1871 Het jaar van bekendwording
Bekendwording van het “overoude handschrift” in 1871
Afkortingen en volledige naam als bij bron
- AHb = Algemeen Handelsblad
- (Ct. = Courant)
- HC = Heldersche Courant
- LC = Leeuwarder courant
- NvdD = Het nieuws van den dag: kleine courant
- Spect. = De Nederlandsche Spectator
- Vaderland = Het vaderland
- Dev. Wb. = Deventer Weekblad
Tussen accolades wordt weergegeven het nummer zoals gebruikt in de bibliografie van Kalma (indien bron daarin was vermeld), gevolgd door evt. links naar gescand origineel en/of digitale bewerking elders op deze OL-wiki: b.v. {6-scan/wiki}.
| Naam | maand-dag |
|---|---|
| AHb | 07-21 |
| AHb | 11-22 |
| Bildtsche Ct.[1] | 08-25 |
| Dev. Wb. | 09-20 |
| Dev. Wb. | 11-08 |
| HC | 07-15 |
| HC | 08-26 |
| HC | 09-16 |
| HC | 09-27 |
| HC | 11-25 |
| LC | 07-14 |
| LC | 08-27 |
| LC | 08-29 |
| LC | 09-05 |
| LC | 09-10 |
| LC | 09-12 |
| LC | 09-17 |
| LC | 09-19 |
| NvdD | 07-12 |
| NvdD | 08-23 |
| NvdD | 09-15 |
| NvdD | 11-24 |
| Spect. | 09-30 |
| Spect. | 10-07 |
| Spect. | 10-14 |
| Spect. | 10-21 |
| Spect. | 10-28 |
| Spect. | 11-04 |
| Spect. | 11-11 |
| Spect. | 12-16 |
| Vaderland | 07-24 |
| Vaderland | 08-24 |
| Vaderland | 09-14 |
Bronnen, gerangschikt naar dag
Donderdag 16 februari: vergadering Friesch Genootschap
[aangekondigd in LC 14-2 bl. 6 kol. 1; een verslag lijkt niet in LC te zijn geplaatst]
Tijdens deze vergadering las Dr. Ottema zijn verslag voor: Der Friezen herkomst volgens het boek van Adela (in druk op 20 bladzijden uitgegeven in juni).
Juni: gedrukt verslag Der Friezen herkomst ...
Woensdag 12 juli: Het Nieuws van den Dag
Twee dagen na de vergadering van Gedeputeerde Staten Friesland met inbreng van het verslag van Ottema voor het Friesch Genootschap.
{scan} [bl.2 kol. 3]
Men meldt ons het volgende: De heer C. Over de Linden, te Helder, bezit een overoud handschrift, sedert eeuwen onder zijne familie bewaard, dat de aandacht heeft getrokken van het Friesch Genootschap voor geschied-, oudheid- en taalkunde. Het moet geschreven zijn in 1256, doch is voor een groot gedeelte het afschrift van veel oudere stukken, waarvan het oudste dagteekent 558 jaren vóór Christus. Het is geschreven in zeer oud Friesch, doch voor kenners dezer taal gemakkelijk te lezen, en het bevat vele, tot dusver onbekende bijzonderheden omtrent de geschiedenis en godsdienst der oudste bewoners van Nederland. Indien dit stuk echt is, waaraan tot nog toe bijna niet getwijfeld wordt, is het voor geschiedenis en oudheidkunde eene aanwinst van onschatbare waarde. Er is sprake van dat dit handschrift, waarvan het Friesch Genootschap afschrift heeft bekomen, zal worden uitgegeven met eene vertaling in het Hollandsch en in het hedendaagsch Friesch.
Vrijdag 14 juli: Leeuwarder Courant
{scan} [bl. 1-2] Vergadering der Staten van Friesland / Zitting van 10 Julij. / Aanwezig 36 leden.
(...) 88. Aanbieding door gedeputeerde staten van een verslag enz. van dr. J.G. Ottema, aangaande zeker overoud Friesch handschrift. — Rondgedeeld en ter griffie gelegd. (...)
{2-scan} [bl. 2 kol. 4] Men meldt aan het Nieuws v.d. Dag het volgende: [zie verder ald.]
Zaterdag 15 juli: Heldersche Courant
{scan} [bl. 1 kol. 1-2: Identiek aan bericht “Men meldt ...” in LC.]
Vrijdag 21 juli: Algemeen Handelsblad
{scan} [bl. 1 kol. 1]
Aan de Redactie!
In den laatsten tijd werd in enkele dagbladen gewag gemaakt van een oud handschrift, in bezit van den heer C. Over de Linden te Helder.
Daar ik mij juist onlangs te dier plaatse bevond, besloot ik den heer Over de Linden een bezoek te brengen, ten einde kennis te nemen van het bovengenoemde handschrift.
Hoewel het origineele in handen van dr. Ottema te Leeuwarden was, liet de heer O.d.L. mij eenige photographische afbeeldingen van enkele pagina’s zien, die volgens ZEd. volkomen gelijkend aan het origineel waren; hij deelde mij vele bijzonderheden mede en liet mij ten slotte de vertaling van het HS. lezen. Dr. Ottema zegt te recht:
«De inhoud van het geheel is in allen opzichte nieuw, namelijk er staat bijna niets in, dat wij reeds van elders wisten.”
Ja, ongetwijfeld zal dit belangrijk geschrift veel licht verspreiden over verschillende duistere gebeurtenissen, personen en jaartallen uit de oude geschiedenis.
Zoo meldt o.a. het handschrift, dat in het midden der 16e eeuw vóór Christus de verbinding van de Roode zee met de Bittermeren nog bestond en de straat nog bevaarbaar was, doch dat kort na de doorvaart der Geertmannen (1551 v.C.) beide zee en aarde beefden, en de aarde haar lijf zoo hoog ophief, dat al het water de straat uitliep en dat alle wadden en schorren als een wal oprezen.
Op geen der oude geographen vindt men melding van die vormalige zeeëngte of van het ontstaan der landengte van Suez.
Op eene andere plaats lezen wij, dat Athene gesticht is door Minerva, omstreeks 1600 jaren v.C. Deze Minerra is eene burgtmaagd, priesteres van Frija op de burgt Walhallagara (Walcheren), die met de vloot van Jon, aan het hoofd eener kolonie, in, Attica is galand en aldaar eene burgt heeft gebouwd, welke zij den naam gaf van Athene, omdat zij als Âthen (vrienden) daar gekomen waren.
Dit zijn slechts een paar voorbeelden om aan te toonen hoe belangrijk dit HS. voor de wetenschap kan worden.
Een paar aanhalingen uit het verslag van dr. J.G. Ottema aan het Friesche Genootschap vinden hier nog hare plaats:
«Het schrift, dat met geen bekende lettervormen geheel overeenkomt, gelijkt oppervlakkig nog het meest op het Grieksche schrift, zooals dit op monumenten of in de oudste handschriften voorkomt, en behoort tot den vorm, die men lapidair of steenschrift noemt.
«Het papier, groot kwarto formaat, is katoen papier, zonder water- of fabriekmerk.
«De taal is overoud Friesch, nog ouder dan de taal van het Friesch Rjuchtboek.
«De stijl is hoogst eenvoudig, beknopt, in korte volzinnen, ongedwongen zich bewegende, evenals de dagelijksche spreektaal, en vrij in de vormen der woorden.
«De spelling eveneens hoogst eenvoudig en gemakkelijk, zoodat de lezing geene de minste moeite kost.
«Als antiquiteit van taal en schrift, geloof ik te kunnen zeggen, dat dit boek geheel eenig in zijn soort is.
«Het boek bestaat uit twee van elkander zeer verschillende, en in tijd vrij ver verwijderde gedeelten. Als schrijfster van het eerste gedeelte noemt zich Adela, de vrouw van Apol, de grevetman over de Lindaoorden. Dit is vervolgd door haren zoon Adelbrost en hare dochter Apollonia.”
Dit schrijven had volgens het HS. plaats in 558 v. Chr. De laatste schrijver, wiens naam onbekend is, doet zich evenwel zeer duidelijk kennen als een tijdgenoot van Zwarte Adel of Askar (70 voor tot 11 na C.).
«Ik kan niet den geheelen inhoud van dit merkwaardige geschrift ontleden, en moet mij vergenoegen met de gemaakte opmerkingen. Zij mogen eenig denkbeeld geven van den rijkdom en de belangrijkheid van dien inhoud.
«Wij mogen dus aannemen, dat wij in dit geschrift, waarvan het eerste gedeelte is opgesteld in de 6e eeuw vóór onze jaartelling, het oudste voortbrengsel (op Homerus en Hesiodus na) van de Europeesche letterkunde ontmoeten.
«En daar vinden wij in ons vaderland eene eeuwenoude bevolking in het bezit van eene ontwikkeling, beschaving, nijverheid, scheepvaart, koophandel, letterkunde en zuivere verhevene godsdienstige begrippen, waarvan wij nooit eenig vermoeden hebben gehad. In onze voorstelling reikten de geschiedkundige herinneringen, van ons volk niet hooger dan tot de komst van Friso‚ den vermeenden stamvader der Friezen; doch hier ontwaren wij, dat die herinneringen opklimmen tot meer dan twee duizend jaren vóór Christus, en in hoogen ouderdom die van Hellas overtreffen, en die van Israël evenaren.”
Door de plaatsing dezer regelen, die voorzeker belangrijk voor de wetenschap kunnen worden, zult gij verplichten
mijnheer de Redacteur, / UEd. Dw. Dienaar / H.A.W.
Amsterdam, / 19 Juli 1871.
Maandag 24 juli: Het Vaderland
{scan} [bl. 2 kol. 3]
Omtrent een oud-Friesch handschrift in bezit van den beer C. Over de Linden te Helder namen wij voor eenige dagen oen bericht over uit het N. v.d. Dag.
Thans worden in een ingezonden stuk in ’t Handelsblad nadere bijzonderheden medegedeeld door iemand, die bij den heer Over de Linden de fotografie van sommige bladen gezien heeft en de vertaling van het geheel heeft gelezen. Het origineel is thans in handen van dr. Ottema te Leeuwarden, die daarover reeds een rapport aan het Friesch Genootschap schijnt uitgebracht te hebben.
Wat thans in het Handelsblad wordt meegedeeld, is al zeer weinig geschikt om vertrouwen te wekken in de echtheid van het boek. Ook de enkele citaten uit het rapport van dr. J.G. Ottema, voorkomende in dit ingezonden stuk, wekken twijfel, of die geleerde wel sceptisch genoeg gezind is tegenover een zoo exorbitante verschijning als dit boek, wanneer het echt was, zijn zou.
Zoo lezen wij:
»In onze voorstelling reikten de geschiedkundige herinneringen van ons volk niet hooger dan tot de komst van Friso, den vermeenden stamvader der Friezen; doch hier ontwaren wij, dat die herinneringen opklimmen tot meer dan tweeduizend jaren vóor Christus, en in hoogen ouderdom die van Hellas overtreffen, en die van Israël evenaren.”
— Wat wij nu van dien Friso, die door Van Haren bezongen is, te denken hebben, weet ieder; en de wijze, waarop zijn naam hier genoemd wordt, is weinig overeenkomstig den eisch eener behoedzame critiek.
»En daar vinden wij” zegt dr. Ottema verder »in ons vaderlaad” (eventjes 500 jaar voor Chrs.)
»eene eeuwenoude bevolking in het bezit van een ontwikkeling, beschaving, nijverbeid, scheepvaart, koophandel, letterkunde en zuivere verhevene godsdienstige begrippen, waarvan wij nooit eenig vermoeden hebben gehad.”
— Bij dr. Ottema is dit een uitroep van bewondering; en niet, gelijk het moest zijn, een bewijs tegen de echtheid van het geschrift.
En wat deelt nu de inzender in ’t Handelsblad, die gelooft, dat »dit belangrijk geschrift veel licht zal verspreiden over verschillende duistere gebeurtenissen” omtrent den inhoud mede? Twee staaltjes:
»Het Handschr. meldt, dat in het midden der 16e eeuw vóor Christus de verbinding van de Roode Zee met de Bittermeren nog bestond en de straat nog bevaarbaar was, doch dat kort na de doorvaart der Geertmannen (1551 v.C.) beide zee en aarde beefden, en de aarde haar lijf zoo hoog ophief, dat al het water de straat uitliep en dat alle wadden en schorren als een wal oprezen.”
Aan speculaties van een of ander dilettant uit de 17e of 18e eeuw doet dit denken; — in een Friesch handschrift van veel ouder datum zou geheel iets anders te lezen staan.
Of wat zegt men van het volgende?
»Op eene andere plaats lezen wij, dat Athene gesticht is door Minerva, omstreeks 1000 jaren v.C. Deze Minerva is eene burgtmaagd, priesteres van Frija op de burgt Walhallagara (Walcheren), die met de vloot van Jon, aan het hoofd eener kolonie, in Attica is geland en aldaar eene burgt heeft gebouwd, welke zij den naam gaf van Athena, omdat zij als áthen (vrienden) daar gekomen waren.”
Inderdaad men moet bijzonder naïef zijn, om, gelijk de Inzender in ’t Handelsbl., daarop te laten volgen:
»Dit zijn slechts een paar voorbeelden om aan te toonen hoe belangrijk dit HS. voor de wetenschap kan worden.”
of om met dr. Ottema te kunnen schrijven:
»De inhoud van het geheel is in allen opzichte nieuw; namelijk er staat bijna niets in, dat wij van elders reeds wisten.”
Voeg nu daarbij de volgende overwegingen:
»Het papier groot kwarto formaat, is katoen papier, zonder water- of fabriekmerk.”
Tusschen het voorgegeven jaar der vervaardiging 558 voor Chr. — wij schamen ons bijna het zotte jaartal te moeten opschrijven — en 1871 zal nooit ofte nimmer het bestaan van dat boek aan eenig geleerde, en daardoor algemeen, bekend geworden zijn! En nu het eindelijk gevonden wordt bij een eerzaam burger aan Den Helder, wordt zelfs geen woord omtrent de vorige lotgevallen medegedeeld.
Twijfel aan de onechtheid is onmogelijk.
Het eenige belangrijke in de quaestie blijft alleen, wie de grappenmaker kan geweest zijn, die, hoogstens een paar honderd jaar geleden, zich kan beziggehouden hebben met de vervaardiging van dit boek?
Donderdag 17 augustus: Jaarverslag Fr. Genootschap 70/71
{3} [volgt: Over het door Joh. Winkler en dr J.G. Ottema ingestelde onderzoek naar het O.L.B. op bl. 202-203. Het uitvoerige verslag van dr J.G. Ottema (zie {1}) op bl. 223-242].
Woensdag 23 augustus: Het Nieuws van den Dag
[Ontbreekt op Delpher; Zie het citaat in het naar dit bericht verwijzend artikel hieronder.]
Donderdag 24 augustus: Het Vaderland
{scan} [bl. 2 kol. 4]
»Omtrent het vroeger vermelde oud-Friesch handschrift, in bezit van den heer C. Over de Linden te Helder, meldt men ons”
zoo schrijft het N. v.d. Dag
»thans nader, dat de archivaris van Friesland, de heer G. Colmjon, grondig beoefenaar der Friesche taal, het stuk, na het geheel gelezen te hebben, bepaald voor onecht houdt hoofdzakelijk op grond, dat de stijl veel te nieuwerwetsch is. Er komen zeer vele uitdrukkingen in het handschrift [regel onleesbaar] hooren, alzoo in regelrechten strijd zijn met de opgegeven oudheid van het stuk, en den deskundige, tenzij hij door te veel voorliefde worde geleid, geen twijfel kunnen overlaten. Het oordeel van zulk een warm voorstander van Frieslands taal en geschiedenis, die zeker gaarne zoude wenschen dat het handschrift waarheid bevatte, mag men in deze wel voor onpartijdig houden.”
Reeds in ons nummer van 24 Juli hebben wij al de zotheden, die in dat H.S. voorkomen, afgedaan. Het ''N.v.d.D. schijnt echter in staat te zijn geweest om zelfs na hetgeen uit het Handschr. publiek geworden was, nog een maand lang te denken, dat het wel echt kon zijn! — ’t Is evenwel waar, het ''N.v.d.D.'' had het eerst de belangrijke vondst wereldkundig gemaakt!!
25 of 26 augustus: Bildtsche Courant
[Niet op web; eveneens het overgenomen bericht uit NvdD 23-8 (“vernemen wij thans uit goede bron”), zoals blijkt uit LC 27-8.]
Zaterdag 26 augustus: Heldersche Courant
{scan} [bl. 1 kol. 1: Als citaat in Vaderland 24-8: “... te Helder, meldt men aan het Nieuws van den Dag thans nader, ...”]
Zondag 27 augustus: Leeuwarder Courant
{scan} [bl. 2 kol. 1: Als boven: “...te Helder, vernemen wij thans uit goede bron, zegt de Bildtsche Courant, ...”]
Dinsdag 29 augustus: Leeuwarder Courant
{4-scan/wiki} [bl. 5 kol. 1-2] Historische Mengelingen.
Der Friezen Herkomst volgens het boek van Adela.
Onder dezen titel is onlangs verschenen een „Verslag omtrent een overoud Handschrift, bij het Friesch Genootschap van geschied-, oudheid- en taalkunde te Leeuwarden uitgebragt door Dr. J.G. Ottema.”
Dit stuk heeft met alle regt opzien gebaard, en is in sommige dagbladen hieran korte melding gemaakt. Daar het alle onderscheiding verdient, willen wij er hier een wat uitvoeriger overzigt van geven.
Dat Handschrift wordt sinds onheugelijke jaren bewaard in de familie van den Heer C. over de Linden te Helder, zonder dat iemand de herkomst daarvan wist of den inhoud er van kende wegens de onbekendheid van schrift en taal. Sedert genoemde heer aan het Friesch genootschsp toestond daarvan een afschrift te doen vervaardigen, is de Heer E. Verwijs begonnen het schrift te lezen en de taal voor oud-friesch te verklaren, waarna het aan den volhardenden ijver Dr. Ottema is gelukt, om het schrift geheel te ontcijferen en den tekst te verklaren. Dat schrift, hetwelk met geen der bekende lettervormen overeenkomt, gelijkt oppervlakkig nog het meest op het kapitale Grieksche schrift, zoo als het op monumenten of in de oudste handschriften voorkomt en behoort tot den vorm, dien men lapidair of steenschrift noemt. De wijze, waarop dit schrift en zelfs de cijfers zijn gevormd (in een cirkel met lijnen doortrokken die een rad met spaken verbeelden), is in het stuk zelf zoo uitvoerig beschreven, als men het van geene taal kan aanwijzen. Het bestaat uit 34 letterteekens, zoo als ook blijkt uit het facsimile of de photografische afdruk, die van het origineel is genomen. Het papier, groot kwarto van formaat, is katoen papier, en is dit afschrift van verschillende vroegere oorkonden vervaardigd in 1256 door Hiddo overa Linda.
De taal is overoud Friesch en ouder dan de taal der oude Friesche Wetten of het Rjuchtboek, en daarvan in vele vormen en spelling verschillende, zoodat zij een geheel afzonderlijken tongval of dialekt vertoont. Blijkens lokale aanwijzingen moet het de taal geweest zijn zoo als die gesproken werd in het eerste der zeven Friesche Zeelanden, tusschen het Flie en de Kinhem, later West-Friesland of Noord-Holland geheeten. De stijl is even als de spelling hoogst eenvoudig en ongedwongen, ’t geen te opmerkelijker is, omdat verschillende schrijvers aan het boek gewerkt hebben, en het laatste gedeelte vijf eeuwen later geschreven is dan het eerste. Als antiquiteit van taal en schrift is het werk dus eenig in zijne soort.
Het draagt den naam van: het boek van Adela’s helpers. Als schrijfster van het eerste gedeelte noemt zich Adela, de vrouw van Apol, grevetman over de Lindaoorden. Het is vervolgd door haren zoon Adelbrost en hare dochter Apollonia, die ook het tweede boek schreef. Een derde boek is, welligt 250 jaren later, geschreven door Frethorik en vervolgd door zijne weduwe Wiljow, hun zoon Konered en hun kleinzoon Beeden. De schrijver van het laatste gedeelte is onbekend.
De tijdrekening hecht zich vast aan het verzinken van het Atland, in de Noordzee , door den Cimbrischen vloed, hetgeen op 2193 jaren voor onze jaartelling gesteld wordt (*). In het eerste gedeelte wordt de moord, gepleegd aan Frana, eeremoeder op Texland, gesteld op het Jaar 1604 nadat Atland verzonken is. Het latere gedeelte bevestigt de geschiedenis van de bekende Koningen van Friesland, Friso, Adel enz. Die Friso is wel uit Indië gekomen met de vloot van Nearchus, maar hij is daarom geen Indiër: hij is van Friesche afkomst, van Frija’s volk. Hij behoort namelijk tot eene kolonie Friezen, die na den dood van Nijhellénia, 15 ½ eeuwen voor Chr. onder aanvoering eener priesteres Geert, zich aan den Pangab (Indus) neergezet en den naam van Geertmannen aangenomen had: een naam, die bij Strabo als die van een volksstam voorkomt. Zij deden dien togt door de straat, welke in die tijden nog (uit de Middellandsche zee) op de Roode zee uitliep, dus vóór nog de landengte van Suez gevormd was. Ja zelfs vermeldt dit handschrift de merkwaardige bijzonderheid‚ dat, kort na de doorvaart van die Geertmannen het land als een wal is opgerezen, zoodat het water de straat uitliep. Dit zal dus geschied zijn na den tijd van Mozes, die Exodus XIV:1 spreekt van Pi ha chiroht, den mond der zeeëngte, zoodat tijdens de uittogt (1564 jaren voor Chr.) de streek tusschen Suez en de Bittermeeren nog bevaarbaar was, maar bij lagen waterstand droogvoets kon worden doorgetrokken.
(*) Dewijl de aanval van Demetrius op Rhodus (305 jaren voor Christus) gesteld wordt op 1888 na Po ron van Atland, zoo volgt daaruit het genoemde cijfer van 2193 jaren v. Chr.
Doch er zijn meer punten uit de geschiedenis, die door de berigten van dit handschrift worden toegelicht, als daar zijn: het vervoeren der vloot van Alexander den Groote over den Isthmus; hoe na zijn dood Friso reden vond om met zijne manschappen het oorspronkelijke moederland Friesland weder op te zoeken; de komst en het verblijf van Ulysus bij de Burgtmaagd Kalip op Walhallagara; de geschiedenis van Min-erva Nijhellenia en de stichting van Athene, en vooral omtrent de Friesche Godenleer in het voorchristelijk tijdvak, waaruit wij zoo weinig weten.
Die godsdienst is hoogst eenvoudig en een zuiver Monotheisme of eenheid van het goddelijk wezen. Wralda (of wr alde, dat is overoude) of Wralda’s geest is het eenige, eeuwige, onveranderlijke, volmaakte en almagtige wezen, dat alle dingen heeft geschapen , eerst de aanvang, dan de tijd en vervolgens Irtha, de Aarde. Deze baarde drie dochters: Lyda, Finda en Frija, de stammoeders der drie menschenrassen: het zwarte, het geele en het blanke (Afrika, Azië en Europa). Als zoodanig is Frija de moeder van Frija’s volk, de Friezen. Zij is de vertegenwoordigster van Wralda en wordt als zoodanig vereerd. Frija heeft hare tex gegeven, de eerste wet, en de eeredienst ingesteld van het eeuwige licht. Die dienst bestaat in het onderhouden van de altijd brandende lamp, foddik, door priesteressen, maagden; aan het hoofd daarvan staat op alle burgten eene Burgtmaagd; de opperste daarvan is de Eeremoeder op den Frija’sburgt op Texland (Texel). Deze Eeremoeder heerscht over het geheele land; de Koningen mogen niets doen, er mag niets geschieden buiten haren raad en goedkeuring. (Men denke hierbij aan Veleda bij Tacitus, Hist. IV:61). De eerste eeremoeder is door Frija zelve aangesteld; zij heette Fâsta. Met één woord, wij ontmoeten hier de prototype van de Romeinsche Vestadienst en de Vestaalsche maagden, gelijk ook van de godin Fosta, die men wil, dat op Ameland vereerd werd.
De Tijd is de Kroder, de kruijer, die eeuwig met het jol of joel, het wiel, moet rondloopen, en voeren de zon langs hare baan door het stergewelf van winterzonnestand tot winterzonnestand. Zoo vormt hij de jaren, waarbij elke omwenteling van het wiel een dag uitmaakt. Te midwinter wordt het joelfeest gevierd op Frija’sdag. Dan worden koeken gebakken in den vorm van het zonnerad, want van dat Jol heeft Frija de letters gemaakt, toen zij hare tex schreef. En het jolfeest is daarom ook een feest ter eere van Frija als uitvindster van het letterschrift, waarin dit stuk is geschreven.
Even als dit jolfeest in Denemarken en geheel Duitschland door de christenheid op het Kersfeest en in ons land op St. Niklaasdag verplaatst is, even zoo zeker zijn onze St. Niklaaspoppen, de vrijer en vrijster, eene herinnering aan Frija, en onze St. Niklaas-banketletters eene gedachtenis aan Frija’s, van het zonnerad gevormd, letterschrift.
Ziehier slechts eenige weinige punten uit dit belangrijk verslag. Zij mogen eenig denkbeeld geven van den rijkdom van dit merkwaardige handschrift. Want al loopen er sagen onder, ook als sagen moeten zij waarde hebben voor ons, dewijl alle historie begint met overlevering en er van den sagenschat onzes voorgeslachts zoo goed als niets was overgebleven.
Hartelijk wenschen wij, dat de Heer Ottema weldra in de gelegenheid gesteld moge worden dit stuk in het geheel met eene vertaling en historische toelichtingen in het licht te geven, ten einde de door zijn verslag opgewekte belangstelling te bevredigen, en onze letterkunde met een gewigtige historische bron te verrijken.
Dinsdag 5 september: Leeuwarder Courant
{5-scan/wiki} [M. de Haan Hettema — Oud-Friesch handschrift, in bezit van den Heer C. Over de Linden te Helder]
Zondag 10 september: Leeuwarder Courant
{6-scan/wiki} [J.G. Ottema — Eene reis langs den Rijn in de zesde eeuw voor Christus]
Dinsdag 12 september: Leeuwarder Courant
{7-scan/wiki} [G. Colmjon — Nog iets over het Oud Friesch handschrift]
Donderdag 14 september: Het Vaderland
{scan} [bl. 2 kol. 5] Over het zoogenaamd oud-Friessche handschrift van den heer Over de Linden te Helder hebben wij in ons nummer van 24 Juli ll. het onze gezegd.
Sedert is daarover in de Leeuwarder Courant allerlei quasi-geleerdheid opgenomen. En zelfs het N.v.d.D., dat toch dagelijks blijken geeft, van ons de eer te doen, ons niet ongelezen te laten, ging voort met over dat H.S. van tijd tot tijd in vollen ernst berichten mee te deelen.
Het eerste degelijke stuk over tet H.S. vindt men nu in de Leeuwarder Ct. van heden. Het is van de hand van den heer G. Colmjon. En wij hopen, dat daar mede een einde zal gemaakt zijn aan de liefhebberij, die sommigen schijnen te hebben om hun critische blindheid tegenover dit Handschrift aan de groote klok te hangen.
Terecht stelt de heer Colmjon de vervaardiging op 1853; dewijl er van de Zwitsersche paalwoningen in gesproken wordt.
Wij voegen ten slotte hier nog bij, dat de vervaardiging zelfs in ernst de zoogenaamde Burgtmaagd, die het stuk een eeuw of wat voor Christus zou geschreven hebben, laat verhalen, dat Neptunus een Vi-king of zeekoning geweest is, die door zijn onderdanen gewoonlijk Neef-Teunis genoemd werd!
Verscheiden Friesche zoogenaamde geleerden hebben maanden lang de belangrikheid aangetoond van de stukken papier, waarp o.a. zulke zottenpraat stond, — als gedateerd uit 600 v.C.
Het artikel, waarin de heer G. Colmjon de zaak afmaakt, is daarentegen hoogst nauwkeurig en critisch bewerkt. Bij de blindheid van zooveel andere geleerden was een geleerd stuk noodig om aan de mystificatie een einde te maken.
Des te meer dank verdient dus de heer Colmjon; — ofschoon anders zijn grondig onderzoek te veel eer is bewezen aan de papieren uit de familie van den heer Over de Linden.
Vrijdag 15 september: Het Nieuws van den Dag
{scan} [bl. 2 kol. 4] Nog altijd tobt het Vaderland over het gewaande Oud-Friesch handschifft, waaromtrent wij reeds lang geleden het oordeel van den kundigen Frieschen archivaris Colmjon mededeelden. Erkennen wij echter dat het blad zich in het mededeelen van bewijzen voor de onechtheid van het stuk bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt.
Zaterdag 16 september: Heldersche Courant
{scan} [bl. 2 kol. 1-2] In het Vaderland van [m.z.: eer-] gisteren leest men het volgende: [zie verder genoemd bericht]
Zondag 17 september: Leeuwarder Courant
{8-scan/wiki} [J. Winkler — Over het oude friesche Handschrift]
Dinsdag 19 september: Leeuwarder Courant
{9-scan/wiki} [J.G. Ottema — Thet Bok thêra Adela folstar]
Woensdag 20 september: Deventer Weekblad
{10} [titel bekend, artikel nog niet beschikbaar] Een letterkundige snakerij
Na 25 september: brochure Colmjon
{11-scan/wiki} [getekend 25-9, maar pas daarna gedrukt]
Woensdag 27 september: Heldersche Courant
{12-scan/wiki} [J.G. Ottema — Friesch handschrift (...) Wederlegging der bedenkingen van de Heer G. Colmjon tegen de echtheid]
30 September t/m 4 november: De Nederlandsche Spectator
[{13} 30 sept. bl. 307 (M.) — Verwantschap, {14} 7 okt. bl. 311 (L.P.C. van den Bergh) — Het onlangs ontdekte friesche handschrift; {15} 7 okt. bl. 311-313 (P.A.S. van Limburg Brouwer) — Het handschrift, bl. 315 (anon.) — {16} 7 okt. bl. 315 Eene bescheiden hypothese (Piet Paaltjens de auteur?)]
{17-wiki} [14 okt.; bl. 322-323 (J.G. Ottema) — Adela’s boek (brief aan L.P.C. v/d Bergh)]
[{18} 21 okt. bl. 330-331 L.W.d. (Johan de Wal) - Een verzoek om revisie; {19} 28 okt. bl. 335 J. van Vloten - Waarde Heer Spectator!; {20} 28 okt. bl. 339 Het allernieuwste handschrift; {22} 4 nov. bl. 343 (C. Over de Linden) — Het Friesche handschrift]
Woensdag 8 november: Deventer Weekblad
{23} [J. van Vloten] — Het nieuwste nieuws omtrent het Friesche Handschrift [n.a.v. het bericht in Spect. 4-11-1871] — Deventer weekbl. 8-11-1871 [volgens kleindochter M. Mees-Verwey: De betekenis van Joh. van Vloten (1928); bl. 344 was v.Vl. de schrijver].
Zaterdag 11 november: De Nederlandsche Spectator
{24} [bl. 353 (W.d.L. = Johan de Wal) — Naschrift op mijn “Verzoek om revisie”]
Midden november: Prospectus uitg. Kuipers
{21-scan} [naar een door Ottema gecorrigeerde drukproef]
Prospectus. / Thet Oera Linda Bok.
[1] Onder dezen algemeenen titel wordt eene verzameling van geschriften aangeboden, van welke het eerste tot opschrift draagt: „Thet bok thêre Adela folstar” en geschreven is door Adela, de vrouw van Apol Grêvetman ovir tha Linda wrda, het tweede door Apollônia hare dochter; de overige door hare latere nakomelingen Frêthorik en Wiljow, hun zoon Konerêd, en kleinzoon Bêden, welke alle den toenaam oera Linda voeren. De beide eerste stukken geven allerbelangrijkste berigten omtrent het land, het volk, den maatschappelijken toestand en de godsdienst der Friezen in de vroegste eeuwen. De latere stukken bevatten eene geschiedenis van Friso en zijne opvolgers.
Die schrijfsters en schrijvers doen zich kennen als tijdgenoten van de gebeurtenissen, die zij verhalen, of geven rekenschap van de herkomst der berichten, welke zij mededeelen.
Het geheel is eene merkwaardige bijdrage tot de oude Friesche letterkunde, die tot nu toe alleen vertegenwoordigd werd door eene verzameling van wetten, het Friesche Rjuchtboek in zijne verschillende bewerkingen. Doch de bovengenoemde geschriften onderscheiden zich boven dit laatste door eene grootere zuiverheid van taal en spelling.
Daar dit werk reeds veel is besproken in Dag- en Weekbladen, achten wij de aandacht, het zij uit belangstelling, het zij uit nieuwsgierigheid, er genoeg op gevestigd, om eene uitgave bij Inteekening te beproeven.
Hier geven wij eene bladzijde uit het geschrift van Frêthorik tobinomath oera Linda, de aankomst van Friso te Staveren.
[2] Twa jêr nêi that Gosa moder wrde (...) thêr hir after skil folgja.
[3] Twee jaren nadat Gosa Eeremoeder werd (...) die hierna volgen zal (...)
[4] Voorwaarden van inteekening.
Bij genoegzame deelneming zal Thet Oera Linda Bok, vertaald en bewerkt door Dr. J.G. Ottema, worden uitgegeven in pl.m. 20 vel druks, gr. 8°.
Twee gesteendrukte platen naar eene photographische afbeelding van het orgineele handschrift zullen er worden bijgevoegd.
De prijs zal niet hooger zijn dan ƒ 3.—. Wat het meer dan 20 vel druks wordt, ontvangen de Inteekenaren gratis.
Leeuwarden, November 1871. / H. Kuipers, Uitgever.
[met inschrijfbillet]
Woensdag 22 november: Algemeen Handelsblad
{scan} [bl. 3 kol. 2] Naar wij vermemen, zal door den uitgever H. Kuipers te Leeuwarden, bij genoegzame deelneming worden uitgegeven het reeds zoo dikwijls besoroken Friesche Handschrift, in het bezit den heer C. Over de Linden.
Het werk zou p.m. 300 pag. beslaan en naast den Frieschen tekst de Nederl. vertaling door dr. J.G. Ottema bevatten, terwijl daaraan zouden worden toegevoegd twee lithografieën van photografische afbeeldingen van 2 bladzijden uit het manuscript.
Het is voor de geschiedenis, taal- en letterkunde te wenschen, dat dit belangrijke geschrift, voor welks uitgave het Friesche Genootschap voor Oudheid, taal-en letterkunde geen genoegzame fondsen beschikbare schijnt te hebben, veler belangstelling moge te beurt vallen. Eerst door de uitgave van het geheele werk kan het geheimzinnige worden opgehelderd, dat nog over dit handschrift verspreid ligt.
Vrijdag 24 november: Het Nieuws van den Dag
{scan} [bl. 2 kol. 4] Door den boekhandelaar H. Kuipers, te Leeuwarden, wordt eene poging gedaan om het veelbesproken oud-Friesch Handschrift van den Heer C. Over de Linden, te Den Helder, in druk verkrijgbaar te stellen. Deskundigen zouden hierdoor gelegenheid kunnen bekomen het bestaande verschil van gevoelen uit den weg te ruimen. Bij den oorspronkelijken tekst zal eene verbetering [m.z.: vertaling], door Dr. J.G. Ottema bewerkt, gevoegd worden.
Zaterdag 25 november: Heldersche Courant
{scan} [bl. 2 kol. 2] Naar men verneemt, ... [als in bericht AHb 22-11] ... C. Over de Linden, alhier.
Het werk ... [als in AHb] ... het manuscript.
Door de uitgave ... [als in AHb]
{25-scan/wiki]} De Navorscher, jg. 21, bl. 556-560.
Zaterdag 16 december: De Nederlandsche Spectator
{26} [bl. 349 Flanor (C. Vosmaer) — De uitgave van “Thet Oera Linda Bok” is aangekondigd]
Noot
- ↑ Bekend door verwijzing in ander bericht. Datum is onzeker.