NL031.04 Wetten
Ontwerp 2026 Ott
Overwijn 1951
Ottema 1876
[/45] In mijne jeugd heb ik wel eens gemord over de banden der wetten, achterna heb ik Frya dikwijls gedankt voor hare tex, en onze voorvaderen voor de wetten, die daaruit zamengesteld zijn. Wralda of Alvader heeft mij vele jaren gegeven, en over vele landen en zeeën heb ik rondgevaren, en na alles wat ik gezien heb, ben ik overtuigd, dat wij alleen [47] door Alfader uitverkoren zijn, om wetten te hebben. Lydas volk vermag geene wetten te maken, noch te houden, zij zijn te dom en onbeschaafd daartoe. Vele geslachten van Finda zijn schrander genoeg, maar zij zijn hebzuchtig, hoovaardig, valsch, onkuisch en moordzuchtig. De padden blazen zich op en zij kunnen slechts kruipen. De kikvorschen roepen werk, werk, en zij doen niets als huppelen en grappenmaken. De raven roepen spaar, spaar, maar zij stelen en verslinden al wat onder hunne snavels komt. Aan die allen gelijk is het Findas volk, zij spreken luide altijd over goede wetten, elk wil inzettingen maken om het kwaad te weren, maar zelf wil niemand daaraan gebonden wezen. Diegene wiens geest het listigste is en daardoor sterk, diens haan kraait koning en de andere moeten allerwege aan zijn wil onderworpen wezen, totdat een ander komt die hem van den zetel verdrijft.
Noten
[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 04e Éwa