Jump to content

NL049.11 Aldland

From Oera Linda Wiki
Revision as of 09:38, 7 February 2023 by Jan (talk | contribs)

Ontwerp 2026 Ott

[049/11]

Overwijn 1951

Ottema 1876

[71] Hoe de bange tijd kwam.

Geheel den zomer had de zon achter de wolken gescholen, als wilde zij de aarde niet zien. De wind rustte in zijn holen, waardoor rook en damp als zuilen boven huis en poelen stonden. De lucht werd aldus droef en dof, en in de harten der menschen was blijdschap noch vreugde. Te midden van deze stilte begon de aarde te beven, alsof zij stervende was. De bergen spleten van een om vuur en vlam te spuwen; andere zonken in haren schoot neder, en waar zij eerst velden had, hief zij nu bergen omhoog. Aldland, door de zeelieden Atland geheeten, zonk neder, en de woeste golven traden zoo verre over bergen en dalen, dat alles onder de zee bedolven was. Vele menschen werden in de aarde begraven, en velen die aan het vuur ontkomen waren, kwamen daarna in het water om. Niet alleen in het land van Finda spuwden de bergen vuur, maar ook in het Twiskland. Wouden brandden daardoor achter elkander weg, en toen de wind daar vandaan kwam, waaiden onze landen vol asch. Stroomen werden verlegd en bij hunne monden kwamen nieuwe eilanden van zand en drijvend vee. Drie jaren was de aarde zoo lijdende, maar toen zij herstelde, kon men hare wonden zien. Vele landen waren verzonken, en andere uit de zee opgerezen en het Twiskland voor de helft ontwoud. Benden Findas volk kwamen de ledige ruimten bezetten. Onze weggetrokkenen werden verdelgd, of zij werden hunne bondgenooten. Toen werd waakzaamheid ons dubbel geboden, en de tijd leerde ons, dat eendracht onze sterkste burgt is.

Noten


Navigeer

[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 08a Noordoostelijke Invasie