NL061.28 Burgfamen
Ontwerp 2026 Ott
Overwijn 1951
Ottema 1876
[/87] Nu willen wij schrijven over den oorlog der burgtmaagden Kælta en Minerva.
En hoe wij daardoor alle onze zuidelijke landen en Brittannie aan de Golen verloren hebben.
Bij de Zuider Rijnmond en de Schelde daar zijn zeven eilanden, genoemd naar Fryas zeven waakmeisjes der week. Midden op het eene eiland is de burgt Walhallagara, en van de wanden dier burgt is de volgende geschiedenis afgeschreven. Daarboven staat: lees, leer en waak.
563 jaar nadat Atland verzonken is, zat hier eene wijze burgtmaagd, Min-erva was haar naam, door de zeelieden bijgenaamd Nyhellenia. Deze bijnaam was goed gekozen, want de raad, die zij verleende was nieuw en helder boven alle andere.
Over de Schelde op de Flyburgt, zat Syrheed; deze burgtmaagd was vol ranken, schoon was haar gelaat, en rap hare [89] tong; maar de raad die zij gaf, was altijd in duistere woorden. Daarom werd zij door de zeelieden Kælta genoemd. De landsaten meenden dat het een eernaam was. In de uiterste wil der verstorvene Moeder stond Rosamunde het eerst, Minerva het tweede en Syrheed het derde als opvolgster beschreven. Minerva had daar geen weet van, maar Syrheed was er door geknakt. Even als eene buitenlandsche vorstin wilde zij geëerd, gevreesd en gebeden wezen; maar Minerva wilde alleen bemind wezen. Ten laatste kwamen alle zeelieden aan haar hunne hulde bieden, zelfs van de Dennemarken en van het Flymeer. Dat kwetste Syrheed, want zij wilde boven Minerva uitmunten. Opdat men een grooten dunk van hare waakzaamheid zoude hebben, maakte zij een haan op hare banier. Toen ging Minerva heen en maakte een herdershond en een nachtuil op hare banier. De hond, zeide zij, waakt voor zijn heer en over de kudde, en de nachtuil waakt over de velden, opdat zij door de muizen niet verwoest worden; maar de haan heeft voor niemand vriendschap, en door zijn ontucht en zijne hoogvaardigheid is hij vaak de moordenaar zijner naaste bloedverwanten geworden. Als Kælta zag dat haar werk verkeerd uitkwam, ging zij van kwaad tot erger; in stilte liet zij Magyaren bij zich komen om tooverij te leeren. Als zij daar haar bekomst van had, wierp zij zich in de armen der Golen, doch van al die misdaden kon zij zich niet beteren. Toen zij zag, dat de zeelieden meer en meer van haar weken, wilde zij hen door vrees winnen. Was de maan vol en de zee onstuimig, dan liep zij over de wilde vloed, de zeelieden toeroepende, dat zij alle zouden vergaan, indien zij haar niet wilden aanbidden. Voorts verblindde zij hunne oogen, waardoor zij water voor land en land voor water hielden, daardoor is menig schip vergaan met man en muis. Op het eerste krijgsfeest, toen alle hare landgenooten gewapend waren, liet zij hun tonnen bier schenken. In dat bier had zij een tooverdrank gedaan. Toen het volk nu allen te zamen dronken [91] ken waren, ging zij boven op haar strijdros staan met het hoofd tegen hare speer geleund. Het morgenrood kon niet schooner wezen. Toen zij zag, dat aller oogen op haar gevestigd waren, opende zij hare lippen en sprak: Zoonen en dochteren van Frya, gij weet wel, dat wij in den laatsten tijd veel schade en gebrek geleden hebben, doordien de zeelieden niet langer komen om ons schrijfvilt te verkoopen, maar gij weet niet, waardoor dat gekomen is. Lang heb ik mij daarover ingehouden (gezwegen), doch nu kan ik het niet langer. Hoort dan vrienden, opdat gij weten moogt, waarnaar gij bijten moet. Aan de overzijde der Schelde, waar zij bijna de vaart van alle zeeën hebben, daar maken zij heden ten dage schrijfvilt van pompebladen, daarmede sparen zij vlas uit, en kunnen zij ons ontbeeren. Nadien het maken van schrijfvilt altijd ons voornaamste bedrijf geweest is, zoo heeft de Moeder gewild, dat men het ons zoude laten. Maar Minerva heeft al het volk behekst, ja behekst, vrienden, even als al ons vee, dat laatst gestorven is. Er uit moet het, ik wil het u vertellen, was ik niet burgtmaagd, ik zoude het wel weten. Ik zou die heks in haar nest verbranden. Toen zij het laatste woord geuit had, spoedde zij zich naar hare burgt; maar het beschonken volk was zoo opgewonden, dat het over zijne rede niet vermocht te waken. In doldriesten ijver gingen zij over de Sandfal, en nadien de nacht middelerwijl neder streek, gingen zij even kloek op de burcht los. Doch Kælta miste al weder haar doel, want Minerva en hare maagden en de lamp werden alle door de rappe zeelieden gered.
Noten
[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 09b De Vloot van Jon