Jump to content

NL163.10 Panjab

From Oera Linda Wiki
Revision as of 06:16, 25 June 2024 by Jan (talk | contribs) (Ott werkversie: 'in de hemel liggen')

Ontwerp 2026 Ott

Panj-ab Verslag

[163/10] Bij de geschriften van mijn vader heb ik een document gevonden, geschreven door Ljudgeert de Geertman. Met weglating van enige delen die alleen mijn vader betreffen, geef ik hier het overige ten beste.

Panj-ab betekent Vijf-Wateren en is een rivier van uitzonderlijke schoonheid, grenzend aan het gebied waar wij vandaan komen. Ze wordt Vijf-Wateren genoemd omdat vier andere rivieren door haar monding in zee vloeien. Veel verder oostwaards is nog een grote rivier, genaamd de Heilige of Voorname Gongga. Tussen deze rivieren ligt het land van de Hindoes. Beide rivieren lopen van de hoge bergen naar de delta of laagte. De bergen waarvanuit ze nederstromen zijn zo hoog, dat ze in de hemel liggen.

[meer volgt]

Noten en andere vertalingen

Noten


Overwijn 1951

[/151] Bij mijn vaders geschriften heb ik een brief gevonden, geschreven door Ludger de Geerman. Behalve sommige zaken, die alleen mijn vader aangaan, geef ik hier het overige ten beste.

Pangab, dat is vijf weteringen, waar wij vandaan komen, is een rivier van bijzondere schoonheid en vijf weteringen genoemd, omdat vier andere rivieren door haar mond in zee stromen. Heel ver [153] Oostwaarts is nog een grote rivier, de heilige of vrome Ganges geheten. Tussen deze beide rivieren is het land der Hindoes. De beide rivieren lopen van de hoge bergen naar de laagte. De bergen, waarvan zij afstromen, (zijn zo hoog, dat zij tegen de hemel aanliggen, daarom worden het Himalaja-gebergte genoemd). Onder de Hindoes en anderen uit die landen zijn er sommige lieden, die in stilte bij elkaar komen. Zij geloven, dat zij onverbasterde kinderen van Finda zijn. Zij geloven, dat Finda in het Himalaja-gebergte is geboren, vanwaar zij met haar kinderen naar de delta is getrokken. Sommigen onder hen geloven, dat zij met haar kinderen op het schuim van de heilige Ganges naar beneden is gegaan. Daarom zou die rivier de heilige Ganges heten. Maar de priesters, die uit een ander land komen, lieten die mensen opsporen en verbranden. Daarom durven zij voor hun zaak niet openlijk uit te komen. In dit land zijn alle priesters dik en rijk. In hun kerken worden allerlei afgodische beelden gevonden, daaronder zijn er vele van goud. Ten Westen van Pangab zijn de Yren (Iraniërs) of Wrangen (Drangianen), de Gedrosiërs (of weggelopenen) en de Urjetten (Oriten) (of vergetenen). Al deze namen zijn hun door de nijdige priesters gegeven, omdat zij hen ontvluchten wegens de zeden en het geloof. Bij hun komst hadden onze voorouders zich ook aan de oostelijke oever van de Pangab neergezet, maar wegens de priesters zijn zij ook naar de westelijke oever gevaren. Daardoor hebben wij de Yranen en anderen leren kennen. De Yranen zijn geen wilden, maar goede mensen die geen beelden toelaten, noch aanbidden. Ook willen ze geen kerken noch priesters dulden en evenals wij het heilige licht van Fästa aanhouden. Eveneens houden zij overal vuur in hun huizen brandende. Komt men echter heel westelijk, zo komt men bij de Gedrosiërs. Van de Gedrosiërs dit: zij zijn door andere volkeren verbasterd en spreken allen afzonderlijke talen. Deze mensen zijn werkelijk kwaadaardige moordenaars, die altijd met hun paarden over de velden dwalen, die altijd jagen en roven en die zich als ongeregelde troepen verhuren aan de omwonende vorsten, voor wie zij alles neerhouwen, wat zij kunnen bereiken. Het land tussen de Pangab en de Ganges is even vlak als Fryaland aan de zee, afgewisseld met velden en wouden, vruchtbaar in alle delen, maar dit kan niet beletten dat daar bijwijlen duizenden en duizenden van honger bezwijken. Deze hongersnood mag daarom noch aan Wr.alda, noch aan Irtha worden geweten, maar alleen aan de vorsten en priesters. De Hindoes zijn even bang en vervaard voor hun vorsten als de hinden voor de wolven zijn. (Daarom hebben de Yranen en anderen hen Hindoes genoemd, dat hinden betekent). Maar van hun bangheid wordt een afgrijselijk misbruik gemaakt. Komen er uitheemse kooplieden om [155] koren te kopen, dan wordt alles te gelde gemaakt en door de priesters wordt het niet belet, want deze, nog snoder en hebzuchtiger dan alle vorsten tezamen, weten heel goed, dat al het geld eindelijk in hun buidels terecht komt. Buiten en behalve, dat de mensen daar veel van hun vorsten hebben te lijden, moeten zij ook nog veel van de vergiftige en wilde dieren lijden. Er zijn grote olifanten, die in hele kudden lopen, die soms hele korenvelden vertrappen en hele dorpen. Er zijn bonte en zwarte katten, tijgers geheten, die zo groot als grote kalveren zijn, die mens en dier verslinden. Behalve vele andere kruipende dieren zijn er slangen van de grootte van een worm af tot de grootte van een boom. De grootste kunnen een hele koe verslinden, maar de kleinste zijn nog vreselijker dan die. Zij houden zich tussen bloemen en vruchten verscholen om de mensen te overrompelen, die willen plukken. Is men daardoor gebeten dan moet men sterven, want tegen haar vergif heeft Irtha (de aarde) geen kruiden gegeven, (en dat is dan omdat de mensen zich hebben schuldig gemaakt aan afgoderij). Voorts zijn daar allerlei soorten hagedissen, schildpadden en krokodillen. Al deze reptielen zijn evenals de slangen van een worm tot een boomstam groot. Naar dat zij groot of vreselijk zijn, zijn hun namen, die ik niet alle kan noemen. De allergrootste hagedissen heten Adiskar (Alligator), (omdat zij even gretig bijten in rottende dieren, die met de stroom van boven komen afdrijven, als in het levende gedierte, dat zij kunnen overrompelen). Aan de westzijde van Pangab, waar wij vandaan komen en waar ik ben geboren, bloeien en groeien dezelfde vruchten en noten als aan de oostzijde. Voorheen werden er ook dezelfde kruipende dieren gevonden, maar onze voorvaderen hebben alle kreupelbossen verbrand en tevens zo vaak op het wilde gedierte gejaagd, dat er slechts weinig meer over zijn. Komt men heel westelijk van Pangab, dan vindt men naast vette kleigrond ook dorre geestlanden, die eindeloos schijnen, af en toe afgewisseld door liefelijke streken, waardoor het oog geboeid blijft. Onder de vruchten van mijn land zijn veel soorten, die ik hier niet heb gevonden. Onder allerlei koren is er ook goudgeel, ook goudgele appels, waarvan sommige zoet zijn als honing en sommige zo wrang als azijn. Bij ons worden noten gevonden zo groot als kinderhoofden. Daar zit kaas en melk in. Worden ze oud dan maakt men er olie van. Van de bast maakt men kelken en ander huisraad. Hier in de wouden heb ik bos- en kruisbessen gezien. Bij ons zijn bessenbomen zo groot als uw lindebomen, waarvan de bessen veel zoeter en driemaal zo groot als kruisbessen zijn. Wanneer de dagen op z’n langst zijn en de zon uit het toppunt schijnt, dan schijnt ze loodrecht op uw hoofd. Is men dan met zijn schip heel ver zuidelijk gevaren en ’s middags met zijn gelaat naar het Oosten gekeerd, dan schijnt de zon tegen uw linkerzijde zoals zij anders aan uw rechterzijde doet. Hiermee wil ik eindigen, maar na mijn schrijven zal het U licht genoeg vallen, om de leugenachtige vertelsels te kunnen schiften van de ware verhalen.

Uw Ludger.

Ottema 1876

[/221] Bij mijn vaders schriften heb ik een brief gevonden geschreven door Liudgert den Geertman, behalve sommige zaken die mijn vader alleen aangaan, geef ik hier het andere ten beste.

Pangab, dat is vijf wateren, en waar nevens wij weg komen, is eene rivier van bijzondere schoonheid, en vijf wateren genoemd, omdat vier andere rivieren door zijn mond in zee stroomen. Heel verre oostwaarts is nog eene groote rivier, de heilige of vrome Ganges geheeten. Tusschen deze beide rivieren is het land der Hindos. De beide rivieren loopen van de hooge bergen naar de laagte neer. De bergen, waar zij van afstroomen, zijn zoo hoog, dat zij tot den hemel reiken (laia), daarom wordt het gebergte Himmellaia gebergte genoemd. Onder de Hindos en andere uit die landen zijn er sommige lieden die in stilte bij elkander komen. Zij gelooven dat zij onverbasterde kinderen van Finda zijn. Zij gelooven dat Finda van uit het Himmellaia gebergte geboren is, van waar zij met hare kinderen naar de delta of de laagte getrokken is. Sommigen onder hen gelooven, dat zij met hare kinderen op het schuim van de heilige Ganges naar beneden gegaan is. Daarom zoude die rivier de heilige Ganges heeten. Maar de priesters die uit een ander land weg komen lieten die menschen opsporen en verbranden; daarom durven [223] zij voor hunne zaak niet openlijk uitkomen. In dit land zijn alle priesters dik en rijk. In hunne kerken worden allerlei gedrochtelijke beelden gevonden, daaronder zijn vele van goud. Bewesten Pangab zijn de Yren (Iraniers) of wrangen (Drangianen), de Gedrosten (Gedrosiers) of weggeloopenen, en de Urjetten (Oriten) of vergetenen. Al deze namen zijn hun door de nijdige priesters gegeven, omdat zij hen ontvlieden wegens de zeden en het geloof. Bij hunne komst hadden onze voorouders zich ook aan den oostelijken oever van den Pangab neergezet, maar om der priesteren wille zijn zij ook naar den westelijken oever gevaren. Daardoor hebben wij de Yren en anderen leeren kennen. De Yren zijn geen wilden, maar goede menschen, die geen beelden toelaten noch aanbidden: ook willen ze geen kerken noch priesteren dulden, en even als wij het heilige licht van Fasta aanhouden, zoo houden zij allerwege vuur in hunne huizen brandende. Komt men echter heel westelijk, zoo komt men bij de Gedrosten. Van de Gedrosten: deze zijn met andere volken verbasterd, en spreken alle afzonderlijke talen. Deze menschen zijn wezenlijk wilde moordenaren, die altijd met hunne paarden over de velden dwalen, die altijd jagen en rooven, en die zich als soldaten verhuren aan de omwonende vorsten, ter wier wille zij alles neder houwen, wat zij kunnen bereiken. Het land tusschen den Pangab en de Ganges is even vlak als Friesland aan de zee, afgewisseld met velden en wouden, vruchtbaar in alle deelen; maar dit kan niet beletten dat daar bijwijlen duizenden bij duizenden van honger bezwijken. Deze hongersnood mag daarom noch aan Wralda, noch aan Irtha geweten worden: maar alleen aan de vorsten en priesters. De Hindos zijn even bloode en vervaard voor hunne vorsten als de hinden voor de wolven zijn. Daarom hebben de Yren en anderen hen Hindos genoemd, dat hinden beteekent. Maar van hunne blooheid wordt afschuwelijk misbruik gemaakt. Komen er uitheemsche kooplieden om koorn te koopen, dan wordt alles te gelde [225] gemaakt, en door de priesters wordt het niet geweerd, want deze nog listiger en hebzuchtiger als alle vorsten te zamen, weten heel goed, dat al het geld eindelijk in hunne buidels komt. Buiten en behalve dat de menschen daar veel van hunne vorsten lijden, moeten zij ook nog veel van het vergiftige en wilde gedierte lijden. Daar zijn groote olifanten, die bij geheele kudden loopen, die soms geheele koornvelden vertrappen en geheele dorpen. Daar zijn bonte en zwarte katten, tijgers geheeten, die zoo groot als groote kalveren zijn, die mensch en dier verslinden. Buiten vele andere kruipende dieren zijn er slangen van de grootte van een worm af tot de grootte van een boom. De grootste kunnen eene geheele koe verslinden, maar de kleinste zijn nog vreeselijker als die. Zij houden zich tusschen bloemen en vruchten verscholen om de menschen te overrompelen, die ze willen afplukken. Is men daardoor gebeten zoo moet men sterven, want tegen haar vergif heeft Irtha geene kruiden gegeven, alzoo dat de menschen zich hebben schuldig gemaakt aan afgoderij. Voorts zijn daar allerlei soort van hagedissen, schild padden en krokodillen; al deze disken zijn evenals de slangen van een worm tot een boomstam groot; naar dat zij groot of vreeselijk zijn, zijn hunne namen, die ik alle niet noemen kan, de allergrootste adisken heeten alligators, omdat zij even gretig bijten in het verrotte vee, dat met de stroom van boven naar de laagte drijft, als in het levende gedierte, dat zij kunnen overrompelen. Aan de westzijde van Pangab, waar wij van daan komen, en waar ik geboren ben, bloeijen en groeijen dezelfde vruchten en granen als aan de oostzijde. Te voren werden er ook dezelfde kruipende dieren gevonden, maar onze voorvaderen hebben alle kreupelbosschen verbrand, en al zoo vaak achter het wilde gedierte gejaagd, dat er slechts weinige meer over zijn. Komt men heel westelijk van Pangab, dan vindt men nevens vetten kleigrond ook [227] dorre geestlanden, die eindeloos schijnen, bij wijlen afgewisseld met liefelijke streken, waaraan het oog geboeid blijft. Onder de vruchten van het land zijn er vele, die ik hier niet gevonden heb. Onder allerlei koorn is er ook goudgeel; ook goudgeele appelen, van welke sommige zoet zijn als honing, en andere zoo wrang als azijn. Bij ons worden noten gevonden zoo groot als kinderhoofden; daar zit kaas en melk in; worden ze oud dan maakt men er olie van; van de bast maakt men touw, en van de kernen maakt men kelken en ander huisraad. Hier in de wouden heb ik kruip- en steekbessen gezien. Bij ons zijn bessenboomen zoo groot als uwe lindeboomen, waarvan de bessen veel zoeter en driewerf grooter als uwe doornbessen zijn. Wanneer de dagen op het langste zijn en de zon uit het toppunt schijnt, dan schijnt ze lijnrecht op uw hoofd neder. Is men dan met zijn schip heel ver zuidelijk gevaren, en men des middags met zijn gelaat naar het oosten gekeerd, zoo schijnt de zon tegen uwe linkerzijde, gelijk zij anders aan uwe rechterzijde doet. Hiermede wil ik eindigen, maar na mijn schrijven zal het u licht genoeg vallen, om de leugenachtige verhalen te kunnen schiften van de ware berichten. Uw Liudgert.

Navigeer

Nl 16f Scholen en Vriendschap ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 17 Koenraad's Opvolger

Aangepaste volgorde:

Nl 10b Athenia ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 14d Alexander

En 16g Panj-ab Report