Jump to content

2011 Bedrog Reinewald en Jensma

From Oera Linda Wiki
Revision as of 10:35, 16 May 2026 by Jan (talk | contribs) (link naar afschrift radiogesprek Jensma)
(diff) ← Older revision | Latest revision (diff) | Newer revision → (diff)

(Onderstreping en enkele noten toegevoegd door OLW. Twee langere uitspraken van Jensma zijn voor de duidelijkheid uitgelicht.)

Reinewald, Chris (met medewerking van Jensma en Adriaan Kardinaal) — Bedrog, bijgeloof en zelfmoord in Friesland — maandblad Eos magazine, sept. 2011, bl. 34-38.

Bedrog, bijgeloof en zelfmoord in Friesland

Falsificatie ‘Middeleeuws’ handschrift

Door Chris Reinewald

[inleiding]

Het Friese handschrift Oera Linda stamt niet uit de middeleeuwen, maar uit de 19de eeuw. Dat blijkt onomstotelijk uit wetenschappelijk onderzoek.[1] Toch blijft het mysterie groot rond de tekst die leidde tot bedrog, bijgeloof, zelfmoord en een besmeurde reputatie voor Piet Paaltjens.


In den beginne schiep het opperwezen Wralda drie oermoeders, en daaruit ontstonden het blanke, het gele en het donkere mensenras. Onder de nakomelingen breken echter oorlogen uit. Tot overmaat van ramp wordt Atland (Atlantis) verzwolgen door een tsunami, en het rijk van de blanke oermoeder Frya schrompelt ineen tot alleen de huidige provincie Friesland overblijft.

Ziedaar het allesomvattende verhaal dat het Oera Linda-boek vertelt.[2] Het manuscript ervan dook op in 1867, maar zou dateren van het jaar 1256. Toen zou Hiddo Oera Linda (of ‘Over de Linden’), de kroniek die al vele keren werd neergeschreven, nog een laatste keer aan het papier hebben toevertrouwd. Eeuwenlang bleef het manuscript in oud-Fries runenschrift onbekend, tot Cornelis over de Linden, een scheepswerfdirecteur uit Den Helder, er in de 19de eeuw mee naar buiten kwam.

Falsificatie

Daar ligt het dan, het Oera Linda-manuscript: een stapeltje vergeelde velletjes in een cassette. Middeleeuws is het allerminst — alle experts zijn het erover eens dat het om een 19de-eeuwse falsificatie gaat.[3] Tegenover mij zit de Groningse hoogleraar Friese taal- en letterkunde Goffe Jensma.[4] We bevinden ons in het Tresoar, het Friese historisch en letterkundig centrum in Leeuwarden.

“Voor mij staat het zo goed als vast dat het Oera Linda-boek gemaakt is door dominee-dichter François HaverSchmidt (beter bekend van zijn alter ego Piet Paaltjens). Hij kreeg daarvoor de hulp van een bevriend archivaris. Eelco Verwijs, en van Cornelis over de Linden, de naamgever en zogezegde ‘ontdekker’ van het manuscript.”

Al in 1876, vier jaar na de eerste publicatie van Oera Linda, stelde filoloog Jan Beckering Vinckers al dat het boek een falsificatie was.[5] De filologie, de wetenschap van ‘dode’ talen, was toen net geïntroduceerd. Uit de babylonische spraakverwarring van het Oera Linda-boek haalde Beckering diverse taalkundige en historische ongerijmdheden. Oud-Fries? Niet echt, hij trof ook Saksische en hedendaagse Nederlandse woorden aan.[6] En met het runenschrift — eigenlijk een jolschrift — was ook van alles mis, Alle letters zijn gevormd op basis van een wiel met zes spaken, dat het jol symboliseert, een cyclus van zes eeuwen, waarna de geschiedenis zich zou herhalen.[7] Maar de runenletters werden al snel ontcijferd als een redelijk leesbaar Romeins letterschrift.

Toch bleven heel wat mensen in de oertekst geloven. In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog omarmde Nazi-Duitsland de tekst als de schets van een ideale, raszuivere samenleving in het Friese rijk Atland. Geconfronteerd met de falsificatie concludeerden de Duitsers nuchter dat het 19de-eeuwse manuscript dan wel zou zijn overgeschreven van een middeleeuwse bron. Maar waar was die dan?[8]

Ook vandaag nog heeft Oera Linda zijn onvervalste adepten. New Age-aanhangers tot in Australië zien de Frya-samenleving als het ideaal:[9] een vredelievende maatschappij, geregeerd door vrouwen. Het mythologisch-religieuze karakter maakt het boek eveneens geliefd bij sommige einzelgängers, wier geloof in geheime samenzweringen hen tot (zelfmoord)aanslagen verleidt.[10]

Virtueel, fysiek, chemisch

Jensma onderzocht het manuscript opnieuw, met de modernste methodes. Met computerprogramma’s spoorde hij (on)regelmatigheden op in de tekst.

“Bijvoorbeeld dat het begrip ‘vrijheid’ altijd genoemd wordt met ‘wet’. Of hoe een hoofdpersoon, de magí, een zogenaamde Perzische tovenaar, in verschillende tijden en gedaantes opduikt. Zo herken je verschillende versies in de tekst, die trouwens steeds slordiger en inconsistenter wordt. Dat suggereert dat het manuscript in twee delen en in twee periodes ontstond en uiteindelijk haastig is afgemaakt en samengevoegd.”

Voor de technische analyse van het gebruikte papier en de inkt stonden de papierhistorici Ellen van der Grijn en Adriaan Kardinaal in. Technici in de laboratoria van het Nationaal Archief, het Instituut Collectie Nederland, papiergroothandel Proost & Brandt en bij het Nederlands Forensisch Instituut voerden voor hen het onderzoek uit. De afgelopen vijf jaar ontrafelden ze het mysterie. Niet letterlijk. natuurlijk. “Dit soort onderzoek hoort non-destructief te zijn, al kan dat niet helemaal.”

De onderzoekers bouwden voort op de eerste analyses na de ‘ontdekking’ van Beckering en een Duits onderzoek rond 1930. Beide wezen al uit dat het papier machinaal was vervaardigd, en dat het handschrift dus nooit middeleeuws kan zijn. Het bleek om ‘gevergeerd’ papier te gaan, waarin kunstmatig de afdruk van koperdraden van de schepvorm van het papier is nagebootst. Een watermerk verwijzend naar de fabrikant ontbreekt begrijpelijkerwijs. De makers lieten het papier vergelen in een kleurstof, daarna droogden en persten ze het. Dat verraden de valse plooien in de papierkaternen. Het was slimmer geweest om echt middeleeuws papier te gebruiken, maar daarvan kreeg je niet zo makkelijk een vel of honderd bij elkaar. Naaigaatjes in het manuscript, maar zonder sporen van garen, moesten suggereren dat die katernen ooit waren samengebonden. De gebruikte inkt bevat arseen om hem zwarter, en dus — wat men blijkbaar toen dacht — middeleeuwser te laten lijken. Bij de presentatie destijds was het manuscript weliswaar kunstmatig getint maar oogde het verder onbeschadigd — om niet te zeggen spiksplinternieuw.

Het 21ste-eeuwse onderzoek bestookte het papier met straling van korte golflengtes — de zogenoemde röntgenfluorescentiespectometrietechniek. Daardoor zendt het materiaal zelf straling uit en geeft het zo de chemische samenstelling bloot. Daarna volgde een inkt-onderzoek met de hyperspectral imaging-techniek. Hierbij maakt men opnames met verschillende golflengtes licht — van infrarood tot ultraviolet.

Bij het Nederlands Forensisch Instituut gebruikte men de laser ablation-techniek, die gewoonlijk wordt gebruikt om dreigbrieven bij moordzaken onderling te vergelijken. Een laser schiet op het materiaal dat kleine deeltjes loslaat via een gasstroom in een plasma, een soort wolk. Door de temperatuur van 8.000 graden Celsius valt dit materiaal uiteen in de kleinste ‘bouwstenen’, chemische elementen, die daarop onderling gescheiden en gedetecteerd worden. Met dit onderzoek wilde men achterhalen of lege vellen papier die Cornelis over de Linden stiekem had bewaard, dezelfde waren als die van het manuscript. En inderdaad: de vellen bleken qua samenstelling zelfs vrijwel identiek te zijn: het bewijs dat Over de Linden als ‘afschrijver’ betrokken was bij de falsificatie.

Te toevallig

Grootste vondst was dat het papier ‘ontsloten hout’ bevat. Vóór de 19de eeuw maakte men papier uitsluitend van lompen waarvan de vezels — linnen, katoen, soms hennep — weer uit het weefsel losgemaakt moesten worden. Om van hout verwerkbare papiervezels, ‘celstof’, te maken, worden de houtvezels ‘ontsloten’: hiervoor verwijdert men de in de vezel aanwezige stof lignine, die krantenpapier snel laat vergelen. Deze vaststelling vroeg om een historische bewijsvoering. Al in 1876 stelde papierfabrikant P. Schmidt van Gelder bij een onderzoek dat het papier tussen de 30 en 40 jaar oud was en afkomstig moest zijn van de Nederlandse papierfabriek Tielens en Schrammen die in 1841 was gesticht. Maar die maakte dit papier toen niet. Het ontsluiten van hout was een specifiek Amerikaans procedé, in 1866 voor het eerst commercieel toegepast in Pennsylvania en in een Engelse papierfabriek in Gloucestershire. Omdat het Oera Linda-papier sodapulp bevat, wat wijst op ontsloten hout, dateert het van minimaal 26 jaar later dan werd aangenomen. Over de Lindens verweer dat zijn oude tante hem het papier in 1848 had gegeven is daardoor bespottelijk.

Maar Over de Linden werkte niet alleen. In de correspondentie rondom het boek trof men een briefje van archivaris Eelco Verwijs dan dat nota bene op hetzelfde, in die tijd bijzondere ‘Engelse’ papier was geschreven. “Te toevallig om toevallig te zijn”, grinnikt onderzoeker Adriaan Kardinaal. En zo liet, na Over de Linden, ook Verwijs zich als medeplichtige betrappen.

Piet Paaltjens

Een andere getuigenis is er van Floris over de Linden, Cornelis’ kleinzoon. Op zijn vijfde kwam die bij zijn opa wonen, nadat zijn vader in Nederlands-Indië (het huidige Indonesië) was overleden. Floris vertelde later dat hij zijn opa met “twee doctoren uit Friesland” dagen achtereen papieren had zien beschrijven. “In opperbeste stemming, met een jenevertje erbij”. En zo komt medeplichtige nummer drie, en het brein van het hele verhaal, in zicht: François HaverSchmidt. De dominee schreef als student tragikomische gedichten onder het pseudoniem Piet Paaltjens. Snikken en grimlachjes, de gebundelde gedichten, is een hoogtepunt in de Nederlandse romantische dichtkunst.

Kort na het verschijnen van het Oera Linda-manuscript werd al beweerd dat HaverSchmidt, Verwijs en Over de Linden onder één hoedje speelden. Enkele jaren later raakt ook dialectoloog Johan Winkler ervan overtuigd dat het om een falsificatie gaat. In 1900, als alle betrokkenen gestorven zijn, schrijft hij iets op een papiertje wat hem vermoedelijk is ingefluisterd door nazaten van Over de Linden. Hij bergt het op in een kistje dat pas na zijn dood in 1916 open mag: HaverSchmidt wordt genoemd als auteur.

Welke redenen had de dominee om een zogenaamd middeleeuws handschrift te maken? In de jaren 1850 speelde zich een strijd af in de Nederlandse Hervormde Kerk tussen ‘fijnen’ — religieuze fundamentalisten — en ‘vrijzinnigen’. De vrijzinnige dominee-dichter zat duidelijk in het laatste kamp. Uit onvrede met de fundamentalisten in zijn gemeente Foudgum zou hij met het Oera Linda-boek hebben willen aantonen hoe makkelijk mensen in een quasi-religieuze en historische tekst geloven. Indirect dus hoe onwaarachtig de Bijbel is. In de tekst vond onderzoeker Goffe Jensma scherpzinnige, verstopte verwijzingen naar de 19de-eeuwse religieuze actualiteit. Een eerste opzet maakte HaverSchmidt tussen 1859 en 1862. Archivaris Eelco Verwijs hielp bij de omwerking naar het zogenaamde Oud-Fries. Cornelis over de Linden uit Den Helder was niet alleen een dekmantel vanwege ‘zijn’ familiekroniek, hij kalligrafeerde de tekst op papier dat hij daarvoor kocht op Verwijs’ aanwijzingen. Afwijkingen in bepaalde letters suggereren dat de tekst inderdaad in twee delen en twee periodes gekalligrafeerd werd.

Multatuli

Bewijzen te over. Maar volgens Jensma willen literatuurhistorici niet accepteren dat HaverSchmidt zich aan het Oera Linda-boek bezondigde, vanwege zijn sympathieke alter ego Piet Paaltjens. Toch had hij als iedere vervalser ook eer van zijn werk willen hebben om zich uiteindelijk toch bekend te maken. Misschien wilde hij met het Oera Linda-boek na zijn dichterschap een groot romancier worden? Het boek kent een typisch midden 19de-eeuwse structuur volgestopt met over elkaar buitelende ideeën en absurde uitweidingen (zie ‘Oera Linda: het verhaal’).

Daarin lijkt het op de apocalyptisch beschreven walvisjacht in Moby Dick van Herman Melville en op de ideeënromans van de dwarse Multatuli (Eduard Douwes Dekker), vijftien jaar ouder dan HaverSchmidt.

In een brief uit 1871 bestelt Multatuli het aangekondigde Oera Linda-boek: ook al komt hem “deze Fenisisch-Friese zeldzaamheid voor als een enorme zwendel, als een geleerde, gelukte fopperij. Fijne bedriegerijtjes bestaan niet omdat voor veel mensen het onmogelijke gangbaarder is dan het onwaarschijnlijke.”

Spijt

Zo (on)geloofwaardig als het manuscript is, zo ongelofelijk is wat het aanrichtte. Archivaris Eelco Verwijs wilde met de falsificatie bibliothecaris en journalist Jan Frederik Jansen een hak zetten. Als tussenpersoon werd de toen nog jonge student Johan Winkler ingeschakeld. Winkler en Verwijs waren allebei lid van het cultuurhistorische en nationalistische Friese Genootschap. Door later te onthullen dat het om een falsificatie ging zou Jansen voor gek staan. Maar het plannetje mislukte: Jansen vertrouwde het niet en schoof de tekst door naar … niemand minder dan Eelco Verwijs.

Die stond daarop voor het blok. Zelf kon hij moeilijk de falsificatie uitbrengen. Ook een ander beoogd slachtoffer, zijn parmantige collega, stadsarchivaris Wopke Eekhoff, keurde het boek amper een blik waardig.

Winkler presenteerde het manuscript vervolgens op de vergadering van het Friese Genootschap. De meeste leden reageerden sceptisch. Maar er was één iemand die erg geestdriftig werd van de ‘vrijdenkers-Bijbel’ en dat was Jan Gerhardus Ottema. Inconsequenties en ongerijmdheden ontgingen hem. De gerespecteerde classicus zag in het Oera Linda-boek zijn levensvervulling en werd er als bekeerling, tekstbezorger, vertaler en uitgever een vurig protagonist van. Ottema schreef de tekst meerdere keren over — een klusje van twee maanden — om de inhoud beter te doorgronden. Overtuigd van de waarheid gaf hij het in 1872 uit als boek.

Dat net Jan Gerhardus Ottema het slachtoffer werd, was pijnlijk voor de drie vervalsers. Ottema was nog leraar geweest op het gymnasium waar François Haverschmidt had schoolgelopen, en hij was geliefd bij iedereen. Geschrokken wees Eelco Verwijs hem in een brief voorzichtig op de twijfelachtigheden in het manuscript. Tevergeefs. Ook HaverSchmidt bezocht zijn vroegere leraar om hem op andere gedachten te brengen. Maar Ottema’s geloof werd alleen maar sterker. Door Ottema’s koppigheid en de vrees voor hun eigen reputatie besloot het trio uiteindelijk te zwijgen.

Maar de kritiek op het manuscript groeide. Toen papierexperts in 1876 stelden dat het gebruikte papier allesbehalve middeleeuws was, probeerde Ottema dat oordeel te weerleggen met een scheikundig onderzoekje van zijn apotheker. Maar hij voelde dat zijn levensmissie belachelijk was gemaakt. In 1879 verhangt hij zich.

Voor HaverSchmidt werd de grap grimmiger en ondraaglijker. Na Ottema’s zelfdoding preekt hij op oudejaarsavond 1879 over een “van spijt brandend hart”. Vijftien jaar lang lijdt hij onder het fatale bedrog aan zijn geliefde leraar om daarna voor dezelfde uitweg uit het leven te kiezen.

Kaderteksten

Oera Linda: het verhaal

Kort gezegd handelt het Oera Linda boek als Friese familiekroniek over het geslacht Over de Linden en zo over een millennia-oude Friese heerschappij waaruit onze westerse samenleving voortkwam. Het epos opent met: “Okke min svn” (Okke, mijn zoon) en de bezwering om deze familiegeschiedenis met zijn lijf en ziel te bewaren. Okke (Scharl) lijkt op Ocko (Scharlensis) die in 1597 de wel authentieke geschiedschrijvng Croniicke van Vrieslant maakte De “skêdnise fon vs êle folk” (onze volksgeschiedenis) in het Oera Linda-‘bôk’ gaat terug tot 600 voor Christus met overgeleverde teksten die uiteindelijk in 1256 zijn samengebracht en vertaald. Verhalen over rechtspraak, burchten, heersers, gevaarlijke vrouwen, raadgevingen, oorlogen met ‘Gertmanen’ en Denen. Een matriarchaat wordt aanvankelijk in harmonie geleid door “blanke, gele en donkere stammoeders” Frya, Lyda en Finda. Onder hun kinderen breken later echter vreselijke oorlogen uit. Van het rijk van de blanke Frya blijft na een tsunami maar een klein stukje over: het huidige Friesland.

Het boek wordt allengs minder aannemelijk wanneer een Friese vluchteling vertelt dat hij in het Indiase Punjab Jezus gezien heeft. Tijdens Zijn ‘onbekende jongelingsjaren’ zou Jezus bij boeddhisten en hindoes gestudeerd hebben.

Op pagina 210 breekt het manuscript abrupt af in een warrig beschreven veldslag en vrouwenroof met Magíaren (Hongaren), Franken en Litouwers, ergens tussen Stavoren en Egmond.

Mysterie opgelost? Niet helemaal

Het Oera Linda-manuscript blijft tot de verbeelding spreken. Op Youtube bezweert een Italiaans meisje de waarheid van de Oera Linda-beschaving. Een als Jezus uitziende Fries in Australië vraagt onderzoeker Goffe Jensma boos naar een “wetenschappelijk bewijs” voor Jan Gerhardus Ottema’s zelfmoord. Jensma: “Dat blijkt uit minimaal twee geschreven getuigenverklaringen, maar dat ga ik die meneer niet op Youtube uitleggen!”

Eind 2010 kwam een bibliothecaris uit IJmuiden met de conclusie dat twee Friese volksschrijvers, Eeltje en Joost Halbertsma, het manuscript in de jaren 1850 hebben geschreven, met de medewerking van Ernst Stadermann, een uitgeweken Pruisische anarchistische boekbinder. Geen Piet Paaltjens, dus. Goffe Jensma kan een glimlach — een ‘grimlachje’ eigenlijk — niet onderdrukken. Jensma weerlegt kalm de nieuwe speculaties. “Vraag je af of het Oera Linda-boek in het leven van de Halbertsma’s paste. Er zit weliswaar een duidelijk Friese historische component in. Het boek is als wat saaie raamvertelling — met meerdere verhalen erin dus — een duidelijke parodie op apocriefe historische kronieken, waarin de Friese oervader Friso een adjudant van Alexander de Grote zou zijn geweest. Historische onzin. Maar ook de verstopte verwijzingen naar de strijd in de Nederlandse Kerk wijzen naar Francois HaverSchmidt.”

Toch zijn er nog onbeantwoorde vragen. Bestond er bijvoorbeeld toch een historische tekst waar HaverSchmidt rondom heeft gefantaseerd? En heeft men dat authentieke bewijsstuk vernietigd?

Onlangs dook een onbekende foto van HaverSchmidt op in de nalatenschap van zijn kleindochter. Jensma hoopt op een vergelijkbare vondst: een brief. “Die zou onze onderzoeken in één klap kunnen bevestigen. Na enkele generaties schamen mensen zich niet meer voor een oud familieschandaal. En zijn ze juist trots op een bedrog dat ons al bijna 140 jaar bezighoudt.”

Pull quote en bijschriften

[bl. 36] Nazi-Duitsland omarmde de tekst als een schets van een ideale, raszuivere samenleving

Bij afbeeldingen:

  • [OL-handschrift, bl.34-35:] Het manuscript van Oera Linda zou dateren uit 1256, maar bleek een vervalsing uit de 19de eeuw. (foto: Chris Reinewald)
  • [Aangepast ([1]) blad met OL-letters en -cijfers in uitgaves Ottema, bl. 36:] Het jolschrift van Oera Linda gaat als quasi-runenschrijfwijze uit van een zesspakig wiel, maar is vermengd met een Romeins letterschrift.
  • [bl. 36:] Een laser schiet op materiaal dat uiteenvalt in chemische elementen. De detectie en vergelijking daarvan kan een vervalsing blootleggen.
  • [Portretfoto 1884, bl. 37] Francois HaverSchmidt, alias Piet Paaltjens.
  • [bl. 37] Ontsloten houtvezel bewijst dat het papier niet van lompen maar van houtvezels is gemaakt. (foto: Georgine Calkoen/Proost & Brandt)
  • [bl. 38] De scheur in de eerste pagina dateert al uit de 19de eeuw. (foto: Chris Reinewald)

Noten OL-Wiki

  1. Jensma’s ‘wetenschappelijke’ onderzoek was niet gericht op het beantwoorden van de vraag hoe oud het handschrift is, maar trachtte aannemelijk te maken dat het een product was van een 19e-eeuwse samenzwering. Dat het uit die eeuw zou stammen was dus een premisse. De volksverlakkende term onomstotelijk zal zelden minder toepasselijk zijn gebruikt.
  2. Allesomvattend betekent dat iets helemaal compleet, volledig en inclusief is, waarbij werkelijk alles op een bepaald gebied wordt meegenomen of betrokken.” (Definitie encyclo.nl, zonder verder commentaar.)
  3. “Alle experts zijn het erover eens” — welke ‘experts’ dan en waar blijkt dat uit?
  4. Toen hij in 2004 zijn proefschrift over OL verdedigde was Jensma doctorandus geschiedenis.
  5. In tegenstelling tot Dr. Ottema was Vinckers geen filoloog maar leraar Engels, met een kennelijke hobby.
  6. Van de betreffende hedendaagse woorden kan niet worden vastgesteld wanneer ze zijn ontstaan.
  7. Dat “de geschiedenis zich zou herhalen” bij iedere nieuwe cyclus van het Joel wordt nergens in OL beweerd.
  8. Wanneer het gaat om (vermeende) kopieën uit de Renaissance wordt de vraag naar Middeleeuwse bronteksten zelden gesteld.
  9. Het bestaan van deze vermeende aanhangers is ontkracht in The ‘Daughters of Frya’ hoax (maart 2019).
  10. Luister alvast naar gesprek 2019 met Jensma op de Friese radio, of lees het vertaalde afschrift. Meer hierover volgt.