1878-1879 Vinckers Einde en Eredoctoraat
- Vinckers mede aanbevolen als hoogleraar - Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad 27-1-1878.
- Discussie: Vinckers of Verdam? - Algemeen Handelsblad 30-1-1878.
- JJK 189a (was 188) Vinckers, J.B. - ’t Einde der Historie en nog wat - in: Prov. Overijss. en Zwolsche Ct., 25-2-1878.
- Vinckers benoemd tot doctor ‘honoris causa’ in de letteren - Arnhemsche courant 22-1-1879.
Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad 27-1-1878
Kuratoren der Amsterdamsche Universiteit hebben de volgende aanbevelingslijsten opgemaakt: (...) voor de benoeming van een gewoon hoogleeraar in de nederlandsehe taal en letterkunde en de oude talen en letterkunde der germaansche volken, de heeren dr. J. Verdam, leeraar aan het Gymnasium te Leiden,[1] en J. Beckering Vinckers, leeraar aan de Latijnsche School en de middelbare school te Kampen; (...)
Algemeen Handelsblad 30-1-1878
Naar men ons mededeelt, hebben verschillende personen niet zonder bevreemding kennis genomen van de voordracht van curatoren der Universiteit alhier, omtrent de benoeming van een hoogleeraar in de Nederlandsche taal- en letterkunde en de oude talen en letterkunde der Germaansche volken. Niet om de voordracht zelve, in welke twee zeer verdienstelijke specialiteiten zijn genoemd, maar om de toelichting. Daarin toch wordt gezegd, dat de keuze in verband gebracht moet worden met de vraag, of men aan de kennis van het Nederlandsch dan of men aan die van het Oud-Germaansch meer gewicht hecht. In het eerste geval zou de heer dr. J. Verdam, in het laatste de heer J. Beckering Vinckers meer op den voorgrond moeten treden.
Uit deze toelichting zou men kunnen afleiden, dat de heer Verdam geheel, of althans bijna geheel, vreemdeling is op het gebied der Oud-Germaansche talen, terwijl omgekeerd de heer Vinckers zou zijn nagenoeg uitsluitend Oud-Germaan (*). Zeker is het, dat de heer Vinckers van dezen tak van wetenschap bijzondere studie heeft gemaakt en dit o.a. in zijn brochures over het Oera Linda Bôk heeft getoond. Maar evenzeer is waar, dat ook de heer Verdam zich op die studie heeft toegelegd, al heeft hij het daarin wellicht niet zoover gebracht. In het midden-Nederlandsch woordenboek , waarvan hij mede-redacteur is en in opstellen aan de Taalkundige bijdragen (vroeger de Taalgids) heeft hij de bewijzen geleverd.
Moet men kiezen, dan mag de vraag gesteld worden, of het wetenschappelijk onderwijs in de Nederlandsche taal- en letterkunde, een der vakken, die van oudsher tot het hooger onderwijs behoorden, niet den voorrang verdient boven dat in de oud-Germaansche talen, dat eerst in de nieuwe wet eene plaats heeft gevonden. Voor de verklaring van de oudste gedenkstukken van onze taal is de kennis van het Germaansch noodig en deze kennis bezit natuurlijk ook de heer dr. J. Verdam, die zelfs geen vreemdeling is in het sanskriet.
Deze opmerkingen strekken geenszins om de verdiensten van den heer Vinckers te verkleinen, maar om te voorkomen, dat op de keuze wordt invloed geoefend door minder juiste opvatting van de toelichting, die de voordracht vergezelt. De zaak zou buitengewoon eenvoudig wezen, wanneer ook voor dit vak twee personen waren voorgedragen. Nu de Gemeenteraad tusschen twee verdienstelijke personen heeft te kiezen is zijne taak niet gemakkelijk. En het is de vraag, of dit punt niet behoorde te worden overwogen, voordat de eigenlijke voordracht in behandeling komt.
(*) O.a. zijn Whitneys Lectures on the study of language, onder den titel van: Taal en taalstudie, door den heer Beckering Vinckers zeer verdienstelijk bewerkt en met voorbeelden uit alle tijdvakken der Nederlandsche taal opgehelderd.
JJK 189a (was 188) Vinckers, J.B. - ’t Einde der Historie en nog wat - in: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 25-2-1878.
’t Einde der historie en nog wat.
Reeds is er meer dan een jaar verloopen, sedert dr. Schouten, door middel van een in de Prov. Ov. en Zw. Cour. geplaatst kort verslag van een door hem, in een vergadering van wijlen het Genootschap voor Wetenschap en Nijverheid te Kampen, aangehoorde verhandeling, kond deed en te weten, dat der wereld eerlang het geheim stond te worden ontsluijerd, wie eigenlijk het vermaarde Oera Linda-boek had in elkaar geknutseld. De brochure, waarin ik getracht heb den sluijer op te lichten, verscheen, en zij werd gevolgd door een heelen sleep andere. Van alle deze en van ettelijke kortere en langere schrifturen over deze merkwaardige letterkundige foppage, wordt door dr. Gallé, in ’t Januarijnommer van de Gids voor 1878, een zeer geleidelijk en onpartijdig overzigt gegeven.
Veel nieuws was er natuurlijk over deze zaak niet meer te berde te brengen. Alleen is ’t voor hen, die den loop der geschiedenis hebben bijgehouden, wel de moeite waard kennis te nemen van ’t geen door dr. Gallé in een paar aanteekeningen wordt medegedeeld. De eerste bevat de verklaring van een nog levenden ooggetuige, den heer L.E. Laurey, gepensioneerd machinist le klasse bij de Kon. Nederl. marine te Weert (Limburg), dat hij tijdens zijne plaatsing te Helder meermalen Over de Linden in zijn bureau met de studie van Oud-Friesche boeken heeft bezig gezien. De tweede aanteekening luidt als volgt: „Tot nadere karakteristiek van zijn persoon (C.O.d.L.) diene nog hetgeen ik van den heer Joh. Dijserinck te Helder vernam. Deze had hem voor het eerst in ’7l persoonlijk bezocht, ter wille van het Oera Linda-Bôk en deelde destijds aan den heer P.A.S. van Limburg Brouwer (voor wien de onechtheid van het geschrift, ter oorzake van „de paalwoningen”, als een paal boven water stond) den beslissenden indruk mede, dat het overoud handschrift een voortbrengsel van onzen tijd was. Toen nu later genoemde heer D. aan den heer O.d.L. de studie van v.L.B. (in de Gids) over den godsdienst der Chineezen ter lezing aanbood, luidde bet antwoord, dat „hij weinig met zulke studien van die geleerden ophad, daar zij gewoonlijk hunne kennis alleen uit boeken haalden, en, niet onder het volk zelf verkeerende, zijne zedelijke en godsdienstige beginselen niet leerden kennen en beoordeelen.” En hierop hing de heer O.d.L. die bepaald amusant verhalen kon en menigen snedigen inval ten beste gaf, zulk een verrassend tooneel op van den godsdienst (!) van Confucius, zooals hij dien zelf in de practijk in China gezien had, dat de heer D. te huis komende betuigde, „als ik niet wist, dat Over de Linden dat boek van zijn tante Aafje had gekregen, dan zou ik denken, dat hij zelf het moet hebben vervaardigd.” „Zoovéél geest bezat”, besluit dr. Gallé, „dan toch die eenvoudige baas timmerman op ’s rijks marinewerf, dat hij den hierboven geteekenden indruk bij anderen kon wekken. Zeker weinig in overeenstemming met de nu en dan voorgewende onkunde! en meer overeenkomstig de bovenvermelde mededeeling van den heer L.E. Laurey.”
En hiermede is, hopen we, aan de letterkundige komedie, de laatste eer bewezen.
Intusschen heeft zich van meer dan eene zijde de begeerte geopenbaard om eens iets naders over letterkundige bedriegerijen in ’t algemeen te vernemen, en ik meen dientengevolge den goedgunstigen lezer geen ondienst te doen door een paar van de meest merkwaardige gevallen ter sprake te brengen, te meer daar ik geloof over eene der meest beruchte, en nog altijd niet geheel uitgemaakte, letterkundige fopperijen, eenige nieuwe bijzonderheden te kunnen mededeelen.
Reeds in vroeger, ja, in zeer vroege tijden heeft menig snuggere geest zijn brein gespitst om door ’t vervaardigen van geschriften onder een valschen naam zijn evenmensch om den tuin te leiden; en heeft dat niet zelden met zoodanig goed gevolg gedaan, dat zijn onechte kinderen, nog eeuwen na hunne geboorte, aanleiding gaven tot de meest verbitterde pennengevechten onder het licht in toorn ontstoken ras der geleerden.
Met welk een venijnige woede werd er niet in ’t laatste vierde der l7e eeuw tusschen Bentley en Boyle, plus beider medestanders, gestreden over de echtheid der „brieven van Phalaris!?” Een eenigszins omstandig verhaal van de vermaarde bataille, die over de echtheid der 148 aan Phalaris, den beruchten dwingeland1) van Agrigentum (Akragas) op Sicilië toegeschreven brieven geleverd werd, zal denkelijk den belangstellenden lezer niet onwelkom en, ongetwijfeld, van veel nut zijn om, misschien anders min begrijpelijke, verschijnsels, die zich bij dusdanige gevechten over echt en onecht geregeld voordoen, en zich bij den fellen strijd, onlangs binnen onze landpalen gevoerd — ik bedoel natuurlijk de Oera-Linda-boekomachie — hebben voorgedaan, in 't rechte licht te plaatsen en zoodoende meer duidelijk te maken.
J.B.V.
1) In ’t midden der 6e eeuw voor Chr. onderdrukte Ph. zijn vaderstad 16 jaren lang op de meest wreede wijze, totdat hij eindelijk door het tot wanhoop gedreven volk om hals werd gebragt.
Arnhemsche courant 22-1-1879
Aan de utrechtsche hoogeschool is, honoris causa, tot doctor in de letteren benoemd de heer J. Beckering Vinckers, leeraar in de engelsche taal aan het gymnasium en de hoogere burgerschool te Kampen.
Noot
- ↑ Jacob Verdam (Amsterdam 1845-1919), gepromoveerd in 1872 en samengewerkt hebbend met Eelco Verwijs aan het Middelnederlandsch Woordenboek, werd 30-1-1878 benoemd tot hoogleraar Nederlandsche taal- en letterkunde en de oude talen en letterkunde der Germaansche volken aan de UvA. In 1891 werd hem eervol ontslag verleend wegens benoeming elders. (Levensbericht; wikipedia)