Brieven C. Over de Linden
Zie uitleg bij Brieven Ottema. Zie tevens Brieven L.F. Over de Linden.
Brieven zijn verzonden vanuit (Den) Helder, tenzij anders vermeld.
I. Aan Dr. J.G. Ottema (1870-1874)
25-12-1870 / 1 (2)
WelEdele zeer geleerde Heer!
Uw geëerd schrijven van 22 dezer is mij geworden en ik heb daaruit de wensch van het Friesch genootschap verstaan. Tot mijn spijt moet ik u echter als eerlijk man al dadelijk bekennen, dat de Heer Verwijs mij belangloozer heeft voorgesteld dan ik in waarheid ben. Ik heb hem het handschrift niet afgestaan om het voor het Friesche genootschap, maar voor mij te vertalen, en kon zelfs niet anders doen, aangezien ik toen niet eens wist dat er een Friesch genootschap bestond. Na de facsimilé heb ik den Heer Verwijs twee losse blaadjes van het handschrift gezonden. Die blaadjes waarin de aanbeveling staat, dat de erfgenamen - om onze lieve voorouders wille en om onze lieve vrijheid wille [-] deze boeken voor de oogen der munniken verbergen moesten, en waarin Hidde aan zijn zoon Okke schrijft dat hij de zelve met lijf en ziel bewaren moet, heeft zijn Edl. voor mij vertaald. Om als erfgenaam aan deze aanbeveling te voldoen, heb ik den Heer Verwijs het geheele handschrift geweigerd, en het ZEd bij gedeelten toegezonden.
Gedurende onze Correspondentie heeft ZEd mij allerhande voorslagen gedaan, b.v. het voor mij ten behoeve van het provinciale Friesche archive aan den Commissaris des Konings te verkoopen; mij lid van het Friesche genootschap te maken; mij gevraagd, of hij het in druk mogt geven, waarop ik geantwoord heb, dat als er niets in stond hetwelk mijn familie compromitteeren konde, ik er hem dan de vrijheid toe gaf.
Na al dat geschrijf en nadat er nu bijna drie en een half jaar verloopen zijn, ben ik nog even dom gelaten.
Wanneer ik dus zoo welwillend wil zijn, om aan UEd verzoek te voldoen, zult gij mij na dit gelezen te hebben, wel niet ten kwaden duiden als ik eenige voorwaarden stel.
- voor ieder gedeelte dat ik u aangetekend over den post toezend, verlang ik van UEd terstond antwoord dat UEd het van mij ontvangen hebt, en zend mij dan het gebruikte benevens de vertaling op dezelfde wijs terug.
- Mogt het genootschap het in den zin komen, het voor zijne leden te laten drukken, dan beding ik bij eene nader te bepalen overeenkomst eenige exemplaren voor mij.
- ieder [katern] van 25 of 26 bladzijden moogt gij eene maand behouden. Kunt U er, door het in bezit zijn van het overschrift van den Heer Verwijs spoediger mee teregt, des te beter voor de zaak en ook voor mij.
Neemt UEd daar genoegen mee, dan heb ik de eer met hoogachting te zijn
UwEd Dienstw. dienaar C. over de Linden. (vanaf hier weggelaten)
1-1-1871 / 2 (5)
WelEdele zeer geleerde Heer!
Hiermede ontvangt UEd tweeentwintig bladzijden van mijn ouden handschrift, dit komt zoo met de verdeeling uit. Wees zoo goed mij terstond te schrijven, of UEd het ontvangen hebt.
De redene die UEd ter verontschuldiging van den Heer Verwijs hebt aangevoerd, bevredigen mij niet geheel, aangezien hij mij toch wel eenigermate, "al was het dan ook gebrekkig", met den inhoud bekend had kunnen maken. Van U verwacht ik zulk een behandeling niet, daarom noem ik mij, na minzame groete met hoogachting
6-2-1871 / 3
WelEd. zeer gel. Heer!
Dadelijk nadat ik de eerste 20 paginas van het H.S. van U terug ontvangen had, stuurde ik den 1e dezer, dus verleden week Woensdag, de volgende paginas 21-46, waarna ik sedert niets heb vernomen; en dewijl U bij de vorige bezending dadelijk hebt berigt, maak ik mij eenigzins ongerust. Wees daarom zoo goed mij te melden of ze door U werden ontvangen. Inmiddels hoogachtend,
(namens vader geschreven door L.F. over de Linden)
13-3-1871 / 4
WelEdelz.gel. Heer!
Spoediger dan ik het had durven verwachten ontvang ik heden de vertaling van de pags. 45-92 van mijn Handschrift. Met de overhaling van het origineel is U met deze bladzijden nog bezig?
Zoo spoedig die weder door mij ontvangen zijn, zal ik het vervolg aan U afzenden.-
Hoogachtend en na beleefde groete
(namens vader geschreven door L.F. over de Linden)
12-8-1871 / 5 (6)
Waarde en zeer geleerde Heer!
Uw brief van den 4 dezer heb ik ontvangen. Naar mijn wijze van zien kan de benaming sefier wel de wind, een geest, Engel of iets dergelijks, maar geen roeper van vurenhout beteekend hebben, zoo als die welligt door de zeelieden gebruikt zijn. Daar de Magiaren volgens uwe vertaling een Aziatisch volk van het drooge land geweest zijn.
Wat de Marzaten betreft, die bemerking vond ik zoo kurieus dat ik dadelijk die almanak geleend heb om S.O. winkler te lezen. Volgens uw verlangen heb ik ZEd dan ook terstond dat gedeelte uit uwe vertaling gezonden en daarop laten volgen: "Ik heb hier niets bij te voegen dan dat de overeenkomst van dit berigt met uw opstel mij zeer getroffen heeft. En als UEd nu eens de moeite wilde nemen om mij te schrijven wat UEd daarover denkt dan zou UEd mij zeer verpligten. In afwachting enz."
Het antwoord dat ZEd mij heeft gegeven gaat hiernevens. Ik vind het niet sociaal, niet ridderlijk.
Als UEd mij eens schrijft, zend het mij dan svp terug.
Een officier heeft mij gezegd, dat de Spectator het geschrift voor valsch erkend. Ik weet niet of hij het in ernst zeide of om mij te plagen. Ik lees de Spectator niet. Wees dus zoo goed het mij eens te schrijven en als het erin staat geef mij dan svp het nommer eens op.
Het geloop om het handschrift te zien neemt nog geen einde.
Is die mijnheer Winkler een Fries? Kan hij ook jaloers op uw werk zijn? Ik vind zijn handelwijze zoo vreemd.
Na minzame Groete noem ik mij
23-8-1871 / 6 (7)
Waarde en Zeer Geleerde Heer!
Mij liggen twee vragen op het hart.
- Den 12 dezer heb ik u een brief gezonden waarin de brief van den heer S.O. Winkler was ingesloten. Hebt UEd dien ontvangen, wat dunkt u dan over dat antwoord?
- Hebt UEd het Nieuws van den Dag van heden gelezen? Daar staat in, dat den heer G. Colmjon archivaris van Friesland het handschrift bepaald voor onecht erkend. Is dat waar?
In afwachting noem ik mij met hoogachting,
13-9-1871 / 7 (10)
Waarde en zeer geleerde Heer!
Hede heeft men mij weêr een bijvoegsel van de Leeuwarder Krant gezonden, waarin Colmjon zijne geleerdheid, of spijt, laat luchten. Ik weet niet in hoeverre hij, met zijn aanmerkingen op de taal gelijk heeft, maar toen ik aan het slot las, dat hij het niet ouder dan van het jaar 1853 schatte, zei ik onwillekeurig: "ben je bedonderd kerel!"
Mijn grootvader of mijn vader kunnen het niet geschreven hebben, dat waren timmerlieden even als ik ben. Bovendien was er toen meschien niets meer als eenige beentjes van hen te vinden.
Als het zoo jong is moest mijne goede sloof van een tante het gemaakt hebben. Welligt is zij een kol geweest, die heeft men nog al in Enkhuizen. Maar als er dan zoo veel taalfouten en andere gebreken aan zijn, moet de duivel haar zeker bedrogen hebben, of zelf niet sterk in het Friesch geweest zijn.
Intusschen begint het mij nu wezenlijk te spijten dat het toeval mij in gezelschap van den Heer Siderius gebragt heeft, daar het handschrift anders nog niet vertaald zou zijn, en had ik met al dit gevraag over aanmerkingen omtrent de echtheid, waarmede ik nu door fatsoenlijke en onfatsoenlijke lieden wordt lastig gevallen, en niets weet te antwoorden, niet gekweld geworden.
Als ambachtsman kan ik niet oordeelen in hoeverre geleerde heeren kunnen twisten zonder dat het hunne koude kleêren raakt, maar als u zoo kort aangedraaid zijt als ik ben, dan beklaag ik U, want dan moet het u nog meer spijten, de vertaling, waaraan gij toch niets verdiend, aanvaart te hebben, als het mij spijt het stuk ter vertaling te hebben afgestaan.
Mij komt het voor dat uwe konfraters jaloers op u zijn en dat zij het handschrift aanranden om u te kwetsen.
Vergeef mij mijn opgewondenheid en ontvang met deze de welgemeende groet
15-9-1871 / 8 (12)
Waarde en Zeer geleerde Heer!
Uw paketje en den brief zijn mij geworden.
Mij dunkt de redenen die UEd den Heer de Haan Hettema hebt opgegeven om te bewijzen dat het handschrift niet later dan in 1256 geschreven kan zijn, zouden ook wel kunnen dienen om den Heer Colmjon te overtuigen. (Voetnoot: Wat zijn aanmerkingen op vreemde woorden aangaat, als de Friezen zulke stoute buitenvaarders waren, dan konden zij ook wel vreemde woorden binnen smokkelen.) Ten minste, als het ZEd daarom te doen is, en niet liever zijn naam in de kranten wil lezen, zoo als ZEd vandaag weder met betrekking tot het handschrift in het Nieuws van den Dag kan lezen, dat hij een kundigen Friesche archivaris is.
Hoe gaarne ik u anders believen wil, moet ik u ditmaal zeggen, dat er geen gedeelte van het handschrift de deur meer uitgaat. Ik ben bang dat het niet meer zoo ongemoeid zou reizen als weleer.
Toen de Heer Eelco Verwijs het handschrift zag, schreef ZEd mij, dat hij niet meer aan de echtheid twijfelde. Zoo is het UEd ook gegaan, en UEd hebt er in het verslag bijgevoegd waarom U het voor echt hield.
Zijn er nu in Friesland en elders nog menschen die U niet betrouwen, dan kunnen die mijnentwegen naar de bliksem loopen: zijn er echter fatsoenlijke lieden die uit zoogenaamde belangstelling het handschrift willen zien, dan kunnen zij, wanneer ik geen verhindering krijg, des zondags bij mij komen om het te zien. Doch altoos onder die voorwaarde, dat zij van UEd een schriftelijke aanbeveling medebrengen. Zonder zulk een aanbeveling zullen zij het niet zien, omdat ik vrees dat er bezoekers zouden komen, die het handschrift evenzoo zouden havenen, als zij zich nu inspannen om er den inhoud van te havenen.
N.B. Als UEd op oude Noordhollandse woorden gesteld zijt, dan moet gij u tot onze burger onderwijzer D. Dekker wenden. ZEd schrijft vaak in de Texelsche taal. Mijnheer is nogal hoog, daarom wil ik hem niet vragen. Als UEd hem vroeg zou hij, denk ik, wel zijn best doen. Hij zou er weder andere onderwijzers van zijne kennissen voor kunnen spannen, die door Noordholland verspreid zijn.
En hiermede groet ik u vriendelijk en noem mij met hoogachting
16-9-1871 / 9 (13)
Waarde en zeer geleerde Heer!
Daar ik door ongesteldheid huisarest heb, heb ik mijn schoondochter van Schagen, en mijne werkster uit Medemblik en eenige andere liefhebbers, over echte boere westfriesche woorden onderhouden. Die ik hier mededeel ook heb ik den Heer D. Dekker bij mij verzogt. Hij zal zijn best doen wat voor u op te zoeken als hij kan, toch moest u hem maar eens schrijven.
- Amper - voor kwalijk, nauwelijks: ik kan het amper doen enz.
- angel - voor vischhengel.
- aventuur - voor kans, geluk: ik ga op mijn avontuur uit.
- Amering voor ademtocht, ogenblik.
- bald voor kwaad.
- baldslussig, voor kwaad te leiden, weerspannig.
- barnsloot voor brandsloot.
- booike - voor jongetje.
- bedremmeld - confus.
- boord - rand.
- delte voor laagte; del vallen - laag gevallen bij Medemblik.
- gelde - onvruchtbaar.
- hooike - priksleetje (op het ijs).
- loot voor moede
- nooit wonderlijk of vreemd maar altijd raar, b.v. raar eten, rare menschen enz.
- kluft - opgang eener dijk.
- kladdig - voor vuil - morsig.
- strooit voor verloren, kwijt geraken.
- snood voor schrander.
- kob voor een groote hoek om kobben te visschen, op de haringbuizen in gebruik.
- spint - voor kast.
- ulfte - voor houte klompen of schoenen.
- te Egmond zegt men holsters [holsten?].
- te wasschip uit gasten
- een wasschipper een logeergast.
- te Krommenie zegt men kadediesch voor aardig toevallig.
- Mijn vrouw verteld mij dat men mannen te Scheveningen joei - en de vrouwen Trôôs noemt.
Als ik weder op de werf kom en ik kan er meer opduiken dan zal ik ze u spoedig zenden.
N.B. Voor 'ik heb' zeggen de boeren ik hèw of ik èw en gebruiken nooit het voorzetsel ge- en zelde be-.
b.v. ik èw - weest, loopen, sleepen, eten, dronken, leid, reden, deen enz.
Na vriendelijke groete
[P.S.]
- des nacht uit vrije gaan
- uit schooije gaan
- mijn tijd verschooid voor verbeuzeld.
- Naay - voor ruimte tusschen twee huizen
- weger - wand.
16-9-1871 / 10 (14)
WelEdelZeerGel. Heer!
Hierbij ingesloten ontvangt U een uitknipsel uit de Heldersche Courant, vermeldende een berigt omtrent het H.S. voorkomende in het Vaderland van j.l. Donderdag.
Het slot van dat artikel, zooals het daar is geschreven, is beledigend voor mijne familie enn gaf aanleiding tot het concipieeren van den bijgaanden brief aan de Redacteur van genoemd blad.
Bij nadere overweging kwam het mij echter voor dat het doelmatiger was de redactie alleen het eerste gedeelte, tot de afstreping toe, te zenden, waaraan door mijn zoon is gevolg gegeven. Het andere gedeelte dat, zeer goed afgescheiden van het eerste, later geschreven kan worden, wenschte ik vooraf aan Uw meer verlichte oordeel te onderwerpen. Welligt keurt U de inzending ervan af, of, zoo U die goedkeurt, zoude U daarin de nodig geachte verbeteringen kunnen brengen.
In Uw verslag zegt U, bl. 6. blijkens de lokaliteit de taal moet geweest zijn zooals die gesproken werd tusschen het Vlie en Kinhem, en Wester Flyland.
De Heer Colmjon schermt met een taal die aan de andere zijde gesproken wordt, dus valt zijn betoog m.i. van zelf in het water.
Jhr. de Haan Hettema kent geen onderscheid tusschen oud en nieuw friesch, en Colmjon verwonderd er zich over dat hij het H.S. zoo zonder omzettingen in het nieuwe friesch kan overzetten.
Mij dunkt dat als U en de Heer Hettema geen kwade vrienden zijt, elkander wel mogt helpen tegen zulk een woesten vijand.
Als U eens een stuk in de Leeuwarder Courant plaatst, zend mij dat dan s.v.p. Ik brand van nieuwsgierigheid.
Ontvang mijne beleefde groeten en die mijner Echtgenoote, verblijvende ik steeds gaarne
(handschrift L.F. over de Linden)
23-9-1871 / 11 (15)
[Luitse: 11/ Tresoar: 15]
Waarde en zeer geleerde Heer!
Niet omdat ik mij voor kwasten verantwoorden wil, maar om u te pleizeren dient het volgende.
Mijn Grootvader stierf den 15 [moet zijn: 25] April 1820 in den ouderdom van 61 jaar. Mijn Tante den 4 February 1849. In Augustus van hetzelfde jaar [moet zijn: 1848] bezocht ik mijne Moeder en tegelijk mijn Tante die mij toen het handschrift gaf.
Van al wat mijn grootvader tevoren bezeten had was hem slechts een groote koepel overgebleven, en een tuin. In die koepel heeft hij verder geleefd en daarin is hij ook gestorven.
Mijn tante Aafje huwde en kwam met haar man bij grootvader in, of grootvader bleef bij hen.
Toen grootvader gestorven was, liet mijn vader en diens andere zuster haar [Aafje] koepel en tuin behouden en zoo kwam het weinige van mijn grootvader in handen van mijn tante, wier man Hk. Reuvers heette.
Toen ik een man was geworden, wilde mijn tante het handschrift aan mij zenden, maar H. Reuvers die zich inbeelde dat het soms een aanwijzing op eenige zaak van waarde bevatte wilde het niet toestaan. Toen ik het laatst bij mijn tante was, hing er een gele s. Louwerspeer aan den boom waarom ik vroeg, er bij voegende, dat ik zoo lang grootvader dood was ik nog geen peer meer uit de tuin geproeft had. Door het noemen van mijn grootvader zeî ze: je spreekt daar van je grootvader, maar ik heb nog wat voor je. Je oom wou nooit hebben dat ik het je gaf. Hij is nouw dood en Koops (zoo heete haar tweede man) weet er niets van. Daarop stelde zij mij het handschrift ter hand, zeggende ik geloof dat het Friesch is enz.
Zoodra ik de tijd had kocht ik een Friesch woordenboek van Gijsbert Jakops, vervolgens een paar anderen maar zij hielpen mij niet. Eens voor mijn pleizier naar Amsterdam zijnde, logeerde ik bij een neef en nicht, maar ik kon daar niet slapen. Ik sliep dus in een logement in de Warmoesstraat, maar was daarover niet gesticht. De tweede morgen komt de Heer Siderius met zijn vrouw in de gelagkamer, en spreken van naar Harlingen gaan. Ik luister en denk, wat drommel ze zeggen, dat je van Friesche afkomst bent, en je bent overal geweest en in Friesland niet, ga met deze menschen mee. De heer Siderius inviteerde mij bij hem aan huis, en brengt mij de volgende morgen weg, met de vermaning dat hij hoopte dat het nu niet voor het eerst en laatst zou zijn. Zoo zijn wij vrienden gebleven en zoo is al pratende het handschrift op de lippen gekomen. Hetwelk, naar het zeggen van den Heer Siderius best door den onderwijzer Janzen vertaald kon worden. In plaats van het handschrift stuurde ik echter kalkeer of facsimilés. Den Heer Janzen liep er mee naar Eelco Verwijs. Eelco Verwijs hield mij van 67 af aan de praat en gaf zijn vertaling aan het Friesche genootschap, en liet mij fluiten. De facsimilés bewezen echter dat hij niet voor zijn taak berekend was gemaakt en zoo kwam het dat UEd. aan mij schreef. Ik had de hoop om er ooit iets van aan de weet te komen reeds lang opgegeven. Nou moogt gij mij uitlagchen, maar ik meen in alles zoo iets van een beschikking te zien. -
Ik kwam bij mijn tante eenige maanden voor haar dood, vroeg een peer - anders was het in een ander geslagt en misschien reeds verloren geraakt. - Mijn pleizier reisje brengt mij bij Siderius, anders lag het nog in de kast. De facsimilés brengen het uit dat Eelco niet goed vertaald en niet goed met mij gehandeld had. Anders had ik geen vertaling gehad en niet eens geweten dat het vertaald was.
Na hartelijke groete noem ik mij met hoogachting,
P.S. Gister las ik in het Nieuws van den Dag dat er in het Friesche genootschap van het handschrift gesproken is. Wat was het resultaat?
[bijlage:]
Waarde en zeer geleerde Heer!
Zie hier de eerste fouten, welke ik vermeen gevonden te hebben. Wat mijn familie betreft, daarvan heb ik het volgende opgediept. Mijn overgrootvader heeft zich van Frieschland met der woon naar Enkhuizen begeven.
Hij had twee zonen waarvan de oudste Andries genaamd, mijn grootvader was en waarschijnlijk in Frieschland geboren is. Ik heb althans zijn naam niet op het geboorte register te Enkhuizen kunnen vinden.
De Over de Lindens die op heden te Enkhuizen wonen zijn afstammelingen van de jongere broer. Mijn grootvader was in zijn jeugd huistimmermansbaas, en bij de ouden van dagen nog bekend onder den naam van Dries-baas. Doordien hij den eed niet voor de republiek wilde doen is hij het stadswerk en ook het burgerwerk kwijt geraakt en zoodoende arm geworden. Mijn vaders broers zijn vroeg gestorven. Ik ging jaarlijks voor pleizier naar Amsterdam of elders naar Enkhuizen. Als mijn grootvader die veel van mij hield, daar ik de eenige stamhouder was, mij hoorde praten, dan zeide hij: je spreke nu wel heel grootsch, maar je moet nooit vergeten, dat je van Friesch bloed bent. Als je groot wordt zal ik je dat alles wel eens uitleggen. Dit laatste is niet mogen gebeuren, en van het handschrift heeft hij mij niet gesproken.
Alleen herinner ik mij dat hij ook nog zeide: je vader heeft nergens geen aardigheid voor. Tegen mijne moeder zeide hij dat zij mij zoo veel moest laten leeren als zij kon omdat er veel in mij zat.
Meer kan ik u niet van hem of mijn familie zeggen. Als grap zou ik u nog kunnen mededeelen dat een andere tante als Aafje, van wie ik het geschrift heb, met haar kinderen naar een notaris is geweest. Zij had van het handschrift gehoord en beelde zich in dat het een bewijs van Eenige Millioenen was, waarvan zij gaarne haar deel wilde hebben.
Hiermede groet ik u minzaam. Maar eer gij iets mij of mijne familie betreffende in druk geeft, wil ik het eerst wel lezen.
C. over de Linden.
27-9-1871 / 12 (16)
Waarde en zeer geleerde Heer!
Ik feliciteer u met uw verkregen succes en met de belangstelling van den Heer Vermeulen, en anderen. Door het triestige weer was ik de geheele Zondag niet wel geweest, maar uw brief heeft mij des avonds weder opgevrolijkt. Zaterdag middag l.l. heb ik u de brief gezonden met de gevraagde inligting omtrent mijn grootvaders en Tantes dood. Of ik daarin geschreven heb, dat ik uw bijbladen van de Leeuwarder Courant ontvangen heb, weet ik mij niet meer te herinneren, maar ik ben ze kwijt en durf ze niet terug eischen. Als u er mij nog een paar wildet oversturen zou UEd mij zeer verpligten. Schrijf mij ook als 't u belieft wat de bespreking van het H.S. op de vergadering van het Friesche genootschap heeft uitgewerkt. Die zee die Frija bij haar vertrek tusschen oost en west Flyland heeft gemaakt, belet mij even bij u aan te komen en te vragen: "Hoe is het nu?"
Met deze stuur ik u eenige peeren uit mijn tuin, UEd moet ze zoo lang laten liggen dat [ze] een geelachtige tint aannemen, dan zijn zij overheerlijk. De stoel die er bij gaat is uit Java en door de Stjurar mee gebracht, die hier zoo iets zelden brengen en in Leeuwarden zeker nog minder. Daarom dacht ik dat ik er u geen displeizier mee aan zou doen u die te zenden.
UEd kunt hem in uw tuinhuis zetten.
Zoo als u bij een oplettende beschouwing zien zult is het een kunststuk van eenvoud en genie.
[Ottema heeft zich in die stoel doen fotograferen; hij heeft waarschijnlijk de 1e (ingenaaide) druk van Thet Oera Linda Bok in de hand; op tafel een dikke foliant die het OLB moet verbeelden. NL].
Maak er nog vele jaren met genoegen gebruik van, en denk aan
UEd (enz.)
N.B. Als UEd mijn brief van zaterdag ll niet ontvangen mogt hebben, dient u dit tot antwoord. Mijn Grootvader is gestorven den 25 April 1820; mijn Tante 4 February 1849.
Bij het lezen der bedenkingen van den Heer Hettema is mij opgevallen dat ZEd er op wijst dat de W wel in het H.S. maar niet onder de letters bij het jol voorkomt. De oude lieden van Medemblik en mogelijk overal in Noordholland noemen de V ouw, de W dubbel ouw.
Het woordje net dat Colmjon voor niet wilde verklaren en door u als volkomen gelijk verklaard, is hier nog zoo in gebruik.: dat is net et zelfde is: dat is volkomen hetzelfde, dat 's net ien, is gelijk aan, "dat's even eens of eenerlei."
Men gebruikt hier soms (voor de verbastering der taal) wel drie en meer woorden voor eene bedoeling.
B.v. wat ben je mooi gekleed/ netjes/ kant/ pront.
9-10-1871 / 13 (17)
Waarde en zeer geleerde Heer!
Over een dag of 4 geleden kreeg ik des avonds bezoek van de Meniste dominé Dyserinck om mijn handschrift te mogen zien. Ik zeide dat ik het niet tehuis had. Toen sprak hij om, ik weet niet meer welke groote geleerde, die ook lid van de Tweede Kamer moet zijn, naar Leeuwarden te zullen verwijzen. Na veel praten waarbij het mij voorkwam alsof hij zich voor het handschrift interesseerde zeide ik hem, dat, als hij me op zijn dominée's woord beloofde het hier niemand te vertellen, hij het dan mogt zien. Het handschrift maakte op hem den indruk als of het zoo oud niet was.
Vervolgens vroeg hij mij naar het afsterven van mijn Grootvader en Tante enz., het welk hij opschreef erbij zeggende , "dit zijn feiten enz."
Gister na de middag kwam hij weder bij mij met de Spectator en las mij daar, met blijkbaar genoegen, de laffe praat, uit drie of vier stukken, tegen het handschrift voor. Het was of de donder in mijn gemoed rommelde. Onder andere vertelde hij mij, of las hij mij voor, "dat de reis langs de Rijn door Apollonia, met de oorlog van Pruissen van 66 [1866] in verband stond. De aanmerking over de Himalaya kwam mij echter gegrond voor. Doch nadat ik er een nacht over gedacht heb zou voor menschen die geen fenijn zoeken daar niets in steken. De Geertmannen kunnen die naam gehouden hebben voor het geen zij in hunne taal beteekende.
Om kort te gaan de Spectator of hij zelf had op alles wat aan te merken; maar - op een wijze zoo als men tegenwoordig aanmerkingen op de bedrogen Communisten maakt, waarbij men zijn eigen vervloekte handelen en wreedheden over het hoofd ziet.
De mijnheer uit den Haag waarvoor hij mij een paar dagen te voren verlof gevraagd had om het handschrift te mogen zien, was ongesteld, vertelde hij mij, nu wilde hijzelf met het handschrift naar den Haag gaan, - maar dat kunt u begrijpen. Toen heeft hij mij audiëntie voor een andere Heer verzocht, hetgeen ik hem heb toegestaan.
Mijn vrouw was met uw lot begaan en zeide, zoo als ik dacht, als al die geleerde heeren tegen u opstaan, dan kunt gij het onmogelijk houden.
Verder vertelde hij mij dat de Groninger geleerden zich tot dominé Ledeboer hadden gewend, die aan hem had gevraagd of hij er iets van wist enz...
Hetgeen Dyserinck mij uit de Spectator heeft voorgelezen zal UEd zelf wel al gelezen hebben. Dus nu iets anders.
De ronde peeren heeten prinses peren, doch de boomkweeker noemt ze diamanten. Ik hoop dat uw Nichtje er niet een zal eten voor ze geel zijn. De andere heeten juttepeeren.
De tweede man van mijne tante heet Koops Meylhof, of hij nog meer namen heeft weet ik niet. In de plaats van haar eerste man is hij oudste knecht op een kaaspakhuis. Mijn grootvader heette Andries, maar mijn vader had geen broers, ik ook niet, zoo ben ik stamhouder.
Nu ik zoo veel geschreven heb, mochte ik ook wel van u te weten, welke opgang de reis van Appelonia in het noord van Italie gemaakt heeft.
Met hoogachting noem ik mij Uwe Ed. dienswillige dienaar.
Heil — C. over de Linden.
13-10-1871 / 14 (18)
Waarde en Zeer geleerde Heer!
Daar ik van u geen antwoord op mijn vraag over den afloop van de voorlezing over de paalbewoners in het Noorden van Italië kreeg, zal ik maar weer aan u schrijven.
Gisteravond, te half zeven uren, kreeg ik weer een bezoek van den dominé Dyserinck. Eelco Verwijs had te Leiden, aan ik weet niet welke professoren gezegd, dat hij van stonden af aan de echtheid van het stuk betwijfeld had, waarop ik antwoordde: "Dat liegt hij". - "Hebt gij daar bewijzen voor?" - "Waarachtig. Als hij het voor onecht had gehouden, zou hij mij niet gezogt hebben, om het uit mijne handen te krijgen, dan zou hij het niet vertaald hebben, en dan zou hij mij de vertaling gegeven hebben, met de aanmerking dat hij zijn woord had gehouden, maar dat hij het voor onecht hield: Maar het niet aan het Friesche gennootschap present hebben gedaan." - "Dat alles bewijst niet genoeg. Maar heb je geen schrift van hem waarin hij verklaart dat hij het voor echt houdt?" - "Dat denk ik wel. Maar ik wil u eens wat zeggen. Al komen nu alle geleerden van Nederland en zeggen dat het vals is, dan zeg ik nog dat het echt is. Alle geleerden oordeelen naar hooren zeggen, zij doen als Don Quisot, die tegen windmolens schermde, maar juist omdat zij zeggen dat het na 53 [1853] geschreven moet zijn, geeft mij het vollen bewijs dat het echt moet zijn" - "Dat het na 53 geschreven zou zijn is nonsens, daarom vind ik het jammer dat zij er niet piet paaltjes bij ingehaald hebben." - "Goed. Maar als het vroeger dan 53 is, hoe kan er dan van paalbewooners in staan? En hoe kan er dan van een doorvaart in de landengte van Zuez in staan? Hoe kan iemand voor 49 weten dat er door een rots en bergachtig land een verzand kanaal ligt, waarvan in 56 eerst raport is uitgebragt? Neen mijnheer dit besneid elkander immers." Daar zweeg ZEd op, en daarom geloof ik dat hij zulks met mij gevoelde. Na dus nog vele woorden gewisseld te hebben die echter allen op hetzelfde neer kwamen, zeide hij mij: "Het woord amper dat er ook in vorkwam was maleis, of ten minste uit Indië. Toen zeide ik hem: "Als onze voorouders op Indie, Egypte, Griekenland, Afrika enz. gevaren hebben, stond het hun toen niet even goed vrij uitheemsche woorden te spreken als wij het nu doen? En als de Egyptenaren het eerst papier gemaakt hebben, zoo als men mij gezegt heeft, kunnen zij dat dan niet evengoed van ons geleerd hebben als wij van hun? Of zijn de hersenen der blanke en blonde menschen (dominé is blond) dan minder goed dan die der zwarte en geele menschen? Ik ben in China, Indie en Afrika geweest, maar heb daar niets van kunnen merken. Integendeel, in nesterijen en in bedriegen, zooals de smousen, zijn zij bliksems knap, maar in degelijke zaken staan zij in alles ten achter. Zijn gezigt verbijsterde. Eindelijk vroeg hij: "Zoo ben je ook in China geweest? Dat dacht ik niet" enz. Daarna haalde ik den brief van Eelco Verwijs. In het begin van den brief spreekt hij van twijfel, bij de facsimilees. En daar helderde dominé zijn gezigt op. Later kwam de volgende passage (toen begon hij zagt te lezen) maar mijn zoon zeide: "Kan u dat ook niet lezen?" en toen begon hij weer wat hier volgt: - "En daar ontvang ik uwe mij zoo hoogst welkome bezending, waardoor mij de echtheid onwederleggelijk werd bewezen, en waarvoor ik u hartelijk dank zeg, doch nu begin ik veeleischend te worden, maar ben dat met het vertrouwen iets goeds te willen. Gij zegt: 'Aan het grootste (voetnoot: daar bedoelde ik het handschrift van Worp van Tabor mee) heb ik iets, aan het kleine niets.' De wetenschap daarentegen kan aan het bekend worden van uw handschrift veel, zeer veel hebben. Het is zeker hoogst belangrijk voor de friesche taal der middeneeuwen, waarvan geen enkel letterkundig produkt overig is dan alleen wetten. Doch nog belangrijker voor de letterkunde, die er een merkelijke aanwinst door zou krijgen. Al is de kunstwaarde niet groot, het is in allen gevalle zeer curieus. enz."
Toen dominé dit gelezen had, keek hij net als iemand die geen raad met zijne positie wist. Nu vroeg ik: Wat zeg je daarvan? "Dat zal ik dadelijk schrijven." - Schrijf het maar letterlijk over. - "Dat is wel wat kras." - Geneer je maar niet. Eelco heeft er mij niet naar behandeld om hem te sparen.
Dominé lachte, maar hij schreef het toch eindelijk over. Nu wat zeg je nouw! vroeg ik daarna weder, houdt U het nu nog voor onecht? "Ja ik houd het niet voor echt." - Wat rede heb je daarvoor? daareven heb ik je op het feit gewezen van de paalbewoners en van het Zueskanaal. Maar ge hebt er niets op geantwoord." - "Ja maar de taal is niet goed." - Kent u dan friesch? vroeg mijn zoon. "Neen ik niet."
"Wil ik u eens wat zeggen," zei ik. Mijnheer Ottema heeft mij geschreven, dat van het thans levende geslacht den Heer M. de Haan Hettema het knapst is in de friesche taal. Deze Heer heeft ook tegen het handschrift geschreven, maar eindigt in zijn tegenschrift, dat de taal goed is, en dat de Friezen een penningske moesten afzonderen om het te laten drukken. Den Heer Ottema heeft hem daar op bediend met hem te schrijven dat hij het dan gemaakt moest hebben, aangezien hij de eenigste was die de Friesche taal grammatikaal behandeld had. En wat de aanmerking van Colmjon betreft, dezen heeft de Heer Ottema in de Leeuwarder Courant tot nul gemaakt."
Daarop gaf ik hem die Couranten te lezen, en verzogt hem die nommers op te schrijven, dan konden de Leidsche geleerde heeren die lezen. Toen sprak hij mij weer over het woord nul in 't syfer, dat Arabisch was. Maar ik vroeg hem al weder, als onze voorouders op Arabië gevaren hadden of zij dan ook geen Arabisch woord mogten bezigen, zoo veel als men nu Grieksche, Latijnsche en Spaansche bezigt. Wat wij verder spraken was klesserij en dominé vertrok, na mij eerst nog eens gevraagd te hebben, of hij met het handschrift en den brief van Eelco naar Leiden mogt gaan. Maar daar bleef hij ketelaar van, zouden de matrozen zeggen.
En nu waarde Heer, hoop ik dat UEd mij ook eens schrijft.
Wordt er nog meer in de Leeuwarder Courant geschreven, vraag dan s.v.p. of zij mij dat alles willen oversturen, met opgaaf van prijs, die zal ik hun wel overmaken.
Na minzame groete ook aan UEds nicht, heb ik de eer van te zijn
[Nr. 15 (20) is verplaatst naar II. Overig]
24-10-1871 / 16 (21)
Waarde en zeer geleerde Heer!
Het berigt dat uEd mij omtrent de uitgave van Adela's boek mededeelde is mij niet regt helder.
Moet de prospectus, die UEd gereed maakt, voor de leden van het friesche genootschap dienen, of voor het publiek?
Bij uw verzoek om mijn handschrift te mogen gebruiken heb ik u geschreven, dat als UEd het voor het friesche genootschap liet drukken ik eenige exemplaren bedong. Hoewel ik nu zie dat daaruit voor mij slechts onaangenaamheden kunnen voortvloeyen, wil ik de uitgave voor het friesche genootschap toch niet bemoeyelijken, omdat een man een man en een woord een woord moet zijn. Dit zou ik echter wel moeten doen wanneer het een speculatieve zaak werd.
Behalve dat mijn nieuwsgierigheid voldaan is, heb ik tot heden, van mijn handschrift, slechts kosten en bespotting geoogst, en - als het nu door edel en onedel voor geld gekocht kon worden, vrees ik, dat ik, door de aanbeveling van Liko, door de geschiedenis van Jezus, en door de ultra democratische wetten die erin voorkomen, wel eens de zondenbok, der Catolyken, der fijnen van allen kleur en der volbloed aristocraten kon worden, terwijl den uitgever er wel bij voer.
Een nadere toelichting zal mij dus zeer aangenaam zijn.
Na minzame groete noem ik mij met Hoogachting
30-10-1871 / 17 (23)
Waarde en zeer geleerde Heer!
Uwe positie kan ik begrijpen, als het den Heer Kuiper dus om geen grove winsten te doen is, laat ZEd dan zeggen hoe veel exemplaren hij zou willen drukken, en - als hij billijk is zal ik het ook zijn.
Dr Dyserinck heb ik er niet over gesproken.
In afwachting noem ik mij na minzame groete
5-11-1871 / 18 (24-25)
Waarde en zeer geleerde Heer!
Om met mijzelf te beginnen, zoo moet ik U bekennen dat ik op twee gedachten hink. Juist op 't oogenblik leg ik Uwe vertaling uit de hand na die reeds, ik weet niet hoeveel malen, gelezen te hebben. En toch trof mij de inhoud weêr opnieuw. Als ik zoo pas gelezen heb zou ik haar wel in het bezit van alle menschen wenschen. Ware de vertaling nú eerst begonnen, zoo dacht ik heden, dan zouden de betweters zeggen dat het Handschrift gisteren gemaakt was, zoo slaan de voorzeggingen der verschillende eeremoeders op den toestand die wij beleven en op de voorsteling der Commune in Parijs. Ik wil daarmede niet zeggen dat wij ons heil van hen te wachten hebben; maar behalve al de onzin die men hen toeschrijft, en die zij welligt ook verkondigen, hebben zij ook veel dat naar de overoude Friesche vrijheidszin zweemt, zooals die in het Handschrift voorkomt.
Zoo aardig als ik de voorzeggingen vind, zoo belangrijk vind ik de eenvoudig gestelde geschiedenis; zelfs het Scheppingsverhaal in Frya's tex, hoewel het geheel verdicht moet zijn, vind ik mooyer da dat des bijbels, waar men zwakke begeerige menschen bij een boom plaatst waarvan zij niet mogen eten.
Aan de andere zijde kwelt mij de vrees. Onder mijne chefs met wie ik op goeden voet sta, konden er welligt zijn die niet met den inhoud van het boek gediend waren, en meenen dat ik mij als speelbal van "Piet Paaltjens" of van een anderen "Piet" liet gebruiken.
Tot overmaat van alle rampen heb ik mij, een paar jaar geleden, uit de gemeenschap der Heilige (Gereformeerde) kerk laten voeren bij Deurwaarders exploit, omdat men mij niet verzocht, maar wilde dwingen belasting te betalen aan eene kerk waarvan ik de bedienaars voor het meerendeel voor huichelaars houd, die mogelijk minder geloven dan ik, welligt niet eens aan God. De dominees en fijnen zijn dus ook mijne vrienden niet, daar ik veel van Christelijke liefde, maar niet van hun geleerd gebabbel houd.
Nu weet Ge er hoop ik alles van; ik zou van velen de zondebok kunnen worden.
U zegt dat de vertaling Uw letterkundig eigendom is. Ik wil daarover geen twist aanvangen, dewijl ik zoo vredelievend van aard ben dat ik nooit twist, tenzij ik zoover wordt gebragt dat ik geen meester meer ben over mijne rede. Wilde ik echter de openbaarmaking van Uw letterkundig eigendom beletten, dan zou ik dat kunnen, omdat ik de openbaarmaking alleen heb toegestaan onder voorwaarde dat daarin niets zoude staan wat mij of mijne familie kon compromitteren. En dewijl nu door de openbaarheid van het Handschrift onze naam aan eene beweging wordt gekluisterd die welligt zeer onaangenaam kan worden, ben ik alleszins geregtigd die beweging te verhoeden.
Hoogachtend en vriendschappelijk,
UEd dw dienaar C. over de Linden.
N.B. Nog voeg ik hierbij een velletje met een paar opmerkingen.
[gestempeld: 24]
Door het vele lezen, herlezen en vergelijken met het handschrift meen ik u op een paar onnaauwkeuigheden betrapt te hebben, die ik om het belang der zaak de vrijheid neem onder uwe aandacht te moeten brengen. Heb ik mis dan zal u het toch wel niet kwalijk nemen.
In de opdragt van Liko lees ik: PÁPEKAPPE vertaald papenkap.
Op hetzelfde blad lees ik POPPA KENINGGAR vertaald papen koningen.
Daar PÁPE en POPPA nu geheel andere woorden zijn, verbeeld ik mij dat dit laatste vreemde, booze of andere koningen moeten zijn.
Bladzijde 6 staat OD TRÀD TO RA BINNA vertaald onluk trad (de) deur binnen. Voor deur vond ik op blz. 94 DURE. Zou het nu ook moeten zijn: OD natuur, levenskracht, vruchtbaarmakende kracht of een woord dat nog beter is - trad tot haar binnen?
Toen ik bij u was hebt gij mij gezegd dat de À ê heete. Uw schrijven schrijft Fasta voor FÀSTA zou dit nu geen Fêsta of Fàsta moeten zijn?
Op bladzijde 96 heeft uw overschrijver gezet: "Adela is dat en een kind van onze grevetmannen."
In het handschrift staat: ADELA IS THET EnGE BERN VSAR GRÉVET-MAN. Zou dit ook moeten zijn: Adela is dat eenige kind onzer grevetman?
143 THÉR THIU DÁNTE HETH FON EN HOF. Dit is onvertaald voor een gedeelte. Kan dit ook zijn: welke de gedaante heeft van een hoef? Koe of paardenpoot.
Daar de hollensche letters [in handschrift van L.F.o.d.L.: die U voor de Friesche tekst gebruikt hebt] niet de letters van het handschrift zijn, zou het niet kwaad wezen als u een verklaring van de tekens gaf die u er boven zet. Alle menschen zijn geen geleerden en als alle menschen het begrijpen, zullen zij u meer helpen dan de geleerden doen.
Bladzij 153. Friso zegt dat hij geen priester, of papenkoningen lijden mag. — Daar er toen nog geen Roomschen waren zou dit direkt vrij beter zijn: mag geen vreemde koningen lijden.
Uw aandacht zoude boos worden.
8-11-1871 / 19 (26)
Waarde en zeer geleerde Heer!
Het doet mij genoegen dat wij de zaak eens zijn geworden.
Als er niets in den weg is kan men geregelder denken, daarom kom ik dan ook nog eens op mijne aanmerkingen terug.
U wil het woord poppekoningen het liefst door papenkoningen vertalen. Hier in West friesland zegt men tegen elk vreemdeling pop en spreekt men van poppe peerden varkens enz.
UEd zou er dus niets bij wagen als Gij voor poppa koningen - vreemde koningen zettet. U zegt: In Apollonia's boek is de Formleer de zuiverste voorstelling van de Godheid, en die het meest met de ware christelijke voorstelling overeenstemt. Vrij wat verhevener [dan] de oudtestamentische Jehova, die 's morgens in den hof Eden gaat wandelen om met Adam een buurpraatje te houden.
Als gij nu niet wilt dat het boek bij de eerste opslag, door velen niet met vooroordeel opzij gelegen zal worden, dient u naar mijn burger verstandje alles te vermijden wat het tegen zich innemen kan. Men vangt meer vliegen met stroop dan met azijn.
De Friesche Courant (die ik er voor mij zelf op na houd) maakt meer vijanden dan bekeerlingen, door altoos met zijn zwarte bende om te schermen.
Als men de kinderen bittere medicijnen wil doen slikken om ze van wormen te bevrijden, die hen beletten in hunnen groei, dan zegt men niet, "slik dan domkop, het is immers tot je best wil;" maar dan paait men hen met zoete woorden en suikergoed.
Zoo moesten de geleerden ook doen die het volk beter wilden maken, maar het niet voor graauw, ezels enz. schelden.
Voor het woord od wilt u vijandschap zetten. Op bladzijde 128 vind ik FIAND voor vijand. Ik had liever dat u daar vruchtbaar makende kracht - of een gepaster woord voor zette. Het woord vijandschap baart vijandschap. Als men tegen de jeugd over liefde spreekt, wordt zij verliefd. Spreekt men tegen haar van oorlog, dan vormt het groepjes en gaat soldaatje spelen, tot groot genoegen der dwingelandij.
bladzij 153 FRISO SÉITH THÀT ER NÉNE PRESTERA NER POPPA FORSTA LÍDENE MÉI.
Daarvoor staat in de vertaling weder papenvorsten. Ik verbeeld mij al meer, dat vreemde koningen minder aanstotelijk voor de Catolyken zou zijn. En daar het mijn bedunkens wel kan zou ik dat gaarne willen.
Toen ik zoo even naar huis ging, ontmoete ik dominé Dyserinck. Hij vroeg mij hoe het met het handschrift stond, ik zeide hem dat Gij het uit zoudt geven en dat ik een stukje in de Spectator had gezet. Hij hoorde nieuw op, doch zeide dat het ferm was. Het regende, en zoo namen wij spoedig afscheid.
Niets meer op mijn gemoed hebbende, groet ik u vriendelijk en noem mij met hoogachting,
9-11-1871 / 20 (27)
Waarde en zeer geleerde Heer!
Nog iets.
Mijn oudste zoon had uwe vertaling maar eenmaal gelezen, en nu wilde hij mij, nadat ik voorgaanden brief had laten wegbrengen, met alle geweld opstrijden dat er een geschiedenis van Jezus in stond. Nu had hij wel in zooverre gelijk, dat er van een Jezus in staat, maar dat is een Indiaansche, doch geen Jezus, die te Bethleëm geboren was.
Als nu een gewezen schoolmeester, die nu klerk bij de Marine is, zich zoo verkijken kan, zou dit met anderen, die minder ontwikkeld zijn, nog veel eer kunnen gebeuren, daarom verzoek ik u, met een kleine aanwijzing onder het blad erop te wijzen, dat Jezus van Kasmir niet de Jezus van Bethleëm is.
Colmjon heeft in zijn boekje gezegd dat sella verkoopen en geen koopen is. In uwe vertaling is er ook geen sprake van koopen, maar wel van verkoopen. Zou het dan niet beter wezen als Gij Misselia door misverkoop of misverkocht vertaalde? Ook spreekt hij er van dat er aan de vervoeging en verbuiging nogal wat mankeert om voor een beschaafde taal door te kunnen gaan. Is dat waar? of zijn het kleine onnaauwkeurigheden, die u zonder veel verandering kunt verhelpen?
U schrijft mij ng zult gij wel moeten houden. Ik vond NG zoo prachtig, doelmatig en zoo eenvoudig te maken dat de Heer Kuipers die moest laten gieten. Welligt werd Gij dan nog de man welke die letter in de mode bragt. Bij wier gebrek de eene nu e elen en de andere en-gelen enz leest.
Mij dunkt u heeft die letter revolutie nu in uwe hand.
Niets meer hebbende groet ik UEd hartelijk en noem mij met hoogachting ...
N.B. Als ik weer iets gevonden meen te hebben en mijn gezeur u niet verveelt, zal ik weder schrijven.
8-11-1871 / 19 (26)
8-11-1871 / 19 (26)
8-11-1871 / 19 (26)
II. Overig
26-10-1871 / 15 (20)
[ontwerp? bevat veel doorhalingen/ wijzigingen; door wie achteraf gedateerd? Stempel Tresoar: 20, nummer Luitse: 15]
Over het boek der Adela's volgers.
Ik ondergetekende verklaar, dat bovengemeld boek niet na 1853 door Piet Paaltjes of door een anderen geleerden piet gemaakt is.
Durfde ik mijn geheugen zoo zeer verdenken, dan zou ik veeleer geloven, dat mijn vader, die in 1837 het tijdelijke met het eeuwige verwisselde, het mij op een goeden dag, met passende toespraak had ter hand gesteld. Zoo had het ten minste behooren te zijn. Ik ontving het echter van mijn tante, die eerst in 1849 stierf, met de eenvoudige toepraak, dat zij het op verlangen van mijn Grootvader zoo lang had moeten bewaren totdat ik oud en wijs genoeg zou zijn, om er prijs op te stellen.
Dat deze verklaring geen bewijs is, voor hen, die met mij en mijn geheugen niets te maken hebben, begrijp ik volkomen. Met zwart op wit kan ik echter bewijzen, dat Dr. Eelco Verwijs, na inzage van het eerste gedeelte van het boek, mij het volgende schreef: "En daar ontvang ik uwe mij zoo hoogst welkome bezending, waardoor mij de echtheid onwederleggelijk werd bewezen, en waarvoor ik u hartelijk dank zeg."
Na de ontvangst van een andere bezending schreef ZEd mij: "Is het bewuste handschrift een "heiligdom" in uw familie, zoo ja, vergun mij dan de openbaarmaking; zoo neen, mag ik dan in mijne kwaliteit als archivaris er met den Commissaris des Konings en Gedeputeerden over spreken en hun een voorstel doen met U te onderhandelen over de overname? Vergeef mij die vraag, enz."
Wat de Heer Dr. Ottema van het boek denkt, bewijst zijn verslag. Het eenige verschil van gevoelen dat ik bij beide heeren bespeur, is dat de Heer Ottema het voor het door Hiddo oera Linda geschreven boek houdt en de Heer Eelco Verwijs meent dat het meermalen overgeschreven is.
Wat het geschil tusschen de Heren Ottema en Colmjon aangaat, ieder hunner kan van diens standpunt gelijk hebben, doch het verschil van meening wordt door het volgende geheel opgehelderd. Hebben onze voorouders destijds zoo veel op de Middellandsche Zee gevaren, dan kunnen zij niet alleen Latijnsche namen, zelfs al eenige Arabische en Afrikaansche woorden gebezigd hebben. Dat G. Japicks en de Friesche boeren die niet gebruiken, bewijst niets, daar men in de zeeplaatsen allerhande vreemde woorden bezigt, die men op het platte land en in binnenste steden niet hoort. En nu de hoofdzaak. Daar mijne nieuwsgierigheid en die mijner zonen door de vertaling van den Heer Dr. Ottema voldaan is, komt het er voor mij minder op aan, wat de geleerden er van denken, die het boek niet gezien hebben. Maar ! - bij het lezen bemerk ik, dat het boek, voor zooveel er van het geheel nog over is, wel door de Over de Lindens bewaard is, doch dat het niet voor hen, maar voor de blanke Europesche bevolking geschreven is: Omdat de Heidensche volken met hunne priesters destijds uit Azië, ten noorden over Zweeden en ten zuiden over Frankrijk, in Europa drongen, en door list en geweld alles vernielden en zoek maakten, wat de overwonnenen aan hunne verloren vrijheid kon herinneren.
Of de geschiedenissen daarin te boek gesteld nu even onwaarschijnlijk is, als die der Aziatische en Afrikaansche volken, laat ik in het midden, maar ik geloof toch, dat het zeer ondankbaar van ons zijn zou, haar overboord te werpen, terwijl men die van vreemden, met vele kosten in eere houdt.
Helder, 26 October 1871. — C. over de Linden.