Jump to content

1871 Colmjon

From Oera Linda Wiki
Revision as of 10:20, 9 September 2025 by Jan (talk | contribs) (Jan moved page 1871 Nog iets van Colmjon to 1871 Colmjon without leaving a redirect)
Gerben Colmjon in: Leeuwarder Courant, dinsdag 12-9-1871 LC (JJK 7)

Nog Iets

over het Oud Friesch handschrift, in bezit van den Heer C. Over de Linden te Helder.

Het is eigenlijk geheel tegen mijn zin en voornemen, dat ik de pen opvat, om over het handschrift, hierboven genoemd, in het publiek nu reeds iets te vergen. Ik was nl. tot hiertoe van meening, dat de wijze, waarop ik met dat geschrift bekend ben geworden, mij in zekeren zin zulks verbood. Het stuk toch was niet uitgegeven; het bevond zich in handen van den heer dr. J.G. Ottema, lid van het Friesch genootschap van geschied-, oudheid- en taalkunde, die, het wenschelijk achtende, dat het met eene Hollandsche vertaling en eene overzetting in nieuw Friesch zoude worden uitgegeven, mij verzocht deze laatste te willen bewerken, en, nadat ik zulks gereedelijk had op mij genomen, mij eene kopie er van tot dat doel ter hand stelde. Ik kreeg dus het stuk om het te vertalen, en niet om er gebruik van te maken voor een publiek tegenschrift op het door hem gegeven verslag van het handschrift; waarom ik mij dan ook stellig voorgenomen had, niets aande mijn oordeel over het stuk in het openbaar te laten uitgaan, zoo lang het niet door den druk tot algemeen eigendom was geworden, en ik zou aan dat voornemen getrouw gebleven zijn, indien de heer jhr. mr. de Haan Hettema, in zijn opstel over het handschrift, in het Bijvoegsel der Leeuwarder Courant van dinsdag 5 September jl. niet mijn naam had genoemd, met eene bijvoeging, die zoo ietwat heeft van eene beschuldiging — van onoplettendheid nl. bij het lezen van het handschrift —, wat ik meen, dat het mij thans ten plicht maakt, te doen zien, dat die beschuldiging niet door mij verdiend is.

De heer Hettema zegt daar, dat ik mij om het schrift niet bekommerd heb. Ik meen te mogen vragen, hoe hij dit weet? Het is waar, in een paar dagbladen heeft een bericht gestaan, dat ik het handschrift voor onecht hield, hoofdzakelijk op grond dat de stijl te nieuwerwetsch is, zonder meer; maar hoe weet de heer H., dat dit bericht waarheid, of dat het de geheele waarheid bevatte? Het was toch geen richt van mijzelven uitgegaan, en al mag men aannemen, dat in den regel courantenberichten waarheid behelzen, de geheele waarheid hebben ze al dikwijls niet, zoodat het vrij onvoorzichtig en voorbarig is, daaruit bepaalde besluiten op te maken.

Ten bewijze nu dat de heer H. inderdaad te voorbarig is geweest, meen ik thans te moeten verklaren, dat, zoodra ik de drie gephotegrafeerde bladen onder de oogen kreeg (het handschrift zelf heb ik slechts een oogenblik, nauwelijks vijf minuten lang, gezien), het letterschrift mij zeer verdacht voorkwam, zoodat ik onder anderen aan den heer dr. J. van Vloten, toen deze den 3 Junij jongstleden de prov. bibliotheek bezocht, mede op grond daarvan, mijn vermoeden van onechtheid van het stuk te kennen gaf.

Hieruit moge blijken, dat ik op het schrift wel heb gelet; toch is het waar, dat ik er mij niet veel om bekommerd heb, omdat ik meende in het stuk meer stellige bewijzen voor de onechtheid te vinden. Het letterschrift en de stijl hadden slechts een vermoeden van de onechtheid bij mij opgewekt; waarop zich echter een meer bepaald gevoelen bij mij vestigde, kan blijken uit het volgende schrijven van den 7 Augustus jl. aan den heer dr. J.G. Ottema. dat ik thans de vrijheid neem, in zijn geheel hier mede te deelen; terwijl ik dan nog een paar opmerkingen zal laten volgen.

WelEdele Zeer Geleerde Heer!

Van het eerste oogenblik af, dat ik in de gelegenheid was, een oog te slaan in het Boek van Adela, heb ik, zooals ik u dan ook reeds heb gezegd, getwijfeld aan de echtheid van dat geschrift. Niets is dus natuurlijker, dan dat ik, zoodra het geheel in mijne handen was, 't met vlijt begon te lezen, om te zien, of mijn twijfel inderdaad eenigen bewijsbaren grond mocht hebben.

Mijn vermoeden, dat het stuk niet echt zou zijn, grondde zich reeds terstond op den stijl, den bouw der volzinnen en sommige uitdrukkingen, die mij in zulk een oud stuk te nieuwerwetsch voorkwamen.

Het is waar, wij kennen geene stukken in eenige Germaansche taal geschreven, die tot zoo hoogen ouderdom opklimmen, en vergelijking daarmede is dus onmogelijk. Wij bezitten echter wel stukken, die toch betrekkelijk zeer oud mogen heeten, en wat vooral hier in aanmerking moet komen, is het eeuwenoude Friesch onzer wetten en het nog oudere Angelsaksisch.

Wanneer men nu eenige kennis heeft van de taal, zooals die in deze stukken, die wij weten, dat echt zijn, voorkomt, en men ziet dan, dat de taal in het Boek van Adela, wat stijl en wijze van zeggen betreft, veel meer overeenkomst heeft met het nieuwere Friesch en Nederduitsch met het oud Friesch en andere oude met het Friesch verwante talen, dan moet dit wel een sterk vermoeden van onechtheid van het genoemde boek verwekken.

En dit is inderdaad met het onderhavige geschrift het geval. Talrijke plaatsen zijn woord voor woord in hedendaagsch Hollandsch of Friesch over te schrijven, zonder dat men eenige omzetting behoeft te maken, om een behoorlijken nieuwerwetschen stijl te hebben. Ik zal mijn gezegde met enkele voorbeelden trachten te staven.

Bl. 10 leest men: That forma hwat hiu hira bern lërde wab selvtwang that othere was lyafte to duged and tha hja jëroch wrden tha lërda hju hjam thju wertha fen tha frydom kenna hwand seide hju sonder frydom send alle othera dugedon allëna god vmbe jo to slavona to makiande juwe ofkumste to ëvge skanthe.

Vertaling: Het eerste wat zij hare kinderen leerde was zelfbedwang (zelfbeheersching), het tweede was liefde tot deugd, en toen zij mondig werden, toen leerde zij hun de waarde van de vrijheid kennen; want, zeide zij zonder vrijheid zijn alle andere deugden alleen goed om u tot slaven te maken, uwe afkomst tot eeuwige schande.

Bl. 31. Tha roka hropath spar, spar men hia stëlon and wrslinath alwat under hiara snavela kumath.

Vertaling: De roeken[1] roepen: spaar, spaar! maar zij stelen en verslinden al wat onder hare snavels komt.

Bl. 36. That likt en ordël seidan tha prëstera men aste nu mënste that pest thruch usa dumhëd kumth skolde Nyhellenia than wel sa god wesa willa umbe us ewat fon that nya liucht to lenande hwëruppa hiu sa stolth is.

Vertaling: Dat gelijkt een oordeel, zeiden de priesters, maar als gij nu meent, dat (de) pest door onze domheid komt, zou N. dan wel zoo goed wezen willen om[2] ons iets van dat nieuwe licht te leenen, waarop zij zoo trotsch is?

Iets verder staat: Wi willath bilawa that thin rëd god sy sëidon tha prëstera men seg us ho skilun wi ther alle manniska to kregia.

Vertaling: Wij willen gelooven dat uw raad goed zij, zeiden de priesters, maar zeg ons, hoe zullen wij daar alle menschen toe krijgen?

Bl. 38. Thruch lesta wiston hia hiare selva master to makiande fon usa ëwa.

Vertaling: Door list wisten zij zich zelve meester te maken van onze wetten.

Bl. 39. Thak althus weifaren was mith mina liud fon Athenia këmon wi to tha lesta an en ëland thruch min liud Krëta heton uma wilda Krëta tham et folk anhyv by usa kumste tha as hia sagen that wi nin orloch int skeld foren wrdon hia mak.

Vertaling: Toen ’k aldus weggevaren was met mijne lieden van Athene, kwamen wij ten laatste aan een eiland, door mijne lieden Kreta geheeten, om de wilde kreten, die het volk aanhief bij onze komst; doch als zij zagen, dat wij geen oorlog in ’t schild voerden, werden zij mak.

Ziedaar de vertaling van eenige plaatsen (die ik nog met een groot aantal zoude kunnen vermeerderen; want de laatste is nog slechts van bl. 39, en ik heb alleen die genomen, waarop door de eene of andere uitdrukking, meer bijzonder mijn aandacht viel), bijna alle met behoud van dezelfde woorden en geheel in de oorspronkelijke woordschikking. Ik meen, met het oog op de oude geschriften, die wij bezitten en die werkelijk als echt erkend zijn, dat eene zoo woordelijke vertaling, uit een zooveel ouder stuk — want dit is uit het oudste gedeelte, dat door Adela, en dus in het jaar 558 vóór Chr. geschreven zou zijn — eene onmogelijkheid zou zijn.

Door u wordt de groote overeenkomst van de taal in het Boek van Adela met het nieuwere Friesch en Hollandsch toegeschreven aan hare beschaafdheid. Mijns inziens mag ze echter volstrekt niet beschaafd genoemd worden. Die beschaafdheid moest niet slechts blijken uit den meer volkomen bouw der volzinnen, de schikking der woorden, maar daarmede moest gepaard gaan nauwkeurigheid in het gebruik van de buigingsvormen in de verschillende naamvallen bij de zelfst. naamw., zoowel als in de conjugatie der werkwoorden, en dit is hier zeer gebrekkig. Het zou mij te ver leiden, hier daarvan voorbeelden bij te brengen; mocht echter, het stuk worden uitgegeven, dan zal ik daar nader op terug komen. Thans meen ik te kunnen volstaan, met eenvoudig u aan te raden, eens nauwkeurig, over eenige pagina’s slechts, het gebruik van het lidwoord na te gaan, en de verwarring, die daarin heerscht, zal u terstond in het oog vallen.

Nog meer moet de gelijkheid met onze nieuwe talen ons treffen, wanneer wij letten op sommige zegswijzen, bv. bl. 3. Tha thene magy dat anda nôs kryg. Toen de magy dat in den neus kreeg. — Ald. Nei min ynfalde myning, naar mijn eenvoudige meening. — bl. 4. anda brûd sitta, in den broei zitten, of Fr. in ’e brând sitte. — bl. 16, 33. falikant utkuma, verkeerd uitkomen. Dit woord falikant, steeds met t geschreven, kan niet als fa-likand worden gelezen,[3] want het part. act. wordt steeds in deze bladen met d gespeld. Zie voorts Kiliaan en Weiland op faliekant, aldmede Halbertsma, Aant. op Maarland, 4e boek, bl. 138. Volgens dezen laatste zeide men eerst faaljekant en is de uitspraak falikant van later tijd. Het woord komt van het oud Holl. ww. faelgen, nu falen, Fr. faillir. — Bl. 36. Wel muglik andere H. Wel mogelijk, antwoordde H. — Bl. 45, fon a wis rakath, van de wijs geraakt. — Bl. 49 en vele andere plaatsen: lik as, zoo als wij ’t nog zeggen, terwijl men in de oude Fr. wetten bijna altijd vindt alsa lik sa, — bl. 51, allet öre folk is nul int siffer. Al het andere volk is nul in ’t cijfer. — Bl. 65. Thisse alde rob, deze oude zeerob. — Bl. 54. As of et barn wëren. Alsof het kinderen waren. — Bl. 59. Tha tha Thyriar thus fry spel hëden. Toen de Tyriers dus vrij spel hadden. — Bl. 63. Hiu wilda buppa M. utminthia, zij wilde boven M. uitmunten. — Bl. 124. That bisawd ûs and likt ûs mal to. Dat bisaude ûs end like ûs mal ta (nieuw Fr.). — Bl. 149. Net krek lik. Net krekt lîk (nieuw Fr). Vooral is ’t opmerkelijk dat net met e is gespeld; in de oude Friesche wetten vindt men slechts nawet, naut, nat. — Bl. 155. Awet hwat im afternei sa wel to pase këm, iets, wat hem naderhand zoo wel te pas kwam. — Ald. En ëlle liawe fam, eene heel lieve meid. — Bl. 156. Far sa fëre ik hia hav kanna lëred, voor zoover ik haar heb leeren kennen. — Bl. 160, ëndracht is sok rakath, eendracht is zoek geraakt. — Ald. Glad urjetten, glad vergeten. — Bl. 202. Ther hia allera distik les krëion int ryda and int handtëra fon allerleia wëpna. Daar zij dagelijks les kregen in ’t rijden en in ’t hanteeren van allerlei wapenen, enz. enz.

Voorts moest men, meen ik, de volgende woorden in zulk een oud geschrift niet aantreffen: Bl 2, untfryast, ontfriescht, of van Frija’s volk verbasterd. — Bl. 20, markield, marktgeld. In de oudste stukken vindt men niet mark, maar marked, market, merked, merket. — Bl. 48 en 57, folkplantinga, volkplantingen. — Bl. 53, tus, te huis. — Bl, 66. Nei, ergens heen. Nei komt in ’t oud Fr. slechts voor in de beteekenis van Holl. nabij, Angels, neh, nieh, nih, en in die van Holl., na, achter; volgens. In den zin als ’t hier staat, vindt men in ’t oud Fr. even als in ’t Angels, steeds to, in ’t Oud en Middelhoogd. Ze zuo. — Bl. 98, formlëre, vormenleer. — Bl. 158, aiendommelikhëd, eigendommelijkheid. — Bl. 159, bosa nygonga, booze neigingen. — Bl. 163, himellaya, gevormd uit himel hemel, en laya (oud Fr., leda) leiden, komt mij te gezocht voor, even als ook de verklaring van delta door laagte, (omdat del in ’t hedendaagsch Friesch nederwaarts beteekent) en verder bijna alle naamverklaringen. — Bl. 164, Fiuchta umb sëda and gelav, vechten om zeden en geloof. Ik ben van meening, dat het woord geloof toen nog niet in dien zin kan gebruikt zijn. — Bl. 190. Hushalden, in de beteek. van huisgezin.

Dan vind ik de volgende woorden, uit het Latijn, die mij verdacht voorkomen: In de voorrede B. staat: Hwat ther jeta rest fon us alde sedum. Wat er nog overig is van onze oude zeden. Hoewel niet in het stuk zelf, maar in het geschrift van Liko overa Linda van 803 voorkomende, meen ik toch op dit rest van Lat. restare te moeten wijzen, omdat het juist staat in de beteekenis, waarin alleen het in ’t Nederduitsch is overgegaan. In ’t Friesch is ’t werkwoord niet opgenomen, en dat onze voorouders ’t niet eens hebben verstaan, blijkt daaruit, dat het subst. rest, eig. overschot, bij hen de beteekenis van eene groote menigte aannam, bv. en rest bunken, een menigte beenderen. — Bl. 51, nul, van Lat. nullus. Ook dit woord moet wel argwaan verwekken, omdat het juist voorkomt in den zin als in de nieuwere talen, terwijl het in ’t Latijn een veel ruimere beteekenis had. — Voorts Bl. 114 skol, leerschool, Lat. schola. Op altar (bl. 38) Lat. altare; tohnekna (bl. 91) Lat. tunicae, en tohnekka (bl. 95) Lat. tunica, wil ik geene aanmerking maken; men zou des noods kunnen beweren, dat beide talen ze uit eene nog oudere taal hadden, of zelfs dat ze uit het Friesch in ’t Latijn waren overgegaan.

Wat echter mijn vermoeden van onechtheid nog versterkt is, dat ik ook Fransche woorden vind; bv. bl. 2, 21, 23, 197 en 202 handtëra of hantëra, hanteeren. De uitgang eeren is Fransch. Verg. te Winkel, Grondbegins. der Ned. spelling, Leid. 1865, bl. 45. — Bl. 30, 145, 149, krek, nu meest krekt, Fransch correct van Lat. correctus. — Bl. 124 pront, Fransch prompt, van Lat. promptus. — Bl. 149 partia en bl. 153 partyia, partijen. Fransch parti — Bl. 151 skankadia, schenkaadje, geschenk. De uitgang aadje is het Fraasche age. Verg. te Winkel, bl. 195.

Sommige woorden dragen de duidelijkste kenmerken van opzettelijke verknoeiing met zich. Ik breng daartoe: Bl. 3 lunsyakte, longziekte; Bl. 54 amering, van het nieuw Friesche amery, dat samengetrokken is uit Ave Maria, (Fr. Mary). In een amery iets doen, is het doen in den tijd, dien er noodig is tot het opzeggen van het A.M. — Bl. 125, 197, 201 saltatha van soldaten.

Mij dunkt, wanneer men dit alles in aanmerking neemt, kan het niet anders of men moet het voor onmogelijk houden, dat het Boek van Adela van zoo hoogen ouderdom zou zijn, als het heet te zijn. Wat echter aan allen twijfel een einde maakt, is, naar ik meen, hetgeen men vindt bl. 64. Men leest daar: Anda ora syde there skelda hwer hia tomet the fert fon alle seh have ther makath hia hiuddegon skriffilt fon pompebledar; thermith sparath hia linnent ut, enz. Dat zal moeten zijn: Aan de andere zijde der Schelde, waar men bijna de vaart vaart van alle zeeën heeft, daar maakt men tegenwoordig papier van pompebladen (een waterplant); daarmede spaart men linnen uit. — Ik heb op allerlei wijze gezocht om van skriffilt iets anders te maken dan papier (vilt om op te schrijven), maar het is mij niet mogen gelukken, en heb ik nu goed vertaald dan doe ik de vraag, hoe kon er in de 6e eeuw voor Chr. (want deze plaats komt voor in het oudste, door Adela geschreven gedeelte) hoe kon er toen sprake zijn van het uitsparen van linnen, door het gebruiken van eene andere stof tot het vervaardigen van papier, terwijl het linnenpapier, naar ’t schijnt, eerst in ’t begin der 14e eeuw na Chr. werd uitgevonden?

WelEd. Zeergel. Heer! In aanmerking nemende wat ik hierboven heb neergeschreven, kan het niet anders of ik moet mij van de onechtheid van het Boek van Adela overtuigd houden. Gij weet, dat ik een vurig beminnaar ben van onze oude, en toch nog zoo maagdelijk schoone Friesche taal. ’t Is dan niet zonder een innig gevoel van weemoed, dat ik dit schrijven, dat een vond, die voor de beoefening der Friesche taal misschien een nieuw tijdperk zoude openen, als nul en van geene waarde moet verklaren, u aanbied, en ik zou, indien eenige hoop daarop bij mij overig was, hartelijk wenschen, dat mij aangetoond werd, dat ik dwaal. Dwaal ik niet, en wordt zulks door u erkend, dan zal ik u mede mijn vermoeden omtrent den tijd, waarin het stuk moet gemaakt zijn, enz. doen kennen. Met belangstelling zie ik uw antwoord te gemoet.

Ik heb de eer met de meeste hoogachting mij te noemen,

UwEd. Zeergel. Dw. Dienaar, G. Colmjon.

Leeuwarden, den 7 Augustus 1871.


Hetgeen ik nu bij dit schrijven nog voegen wilde, betreft de vragen: wanneer is het stuk vervaardigd, en wie is de schrijver?

De vermelding van papier uit linnen vervaardigd — want ik meen het er voor te mogen houden, dat mijne vertaling juist is — verplaatst ons, wat de eerste vraag betreft, reeds terstond in den tijd nadat die papiersoort was uitgevonden, dat is na 1300. Een paar woorden, die in het stuk voorkomen, brengen ons echter tot een veel later tijdperk.

Wij vinden er vooreerst het woord falikant. De oudere uitspraak van dit woord, zooals ook reeds boven is gezegd, is faaljekant, van het oude Holl. werkwoord faelgen, samengesteld met kant. Dat wij dit weten, is van belang, omdat wij, ons woord hier niet faliekant (= faaljekant) gespeld vindende, daaruit zien, dat het moet geschreven zijn, nadat het oude woord faelgen reeds tot falen was versleten, en men van falikant niet meer de juiste afleiding wist, waarna eerst deze vergroeiing van het woord kon plaats vinden. Ik meen veilig te mogen stellen, dat dit niet vóór 1500 kan geweest zijn.

Daarop komt voor de tijdsbepaling van ons handschrift in aanmerking het woord just, Holl. juist, Fransch juste (van het Lat. justus, het part. pass. van jugere), dat wij er vinden op blz. 52. Het leert ons, dat wij den oorsprong van ons stuk hebben te zoeken in den tijd, nadat dit woord reeds geheel bij ons inheemsch geworden was, inheemsch ook in het Friesch. Bij Gijsbert Jakobsz. nu (1668) komt het nog niet voor, en ook in het Friesch kort na hem geschreven, zal men het vergeefs zoeken. Het is wel niet nauwkeurig te bepalen, wanneer het in ’t Friesch in zwang is gekomen, maar zeker eerst na 1700.

Vele uitdrukkingen hebben echter een zoo nieuwerwetschen tint, dat ik van den beginne af heb gemeend, dat het stuk geen 50 jaren oud kon zijn, en ik geloof dat door een ander woord mijn gevoelen wordt bevestigd. Op blz. 3 leest men: Thank enes thër was hyr wësen en herde lunsyakte among eth fia, and that er thër jeta erg wde, skolde i eth than wel wâgia umbe juw hëlena fja to farande among hiara syaka, enz. Dat is: Denk eens, daar was hier eene hevige longziekte onder het vee geweest, en dat die daar nog erg woedde, zoudt gij het dan wel wagen, uw gezond vee te drijven ouder hun ziek?

Het woord longziekte is van niet zeer ouden datum: „Wanneer wij de geschiedenis raadplegen,’ zegt J. van Hertum, in zijne Verhand. over de besmettelijke longziekte van het rundvee, Zierikzee 1842, blz. 2,

dan schijnt deze veeziekte in de grijze oudheid niet bestaan of geheerscht te hebben. Sommige veeartsenijkundigen, wel is waar, vooronderstellen dat de ziekte, welke door Silius Italicus wordt beschreven en welke in het jaar 212 vóór onze tijdrekening, in Sicilië, onder het vee heeft geheerscht, voor de hier bedoelde longziekte moet gehouden worden. Doch de door dien geschiedschrijver opgegevene verschijnselen der ziekte geven veel meer grond om aan te nemen, dat men destijds niet met de longziekte, maar met het bekende Miltvuur heeft te doen gehad, tenzij men zou mogen vooronderstellen, dat deze beide ziekten vereenigd zijn voorgekomen, waarvan men in lateren tijd menigvuldige voorbeelden gehad heeft.

Dan, hoe dit ook moge zijn, zekere narichten bezitten wij omtrent het bestaan der longziekte in de oudheid niet, omdat men, zoo ze al bestond, ze niet als zoodanig herkend had, en er volgt dus van zelf uit, dat de naam niet bestond. Wij vinden eerst bepaald bericht van het heerschen der longziekte in 1693 in Hessen in 1743 in Zurich en in meer andere kantons van Zwitserland, en van dien tijd af heeft zij schier onophoudelijk in een of ander gedeelte van dat land, en ook wel elders, geheerscht.

Na de lezing van de uitgeschreven plaats van het handschrift komt het mij echter alleszins waarschijnlijk voor dat het geschrift zal gefabriceerd zijn in of kort na een tijd, dat hier te lande de longziekte heerschte. Volgens den zooeven aangehaalden schrijver, blz. 4, verscheen zij in ons vaderland het eerst in den jare 1827. en wel in de zuidelijke provinciën. Eerst in den jare 1833 drong zij ook tot de noordelijke provinciën door. Ik meen dus voor den tijd van ’t ontstaan van ons oud handschrift het tijdperk na het jaar 1833 als waarschijnlijk te mogen stellen. Al is het ook waar, dat de longziekte wel vroeger in andere landen heeft geheerscht, komt het mij toch voor, dat er aan geen veel vroeger tijdperk voor ’t ontstaan van ons handschrift te denken valt, omdat er zoo bepaald van de besmettelijkheid der ziekte gesproken wordt, terwijl C.J. Fuchs (Der Kampf mit der Lungenseuche, Leipz. 1861, blz. 5) zegt:

Es ist noch nicht zwanzig Jahre her, dass die Annahme der Ansteckungsfähigkeit der Lungenseuche vielfachen Widerspruch sogar bei Sachverständigen fand

en ook de schrijver, bij het heerschen der ziekte in zijne nabijheid te gereeder op dit denkbeeld kon komen.

De vraag, door wien het stuk gemaakt is, is zeker moeielijk te beantwoorden; doch ik meen te kunnen zeggen, dat hoogstwaarschijnlijk aan geen Fries de eer daarvan toekomt. Ik meen dit te kunnen opmaken uit sommige taalfouten, die een Fries nooit zou kunnen begaan.

In het oud Friesch heeft het werkwoord in den zin van de Nederd. onbepaalde wijze met het voorzetsel te steeds den uitgang ande of ane. Dit vindt men ook menigvuldige malen hier, bv. blz. 2 to dëiande te dooden, en to letane te laten; maar ook zeer veel, en misschien wel vaker, vindt men bij het voorzetsel to de onbepaalde wijze op a bv. blz. 4 to finda te vinden, blz. 20 to wandelja te wandelen. Dit nu is eene fout, die een Fries nooit zou kunnen begaan, want wij, wij Stadfriezen zelfs, hebben deze eigenaardigheid nog steeds bewaard. Terwijl wij zeggen: Laat him komme, zullen wij, met het voorzetsel te, aan het werkwoord steeds den uitgang en geven; wij zullen bv. zeggen: Is daar wel bij te kommen? Ik heb dan ook bij den minstgeoefenden Frieschen schrijver die fout nog nooit aangetroffen, en daaruit meen ik dus te mogen besluiten, dat de auteur van ons stuk geen Fries is.

Op blz. 83 staat: Urmites i (moest zijn thu) klarsiande biste, vermits gij klaarziende zijt. Hoe zou een Fries ooit i, jy of jou voor thu of dou kunnen zeggen?

Nog vindt men lek and brek op blz. 64 en andere plaatsen, in de beteekenis van gebrek, behoeftigheid. Ook deze fout kan een Fries nimmer begaan; hij bezigt die uitdrukking voor fouten en gebreken.

En hiermede meen ik vooreerst genoeg te hebben gezegd.

G. Colmjon.


Het bovenstaande was reeds voor den druk gezet, toen ik in de Leeuwarder Courant van Zondag 10 September de reis van Apollonia langs den Rhijn, in de 6de eeuw voor Chr. (blz. 108-113 van ons handschrift), waarin van de Zwitsersche paaldorpen melding wordt gemaakt, zag medegedeeld. Die plaats had ik niet eerder onder de oogen gehad, daar in het afschrift, door mij gebruikt, blz. 100-122 van het handschrift ontbreken. Ze is intusschen voor mijn onderzoek naar den ouderdom van het handschrift weder van groot belang, want ze bewijst dat het geschreven moet zijn, niet slechts na 1833, zoo als ik reeds meende te mogen stellen, maar zelfs na 1853, dewijl men vóór dien tijd van het bestaan der overblijfselen van de paaldorpen in de Zwitsersche meeren niets afwist.

Noten

  1. Friesch.
  2. Friesisme.
  3. Zoo als de heer O. nl, wilde.