Jump to content

NL095.20 Lofspraak: Difference between revisions

From Oera Linda Wiki
add
 
 
(24 intermediate revisions by the same user not shown)
Line 1: Line 1:
=={{Versie_Ott}}==
=={{Versie_Ott}}==


'''[[095|[095/20]]]'''
'''R. Apollania'''


=={{Versie_Own}}==
'''3. Lofspraak voor Adela'''


==Ottema 1876==
'''[[095|95.20]]''' Lof der Burchfaam.<ref>Deze tekst is dichter bij het origineel gelaten dan de andere, waardoor woorden en zinsbouw soms afwijken van de moderne norm. Cursief gezette woorden zijn in noten verklaard.</ref>
'''[/133]''' '''De lofspraak der Burgtmaagd.'''


Ja, ver wonende vriend, duizende zijn reeds gekomen en nog meerdere zijn op weg.
:Ja, ver-hemende ''áthe'',<ref>''áthe'' (<span class="fryas">ÁTHE</span>) — elders vertaald als ‘bondgenoot’; In [[Nl_09d_Minerva_en_Jon|hk. 9d.]] wordt uitgelegd hoe ‘Athenia’ van dit begrip is afgeleid.</ref> duizenden zijn al gekomen en nog meer zijn op weg.


Wel, zij willen Adelas wijsheid hooren.
:Wel, zij willen Adela’s wijsheid horen.


Zeker is zij eene vorstin, want zij is altijd de voorste geweest.
:Zeker is zij vorstin, want zij is immer de voorste geweest.


O wee! waartoe zoude zij dienen. Haar hemd is van linnen, hare tunika van wol, die zij zelve spon en weefde. Waarmede zoude zij hare schoonheid verhoogen? Niet met paarlen, want hare tanden zijn witter; niet met goud, want hare lokken zijn blinkender; niet met edelgesteenten, wel zijn hare oogen zacht als die van een lam, doch te gelijk zoo vurig, dat men er bezwaarlijk in kan zien. Maar wat spreek ik van schoon? Frya was gewis niet schooner. Ja vriend, Frya die zeven schoonheden bezat, waarvan hare dochters elk maar eene, hoogstens drie geërfd hebben. Maar al was zij leelijk geweest, toch zoude zij ons dierbaar wezen.
:''O, waach''!<ref>''waach'' (<span class="fryas">O WÁCH</span>) — in [[Nl_14e_Demetrius_en_Friso|hk. 14e.]] vertaald als ‘O, muur’.</ref> Wat kunnen zij toevoegen?<ref>Interpretatie van ‘Waartoe zouden zij dienen?’ (<span class="fryas">HWÉRTO SKOLDE HJA THJANJA.</span>)</ref> Haar hemd is linnen, haar tuniek wol, dat ze zelf spon en weefde. Waarmee zouden zij haar '''[[096|[096]]]''' schoonheid verhogen? Niet met parelen, want haar tanden zijn witter. Niet met goud, want haar lokken zijn glanzender. Niet met edelstenen. Wel zijn haar ogen zacht als die van lammetjes, toch tegelijk zo gloeiend, dat men er schromelijk niet in zien kan.


Of zij krijgshaftig is? Luister vriend, Adela is het eenige kind van onzen grevetman. Zeven aardvoet is zij hoog, hare wijsheid is nog grooter als haar ligchaam, en haar moed is gelijk beide te zamen.
:Maar wat klets ik van schoon. Frija was gewis niet schoner. Ja, ''áthe''. Frija, die zeven schoonheden had, waarvan haar dochteren maar één elk, hoogstens drie geërfd hebben. Maar al was ze leedlijk, toch zou ze ons duur wezen.


Zie daar, er was eens een veenbrand, drie kinderen waren op gindschen grafsteen gesprongen. De wind blies fel. Iedereen schreeuwde en de moeder was radeloos. Daar komt Adela: Hoe staat en talmt gij, roept zij, tracht hulp te '''[135]''' verleenen, en Wralda zal u krachten geven. Daarop ijlt zij naar het Krijlwoud, grijpt elzentakken, tracht eene brug te maken; nu helpen ook de anderen en de kinderen zijn gered.
:Of ze ''wigandlijk'' is?<ref>''wigandlijk'' (<span class="fryas">WIGANDLIK</span>) — elders vertaald als ‘dapper’ of ‘avontuurlijk’.</ref> Hoor, ''áthe''. Adela is het enige kind onzer grevetman. Zeven aardvoet is ze hoog. Nog groter dan haar lichaam is haar wijsheid en haar moed is als beide tesamen.


Jaarlijks kwamen de kinderen hier bloemen neêrleggen.
:Kijk daar! Daar was eens een veenbrand. Drie kinderen waren op gindse grafsteen gesprongen. Wind blies fel. Allen kreten en de mem was redeloos. Daar komt Adela. “Hoe sta en talm je?” roept ze, “tracht hulp te lenen en Wralda zal je krachten geven!” Daar hupt ze naar het krielhout, grijpt elzentakken, '''[[097|[097]]]''' tracht een brug te maken. Nu helpen ook de anderen en de kinderen zijn gered.


Er kwamen drie Phoenicische zeelieden, die de kinderen wilden mishandelen, maar nu kwam Adela, die hun geschrei hoorde, zij slaat de onverlaten in zwijm; en opdat zij zelve zouden getuigen, dat zij onwaardige mannen waren, bindt zij hen alle te zamen aan een spinrok vast. De uitheemsche heeren kwamen hun volk opeischen; toen zij zagen hoe raar zij waren mishandeld, kwam toorn bij hen op; doch men verhaalde hun, hoe het gebeurd was.
:Jaarlijks komen de kinderen hier bloemen leggen. Daar kwamen drie Phoeniciër schiplieden, die hen wrevelen wilden. Maar Adela kwam. Zij had hun geroep gehoord. In zwijm slaat ze de belagers en opdat zij zouden toegeven, dat ze onwaardelijke mannen waren, bindt ze alsamen aan een spinrok vast. De ver-hemende heren kwamen hun ''thjoed'' vragen.<ref>''thjoed'' (<span class="fryas">THJOD</span>) — elders vertaald als ‘(vreemd) volk’.</ref> Toen zij zagen hoe schots hen misdaan was, kwam toorn op. Doch men vertelde, hoe het gebeurd was. Wat ze voorts deden? Ze bogen voor Adela en kusten de slip van haar tuniek.


Wat deden zij verder? Zij bogen zich voor Adela en kusten de slip van haar kleed. Maar kom, verafwonende vriend. De woudvogelen vluchten voor de vele bezoekers. Kom, vriend, zoo moogt gij hare wijsheid hooren.
:Maar kom, ver-hemende ''áthe''. De woudvogelen vluchten voor de vele verzoekers. Kom ''áthe'', dan kun je haar wijsheid horen.


Bij den grafsteen, waarvan in de lofspraak melding wordt gemaakt, is moeders lijk begraven. Op haren grafsteen heeft men deze woorden gegrift.
Bij de grafsteen, die in de lofspraak vermeld werd, is mem-haar lijk begraven. Op haar grafsteen heeft men deze woorden gewrit: “Loop niet te haastig, want hier ligt Adela.


'''Loop niet te haastig, want hier ligt Adela.'''
===Noten===
 
 
==Noten==
<references />
<references />
{{Hoofdstuk Navigatie|normal=NL097.28 Beginselen|back=NL093.18 Gifpijl|alternative=NL133.17 Wiljo|altback=NL075.08 Ulysus}}
=={{Titel andere talen}}==
<span>
:<div class="emoji flag de"></div> '''[[DE095.20 Lob]]'''
:<div class="emoji flag uk"></div> '''[[EN095.20 Ode]]'''
:<div class="emoji flag es"></div> '''[[ES095.20 Elogio]]'''
:<div class="emoji flag fs"></div> '''[[FS095.20 LOVSPRÉKE|FS095.20 <span class="fryas">LOVSPRÉKE</span>]]'''
:<div class="emoji flag no"></div> '''[[NO095.20 Lovprisning]]'''</span>


=={{Ander NL}}==
Hoofdstukken P en R1 t/m R3: [[PR1 Ottema|Ottema 1876]] | [[PR1 Overwijn|Overwijn 1951]]
[[Category:Nederlandse Vertalingen]]
[[Category:Nederlandse Vertalingen]]
__FORCETOC__
{{DEFAULTSORT:^R. Apollania^}}
{{DEFAULTSORT:^Hk 13 Apollania^}}
{{Hoofdstuk Navigatie|normal=Nl 13e Oudste Leer 1|alternative=Nl 13a Adel-Bond}}

Latest revision as of 10:20, 4 November 2024

Ontwerp 2026 Ott

R. Apollania

3. Lofspraak voor Adela

95.20 Lof der Burchfaam.[1]

Ja, ver-hemende áthe,[2] duizenden zijn al gekomen en nog meer zijn op weg.
Wel, zij willen Adela’s wijsheid horen.
Zeker is zij vorstin, want zij is immer de voorste geweest.
O, waach![3] Wat kunnen zij toevoegen?[4] Haar hemd is linnen, haar tuniek wol, dat ze zelf spon en weefde. Waarmee zouden zij haar [096] schoonheid verhogen? Niet met parelen, want haar tanden zijn witter. Niet met goud, want haar lokken zijn glanzender. Niet met edelstenen. Wel zijn haar ogen zacht als die van lammetjes, toch tegelijk zo gloeiend, dat men er schromelijk niet in zien kan.
Maar wat klets ik van schoon. Frija was gewis niet schoner. Ja, áthe. Frija, die zeven schoonheden had, waarvan haar dochteren maar één elk, hoogstens drie geërfd hebben. Maar al was ze leedlijk, toch zou ze ons duur wezen.
Of ze wigandlijk is?[5] Hoor, áthe. Adela is het enige kind onzer grevetman. Zeven aardvoet is ze hoog. Nog groter dan haar lichaam is haar wijsheid en haar moed is als beide tesamen.
Kijk daar! Daar was eens een veenbrand. Drie kinderen waren op gindse grafsteen gesprongen. Wind blies fel. Allen kreten en de mem was redeloos. Daar komt Adela. “Hoe sta en talm je?” roept ze, “tracht hulp te lenen en Wralda zal je krachten geven!” Daar hupt ze naar het krielhout, grijpt elzentakken, [097] tracht een brug te maken. Nu helpen ook de anderen en de kinderen zijn gered.
Jaarlijks komen de kinderen hier bloemen leggen. Daar kwamen drie Phoeniciër schiplieden, die hen wrevelen wilden. Maar Adela kwam. Zij had hun geroep gehoord. In zwijm slaat ze de belagers en opdat zij zouden toegeven, dat ze onwaardelijke mannen waren, bindt ze alsamen aan een spinrok vast. De ver-hemende heren kwamen hun thjoed vragen.[6] Toen zij zagen hoe schots hen misdaan was, kwam toorn op. Doch men vertelde, hoe het gebeurd was. Wat ze voorts deden? Ze bogen voor Adela en kusten de slip van haar tuniek.
Maar kom, ver-hemende áthe. De woudvogelen vluchten voor de vele verzoekers. Kom áthe, dan kun je haar wijsheid horen.

Bij de grafsteen, die in de lofspraak vermeld werd, is mem-haar lijk begraven. Op haar grafsteen heeft men deze woorden gewrit: “Loop niet te haastig, want hier ligt Adela.”

Noten

  1. Deze tekst is dichter bij het origineel gelaten dan de andere, waardoor woorden en zinsbouw soms afwijken van de moderne norm. Cursief gezette woorden zijn in noten verklaard.
  2. áthe (ÁTHE) — elders vertaald als ‘bondgenoot’; In hk. 9d. wordt uitgelegd hoe ‘Athenia’ van dit begrip is afgeleid.
  3. waach (O WÁCH) — in hk. 14e. vertaald als ‘O, muur’.
  4. Interpretatie van ‘Waartoe zouden zij dienen?’ (HWÉRTO SKOLDE HJA THJANJA.)
  5. wigandlijk (WIGANDLIK) — elders vertaald als ‘dapper’ of ‘avontuurlijk’.
  6. thjoed (THJOD) — elders vertaald als ‘(vreemd) volk’.

Navigeer

NL093.18 Gifpijl ᐊ vorig/volgend ᐅ NL097.28 Beginselen

Aangepaste volgorde:

NL075.08 Ulysus ᐊ vorig/volgend ᐅ NL133.17 Wiljo

In andere talen

DE095.20 Lob
EN095.20 Ode
ES095.20 Elogio
FS095.20 LOVSPRÉKE
NO095.20 Lovprisning

Andere Nederlandse vertalingen

Hoofdstukken P en R1 t/m R3: Ottema 1876 | Overwijn 1951