Jump to content

1990 Dossier Oera Linda

From Oera Linda Wiki
Revision as of 10:09, 3 June 2025 by Jan (talk | contribs) (add)
(diff) ← Older revision | Latest revision (diff) | Newer revision → (diff)

Samengesteld door Mr. N. Luitse (mei 1990)[1], hier gereconstrueerd en in bewerkte vorm opnieuw uitgegeven vanuit oude computerbestanden en waar nodig m.b.v. OCR, voorzien van links en afbeeldingen door J. Ott.


... een der interessantste falsi- of mystificaties uit de literatuurgeschiedenis. (Artikel Oera Linda Boek in de Grote Winkler Prins 1982, zie bijlage Ia)

I. Inleiding

Het Oera Linda Boek is, met het Locke-Leland-manuscript, door H. van Heuven genoemd om het vermoeden van onechtheid t.o.v. het Charter van Keulen kracht bij te zetten.[2]

In alle drie gevallen, zegt hij, verzet de oppositie zich tegen het aspect van historische betrouwbaarheid. In alle drie gevallen, constateren wij, is het blijkbaar populairder naar de auteur van het falsifikaat te speuren, dan naar argumenten die de echtheid zouden kunnen staven. Er bestaat dan ook in alle drie gevallen een omvangrijke controversiële literatuur. Aangezien die literatuur door slechts weinigen wordt gekend, kan niet gezegd worden dat met een retorische verwijzing een zinvolle discussie gediend wordt.

Om de discussie uit het slop te halen, werd betreffende het Charter van Keulen van 24 juni 1535[3] en het Locke-Leland MS een omvangrijke documentatie voorgelegd in Extra Bundels van Landmerk.[4] De lezer kan zich aan de hand van een groot aantal teksten en commentaren zelf een oordeel vormen over de waarde van de argumenten pro en contra de echtheid. Zorgvuldige afweging van de argumenten (en weging van de personen die ze naar voren brachten!) heeft, lijkt het, de balans ten gunste van de echtheid van deze stellen stukken doen doorslaan.

Merkwaardig genoeg is, omgekeerd, de vermeende onechtheid van het Charter van Keulen en het Locke-Leland MS genoemd als argument om het vermoeden van onechtheid van het Oera Linda Boek kracht bij te zetten.[5] Om deze redenen menen wij er goed aan te doen, Extra Bundel W van Landmerk aan het beruchte en bij de meesten slechts bij geruchte bekende Oera Linda Boek te wijden.

Het OLB onderscheidt zich van de beide andere handschriften, waarvan helaas alleen afschriften bewaard zijn, doordat het gelukkig nog voor wetenschappelijk onderzoek beschikbaar is. Het werd in 1938 door de familie Over de Linden geschonken aan de Provinciale Bibliotheek van Friesland te Leeuwarden, waar het krachtens een Acte van Schenking[6] in de kluis wordt bewaard.

Er is een goede reden, om deze Extra Bundel in 1990 uit te brengen. Dit jaar is het namelijk 120 jaar geleden, dat door een brief van Dr. J.G. Ottema, bestuurslid van het Fries Genootschap - waarvan hij een aantal jaren de actieve secretaris was - aan het adres van de eigenaar van het OLB, Cornelis Over de Linden, toen als hellingbaas werkzaam aan de Marinewerf te Den Helder, dd 22 december 1870, een doorbraak tot stand kwam. Al enkele jaren had Over de Linden van het handschrift, dat hij in augustus 1848 als een kostbaar erfstuk van een tante te Enkhuizen had ontvangen, een vertaling geprobeerd te krijgen. Het was niet alleen in oud-Fries geschreven, maar bovendien in een vreemd alfabet. Zoveel had hij er van begrepen, dat het heel oud was en dat de erfgenamen op het hart gebonden werd, over deze schat met lichaam en ziel te waken. Om deze reden wilde hij van het handschrift geen afstand doen, hetgeen niet bevorderlijk was voor het welslagen van zijn pogen. Na twee jaren kwam, door toedoen van Dr Eelco Verwijs een afschrift tot stand, doch de bibliothecaris van het Fries Genootschap, Johan Winkler, die gevraagd was voor een vertaling te zorgen, vond de inhoud zo potsierlijk, dat hij een jaar later het afschrift aan het bestuur terug gaf, omdat het volgens hem de moeite van het vertalen en uitgeven niet waard was. Het handschrift kon gezien de moderne uitdrukkingen en vreemde verhalen niet echt zijn. Hij had lang geaarzeld met deze mening voor de dag te komen, want zij stond gelijk met de beschuldiging aan het adres van die oude heer in Den Helder, dat hij de jonge generatie heren in Leeuwarden een poets wilde bakken.

Dr. J.G. Ottema (van de oudere generatie) bemoeide zich ermee en wist in enkele maanden het handschrift, katern na katern, in handen te krijgen, af te schrijven en te vertalen. Hij zag het taalkundig en historisch belang van het oude handschrift in, deelde zijn inzichten mee aan het Fries Genootschap in de vergaderingen van 16 en 23 februari 1871 en schreef erover in de Leeuwarder Courant. Zijn uitvoerige Verslag werd het jaar daarop als Inleiding tot de tekst en de vertaling van Thet Oera Linda Bok gepubliceerd. Sindsdien is over de echtheid gestreden en over de mogelijke falsaris getwist. En niet zo weinig!

De in 1956 verschenen Bibliografie betreffende Thet Oera-Linda Bôk van J.J. Kalma (in het vervolg geciteerd met K) omvat 648 nummers (ongeacht de bijzondere verzamelingen). Een supplement op Kalma's bibliografie tot juni 1989 (in het vervolg geciteerd met S) omvat nog eens een kleine 100 nummers.

Het OLB is een onderwerp dat, net als Alice in Wonderland, de fantasie blijft prikkelen. Zoals er in Engeland en in de Verenigde Staten verenigingen bestaan van Vrienden van Alice in Wonderland, zou een Vereniging Vrienden van het Oera Linda Boek, als die in ons land zou worden opgericht - waar veel voor te zeggen zou zijn - voor een lengte van jaren stof hebben voor een boeiend verenigingsorgaan!

Wie zich plompverloren in de OLB-literatuur stort, wordt ontmoedigd door de veelheid van aspecten en van meningen en de moeilijke toegankelijkheid der stukken, waarvan belangrijke nog in manuscript. Er zijn vele zaken nog niet opgehelderd en vele zullen waarschijnlijk nooit (geheel) opgehelderd kunnen worden. Dat neemt niet weg, dat over een aantal zaken wel zekerheid bestaat, met name:

  1. dat het Oera Linda Boek bestaat en
  2. dat de vele pogingen om de vermeende maker ervan in de 19e eeuw te zoeken tot dusver hun doel hebben gemist.

Dit doet de vraag rijzen: Zou Dr. J.G. Ottema, die, ondanks de kritiek, in de ouderdom en in de echtheid van het handschrift geloofde, ten onrechte niet geloofd zijn?

Het samenstellen van dit Dossier eiste veel overleg. De ruimte staat niet toe de tekst van Ottema's transcriptie en vertaling te geven, noch vele andere stukken. Om het karakter van de controverse rond het OLB te tonen - leerzaam voor het begrijpen van soortgelijke controverses rond het Charter van Keulen en het Locke-Leland MS - zal een beperkt aantal stukken in de bijlagen worden gereproduceerd. Zij stellen de lezer in staat zich zelf een oordeel te vormen. De geschiedenis van de controverse rondom het OLB dwingt tot bezinning op de theoretische grondslagen van het echtheidsonderzoek ten principale. Het gaat niet alleen om de echtheid van een handschrift, om het pleit vóór of tegen de falsaris of mystificateur, het gaat, niet in de laatste plaats, om om de integriteit van de onderzoeker en de lezer.

In dit eerste hoofdstuk is het onderwerp van dit Dossier gesitueerd. Hoe zal het in de volgende hoofdstukken worden behandeld?

In hoofdstuk twee zullen het papier en een aantal bijkomende eigenaardigheden van het handschrift worden genoemd, die in de discussie over de echtheidsvraag een belangrijke rol gespeeld hebben. De ruimte laat niet toe ook de controverse omtrent de inhoud aan de orde te stellen.

Tegenover de mening dat het handschrift in het midden van de 19e eeuw vervaardigd moet zijn - wat de noodzaak oproept de falsaris in die tijd te vinden - staan getuigenissen, dat het al ver vóór die tijd in de familie Over de Linden aanwezig was. In hoofdstuk drie wordt daarom de herkomst van het handschrift getraceerd, aan de hand van de genealogie van de Enkhuizer familie Over de Linden, die uit Friesland afkomstig zou zijn.

In hoofdstuk vier wordt een even korte als noodzakelijke beschouwing gewijd aan enige theoretische grondslagen van het echtheidsonderzoek. De lezer dient over normen te beschikken, wil hij de meningen die door deskundigen en schijn-deskundigen over het OLB ten beste zijn gegeven, kunnen beoordelen.

Hoofdstuk vijf bespreekt het chronologische verloop van de controverse in de loop van meer dan een eeuw en hoofdstuk zes stelt enkele personen aan de lezer voor, die zich in de begintijd van de controverse hebben geprofileerd.

[Het zevende hoofdstuk noemt in kort bestek de conclusies die de lezer intussen voor zich zal hebben getrokken. Alle hoofdstukken kunnen niet meer dan een aanloop zijn. — dit hoofdstuk is mogelijk niet geschreven; door mij JO niet gevonden]

II. Het papier van het handschrift

In 1872 verscheen een boekwerk, dat niet meer uit de literatuurgeschiedenis is weg te denken:

Thet Oera Linda Bok naar een handschrift uit de dertiende eeuw — met vergunning van de eigenaar, den Heer C. Over de Linden, aan Den Helder, bewerkt, vertaald en uitgegeven door J.G. Ottema, Leeuwarden, H. Kuipers, 253 pp. 8o. (K 27)

Van dit boek verscheen in 1876 een Tweede (vermeerderde) Uitgave (K 127), die in 1971 door de Uitgeverij Minerva te Amsterdam als Reprint werd heruitgegeven (S 42). Het was een gelukkige gedachte van Minerva gelijktijdig Reprints uit te geven van enkele opmerkelijke geschriften over het OLB uit de jaren 1874 (K 60), 1876 (K 84) en 1877 (K 143, K 166 en K 177). Al deze Reprints zijn misschien nog bij antiquariaats-boekhandelaren te vinden.

Het OLB is, als het echt is, onder meer een belangwekkende bron voor de kennis van een duistere periode uit de Friese en Germaanse prehistorie en van de zeer oude Friese taal. Als het niet echt is, is het inderdaad een der interessantste falsi- of mystificaties uit de literatuurgeschiedenis. Wie er niets van weet, mist iets!

In dit hoofdstuk gaat het om de ouderdom van het handschrift. In zijn Inleiding (p. XIX) zegt Ottema:

Het papier, groot kwarto formaat, is katoen papier, vrij dik, zonder water- of fabriekmerk, op een raam of draadvorm geschept, met niet zeer wijde perpendiculaire lijnen. Een inleidende brief geeft het jaar 1256 op als het jaar, waarin het afschrift vervaardigd is door Hiddo overa Linda op overlandsch of buitenlandsch papier. Dienvolgens zoude het afkomstig moeten zijn uit Spanje, waar de Arabieren destijds katoenpapier vervaardigden en in den handel brachten [...] Tot de vervaardiging van het katoenpapier bezigde men oorspronkelijk de ruwe boomwol. Papier uit lompen vindt men het eerst vermeld bij Petrus Clusiacensis (1122-1150.)

De brief van Hiddo ovira Linda luidt in zijn geheel als volgt: [zie transcriptie en vertaling]

Gezien de opdracht van Hiddo aan zijn zoon, zou het handschrift ook een later afschrift kunnen zijn. Dit was niet de mening van Ottema, maar van latere auteurs. Hoe later het afschrift gemaakt is, des te meer mogelijkheden van fouten en insluipsels. Hoe oud is het papier? Wie van de echtheid uitgaat, zoekt vergelijkbaar papier uit de 13e eeuw; wie van de onechtheid uitgaat, zoekt overeenkomsten met papier uit de 19e eeuw.

Uitvoerig is ottema op de papierkwestie ingegaan in zijn voorbericht in de tweede druk van Thet Oera Linda Bok van 1876 (zie bijlage IIa). Terwijl het boek ter perse was, werd door ottema nog een verhandeling over de ouderdom van het handschrift geschreven en vóórin het boek opgenomen (zie bijlage IIb).

Ottema heeft vanaf 1871 tot 1874 met Cornelis Over de Linden en vanaf 1874 tot 1878 met diens zoon Leendert Floris gecorrespondeerd. De collectie in de PBF bestaat uit twee mapjes met elk een 70-tal brieven. Zij zijn nimmer uitgegeven, doch bevatten een schat aan bijzonderheden. Het blijkt onder meer dat de broer van de uitgever H. Kuipers, A.P.H. Kuipers, apotheker was. Hem had Ottema reeds in 1873 chemische proeven laten maken met een reepje afgeknipt van een der bladen van het handschrift.

Op 24-12-1873 ondertekende A.P.H. Kuipers de volgende, door Ottema met de hand geschreven, verklaring:

Het papier waaruit het Handschrift van 1256 bestaat, is bij Mikroskopisch onderzoek gebleken vervaardigd te zijn van boomwol.

Een scheikundig onderzoek ingesteld door den Heer A.P.H. Kuipers heeft bewezen dat in bovengenoemd papier geen spooren van chloor worden aangetroffen, terwijl katoenpapier in de tegenwoordige Eeuw altijd met chloor gebleekt bij dezelfde behandeling de duidelijkste spooren van chloor achterlaat.

Door dit verschil wordt voldingend bewezen dat het papier van het Handschrift een fabrikaat is uit de dertiende Eeuw. (Kalma C18)

Ottema maakt hiervan melding in zijn Voorbericht tot de Tweede druk van 1876, p. VIII. (De heer Kuipers was kort tevoren overleden.) Verder raadpleegde Ottema Hugo Suringar, uitgever te Leeuwarden, wiens eigenhandige verklaring van mei 1874 (zie bijlage IIc) door Ottema niet uitdrukkelijk wordt genoemd, omdat hij het er niet mee eens was, zoals blijkt uit een brief van Ottema aan L.F.o.d.L. dd 7.7.1876:

Het ongunstig oordeel van de Heeren wier brieven hiernevens terug gaan, moet u niet ter neder slaan. Tot uwe opbeuring kan ik u mededeelen, dat het papier evenmin amylum bevat als chloor, dat wil zeggen, dat er geen stijfsel in aanwezig is, en derhalve, volgens het getuigenis van v. Gelder [P. Smidt van Gelder van Van Gelder's Papierfabrieken] zelve, het papier geen machinaal papier is!!!

Toen ik den naam van den Heer v.G. zag wist ik wat er volgen zoude. Hij is eens met Hugo Suringar bij mij geweest en van dezen heeft hij het denkbeeld overgenomen dat het gevergeerd papier wezen moest. Intusschen heeft de Heer F.M. [Frederik Muller, boekhandelaar te Amsterdam] zelf het Handschrift in zijn geheel nog niet gezien. Men heeft u geen papier uit de 13e Eeuw vertoond of er mede vergeleken. Men heeft u niet kunnen aanwijzen uit welken tijd het dan wel wezen zoude. Ik blijf bij mijn woorden. Inl. XXV. Men toone de weergave aan van dit papier, dit schrift en deze taal.

Na het ontvangen van uwen brief, ben ik terstond naar H. Kuipers gegaan en met dezen naar zijn broeder den Apotheker, en gezamenlijk hebben wij de proef genomen op een stukje dat ik nog bewaard had, afgeknipt van een der bladen van het laatste katern. Gij zult zien dat aan een dier bladen bovenaan een hoekje ontbreekt.

Een druppel Jodium tinctuur daarop gedaan veranderde niet van kleur en bleef donker bruin, terwijl het bij de aanwezigheid van amylum in paarsch violet moest overgaan. Iedere apotheker kan u dat laten zien.

Op de verklaring van Suringar werd voor het eerst in 1927 de aandacht gevestigd door M. de Jong Hzn. in zijn boek Het geheim van het Oera-Linda-Boek (K 290, 354 e.v.). De Jong gaf slechts enkele zinnen en baseerde daarop de insinuatie, dat Ottema zich wel gewacht heeft zijn “verdediging” met zulk een last te verzwaren. M.a.w. Ottema zou de verklaring van Suringar opzettelijk hebben verzwegen, omdat zij niet in zijn kraam te pas kwam. Ottema's brieven werpen hierop een ander licht.

De Ned. Spectator publiceerde wel de bezwaren van F. Muller en P. Smidt van Gelder (zie bijlage IId), maar kwam na het verschijnen van Ottema's Voorbericht, enkele maanden later, daar niet meer op terug. Audi et alteram partem was er niet bij!

Ottema's uitvoerige verweer is pertinent, maar De Jong vond het blijkbaar niet nodig de kritiek van Muller en Smidt van Gelder, noch Ottema's verweer (die hij afdoet met het woord casuistiek) te toetsen. Hij sluit zich eenvoudig t.a.v. de ouderdom van het papier bij de getrokken conclusiën aan. Voor hem stond het vast, dat Eelco Verwijs de auteur van het OLB was en het door deze gebruikte papier kon eenvoudig niet anders dan van de 2e helft van de 19e eeuw zijn geweest. Zo eenvoudig lag dat!

Een onbevooroordeelde onderzoeker van na de Tweede Wereldoorlog, als E. Molenaar,[7] acht evenmin als De Jong - doch om andere redenen - een onderzoek naar de ouderdom van het gebruikte papier van overwegend belang. Hij schrijft:

Er bestaat, zoals bekend, over de samenstelling en de ouderdom van het handschriftpapier verschil van mening, evenals over de vraag of dit papier al of niet kunstmatig is gekleurd. Dit alles zijn tenslotte bijzaken, die verband houden met de meerdere of mindere ouderdom van het afschrift. Hoofdzaak is niet, of het handschriftpapier al of niet zeer oud is, maar of het handschrift al of niet een familiekroniek is van het voormalige geslacht Oera Linda.

Dit is de kern van het Oera Linda-Boek probleem, dat nog steeds om een oplossing vraagt.

Hierop de algemene aandacht te vestigen, was de taak, die ik mijzelf heb gesteld en thans ten einde heb gebracht. Daartoe behoorde niet mij, als leek, te mengen in de strijd, die in de loop der jaren is gevoerd, zowel tussen de bestrijders en de verdedigers van het handschrift, als tussen de bestrijders onderling (over de auteurskwestie) en tussen de verdedigers onderling (over de vraag of het handschrift in zijn geheel als echt kan worden beschouwd, of dat het door herhaalde overschrijving niet ten volle zijn oorspronkelijke zuiverheid heeft behouden). Het laatste woord hierover is aan een officieel onderzoek, dat nog nimmer heeft plaatsgehad.

Er is al in een vroeg stadium sprake geweest van een officieel onderzoek. In 1874, toen er in het binnen- en buitenland grote verdeeldheid over het geruchtmakende handschrift was ontstaan (daar het zulk een merkwaardig licht wierp op de oudste geschiedenis der Friezen etc.), leken de omstandigheden gunstig. Door het overlijden van Cornelis Over de Linden - die als een leeuw over het handschrift had gewaakt: Eelco Verwijs had het niet uit zijn vingers kunnen krijgen en Ottema alleen katern-gewijs - in februari van dat jaar, was een nieuwe toestand ontstaan. Cornelis' zoon Leendert Floris bood in een Open Brief aan het handschrift, waarvan de inhoud intussen was gepubliceerd, beschikbaar te stellen voor een onderzoek aan de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (Afd. Letterkunde), als het voorstel van de heer Leemans zou zijn aangenomen.[8] De aanleiding tot deze Open Brief vindt men in het proces-verbaal van de vergadering van 20 april 1874:

Vervolgens komt in discussie een schriftelijk ingediend voorstel van den heer Leemans, betreffende het in 1872 door dr. J.G. Ottema te Leeuwarden uitgegeven Oera Linda Bok. Het handschrift wordt door velen, en ook door den voorsteller voor een fabrikaat van lateren tijd gehouden; maar daar de inhoud in het buitenland zeer de aandacht trekt, stelt de heer Leemans voor een nader onderzoek op te dragen aan eene commissie en den uitslag van haar onderzoek in de Verslagen en Mededeelingen der afdeeling bekend te maken. (K 209, 4; 314, 109;)

Na ampele discussie werd het voorstel (is het wenselijk, dat de Akademie dit onderzoek aan een commissie uit haar midden opdrage?) in stemming gebracht en met 18 tegen 7 stemmen verworpen (vóór stemde o.m. Dirks, familie van Ottema, maar Ottema zelf achtte de Kon. Ak. niet competent). Het gebeurde werd door H. Brugmans in 1928 becommentarieerd in zijn brochure Nieuws over het Oera Linda Bok? (K 314, 111). Brugmans merkt op:

Het is moeilijk te zien, wat de afdeeling anders had kunnen doen. Dr. Ottema, die in een vrij heftige brochure de Akademie aanviel om haar afzijdigheid,[9] en de heer L.F. over de Linden, die het handschrift aan de Akademie ter onderzoek aanbood, hadden stellig ongelijk zich te beklagen: geen van beiden hebben de bedoeling der Akademie met haar beslissing goed begrepen.

Maar wat was die bedoeling precies? Dat de Akademie zich niet bevoegd achtte en de zaak liever overliet aan het Fries Genootschap, waar zij het eerst aan de orde was gesteld? Misschien, maar dat blijkt niet duidelijk uit het proces-verbaal. Had de Akademie zich duidelijker uitgesproken, dan hadden F.L.o.d.L. en Ottema zich waarschijnlijk niet zo opgewonden. Op grond van een bericht in de Haarlemsche Courant hadden zij geconcludeerd (ook toen reeds bleek hoe gevaarlijk het is om op krantenberichten af te gaan), dat de Akademie met haar afwijzing impliciet een oordeel had uitgesproken over het handschrift, als zou dit een recente en niet eens handige bedriegerij zijn. Aangezien er nu geen officieel onderzoek kwam, voelde Ottema zich geroepen (ter verdediging van zijn eigen naam en de eer van Cornelis Over de Linden een aantal argumenten, die vóór de echtheid pleitten, op een rijtje te zetten.

De Haarlemsche Courant had de zaak gedramatiseerd; de Afdeling Letterkunde van de Akademie daarentegen verlangde eenvoudig niet zich met de quaestie in te laten.[10]

Hoe stond het met het Fries Genootschap? Dit had reeds eerder bewilligd in een onderzoek door Eelco Verwijs, daarna door Johan Winkler. Het Verslag van Ottema deed de Nederlandsche Spectator bezwaren uiten tegen de publicatie van het OLB door het Fries Genootschap. Ottema besloot de tekst met vertaling met bekwame spoed zelf te doen uitgeven, zodat Cornelis Over de Linden daaraan nog plezier kon beleven. Het lijkt aannemelijk dat Ottema, om de handen vrij te hebben, ontslag vroeg als conrector van het gymnasium.

De roep om een officieel onderzoek zou van tijd tot tijd gehoord worden. Wij maakten reeds melding van de brochure van E. Molenaar (K 631). De genealoog en journalist W. Vleer schreef in zijn brochure Het Oera-Linda Boek en het ontstaan van het geslacht Over de Linden, 1952 (K 639, 8):

Het zou te ver voeren om alle artikelen die over het handschrift geschreven zijn op te noemen. De Oera-Linda literatuur heeft niettemin nu reeds een omvang van enkele duizenden pagina's, die moeilijk door te worstelen zijn. Opmerkelijk is dat voor de echtheid nog even veel bewijzen worden aangevoerd als voor een mystificatie. Doch nog opmerkelijker is het dat een onpartijdig onderzoek uitbleef...

In 1958/9 vond o.l.v. Prof. W.Gs. Hellinga van de Universiteit van Amsterdam een studentenproject aan het OLB gewijd plaats. De resultaten zijn niet gepubliceerd (zie bijlage Ia), waarschijnlijk was het project op het verkeerde been gestart. Wanneer het nieuwe inzichten m.b.t. het papier van het handschrift zou hebben opgeleverd, zou dit ongetwijfeld wereldkundig gemaakt zijn.

Daar aan een technologisch onderzoek van het handschrift buiten de Provinciale Bibliotheek van Friesland te Leeuwarden niet te denken valt (zie bijlage Ic), dient men zich vooralsnog met desk-research tevreden te stellen.

In een brief van 21-4-1874 aan L.F.o.d.L. schreef Ottema, dat in een eerdere vergadering der Akademie Professor Land een Syrisch Handschrift uit de 12e Eeuw vertoond heeft op gelijksoortig papier als dat van het Friesche Handschrift. Over de Linden bleef attent op berichten over papier uit de 13de eeuw, zoals blijkt uit zijn brochure van 1912: Aanvulling van de Brochure “Beweerd, maar niet bewezen” (K 209, 48):

In Napels bestaat papier, afkomstig van Frederik II, uit 1240; Venetië heeft papier van 1223; Barcelona een register van Jacob I van Arragon, gedateerd 1237, en in Parijs heeft men een register van papier uit 1248 gevonden. In Duitschland is papier aangetroffen, waarop de handtekening voorkomt van Frederik II, die in 1250 stierf. Een register van notarieele acten, dat met 1295 begon, werd in Zwitserland gevonden; en in het Kremlin te Moskau zijn overblijfselen van oud papier uit dienzelfden tijd afkomstig. (Telegraaf van 4 januari 1912).

Behalve de aard (stof) en de ouderdom van het papier is er een hele reeks bijkomende kenmerken waargenomen, die zowel het papier als het schrift betreffen. Indien het handschrift zo oud is als het zegt te zijn, dan moeten deze kenmerken uit de tijd van het ontstaan (13e eeuw) worden verklaard; is het handschrift daarentegen een (19e eeuwse?) vervalsing, dan moeten die kenmerken tegen die achtergrond worden bekeken. Hoe meer aanknopingspunten voor de kritiek, hoe beter! Dat ook de kritiek voor kritiek vatbaar is, wordt wel eens vergeten! Al te vaak heeft men in de OLB-controverse beweringen gedaan (en klakkeloos herhaald), zonder op de tegenargumenten in te gaan...

De volgende bijkomende eigenaardigheden betrekking hebbend op het papier van het handschrift moeten de papierdeskundigen interesseren: dikte, formaat, doorzichtigheid, watermerk, waterlijnen, conserveringsstaat, mogelijke inwerking van vocht en chemische stoffen; soort inkt, aard en indruk van het gebruikte schrijfgereedschap; de wijze van liniëren en pagineren en de wijze waarop de bladen ingenaaid zijn geweest enz. enz. De eigenaardigheden betreffende het gebruikte alfabet, de taal, de grammatica en de spelling gaan de taalgeleerden aan. Maar niet ieder die papierdeskundige of taalgeleerde heet, is op zijn eigen gebied alwetend, c.q. bereid zijn beperkingen te erkennen. Gewoonlijk willen de papierdeskundigen niets weten van de taalproblematiek en willen de taalgeleerden zich niet inlaten met de papierproblematiek. Onbevangen ondeskundigen hebben er geen idee van, hoe moeilijk een discussie onder deskundigen van verschillende disciplines kan zijn! Als het water gevaarlijk stijgt, trekt ieder zich op zijn eigen terp terug!

Nog eerder dan op het papier, richtte de aandacht zich op het geschrevene. De schrijver van het Voorwoord uit 1256 had, zoals hij zelf verklaart, een oud handschrift, met een in 803 gedateerd Voorwoord, overgeschreven, omdat het origineel door waterschade ging bederven. Het origineel moet dan reeds geschreven zijn geweest in het typische (niet gangbare) alfabet. Lettertype en alfabet moest de overschrijver zich vermoedelijk eerst eigen maken en door ongewoonte waren afschrijffouten niet te vermijden.

De taal, waarin het origineel geschreven was, leek een soort Fries uit een vroegere periode waarvan geen andere specimina bekend waren, ongetwijfeld afwijkend van de taal en de spelling zoals die zich tot de 13e eeuw hadden ontwikkeld. Ook daaruit konden fouten bij het overschrijven verklaard worden. De inhoud van het handschrift bood evenwel verrassingen, waarmee men niet zo gauw raad wist: merkwaardige dateringen, mythologieën, wetten en verhalen, absurde woordafleidingen enz.

Ottema opende als eerste zijn geest voor de nieuwe informatie die het handschrift bood (hij was daartoe zeer geëquipeerd, zo niet gepredisponeerd, zoals wij later zullen zien). In zijn Verslag gaf hij de eer aan Verwijs, die de taal terstond voor zeer oud Friesch had herkend (Verwijs was echter geen Fries-kenner, hij heeft erkend, dat hij door Colmjon e.a. in dat opzicht niet hoog werd aangeslagen!).

Ottema wendde zich tot Jhr Mr De Haan Hettema, bekend als uitgever van oude Friese wetten, die een wat verward artikel schreef in de Leeuwarder Courant (K 5) en tot de autodidact Gerben Colmjon, die Verwijs was opgevolgd als Archivaris van Friesland, toen deze naar Haarlem verhuisde. Colmjon schreef op 12-9-1871 een artikel in de Leeuwarder Crt. (K 7) waarin hij verklaarde, dat hij niet kon ingaan op Ottema's verzoek van het OLB een nieuw-Friese vertaling te maken. Naar zijn mening kwam de taal en de stijl van het handschrift meer met het nieuwere Fries en Nederduits overeen dan met het oud Fries en andere oude, met het Fries verwante, talen. Een groot aantal modern lijkende woorden en wendingen worden aangehaald om het vermoeden van onechtheid te staven.

Ottema reageerde in een artikel over Thet Bok thera Adela forstar in de Leeuwarder Crt. van 19-9-1871 (K 9) met verwijzing naar een antwoordbrief, die door Colmjon verzwegen was. Uitvoerig ging hij op de door Colmjon geopperde bezwaren in. Aangezien de Leeuwarder Crt. de discussie in haar kolommen sloot, reageerde Colmjon op het voorgaande met een brochure Over het Boek van Adela, gedateerd 25-9-1871 (K 11). Daarin wordt o.m. op tal van woorden en uitdrukkingen ingegaan. Ottema liet het er niet bij zitten en weerlegde de bedenkingen van Colmjon in een artikel in de Heldersche Crt. van 27-9-1871 (K 12). Colmjon zal er in 1874 op terugkomen in een lezing voor het Frysk Selskip, waarvan Verslag in de Leeuwarder Crt. van 19-6-1874 (K 57). Hij hield vol dat de taal van het OLB hem te modern voorkwam; Ottema was overtuigd van de ouderdom van het handschrift en gaf plausibele verklaringen, waarop door zijn tegenstander niet werd ingegaan. In zijn correspondentie met L.F.o.d.L. heeft hij zich daarover beklaagd. Hij legde een geleerdheid en een belezenheid aan de dag, waarvan de anderen niet terug hadden. Zijn vindingrijkheid moet hen verbijsterd hebben.

Intussen had ook Johan Winkler, die bibliothecaris van het Fries Genootschap was, zich in een artikel in de Leeuwarder Crt. van 17-9-1871 over het handschrift uitgesproken. Hij uit kritiek op de taal van het handschrift en maakt verschillende verhalen die erin voorkomen belachelijk. Ottema verwaardigde zich niet daarop te reageren (Over de relatie Ottema-Winkler, zie hoofdstuk VI).

De belangstelling voor het OLB en voor de kritiek erop groeide met de dag. De Nederlandsche Spectator mengde zich in de discussie, alsmede de Navorscher. Ottema ging onvermoeid op de kritiek in. De vragen beperkten zich zelden tot één aspect van de zaak. De discussie over de ouderdom van het papier en de taal stokte; een nieuw hoofdstuk begon: de herkomst van het handschrift. Als het handschrift onecht was (en dat moest het volgens de bestrijders wel zijn), was degeen die met het handschrift het eerste op de proppen was gekomen, Cornelis Over de Linden, de eerste verdachte.

III. De herkomst van het handschrift

[meer volgt]

IV. Grondslagen van het echtheidsonderzoek

V. De controverse chronologisch

VI. De controverse biografisch

Bijlagen

Noten

  1. Als Extra bundel W — Dossier Oera Linda Boek, voor Landmerk — Studiekring van Vrijmetselaars, Den Haag. Een deel van de hier gebruikte tekst is echter later gewijzigd of toegevoegd. In de bestanden werd geen definitieve versie aangetroffen. Het in de inleiding aangekondigde hk. 7 werd bijvoorbeeld niet gevonden.
  2. Zie: Kanttekeningen bij de geschiedenis van het Charter van Keulen, Tijdschrift voor Vrijmetselaren Thoth, XXIVe jaargang - 1973, p. 98.
  3. Annex de Notulen van de Haagse loge Frederiks Vredendal van 1637/8.
  4. Zie: Dossier Charter van Keulen, Extra Bundel 0, 1981, Eindverslag over het onderzoek naar de waarde van het Charter van Keulen enz., Extra Bundel P, 1982 en Dossier Locke-Leland, Extra Bundel U, 1989.
  5. Zie: Dr. G.A. Wumkes, Frijmitselderij en Oera-Linda-Boek, 1923, Bijlage I B.
  6. Zie: Bijlage I C.
  7. Auteur van Het geheimzinnige handschrift van de familie Over de Linden, Feiten en gegevens omtrent herkomst en voorgeschiedenis van “Het Oera Linda Boek”, 1949, K 631.
  8. Zie Open brief dd 20.4.1874 van L.F. over de Linden aan de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (Afd. Letterkunde) naar aanleiding van het voorstel van den Heer Leemans, omtrent het Oera Linda Boek, K 50.
  9. In voetnoot: De Koninklijke Akademie en het Oera Linda Bok, Leeuwarden 1874, met daarachter de Open Brief van L.F. over de Linden van 20 april 1874; het stuk van Ottema is gedagteekend 1 mei 1874.
  10. Brief van 20-5-1874, K 209, 3.