kanttekeningen heeft hiervan een sport gemaakt.
  13. Vooral De Jong, Geheim en Hof, ‘It geheim fen ’t Oera Linda Bok’, It Heitelân 5 (1923) pp. 219-222, 230-232, 242-244, 255-257, 266-270, wezen hierop. Ook H. Miedema, Codicologische beschrijving van het handschrift genoemd ‘Het Oera Linda Boek’ te Leeuwarden (Onuitgegeven scriptie: Amsterdam, s.a. [195?]), komt tot de conclusie dat dit parodistisch karakter opgelegd is. Naar zijn mening zijn in het handschrift zelfs ‘waarschuwingen’ opgenomen: ‘Kijk uit. Valsheid in geschrifte!’.
  14. Het is (mede gezien Ottema’s wat stijve vertaling) logisch dat dit juist door Friestalige interpretatoren heel scherp is gezien. Gerben Colmjon was de eerste die op grond van dit argument het boek voor ‘onecht’ versleet: Over het boek van Adela, repliek op de door den Heer dr. J.G. Ottema gemaakte aanmerkingen... (Leeuwarden 1871).
  15. Uit Friesland is een aantal vervalsingen bekend op deze kleinere schaal. De kruik van Boksum (slachtoffer: Eekhoff) is daarvan een goed voorbeeld. Zie F.R.H. Smit, De slach by Boksum. 17 jannewaris 1586. Djiptepunt yn de oarloch fan 1580 oant 1594 (Ljouwert 1986) 72-74.
  16. De Jong, Geheim, 161.
  17. OLB, 233. geeft bovendien: ‘alvorens het jol een andere loopkring intreedt, maar dat zal eerst gebeuren als drieduizend jaren verloopen zijn na deze eeuw’.
  18. Ook de datering van het eerste voorwoord is in het verband met deze wende verklaarbaar. Het jaar 803 is vier jaar voordat het wiel op zijn laagste stand stond. Die vier jaar zijn waarschijnlijk gekozen om tevens een verband te leggen met de kroniek van Occo Scharlensis, die gedateerd is op 903 na Chr.
  19. Ik volg bij deze passage de gissing van Van der Meij, Kanttekeningen, 204.
  20. Het woord ‘Ewa’ is door Ottema — ongetwijfeld heeft hij aan de oude Friese wetten gedacht — stelselmatig vertaald met ‘wetten’. Op zichzelf geeft ook de tekst van het OLB daartoe wel aanleiding. Er wordt een groot aantal ‘Ewa’ genoemd. Onder andere op grond van de hier geciteerde passage is er veel voor te zeggen om het woord ‘Ewa’ door het hele boek heen te vertalen als ‘geweten’. De artikelen van de ‘Ewa’ zijn soms absurde, soms op bijbelteksten gebaseerde invullingen van dat geweten.
  21. In de tekst staat ‘setma’; Ottema vertaalt ‘inzettingen’, terwijl ‘zeden’ veel meer voor de hand ligt.
  22. Staverman. Buitenkerkelijkheid in Friesland, 122.
  23. Zie over de moderne richting, behalve Staverman, Buitenkerkelijkheid, K.H. Roessingh, De moderne theologie in Nederland. Hare voorbereiding en eerste periode (Groningen 1914); A.J. Rasker, De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795. Haar geschiedenis en theologie in de negentiende en twintigste eeuw (Kampen 1974); O.J. de Jong, Nederlandse Kerkgeschiedenis (Nijkerk 1972) en J.J. Kalma, ‘De weg en de wegen’, in: Idem, e.a. (ed.) Geschiedenis van Friesland (Leeuwarden 1968) 541-573.
  24. P.H. Hugenholtz, Indrukken en Herinneringen (Amsterdam, 1904) 90. Hij citeert hier de Duitse humanist Ulrich von Hutten.
  25. Staverman, Buitenkerkelijkheid, 124 e.v.
  26. [Zie separate noot 26 hieronder.]
  27. Een groot deel van de wetten in het begin van het boek lijken uitwerkingen van deze tekst te zijn. Ze gaan bijv. over de verdediging van het land (bv. 33: ‘Elke Fryas moet de beledigers of vijanden afweren met al zulke wapens, als hij verzinnen, bekomen of hanteren mag’) en over het ‘onderhoud’ van de lamp (bv. 25: ‘Als er ergens een burcht [misschien te begrijpen als kerk] gebouwd is, dan moet de lamp daar aan de eerste lamp te Texland worden opgestoken, doch dat mag nimmer anders dan door de moeder geschieden’) Deze wetten zijn tot in het absurde (en steeds tot een aantal van 3, 7, 12 of 24) uitgewerkt.
  28. Provinciale Bibliotheek Leeuwarden, Coll. Halbertsma, Hs. 167 (ca. 1866) (schrift over moraal, politiek en taal enz.), onder het kopje ‘Christus gedeeld’ de volgende verduidelijkende aantekening: ‘Men presenteert de goede Gemeente thans 6derlei Christus: le een orthodoxe Christus zoon van God, de verzoener; 2e een liberale historische Christus; 3e een mythische Christus van Strausz; 4e een Romantische Christus van Renan; 5e een Moderne Christus, van wien niets overblijft dan, wat de mode er van gelieft te maken. De wijl de vormen en de inkleedsels van dien Christus met de begrippen afwisselen, heeft deze de meeste kans van enige duurzaamheid.; 6e Een Roomsche Christus, die zich dagelijks laat maken en breken en tot God is verheven door 260 milloen menschen.’
  29. Op kroniekniveau verwijst de naam Nyhellenia naar een in de negentiende eeuw beroemde inheemse Germaanse godin.
  30. Staverman, Buitenkerkelijkheid, 122. OLB. 53 geeft: ‘Zou Nyhellenia dan wel zo goed willen zijn om ons wat van dat nieuwe licht te lenen waarop zij zo trots is.’
  31. Mogelijk wordt hier gedoeld op de cholera-epidemie, die in 1849 in Friesland heerste, en op het boekje van Ds. J. Roorda: Davids offer op Moria ter ophouding der plage als een voorbeeld voor ons te dezer dage. Wumkes, Kroniek II, 213.
  32. Ik volg hier Van der Meij, Kanttekeningen, 210.
  33. Van der Meij, Kanttekeningen, 166.
  34. P.C.J.A. Boeles, ‘Johan Winkler’s nagelaten geschrift over het Oera-Linda-Bok’, Vrije Fries 25 (1917) 32-53.
  35. N.N., ‘Een bescheidene hypothese’, Nederlandsche Spectator (1871) 315.
  36. Bijv. in: RAF, Archief Friesch Genootschap (niet geïnventariseerd), J.E.H. Hooft van Iddekinge aan J. Dirks, Huize de Vennebroeck, dd. 28 december 1872: ‘Ik heb langen tijd Verwijs verdacht van er meer van te weten. Als dat zoo is dan hoop ik dat hij voor zijn dood, ons nog uit dien onzekerheid zal helpen.’ Hooft van Iddekinge was werkend lid van het Friesch Genootschap, Dirks voorzitter.
  37. A.A. Deenik aan G. Colmjon, Ternaard, dd. 31 oktober 1871; geciteerd in De Jong, Geheim, 341.
  38. Boeles, ‘Winkler’s geschrift’, 37.
  39. Ik zet deze voetnoot omdat Boeles, ‘Winkler’s geschrift’, 38, verkeerd heeft gelezen. Hij dacht dat Verwijs en Haverschmidt verschillende motieven hadden, maar er staat: ‘Laatstgenoemde had met het openbaar maken van het geschrift nog (cursivering van mij) een ander doel dan de Heer Haverschmidt’.
  40. Dat heeft hij ook inderdaad trachten te doen. Ik kom daarop in mijn boek terug.
  41. Het valt in Winklers stuk op dat Winkler van allerlei ‘externe’ omstandigheden niet goed op de hoogte was. Hij spelde de naam van Haverschmidts pseudoniem Piet Paaltjens verkeerd, hij (Hof, “t Geheim’. 243) zegt Haverschmidt niet te hebben gekend (wel zijn vader en broers trouwens) en wist ook niet of (en dat) Verwijs en Haverschmidt elkaar goed hadden gekend. Bovendien geeft Winkler te kennen dat hij niet van Haverschmidt’s poëzie houdt en is hij orthodox Hervormd (Hof, ‘’t Geheim’, 257). Tegelijkertijd echter komt het motief dat Winkler aangeeft in de buurt van de hierboven gegeven interpretatie van het OLB. Uit dit alles zou men kunnen concluderen dat Winkler niet zelf tot deze reconstructie heeft kunnen komen, maar dat ze inderdaad, zoals hij ook aangeeft, het resultaat is van ‘vele stille opsporingen’. Wellicht is Winkler de spreekbuis geweest van mensen die zelf verkozen te zwijgen. In dit ‘testament’ valt verder namelijk op, dat Winkler geen ‘getuigen’ noemt en één en ander wel heel erg uitdrukkelijk voor ‘persoonlijke meening’ uitgeeft. Door dit alles wint zijn veronderstelling m.i. aan geloofwaardigheid. Voor een bespreking van Winklers testament, zie De Jong, Geheim, pp. 17 e.v. en Hof, ‘’t Geheim’, passim.
  42. Over Haverschmidts Friesheidsfactor het volgende. Als Leeuwarder zal hij ongetwijfeld vloeiend stadsfries hebben gesproken; als logé bij zijn grootvader in Dantumawoude zal hij ook het ‘landfries’ hebben leren verstaan en misschien spreken. Als gymnasiast hield hij onder andere redevoeringen over de Noordse mythologie en de Friese koningen. Als student was hij fanatiek lid van de subvereniging Frisia, die hij nieuw leven in blies; zie: J.T. Anema, ‘It selskip ‘Frisia’ tot Leijen’, Genealogysk Jierboekje, 1967, 39-49, Er is van zijn hand één Friestalige redevoering bekend; zie Handelingen en Levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde (1930/31) 40. In zijn werk treft men vaak een Frisisme aan; Van Gilse, Haverschmidt, 10.
  43. Over Haverschmidt is te veel geschreven om hier op te noemen. Ik beperk me tot de belangrijkste titels. De meest volledige en ook meest analytische bespreking van zijn literair werk vindt men in S.E. van Gilse, De figuur François Haverschmidt (Arnhem 1955). Meer biografisch getint zijn: J. Dyserinck, François Haverschmidt (Piet Paaltjens) (Schiedam 1908) en R. Nieuwenhuys, De dominee en zijn worgengel. Van en over François Haverschmidt. Preken, voordrachten, brieven en andere documenten (Amsterdam 1964). Een aantal artikelen van diverse auteurs is verzameld in Bzzlletin 9 (1981) nr. 84. / Verwijs is er veel kariger afgekomen dan zijn vriend. Nog steeds de belangrijkste bron is J. Verdam. ‘Eelco Verwijs’, in: Levensberichten van afgestorven medeleden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde (1880) 75-116. en vanzelfsprekend De Jong, Geheim, passim. S. de Haan bereidt momenteel een studie over Verwijs voor en stond me enig voorwerk ter lezing af. / Haverschmidts bekendste werken zijn Snikken en Grimlachjes (Schiedam 1867 [1]) en Familie en kennissen (Schiedam 1876 [1]). Kort na zijn dood verscheen er verder een bundel toespraken (preken). Uit Geest en Gemoed. Toespraken (Schiedam 1894). Ik heb ook Zeven Preeken (s.l., s.a.) (in PBL, sign. C 20212) geraadpleegd. Na zijn dood zijn door H. van Straten Nagelaten Snikken (Amsterdam 1961) uitgegeven. Er is in de laatste tien jaar vooral door R. Nieuwenhuys bij de BZZTôH uitgeverij in ‘s-Gravenhage werk van Haverschmidt uitgegeven: Twee voordrachten (1981), Ter gelegenheid van.. Gelegenheidsversjes, praatjes en albumplaatjes (1981), Steek af naar de diepte. Een voordrachten een preek (1982), Met gedempte stem (1983). / Van het werk van Verwijs bestaan geen moderne uitgaven; bij Verdam vindt men een bibliografie.
  44. Twee van Verwijs’ oudooms (Sybrandus en Ynso Fockema) waren getrouwd met Bekii, te weten Johanna Jacoba Bekius en Attje Bekius, zusters van Haverschmidts moeder, Nederland’s Patriciaat 19 (1930) ‘Fockema’. Op 24 juli 1862 trouwde Haverschmidts neef Adolf van Slooten met Eelco Verwijs’ zuster Gertje Woutera Verwijs; Dyserinck, Haverschmidt, 25.
  45. E. Verwijs aan M. de Vries, 14 april 1857, geciteerd in G. Karsten, ‘Eelco Verwijs als briefschrijver’ in: Frysk Jierboek, 1943, 60.
  46. Verdam. ‘Verwijs’, 14.
  47. Zie het standaardwerk van E. Jongejan, De Humor-‘cultus’ der Romantiek in Nederland (Zutphen 1933).
  48. In ‘Drie Studentjes’, Snikken en Grimlachjes.
  49. Van Gilse, Haverschmidt, 79.
  50. Nagelaten Snikken, 65.
  51. M. Mathijsen, ‘De Bleke gezel’, in: Bzzlletin, 21.
  52. Het lijkt me niet waarschijnlijk, dat Verwijs en Haverschmidt in Leiden intieme vrienden zijn geweest. Verwijs verkeerde vanaf 1854 meest bij zijn moeder in Deventer; zie P.F.J. Obbema, ‘Halbertsma’s kryptoniem in het Oera-Linda-Bok’, in: H. Halbertsma e.a. (ed.). Joast Hiddes Halbertsma, 1789-1869. Brekker en bouwer (Drachten 1969) 329.
  53. ‘Jan van Zutphen’s afscheidsmaal’ werd gehouden in 1857, toen Haverschmidts en Verwijs’ medestudent Mr. G.B.J. Henny naar Oost-Indië vertrok. R. Nieuwenhuys stelt, dat het gedicht ook inderdaad in 1857 (op 6 oktober) is voorgedragen op een promotiepartij: ‘Voorwoord’ bij Snikken en Grimlachjes (Amsterdam 1988).
  54. Mogelijk heeft ook de inhoud van het gedicht met het OLB te maken. Verwijs speelt er samen met Paaltjens een opvallende rol in. In een middeleeuws slot viert een groep studenten, afgeschilderd als ridders, feest. Eén van hen staat op het punt de koude, ploerterige wereld in te gaan. De spanning wordt opgevoerd wanneer (na vier jaar dood te zijn geweest) Paaltjens plotseling voor de slotpoort staat en de feestzaal binnenschrijdt. Het gedicht eindigt met een vreemde anticlimax: Eligius schiet onder de tafel, juist op het moment dat Paaltjens wil beginnen te zingen.
  55. Voorwoord bij de tweede druk van Snikken en Grimlachjes uit 1871, dd. 1 april 1871. Met ‘tentoonstellingen’ wordt bedoeld de Wereldtentoonstelling in 1867 in Parijs waar Paaltjens zou zijn gesignaleerd in de Friese wafelkraam. In de literatuur wordt Paaltjens mijns inziens wat al te nadrukkelijk als student-dichter afgeschilderd. Natuurlijk liggen zijn wortels, althans naar de vorm, in het Leidse studentenleven. Het is echter het opmerken waard dat hij (en dan bedoel ik Paaltjens) langer buiten dan in de sleutelstad heeft gewoond en gedicht. Van een aantal gedichten van Paaltjens uit de Snikken en Grimlachjes is niet vast te stellen wanneer ze zijn geschreven. De in Leidse studentenalmanakken van 1856, 1857 en 1859 gepubliceerde gedichten zijn in ieder geval van voor die jaren. zij het niet zo veel als Haverschmidt beweert. De overige gedichten zijn niet in handschrift bewaard gebleven. Het zou heel goed kunnen zijn, dat ‘De tijgerlelies’, ‘De zelfmoordenaar’ en ‘De Friesche Poëet’ produkten zijn van deze ‘latere’ Paaltjens. Zie ook Van Gilse, Haverschmidt, 30, noot 1, en Dyserinck, Haverschmidt, 31-32.
  56. Nagelaten Snikken, 108.
  57. J. van Vloten (ed.), Nederlandsch dicht en ondicht der negentiende eeuw, 3 dln. (Deventer, 1862-1865) II, 623.
  58. Matthijsen, ‘Gezel’. 18.
  59. Te weten op de trouwerij van Verwijs’ zuster Gertje Woutera Verwijs met Haverschmidts neef Adolf van Slooten in juli 1862. Verwijs zal als inwoner van Deventer de hoogleraar Van Vloten ongetwijfeld hebben gekend. Zie Dyserinck, Haverschmnidt, 25.
  60. De mystificatie is eigenlijk nog ingewikkelder, want van wie is die ‘mij zeer welbekende hand’? Het blijkt namelijk dat de inleiding op de Snikken en Grimnmlachjes ondertekend is door F. H(averschmidt). Als er dan in een voetnoot bij deze tekst over een mij zeer welbekende hand wordt gesproken, kan deze dus niet van Haverschmidt zijn. Maar het kan ook die van Paaltjens niet zijn, want de tekst is een verslag van iemand die Paaltjens heeft weergezien. Van wie is die hand?
  61. Uit een brief van december 1858 (gericht aan A. van Wessem) blijkt dat Haverschmidt als enige van de oude vrienden ‘Eelcke Verwijs’ een paar keer heeft gezien. Deze was toen al bijna een jaar leraar aan het gymnasium te Franeker, maar ‘solliciteert om hier Docent in de Nieuwe Talen aan ‘t Gymnas. te worden’. Dat houdt in, dat Verwijs klaarblijkelijk eind 1858 in Leeuwarden heeft gesolliciteerd, maar is afgewezen: Nagelaten Snikken, 95.
  62. Obbema. ‘Kryptoniem’, 329.
  63. ‘Mijn eerste gemeente’ in: Twee voordrachten, 11-34.
  64. ‘Mijn eerste gemeente’, 29-30.
  65. Staverman, Buitenkerkelijkheid, 129.
  66. Obbema, ‘Kryptoniem’, passim. In mijn Reade taske zal ik deze invloed van Halbertsma op Verwijs uitgebreider bespreken.
  67. Zie E. Verwijs, ‘De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen in vroeger dagen en de volksletterkunde’, Vaderlandsche Letteroefeningen, 1866, 1-28 (overdruk-ex. in PBL). 10: ‘Onze opkomeling uit het volk zoekt zijnen oorsprong te verloochenen, en wordt dan noodwendig een ploert.’
  68. In dit dubbellidmaatschap was Verwijs een relatieve uitzondering. De kringen van Frysk Selskip en Friesch Genootschap waren tamelijk strikt van elkaar gescheiden. Daarnaast was Verwijs o.a. schoolopziener en lid van de moderne Debatingclub te Leeuwarden.
  69. Provinciale Bibliotheek Leeuwarden, Hs Bs 308, Brief E. Verwijs aan G. Colmjon en W. Dijkstra, niet gedateerd. In deze brief valt tevens op hoe hij zich, om zijn ‘Fries-zijn’ te legitimeren, beroept op de (in Friesland maar nauwelijks te overschatten) autoriteit van zijn leermeester Halbertsma: / “‘Die blixemsche Saxen’. zeide Joost Halbertsma wel eens tegen mij. als hij den banvloek over de inwoners mijner vader- en geboortestad, Deventer, uitsprak, en al wat ellendig en beroerd was aan ons, arme Overijselaars, arme Saxen, verweet. Als een gewonnen, geboren en getogen Deventersman, met hart en ziel mijne geboortestad toegedaan, en trots den beste plat-Deventersch sprekende, maakte ik mij wel eens boos daarover, en zeide hem, dat ik dan toch ook tot die ‘blixemsche Saxen’ behoorde. Maar neen! ik was dan toch door afstamming zoowat een Fries, naar Uw oordeel zeker zeer ten onrecht. Laat het dan een halfbakken en halfgare zijn, die pretentie van mijnen kant zult Gij toch wel niet te kras vinden.” / Verwijs schreef bij Halbertsma’s dood in 1869 een ‘in Memoriam’, De Nederlandsche Spectator, 27 maart 1869, 97-99.
  70. G. Colmjon en W. Dijkstra. ‘Correspondentie van twee protesterende Friezen’, Tijdspiegel, 1866. II, 574. Zie over deze ruzies ook: S.J. van der Molen, ‘En ús Harke mei syn kleare kop’ (65 jier Frysk Winterjûnenocht) (Augustinusga 1984) 56-64.
  71. De Jong, Geheim, 108-118.
  72. Zie bijv. zijn kritieken op de Utrechtse en de Geldersche Volksalmanakken van 1862. in De Gids, 1862, 625-632 en op onder andere het werk van Waling Dykstra en Tsjibbe Gearts van der Meulen, De Gids, 30 (1866) II, 194-204.
  73. Deze alinea is een samenvatting van een vijftal stellingen die Verwijs verdedigde in de ‘moderne’ Leeuwarder Debatingclub; Gem. Archief Leeuwarden, 104 (Debatingclub), 1 (Notulen). dd. 8.1.1864.
  74. Zie ook: Karsten, ‘Verwijs’. 67.
  75. De Jong, Geheim, 119-139, bespreekt het parodistisch werk van Verwijs.
  76. In ‘Een kind van onze tijd’ (in: Steek af naar de diepte, 17-29) beschrijft Haverschmidt de geschiedenis van zijn geloof. Eén van de opvallende trekken daarin is hoe zijn opvattingen door derden worden beïnvloed. De vrijdenker ‘Karel’ uit deze lezing is een Verwijs-achtige figuur.
  77. Er is een merkwaardige brief uit juni 1862 bewaard gebleven waarin Haverschmidt een zeer duister dubbelportret van zichzelf en Verwijs schetst. H. schildert hen beiden af als mislukkelingen. De één is aan de drank, de ander verslingerd aan de melancholie. Opvallend is de wat excuserende zinsnede in de passage over zichzelf: ‘Lagchen ze hem dan uit? Ik weet het niet, maar dit weet ik: de jongeling — want hij is een jongeling — de jongeling met de lepel doet een hap ...’. Nieuwenhuys, Worgengel, 88-90. Deze brief lijkt mij verband te houden met twee ‘Monster’-gedichten uit 1870, afgedrukt in Nagelaten Snikken, 106-107 en 66-67. Enkele uitdrukkingen verwijzen door en de thematiek in beide gedichten is dezelfde: Wat is het monster, dat ons te gronde richt? Verband met het OLB is mogelijk, maar lijkt me zonder meer informatie niet te bewijzen.
  78. Van prof.dr. Ph.H. Breuker, lid van de redactie van dit tijdschrift, ontving ik via de redactiesecretaris enige kanttekeningen bij dit opstel. Breuker, die mij overigens heel vriendelijk enig materiaal ter inzage afstond, is van mening dat mijn tekst de veronderstelling versterkt als zou Verwijs (gebruik makende van zijn kennis van Haverschmidts doen en laten en van de Paaltjens-poëzie) de enige auteur van het OLB zijn geweest. Volgens hem had de vraag daarom niet moeten zijn ‘welke gedeelten van het OLB zou men aan Haverschmidt kunnen toeschrijven?’, maar ‘welke stukken zou Verwijs niet hebben kunnen schrijven?’. Zowel op methodische als op inhoudelijke gronden kan ik het daarmee niet eens zijn. Ik wil daarop hier echter niet ingaan. Zoals ik ook in de tekst al vermeld, zal ik te zijner tijd meer aandacht zal besteden aan de rol van Verwijs. Zie over dit punt overigens ook De Jong, die in zijn Het geheim van het Oera Linda Boek ook meende in Verwijs de (enige) auteur te kunnen zien en de daarop volgende overtuigende refutatie van de hand van J.J. Hof, Verwijs en het Oera Linda Boek (Leeuwarden, s.a. [1928]), in het bijzonder 46-48. Hof (zie ook diens: ‘’t Geheim’) was de enige ‘interpretator’ na Winkler die met enige wijzigingen diens mening deelde en het driemanschap Haverschmidt, Verwijs en Over de Linden aanwees als makers. Hij zag de ‘dichterlijke stukken’ (zoals bijvoorbeeld ‘het scheppingsverhaal’) als de inbreng van Haverschmidt. Zijn profielschets van de maker en zijn beschrijving van de manier waarop deze, door zijn ‘oerdwealske’ fantasie op sleeptouw genomen, het boek schreef, behoren m.i. tot de beste beschouwingen over het OLB. Dit neemt niet weg dat Hof geen oog had voor het theologisch karakter van de tekst.
  79. ‘Vreemdeling in het land van de alledaagse werkelijkheid.’ Uitgegeven en van ecn inleiding voorzien door R. van Slooten, Hollands Maandblad, 1991-11, 3-14.
  80. Een van de meest kenmerkende eigenschappen van Haverschmidts schrijverschap is dat men nooit met zekerheid kan zeggen over wie hij spreekt, terwijl hij wel steeds lijkt aan te geven dat hij het over een specifiek iemand heeft en zo de lezer nieuwsgierig maakt.
  81. Texland wil zeggen het land van de ‘wetten’; op kroniekniveau: Texel.
  82. Van Gilse, Haverschinidt, 93.
  83. Zij opgemerkt, dat zowel de ‘vampyr'’ (p. 50 — vertaald als bloedzuiger) als de pad (p. 47), die zichzelf opblaast, in de tekst van het OLB op dezelfde zinnebeeldige manier ten tonele worden gevoerd.
  84. 84. Ik som er enkele op. In het OLB kenmerkt de ‘Frya’-figuur zich doordat zij een midden weet te vinden tussen natuur en beschaving. Dat midden is het geweten. Ook die gedachte vinden we in het werk van Haverschmidt talloze malen terug, met name in zijn preken. In later jaren preekte Haverschmidt bijvoorbeeld over ‘Het geweten’ (in: Uit Geest en Gemoed, 133-159). Heel in het kort kunnen we vergelijken. In het OLB vermag de ‘Lyda’-figuur geen geweten te maken. In de preek: ‘Doch dat eigenaardige, wat wij onder het geweten verstaan, ontmoeten wij bij hen [de dieren] niet.’ De ‘Finda’-figuur heeft duizenden gewetens(wetten), maar volgt er geen één van op. In de preek: ‘Het volk spreekt wel eens van gewetens, die zóó ruim zijn, dat men er met een koets en vier paarden in kan omkeeren. Die beeldspraak nu is, helaas, in het minst niet overdreven.’ Voor de Frya-figuur, tenslotte, is het geweten van levensbelang. Het is het bemiddelend ‘orgaan’ tussen God en mens (Ewa=geweten) en het is tevens het ordenend principe in de maatschappij (Ewa=wetten). In de preek verwoordt Haverschmidt dit zo:

    Geen geweten meer, dat is [...] zonder gids alleen gelaten in een stikdonkeren nacht. Maar met een geweten als dat van Paulus, geoefend om ons den weg te wijzen en gewend om ons, trots iedere ergernis, te brengen, niet slechts waar de menschen, maar waar God ons hebben wil, met zulk een in waarheid onergerlijke conscientie, daarmee bezitten wij het beste wat een mensch hebben kan, daarmee het echte, wat óns tot menschen maakt. (p. 159)

    In deze zelfde bundel preken vinden we in ‘Jezus’ wondermacht’ (161-186) ook Haverschmidts zinnebeeldige uitleg van het Bijbelverhaal over Christus die over het water loopt. De overheersende metafoor in het OLB. namelijk ‘geloven=varen’ wordt uitgewerkt in Steek af naar de diepte. Tot slot: in Snikken en Grimlachjes een gedicht voor en over de blonde Rika, die in het OLB een oude vrijster is geworden (pp. 229-233).
  85. Familie en kennissen, 78-99.
  86. Van Gilse, Haverschmidt, 87.
  87. ‘Vreemdeling’, 8-9.
  88. In 1851 hield Haverschmidt voor de schoolvereniging ‘Minerva nos jungit’ een lezing over ‘De Friesche Koningen’.
  89. Hier heeft Ottema geïnterpreteerd en een aantal graansoorten opgenoemd. Zie ook De Jong, Geheim, 271, die terecht refereert aan ‘eigenschappen van een Gouden Tijd’.
  90. Deze travestie zal ongetwijfeld mee zijn ingegeven of in ieder geval versterkt door de overzetting naar kroniekniveau. Ze refereert namelijk aan de cultus der moeder-godinnen, die in deze tijd erg in de belangstelling stond. Ook hier is echter een overeenkomst met ander werk van Haverschmidt. Eén van zijn jeugdwerken was ook in travestie geschreven: ‘Jelle Gal’, een verhaal over een poes die door allerlei intrigues in de poezenmaatschappij te gronde gaat en verdrinkt. De vertelster is de moederpoes. In dit geschrift — Van Gilse noemt het een parodie op de historische roman (p. 10) — valt verder op hoe die poezenmaatschappij tot in detail wordt beschreven. compleet met uiteenzettingen over maatschappij-inrichting en stamboom. Zie ook: Nieuwenhuys, Worgengel, 35-39.
  91. Dyserinck, Haverschmidt, 25.
  92. Verwijs, ‘Nut’, 14.
  93. Friesland had in vergelijking met de overige Nederlandse provincies een brede culturele infrastructuur. In 1870 waren er in Friesland bijvoorbeeld 52 departementen van de Maatschappij: tot Nut van ’t Algemeen, met in totaal 1900 leden.
  94. In zijn brieven lijkt Verwijs er vooral op aan te sturen, dat het boek vertaald wordt en spreekt hij er zelfs één keer van, dat het ook als falsum zou kunnen worden uitgegeven vanwege zijn bijzondere karakter, Molenaar, Het geheimzinnige Handschrift van de Familie Over de Linden (Zuilen-Utrecht, s.a.), 17-18.
  95. Jongejans, Humorcultus, 539.
  96. Bijvoorbeeld in de Nederlandsche Spectator van 14 oktober 1871, 322-323. Ottema schreef een brief aan de redactie waarin hij de echtheid verdedigde: de redactie reageerde: ‘Qui diable est ici la dupe? Moet men er misschien bijvoegen wat er op volgt: Ils sont tous dans le secret?’
  97. Uit de briefwisseling tussen J.E.H. Hooft van Iddekinge en W.B.S. Boeles en J. Dirks (RAF, archief Friesch Genootschap, niet geïnventariseerd) blijkt niet alleen dat W.B.S. Boeles aan de echtheid geloofde (Iddekinge aan Dirks, 31 december 1872), dat zelfs Hooft van Iddekinge twijfelde (Iddekinge aan Dirks, 28 december 1873) en dat de partijen langzamerhand ook verdeeld raakten in een Hollands Spectatorkamp en een Friese Genootschaps-partij (Iddekinge aan Dirks, 31 december 1872), maar vooral dat de discussies steeds weer over ‘echt of niet echt?’ gingen. In 1876 waren deze drie heren van de onechtheid overtuigd en richtten ze hun pijlen op de volhardende Ottema: ‘Hierbij in dank terug Ottema’s laatste fantaisie op zijn onveranderlijk thema — het Oeralindaboek —. Nu geloof ik bepaald dat het bij hem schemert en dat hij op weg is om kindsch te worden.’ (Hooft van Iddekinge aan Dirks, 13 december 1876). Dirks was een neef van Ottema.
  98. Winkler noemt Ottema een ‘vroeg-oud, zwakkelijk en zenuwachtig man’. Boeles, ‘Winkler’s Geschrift’, 35. Uit de briefwisseling tussen Ottema en Over de Linden blijkt dat Ottema van begin af aan onwrikbaar in de authenticiteit heeft geloofd en zelfs nergens erg in heeft als Over de Linden hem straal voor de gek houdt. Deze briefwisseling is getranscribeerd en gebundeld door N. Luitse, Brieven Ottema en Idem, Brieven C. en F. over de Linden aan J.G. Ottema.
  99. Men zou (met De Jong, Geheim, 341-353) kunnen veronderstellen, dat het manuscript samen met de Worp van Thabor en het papier Over de Lindens huis is binnengesmokkeld.
  100. Nog afgezien van allerlei andere argumenten, die voortvloeien uit vergelijking van door Over de Linden geschreven opstellen en de tekst van het OLB (De Jong, Geheim, 325 e.v.), laat vooral Van der Meij in zijn Kanttekeningen bij het Oera Linda Boek zien, dat voor de samenstelling van het OLB veel meer boeken zijn gebruikt dan Over de Linden in zijn bezit had. Zeer waarschijnlijk zijn er boeken geraadpleegd uit het bezit van Joost Hiddes Halbertsma. Van der Meij beweert dan ook dat deze de maker is geweest. Hoewel ik geenszins uit wil sluiten dat Halbertsma op de hoogte is geweest en hand- en spandiensten heeft verricht (zie ook: Obbema, ‘Kryptoniem’), bewijst Van der Meij m.i. slechts dat óf Halbertsma óf Verwijs (óf zij beiden) aan het OLB heeft meegewerkt. Halbertsma schonk namelijk al ver vóór zijn dood in 1869 grote delen van zijn zeer exquise collectie boeken aan de Provinciale Bibliotheek, waar Eelco Verwijs bibliothecaris was (cf. Van der Meij, 206). Omdat er tussen Haverschmidt en Halbertsma geen enkele verbinding valt aan te wijzen en tussen Haverschmidt en Verwijs talloze raakpunten waren, zijn Winklers testamentaire vermoedens veel meer gegrond.
  101. Deze briefwisseling is gepubliceerd in E. Molenaar, Het geheimzinnige Handschrift, 18 e.v.. Hof, Verwijs en het Oera Linda Boek (Leeuwarden, s.a. [1928]) 18-19, veronderstelt, dat Verwijs en Over de Linden zich bij voorbaat probeerden in te dekken tegen een mogelijke opening van zaken.
  102. Onder andere afgedrukt bij Van der Meij, Kanttekeningen, 193-195.
  103. Brieven van Verwijs aan Winkler zijn afgedrukt in: Boeles, ‘Winkler’s geschrift’, 50-53.
  104. J. Beckering Vinckers, Wie heeft het Oera Linda-Boek geschreven? (oorspr. druk in 1877) in: Waarheid en Leugen over het Oera Linda boek. Herdruk van vier belangrijke brochures uit 1876 en 1877 (s.l.; s.a.).
  105. De Jong, Geheim, 358 e.v., en: Miedema, Codicologische Beschrijving, 15.
  106. Deze brief is niet bewaard gebleven behalve in een fragment, dat Ottema aanhaalt in zijn inleiding bij de tweede druk van het OLB uit 1876. P.C.J.A. Boeles stelt dat Ottema Verwijs om inlichtingen heeft gevraagd, maar meer dan een vermoeden is dit niet: zie P.C.J.A. Boeles. ‘De houding van Dr. Eelco Verwijs ten opzichte van het Oera-Linda-Boek en het Friesch Genootschap’, De Vrije Fries, 30 (1931) 24.
  107. In het archief Haverschmidt bevindt zich tussen de reguliere correspondentie deze brief (in verdraaid handschrift) van Paaltjens aan Haverschmidt, Nagelaten Snikken, 110-111. Haverschmidt heeft wellicht ook zijn archief gekuist. Slechts zijn preken na 1870 zijn bewaard gebleven, beginnend met het nummer 308 (de preek van 6 november 1870); Nieuwenhuys, Worgengel, 129. Ook in het voorwoord bij de tweede druk van Snikken en Grimlachjes wordt over het verbranden van manuscripten (?) gesproken: ‘En wat de poëzie uit het tweede tijdperk van mijn leven aangaat, uit de dagen van mijn omdolingen langs stranden en op tentoonstellingen, — om u de waarheid te zeggen, die heb ik ten vure gedoemd, den avond vóór den eersten verjaardag van mijn trouwen.’ En: ‘En zelfs, gelijk ik reeds zeide, heb ik alles wat ik eens akeligs zong, zooveel mij mogelijk was, plechtig vernietigd.
  108. Ottema doet, pas ruim vier jaar later, verslag van dit bezoek. Eind 1875 doen opnieuw geruchten de ronde dat Paaltjens het werk zou hebben geschreven. De bron blijkt een particulier schrijven van J. Bolhuis van Zeeburgh aan Wopke Eekhoff te zijn. De eerste dreigt om in het (nooit-verschenen) tweede deel van zijn Kritiek der Friesche Geschiedschrijving een boekje open te doen over het OLB. Dit gerucht is zowel aanleiding voor L.F. over de Linden om Haverschmidt een ‘ontkenning’ af te troggelen, als voor Haverschmidt om (zie verder) ook een ‘ontkenning’ in de krant te laten opnemen, als voor Ottema om deze herinnering op te halen: ‘Toen die laffe ui in den N. Spectator stond [bedoeld wordt de aflevering van 6 oktober 1871]. is F.H. (een leerling van mij) al spoedig tot mij gekomen om mij zijn leedwezen daarover te betuigen en de verzekering te geven dat P.P. daaraan even onschuldig was als hij zelf en dat hij nooit iets gezegd had ’t welk aanleiding tot zulk een bespottelijke beweering had kunnen geven’; Brief van Ottema aan L.F. over de Linden, dd. 6 januari 1876, gepubliceerd in N. Luitse, Brieven van ... J.G. Ottema aan Cornelis ... en Leendert Floris over de Linden (Den Haag: part. uitgave. 1990). Exemplaar in PBL.
  109. Nagelaten Snikken, 112-113.
  110. Zelfs een zeer gerespecteerd geleerde als de theoloog P. Hofstede de Groot vervoegde zich in september 1873 in Den Helder om het handschrift te bekijken en verklaarde zich, volgens het verslag van C. over de Linden, tot de ‘gelovigen’, Brief C. over de Linden aan J. Ottema, dd. 15 september 1873. in: N. Luitse, Brieven C. ... en L.F. over de Linden ... aan ... J.G. Ottema (Den Haag: part. uitgave, 1991). Ex. in PBL.
  111. Nederlandsche Spectator, 4 november 1871, 343. Deze brief is wat betreft stijl niet erg Over de Linden-achtig maar wel zeer Haverschmidtiaans. Er wordt niet beweerd dat het handschrift niet echt is en de werkelijke leugen wordt omzeild daor een groot aantal menniste-leugentjes te berde te brengen. Het jaartal 1853 slaat op de in noot 6 vermelde paalwoningen die toen argument in de discussie werden.
  112. Nederlandsche Spectator, 17 maart 1877, 87. Het bericht uit de Groninger Courant (7 september 1876) staat afgedrukt in L.F. over de Linden, Aanvulling van de brochure ‘beweerd maar niet bewezen’ (Den Helder 1912), 6-8.
  113. Het briefje is afgedrukt in L.F. over de Linden, Aanvulling, 2. Men zou het zo kunnen ‘ontzenuwen’: H. heeft het OLB niet gelezen (maar dat houdt niet in dat hij niet het handschrift, dat pas later door Ottema Oera Linda Bok werd genoemd, heeft gelezen); hetzelfde geldt voor het schrijven; Ottema vindt H. niet knap genoeg. Als Ottema H. knap genoeg zou vinden, dan zou H. er wel voor uitkomen. Ottema is oud-leermeester en H. kan hem niet foppen omdat hij teveel van hem houdt (dat is een ‘onzin’, die alleen maar kan betekenen dat H. Ottema niet heeft willen foppen). / Over de Linden heeft zijn kinderen klaarblijkelijk niet van zijn medewerking op de hoogte gesteld. Zijn zoon L.F. over de Linden was een verdediger van de echtheid van het boek. Haverschmidt schreef hem ook persoonlijk een dubbelzinnig ontkennend briefje; Ibidem, 1-2.
  114. De passage luidt: ‘Onder Finda’s volk zijn wanwijzen, die door hunne overvindingrijkheid zoo erg zijn dat zij zich zelf wijs maken en de ingewijden betuigen, dat zij het beste deel zijn van Wralda: dat hun geest het beste deel is van Wralda’s geest, en dat Wralda alleen mag denken door hulp van hun brein.’
  115. ‘Mijn eerste gemeente’, 12.
  116. Cf. ook ‘Mijn eerste gemeente’, 33. welke voordracht wordt besloten met een passage die nogal uit de toon van het verhaal valt. Haverschmidt constateert, dat hoewel ‘... er gedane zaken zijn die nimmer keer nemen, op den bodem van ons hart is er toch een dankbaar gevoel, dat de booze, de uren van zwakheid en onwil achter, en met elke nieuwe schrede verder achter ons liggen. De tijd, niet vanzelf, maar waar wij hem ons ten nutte poogden te maken, heeft balsem niet slechts voor onze verliezen, maar ook voor onze nederlagen. En deze weldadige orde der dingen doet ons dankbaar erkennen, dat er een God is die vergeeft.’
“Noot” 26:

In het OLB zijn de volgende gedeelten aan ‘godsdienstige’ zaken gewijd (paginanummers verwijzen naar editie Ottema, 1872). Af en toe is door deze fragmenten een parafrase van oudheidkundige literatuur heengewerkt. Bij deze opsomming ga ik uit van de (door mij af en toe wat ingekorte) tussentitels zoals die in het boek zelf worden gegeven en beperk ik me tot drie categorieën: Godsdienstleer, Wetten/geweten en Gelijkenissen. Voor de rest bestaat het boek uit ‘lopende geschiedenissen’. Daarvan is een (groot) deel gewijd aan de richtingenstrijd in de kerk, een ander deel aan het ‘moderne’ in bredere zin (bijvoorbeeld aan het liberalisme) en een laatste deel aan specifiek Friese omstandigheden. Ook in deze stukken staan af en toe gedeeltes die bij de bovenstaande categorieën kunnen worden ondergebracht.

Godsdienstleer:

‘Dit is onze vroegste geschiedenis’ (13-19); ‘Dit heeft Fasta gezegd’ (23): ‘Fasta zeide’ (25); ‘Nuttige zaken uit de nagelaten geschriften van Minno’ (43-49). ‘Aan de wanden van de Waraburcht’ (65-67); ‘Dit staat op alle burchten’ (67-71); ‘Hoe de bange tijd kwam’ (71); ‘Oudste leer’ (135-139); ‘Het tweede deel van de oudste leer’ (139-143); ‘Alle echte Frya’s heil’ (183-193); ‘Dit is het geschrift met Gosa’s raad’ (215-217); ‘Brief van Rika de oude vrijster’ (229-233).

Wetten/geweten:

‘Frya’s Tex’ (19-23), ‘Wetten voor de burchten’ (25-31); ‘Algemene wet’ (31-33): ‘Wetten daaruit samengesteld’ (33-35); ‘Rechten van de moeder en de koningen’ (35-37), ‘Rechten van alle Frya’s kinderen om veilig te zijn’ (37-39); ‘Uit Minno’s geschriften’ (39-41); ‘Wetten voor de stuurlieden’ (41-43): ‘drie Frya’s wetten en zeven Finda’s wetten’ (59-61); ‘Bepalingen voor toornige mensen’ (61-63). ‘Bepalingen voor hoerenkinderen’ (63).

Gelijkenissen:

‘Oorlog was voorbijgegaan’ (65); ‘Dit staat op schrijfvilt geschreven. Taal en antwoord aan andere maagden tot een voorbeeld’ (143-145).