Jump to content

1934 Enkhuizer Courant

From Oera Linda Wiki
Revision as of 13:23, 2 September 2025 by Jan (talk | contribs)
  • Het Oera Linda-bok en een Duitsche professor; Een mystificatie als oer-bron van het Germanendom - Enkhuizer Ct. 6-1-1934.
  • Last, Hajo - Ingez. brief gedat. Bussum, 6-1-1934 - Enkhuizer Ct. 9-1-1934.

Deze twee berichten uit de Enkhuizer Courant van 6 resp. 9 januari 1934, waarvan de tweede hoogst relevant is, kwamen niet voor in Kalma’s OL-bibliografie uit 1956, noch in de aanvullingen van Luitse. Naar het tweede bericht werd wel verwezen in JJK 631 Het geheimzinnige handschrift van de familie Over de Linden (E. Molenaar, 1949 bl. 11) en in de concept-publicatie (door mij genoemd) Het Testament van de Westfryas uit ong. 1950. Jensma verwijst ernaar op bl. 243 van DGG (2004).

Zie ook Fryskednis blog: Did Cornelis Over de Linden hide something?


Het Oera Linda-bok en een Duitsche professor; Een mystificatie als oer-bron van het Germanendom - Enkhuizer Ct. 6-1-1934.

Het Oera Linda-Bok en een duitsche professor.

Een mystificatie als oer-bron van het Germanendom.

Wat het Oera Linda-bok is, weten wellicht niet velen onzer lezers, zegt de Held. Crt.. De kwestie is ook al 70 jaar oud en we leven snel. Maar oude Helderschen zullen het nog wel weten. Omstreeks 1860 was op ‘s Rijks-werf alhier werkzaam de heer Cornelis Over de Linden. In die jaren werd te zijnen huize een merkwaardig, zeer oud, in de Friesche taal geschreven, handschrift ontdekt, dat een familiekroniek zou bevatten over verschillende Friesche families. De in Den Helder werkzame predikant, ds. François Haverschmidt, de welbekende Piet Paaltjens van wien de grotesk-onzinnige, maar in den grond zoo zwaarmoedige Snikken en Grimlachjens zijn verschenen, en zijn academie-vriend, de eveneens zeer bekende dr. Eelco Verwijs, interesseerden zich voor deze vondst en zoo ontstond rondom dit Oera Lindabok een uitgebreide literatuur en een dikwijls felle pennestrijd. Want reeds spoedig na de ontdekking rezen bedenkingen tegen de echtheid van het handschrift.

In de laatste halve eeuw heeft men welhaast algemeen het boek voor een mystificatie gehouden. De pennestrijd in die jaren nog gevoerd over het zogenaamd oud-Friesche handschrift, dat een stam- en familiekroniek zou zijn, waarvan de oudste gedeelten zouden dagteekenen uit de zesde eeuw voor Christus’ geboorte, heeft vrijwel alleen geloopen over de vraag, wie in die mystificatie de hand heeft (of hebben) gehad. Heeft Cornelis Over de Linden uit Den Helder, volgens wiens bewering het Oera Linda-boek een erfstuk in zijn familie was geweest, het stuk zelf gefabriceerd; zijn dr. Eelco Verwijs en zijn academievriend François Haverschmidt medewerkers van Cornelis Over de Linden geweest? Deze vragen zijn nimmer afdoend beantwoord.

Thans is er weer eens iemand opgestaan, die in de echtheid ervan onomstootelijk gelooft. Het is een in Duitschland werkzame pan-Germanistische professor, die er een dik boek over heeft geschreven, dat ook de Duitsche vertaling van het handschrift op eenige brokstukken na bevat. Prof. Wirth biedt ze, als een “Julgabe” den Duitschers aan als een “Ahnenvermächtniss”, dat hen schragen kan bij de volbrenging van hun plicht met hun geloof en hun trouw Hitler ter zijde te staan.

Zoo heeft het Oera Linda-boek nog eens een kans gekregen. En dit boek van prof. Wirth is nog maar een inleidende volksuitgaaf; er zal een meer wetenschappelijke uitgaaf met den volledigen tekst van het handschrift en een gezuiverden oud-Frieschen tekst volgen. Aldus deelt de N.R. Crt. mede.

Destijds is alles omtrent dit Oera Linda-bok grondig onderzocht. Het oud-Friesch, waarin het geschreven is, is niet zuiver en doorspekt met Hollandismen; het schrift is geen oud-Germaansch runenschrift (zooals was beweerd), het papier is niet oud. Reeds in 1876 hebben deskundigen verklaard, dat het modern vergé papier was, en zelfs hebben ze de vermoedelijke fabriek genoemd, waar het vervaardigd was! Dit alles is den Duitschen prof. óók wel bekend, maar het heeft hem niet overtuigd! Het sterkste bewijs van de echtheid, van de kern althans, is hier in gelegen, zoo zegt hij, dat 't zielkundig onmogelijk is, dat een Hollander uit de eerste helft van de 19e eeuw het Oera Lindabok bedacht zou hebben. Dat is dezelfde redeneering, die voor de huidige Duitsche mentaliteit kenschetsend is, en die men ook bij het Rijksdagbrandproces heeft toegepast: er zijn wel geen bewijzen, zelfs zijn er bewijzen van het tegendeel, maar toch is het zooals wij het zeggen.

De N. Rott. Crt., die fijntjes-ironisch met het geestesproduct van dezen pan-Germanischen prof. Wirth den draak steekt, merkt aan het slot op: Soms lijkt het haast, dat prof. Wirth zou willen zeggen, dat Adolf Hitler eigenlijk zijn wijsheid heeft geput uit het Oera Linda Boek.

Het schijnt dus wel voorgoed de gouden ûre van het Oera Linda Boek te zijn; zoo’n kans heeft het nog nooit gehad.

De Held. Crt. voegt hier nog aan toe, dat L.F. Over de Linden, een familielid van Cornelis en wethouder te Den Helder, in 1912 bij zijn drukkerij een brochure “Beweerd, [maar] niet bewezen” in het licht gaf, waarin hij aan de hand van enkele documenten, nog weer eens een poging deed de echtheid van het OLB aan te toonen.


Last, Hajo - Ingez. brief gedat. Bussum, 6-1-1934 - Enkhuizer Ct. 9-1-1934 — met noten Jan Ott.

Het Vrije Woord.

(Buiten verantwoordelijkheid van de Redactie. De opname van deze rubriek bewijst geenszins dat de Redactie er mede instemt).

Bussum, 6 Januari 1934.

Geachte heer Redacteur,

Als getrouwe lezer der Enkhuizer zat ik vanmorgen de courant na te zien, en daar vond ik ook een stuk in betreffende het Ora Linda Boek. Gij weet zeker niet het ontstaan van het boek. Dat de oude geschriften waaruit het is ontstaan, uit Enkhuizen afkomstig zijn, zal ik U mededeelen.

Den schrijver, die daarin werd genoemd heb ik persoonlijk gekend, en zelfs heb ik in Den Helder wel bij hem aan zijn huis geweest.

ln 1870 viel ik in de loting en werd bij de Marine ingedeeld.[1] Nu was de heer Over de Linden een Enkhuizer.[2] Zijn oude moeder woonde naast mijn ouders, in het huis op de Breedstraat, waar de hr. Bus inwoont; diens oude moeder woonde in dat kleine huisje daar naast.[3] Het staat er zeker nog wel.

Mijn moeder verzorgde haar wel af en toe. Zij had één zoon; haar man was jong gestorven.[4] Alle jaren kwam haar zoon haar bezoeken; hij verzorgde haar ook en dan was hij veel bij ons. Hij had een betrekking op de werf, als scheepsbouwkundige. Er zat een knappe kop op voor den scheepsbouw.[5]

Eens op zijn bezoek in Enkhuizen, kwam hij bij zijn nicht, en dat was een weduwe Kofman, in de Rietdijk, t.w. Vijzelstraat, in het koepeltje. Die zei tegen hem: “Kees, ik heb hier nog oude geschriften van je grootvader en die heeft altijd gezegd: Die moet mijn stamhouder hebben.” Zoodoende gaf zijn nicht hem die; ik hoor hem het nog zeggen bij ons aan de tafel.[6]

Het was een vergeeld en oud geschrift. Later vertelde hij dat hij oude woordenboeken had weten te krijgen, en met hulp van geleerden is het een boek geworden. Ik zelf heb het nooit gelezen, maar mijn vader heeft het boek in huis gehad. Het gaf, volgens vader, een andere kijk op de wereldgeschiedenis, maar verschrikkelijke kritiek is er in dien tijd over dat boek uitgeoefend. Eindelijk is dit voor onecht verklaard. Een week geleden heb ik in een ander blad daar ook over gelezen, dat het in Duitschland ook werd uitgegeven.

Een half jaar geleden was er een nicht van mij in Amsterdam, die vroeg mij daar ook naar. Zij had in de werken van Troelstra daar ook van gelezen en had haar grootvader daar ook wel over gehoord.

Later werkte ik met Hein Kofman, die verleden jaar is overleden.[7] Ik vroeg hem ook over die geschriften, die bij zijn moeder waren vandaan gekomen. Hij zei tegen mij: “Neef Over de Linde heeft ze gestolen van mijn moeder.”[8] Zij zijn dus afkomstig uit Enkhuizen.

De Enkhuizer is mij lief. Tot mijn 80-ste jaar ben ik Enkhuizer geweest; drie jaar ik mijn jongen tijd ben ik er uit geweest. Nu vind ik weer ingezonden stukken van mijn neef R. Last uit Delft. Ook lees ik graag die stukken van den heer Brouwer over oud-Enkhuizen. Verleden jaar ook iets over het opheffen van het tonnenmagazijn [...]

Hajo Last — Godeinstichting [?], Bussum

Noten

  1. Hajo Last werd geboren 17-2-1850 te Enkhuizen, waar hij 3-8-1876 trouwde (zie ook afb. korte stamreeks). Hij werd inderdaad opgeroepen voor de marine (zeemilitie) op 3 mei 1870.
  2. Cornelis Over de Linden werd in 1811 in Enkhuizen geboren. Na zijn huwelijk in Amsterdam in 1833 verhuisde hij ca. 1834-1835 naar Den Helder, waar hij tot zijn dood in 1874 woonde (zie genealogie).
  3. Cornelis’ moeder Anna Goemaat woonde inderdaad in de Breestraat toen ze in 1874 overleed, op 90-jarige leeftijd; haar overlijden werd gemeld door Hayo Last en zijn vader Klaas Speleveld Last (zie afb. ovl. akte); De familie Last woonde inderdaad in de Breestraat toen hun vijf jongste kinderen werden geboren (1848-1860); de geboorte van hun jongste zoon Jan (14-9-1860) werd gemeld door Adrianus en Bartholdus Over de Linden; De familie Bus woonde inderdaad in de Breedstraat (bev.reg. 1910-1921).
  4. Cornelis was inderdaad haar enige kind, want een jongere zus leefde slechts een half jaar en een oudere zus moet ook jong gestorven zijn, want behalve haar doopakte is er nooit een spoor van haar gevonden. Haar echtgenoot Jan Over de Linden was in 1835 op zee overleden op 50-jarige leeftijd, toen Cornelis 24 jaar oud was (zie genealogie).
  5. Twee van zijn scheepsmodellen (gedateerd 1836-1842) bevinden zich in de collectie van het Rijksmuseum.
  6. Deze versie van Cornelis’ verhaal wijkt enigszins af van andere versies. Volgens Cornelis vond dit bezoek plaats in 1848 en werd het hem gegeven door zijn tante (de weduwe) Aafje Reuvers-Over de Linden, de moeder van Cornelia Kofman-Reuvers (die pas in 1861 weduwe werd). Cornelis zou inderdaad de erfgenaam zijn geweest, aangezien zijn vader Jan slechts één broer, Pieter, had, die al in 1819 was overleden en slechts één dochter naliet, een jaar voor Cornelis’ grootvader Andries overleed. Aangezien Hajo Last zich dit vrij levendig herinnert, zal hij het na 1862 (zijnde 12 jaar oud) hebben gehoord en mogelijk zelfs pas begin jaren 1870 (Cornelis overleed in 1874). Een mogelijke verwarring tussen moeder en dochter is te vergeven.
  7. Hendrik (Hein) Kofman, timmerman, geboren 11-2-1853 en overleden 15-1-1833 Enkhuizen, trouwde in 1875 met Cornelia (Kee) Watering.
  8. Dit is de kernzin van de hele tekst. Het lijkt zeer onwaarschijnlijk dat Hajo Last dit zelf verzonnen heeft. Kofman was nog niet geboren toen Cornelis het manuscript ontving of meenam, maar dit is wat hij erover gehoord zal hebben. Als Cornelis het manuscript samen met medeplichtigen heeft gemaakt – zoals de officiële theorie luidt – of als het aan Cornelis is gegeven – zoals zijn versie van het verhaal luidt – zou het voor de familie Kofman onlogisch zijn om te beweren dat het manuscript door Cornelis gestolen is.