Jump to content

1871 Spectator: Difference between revisions

From Oera Linda Wiki
mNo edit summary
No edit summary
 
Line 32: Line 32:
L.Ph.C.B. [<nowiki/>[[Laurens P.C. van den Bergh|L.P.C. van den Bergh]]]
L.Ph.C.B. [<nowiki/>[[Laurens P.C. van den Bergh|L.P.C. van den Bergh]]]


=== {15} »Het Handschrift.”<ref>Na het, voor dr. Ottema allicht min aangenaam oordeel van onzen geleerden oudheidkenner, den heer Van den Bergh, heeft de Redactie v.d. Spectator gemeend, het voor hem allezins vleijende des heeren v.L.B., niet te mogen terughouden. Zij zelve wenscht inmiddels voor ’t oogenblik buiten de kwestie te blijven, die bij de opvatting van den heer v.L.B., althans met betrekking tot dr. Ottema, een gansch ander, van het vroegere zeer verschillend aanzien schijnt te kunnen erlangen. Red.</ref> ===
=== {15} »<u>Het</u> Handschrift.”<ref>Na het, voor dr. Ottema allicht min aangenaam oordeel van onzen geleerden oudheidkenner, den heer Van den Bergh, heeft de Redactie v.d. Spectator gemeend, het voor hem allezins vleijende des heeren v.L.B., niet te mogen terughouden. Zij zelve wenscht inmiddels voor ’t oogenblik buiten de kwestie te blijven, die bij de opvatting van den heer v.L.B., althans met betrekking tot dr. Ottema, een gansch ander, van het vroegere zeer verschillend aanzien schijnt te kunnen erlangen. Red.</ref> ===
[311] De »oud-friesch-handschrift-kwestie” begint zich te teekenen. Wat in den beginne nog eene tamelijk laffe poging tot mystificatie scheen, erlangt meer en meer de trekken eener, welligt geestige, in elk geval niet onaardige satire. Wel is waar, van het zoogenaamde »oude handschrift” zelf werd ons nog niet veel meer dan een enkel fragment en eenige uit den beweerden tekst ontleende mededeelingen bekend; maar het schijnbaar ernstig verslag van dr. J.G. Ottema, in de Handelingen van het Friesche Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, geeft ons reeds eenig inzigt in den aard van het litterarisch genre, waarmee we hier te doen, en het genoegen, ’t welk we later misschien van eene volledige tekst-uitgave ons voor te stellen hebben.
[311] De »oud-friesch-handschrift-kwestie” begint zich te teekenen. Wat in den beginne nog eene tamelijk laffe poging tot mystificatie scheen, erlangt meer en meer de trekken eener, welligt geestige, in elk geval niet onaardige satire. Wel is waar, van het zoogenaamde »oude handschrift” zelf werd ons nog niet veel meer dan een enkel fragment en eenige uit den beweerden tekst ontleende mededeelingen bekend; maar het schijnbaar ernstig verslag van dr. J.G. Ottema, in de Handelingen van het Friesche Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, geeft ons reeds eenig inzigt in den aard van het litterarisch genre, waarmee we hier te doen, en het genoegen, ’t welk we later misschien van eene volledige tekst-uitgave ons voor te stellen hebben.



Latest revision as of 16:36, 12 April 2026

Geplaatst in tweewekelijks tijdschrift De Nederlandsche Spectator 1871 m.b.t. OL, toen nog het Friesche handschrift.

JJK nrs. 13 t/m 21, 24 en 26; hieronder weergegeven tussen {accolades} — blz. nrs. Spectator tussen rechte [haken]

No. 39 — 30 september

{13} Verwantschap.

[307] Waarde Spectator!

Vele jaren geleden heb ik wel eens (wat doet men al niet als men jong is) in de Almanakken voor nederlandsche blijgeestigen gebladerd en mij geërgerd aan de daarin voorkomende laffe aardigheid om de mythologische personen te verdoopen. Zoo werd, bijvoorbeeld Meleager, Meeljager, zoo werd Neptunus steeds Neef Teunis genoemd.

Ik dacht toen ter tijd weinig, dat die verdoopingen de historische waarheid bevatten en de algemeen voor die personen aangenomen namen reeds verbasteringen zijn. Dit blijkt toch, wat den laatste betreft, ten duidelijkste uit dr. J.G. Ottema’s Verslag omtrent een overoud handschrift bij het Friesch Genootschap uitgebracht, gevoegd bij het Drie-en-veertigste verslag der handelingen van het Friesch Genootschap van geschied-, oudheid- en taalkunde. Op bladz. 238 van dat verslag lees ik: De andere, Neptunus, de God van de Middellandsche zee, blijkt hier bij zijn leven een Friesche Viking, zeekoning, geweest te zijn, thuis behoorende te Alderga (Ouddorp niet verre van Alkmaar). Zijn naam was Teunis, in de wandeling bij zijne manschappen Neef Teunis genoemd, die vooral de Middelandsche zee tot het doel en tooneel zijner tochten gekozen had, en door de Tyriers vergood zoude zijn, in den tijd toen de Phenicische zeevaart zich aanmerkelijk begon uit te breiden en naar Friesland stevende, om hier Britsch tin, Noordsch ijzer en barnsteen uit de Balde (Baltische) zee te halen.

Het is niet aan het slot van dezen volzin dat de schrijver uitroept: »Bij deze voorstelling kont gij uw lachen niet bedwingen.” Hij is geheel overtuigd van de waarheid die daarin verkondigd wordt. En nu rijst het vermoeden bij mij, dat die schrijver in den Almanak, dien ik zoo onverdiend beschuldigde, kennis gehad heeft van het overoude handschrift en dat hij daaraan zijn Neef Teunis ontleende. De eerbied voor de geleerdheid van dr. Ottema en voor de eerwaardigheid van het Friesch Genootschap verbiedt mij toch het tegenovergestelde geval als waarheid aan te nemen waaruit volgen zou, dat een handschrift, ’t welk herinneringen boekstaaft die, volgens dr. Ottema, »opklimmen tot meer dan tweeduizend jaren voor Christus, en in hoogen ouderdom die van Hellas overtreffen en die van Israël evenaren” — sommige zijner wetenswaardigheden overgenomen zou hebben uit den Almanak voor blijgeestigen van omstreeks 1840.

M. [auteur onbekend]

No. 40 — 7 oktober

{14} Het onlangs ontdekte Friesche handschrift.

[311] Voor eenigen tijd verspreidde zich het gerucht, dat er bij een particulier aan den Helder een zeer oud handschrift van historischen inhoud ontdekt was in de Friesche taal geschreven. De bekende taalkundige dr. E. Verwijs verkreeg daarop inzage van dit stuk met vergunning er een afschrift van te nemen, dat tot nader onderzoek aan het Provinciaal Friesch Genootschap werd medegedeeld. Hier waren de gevoelens verdeeld; de heer Winkler twijfelde aan de echtheid, zonder deze stellig te ontkennen, maar dr. Ottema, die een zelfstandig onderzoek had ingesteld, trad, in de vergadering van November, met een uitvoerig rapport op, waarin hij verklaarde volkomen van de echtheid overtuigd te zijn en dat gevoelen op verschillende gronden zocht te staven. Uit dit verslag ontleenen wij eenige bijzonderheden.

Het manuscript behoorende aan den heer Over de Linden aan den Helder is volgens het voorberigt afgeschreven door Hildo [sic] overa Linda in 1236, maar het werk zelf is veel ouder. Volgens de rekening van den heer Ottema zou het eerste gedeelte opgesteld zijn 558 jaar vóor Christus. het tweede omstreeks 520, dus ongeveer 40 jaar later, terwijl het derde boek omstreeks 303 en het laatste ongeveer eene halve eeuw vóor onze jaartelling opgesteld zou wezen en dit NB. in het Friesch van dien tijd.

De inhoud is deels mythologisch, deels historisch en wij vernemen hier zonderlinge zaken. Zoo werd b.v. Minerva op het eiland Walcheren onder den naam van Nyhellennia vereerd, omdat hare raadgevingen nieuw en helder waren en de romeinsche Neptunus was eigenlijk niet anders dan een friesche zeekoning, door zijne onderdanen neef Teunis genoemd, waaruit de Romeinsche naam verbasterd is!

Het zoogenoemde historische gedeelte is even fraai. Wij leeren hier, dat Friesland in ouden tijd door zekere geëmancipeerde maagden, burgmaagden genoemd, bestierd werd en dat de opperburgmaagd vóor de aanvaarding harer betrekking verpligt of gewoon was, even als thans velen onzer jonge lieden, een reisje naar den Rijn en Zwitserland te maken. Eene dezer burgmaagden, Adela genaamd, geeft hier hare reisindrukken ten beste en verhaalt onder anderen hoe zij de zwitsersche paaldorpen bezocht had, die voor het eerst, zooals de heer O. aanteekent, in 1853 weder aan het licht gekomen zijn. Een gewoon lezer zou daaruit alligt opmaken, dat ons geschrift na dat jaar moet opgesteld zijn, maar de rapporteur trekt juist daaruit de conclusie, dat het verhaal eenige eeuwen voor onze tijdrekening geschreven is.

Deze staaltjes mogen volstaan om aan te toonen welke curieuse bijzonderheden in het verhaal te vinden zijn. Die er naar begeert kan het verslag in den Vrije Fries of in de Leeuwarder Courant van 10 September dezes jaars nalezen waar ook stukken uit den Frieschen tekst medegedeeld worden. Voeg hier nog bij dat taal en stijl van het werk geheel van onzen tijd zijn en alleen met een zeker aantal oude of ongewone woorden en vormen doorweven, dan kan ik mij niets anders voorstellen, dan dat de onbekende auteur van het handschrift, aangelokt door de beruchte mystificatieën in zake den Franschen abt Domenech en den heer Chasles, insgelijks eene proeve heeft willen nemen, hoe hij zonder veel moeite de Friesche geleerden zou kunnen verlakken, waarover hij nu waarschijnlijk in zijn vuist zit te lagchen. Ik zal mij hier geene gissing naar zijnen persoon veroorloven, uit vrees daarin te missen en verwijs liever naar het verslag. Mundus vult decipi.

Toch zou ik wenschen, dat men alleen onder ons over die mystificatie lachte en dat het verslag niet buitenslands verspreid werd opdat er niet, even als met bovengenoemde Fransche heeren, bij onze naburen ten onzen koste gelagchen werd.

L.Ph.C.B. [L.P.C. van den Bergh]

{15} »Het Handschrift.”[1]

[311] De »oud-friesch-handschrift-kwestie” begint zich te teekenen. Wat in den beginne nog eene tamelijk laffe poging tot mystificatie scheen, erlangt meer en meer de trekken eener, welligt geestige, in elk geval niet onaardige satire. Wel is waar, van het zoogenaamde »oude handschrift” zelf werd ons nog niet veel meer dan een enkel fragment en eenige uit den beweerden tekst ontleende mededeelingen bekend; maar het schijnbaar ernstig verslag van dr. J.G. Ottema, in de Handelingen van het Friesche Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, geeft ons reeds eenig inzigt in den aard van het litterarisch genre, waarmee we hier te doen, en het genoegen, ’t welk we later misschien van eene volledige tekst-uitgave ons voor te stellen hebben.

Is dr. Ottema zelf een wezenlijk tegenstander van de methode der vergelijkende mythologie en philologie, of heeft hij slechts de dwaasheden in ’t licht willen stellen, waartoe eene overdreven en met elke vermeende nieuwe ontdekking terstond haar voordeel zoekende toepassing dier methode leiden kan? Het blijkt niet uit zijn stuk. Maar ontegenzeggelijk geestig en goed volgehouden blijft niettemin, welke dan ook zijne eigene wetenschappelijke rigting zij, de parodie, door hem, in de bedoelde bladzijden, van de menigmaal inderdaad rassche en onbezonnen gevolgtrekkingen en daarop gebouwde systemen der vergelijkende mythologen geleverd. Ook de wijze, waarop menigmaal [312] de vermeende echtheid of oudheid van oorkonden door gronden van zich noemende uit- en inwendige kritiek door sommige geleerden betoogd wordt, zien wij niet ongeestig door hem aan de kaak gesteld, waar wij hem met een verbazenden omhaal van geleerdheid, de echtheid van het papier[2] en van de inkt zien bewijzen, waarop en waarmee de »oude kopie” van het »overoude handschrift” zou zijn geschreven geweest.

»Maar het beste blijft toch altijd de kritiek van den inhoud zelven. Treflijk volgehouden is de manier van sommige oudheidvorschers, om uit de overeenstemming van ’t geen men in den allerjongsten tijd vermoedde met dat wat in het document in kwestie voorkomt, de echtheid zoowel als de verrassende belangrijkheid van dit laatste te betoogen. Vooral bij de mededeeling omtrent het aloude Suez-kanaal is die methode bijzonder goed te pas gebragt. »Neef Teunis” en de »priesteres Geert”, die omstreeks 1551 vóor onze jaartelling aan den Indus zou geheerscht hebben, zijn, als meer dergelijke aardigheden, misschien wel wat heel erg[3]; maar bij eene parodie moet men ’t zoo nauw niet nemen, en in elk geval gaf het beweerde handschrift, — ’t zij dan dr. Ottema zelf de hand daarin gehad hebbe of niet, — nu eenmaal aanleiding tot het aanvoeren zelfs van dergelijke, de grenzen van het in dezen geoorloofd komische bijna overschrijdende grappen. Wezenlijk geestiger dunkt ons echter de voorstelling van den Tijd als den Kroder, den kruijer, die eeuwig met het jol, het wiel, moet rondloopen, en voeren de zon door hare baan; maar de kroon op alles zet ongetwijfeld de etymologisch-geopraphisch-mythologische verklaring van den god Tuisko, die niets anders zijn zou dan het voorzetsel »twisk” (tusschen). »Merkwaardig voorbeeld, — zegt dr. O., — van de apotheose eener praepositie”. Die zet is ondeugend! Men weet, hoe Max Müller, aan den Vedisch-Brahmaanschen god Ka (Wie?) herinnerend, van de vergoding van een voornaamwoord spreekt. En hier nu haalt dr. O. uit Adela’s boek iets nog veel sterkers: de apotheose eener praepositie! ’t Bewijst wel niets tegen Müller, maar — men lacht, en het naaste doel is bereikt.

Niet minder scherp voor ’t overige dan de voorstellingen en gevolgtrekkingen welke de heer O. zich den schijn geeft uit de pseudo-oorkonde te putten, is de hier en daar meesterlijke navolging van den stijl onzer tegenwoordige, soms nog al phantastische mythologen[4]. Hun verbazende ingenomenheid met eigen vindingen, al zijn ze nog zoo dwaas, is uitnemend geparodiëerd. En de zinsnede waarmede het gansche stuk eindigt, de indrukwekkende peroratie : »Wij mogen dus aannemen, dat wij in dit geschrift”, — enz., is als uit hunne menigmaal niet weinig opgeschroefde verhandelingen, vol van nieuwe ontdekkingen en verbazende vondsten, als gestolen. Wie, die zich met oudheidkunde, in ’t bijzonder met vergelijkende, bezig houdt, zou het niet willen erkennen, dat hij zich ook wel eens aan soortgelijke opgewondenheid ter kwader ure te buiten ging? En in zoover bevat dus het zoogezegde verslag van dr. O., nevens veel wat enkel een glimlach afdwingt, ook ontegenzeggelijk voor dezen en gene een nuttige les.

Met dat al blijven wij de aardigheid nog slechts ten deele genieten zoolang het handschrift zelf, ’t zij dan in vertaling alleen, ’t zij met daarnevens gevoegden tekst, nog niet in zijn geheel zal zijn uitgegeven. Dat het inderdaad iets vermakelijks belooft, schijnt wel te blijken uit de weinige medegedeelde proeven. Uit deze, althans uit enkele, zou men mogen opmaken dat het stuk niet alleen eene mythologische en philologische parodie behelsde maar ook hier en daar eene meer of min politieke satire. Zoo b.v. de in het verslag zelf voorkomende proeve, waar de angst van de Friezen voor den overste Magy beschreven wordt, die al de landen aan de andere zijde der Wezer had ingepakt. Dat hier gedoeld wordt op onze Prussophobie na 1866, kan, dunkt ons, niet twijfelachtig heeten. En dan verder die vergadering van de »mannalik, thêr annen gode hrop stande bij tha fâmna”, en die, na drie etmalen vergaderd te zijn geweest nog geen stap verder waren! Toen was »al go-rêd anda tys and al-ên sa bij hjare kvmste” (al het geredeneer in de war, en alles even als bij hunne komst). Uiterst komisch is het effekt als wij die deftige volksvertegenwoordiging weer teregt zien helpen en moed inspreken door eene vrouw: »Tha to tha lesta frêge Adela that wird, ande kêth”, (toen ten laatste vroeg Adela het woord, en sprak), — enz. ’t Is haast jammer dat zij niet begint met: »Mijnheer de Voorzitter!” — Ook het Rijn-reisje (in de Leeuw. Cour. v. 10 Sept.) schijnt ons niet vrij van enkele politieke toespelingen. — Wel mag alzoo, naar het weinige te oordeelen wat wij er van weten, de uitgave van het geheel of althans van de best geslaagde stukken, eene wenschelijke zaak worden geacht. Al leeren wij er niets nieuws uit, de lezing kan ons toch alligt een vermakelijk uurtje verschaffen. Gulliver’s reizen leest men ook juist niet tot vermeerdering van kennis, en toch, wie las en wie leest die dwaasheden niet steeds met genoegen, juist omdat ze zoo erg dwaas zijn?

Maar wie is nu de grappenmaker zelf? En is dr. Ottema mede in ’t komplot of maakte hij slechts van de gelegenheid gebruik om zijne parodie te ontwerpen? Waarschijnlijk zal dit een en ander zich later wel eens oplossen; voor ’t oogenblik heeft onze satiricus gelijk, het publiek nog te laten raden naar zijn naam. Zijne onbekendheid maakt in dezen de zaak nog altijd wat pikanter; en daarenboven vertoonen zich, zoolang de maker onbekend is, nog steeds enkelen, die, tot spot van Neerland’s volk, de dupe van de geschiedenis blijven. Zijn er voor ’t overige al niet velen, die inderdaad het offerder mystificatie werden, onze nieuwe Piet van Os smaakt dan toch de voldoening, heel wat inderdaad ernstig geschrijf, zoo niet tot verdediging dan toch tot bestrijding van de echtheid zijner pseudo-oorkonde te hebben uitgelokt.

v.L.B. [P.A.S. van Limburg Brouwer]

Even nadat het bovenstaande voor ’t afdrukken gereed was, ontving ik van eene vriendelijke hand een drietal [313] photographiën van het bewuste handschrift, ter inzage. De kennisneming bevestigde mij geheel in de overtuiging dat wij hier te doen hebben met eene proef, hoe men op de grofste en minst bedekte wijze nog soms dezen of genen kwasi-geleerde zou kunnen beetnemen. Het schrift, dat, naar de berichten, grieksch heette te zijn, is doodgemakkelijk te lezen, nadat men er een vijf minuten op gekeken heeft, maar heeft voor ’t overige van grieksch, met uitzondering van een paar letters, omtrent evenveel als van hebreeuwsch; ’t bestaat uit niets anders dan gewone romeinsche kapitalen, met een paar hier en daar een weinig verhaspelde letters. Wijsselijk heeft voor ’t overige dr. Ottema juist dit fragment, waarnaar de photographiën gemaakt zijn, niet in ’t zoogezegd oorspronkelijke meegedeeld; de zuiver hollandsche konstruktie en zegswijze, hier en daar met een paar friesche woorden vermengd en voorts niet dan ligtelijk door enkele friesche of friesch-klinkende vormen gedekt, zou al te spoedig, zelfs voor den meest goedgeloovigen lezer, den geheel nieuwen oorsprong van het stuk verraden hebben. In de tot dusver uitgegeven fragmenten springt dit een en ander althans zóo terstond niet in ’t oog. Niettemin mag ook het hier bedoelde soms niet onaardig heeten; die wordingsgeschiedenis b.v. van het »stand-skrift” en het »run” of »hlapende (loopende) Skrift” is op zich zelve alweer grappig genoeg. — »Pourvu qu’on s’amuse!”

{16} Eene bescheidene hypothese.

[315] Het oude friesche manuscript, waarover de heer Ottema in ’t Friesch genootschap een zoo echt wetenschappelijk rapport uitbracht, is aan den Helder voor den dag en onder protectie van den heer E. Verwijs bij het Friesch genootschap in behandeling gekomen.

Wellicht zou juist de heer Verwijs, beter dan iemand anders, in staat zijn de herkomst van het belangrijke werk nog verder te traceeren. Immers, een zijner akademievrienden, de heer F. Haverschmidt, was van 1862 tot 1864 predikant aan den Helder. Van dezen heer zou dus de heer Verwijs misschien belangrijke bijzonderheden kunnen vernemen. Niet onmogelijk zou het b.v. zijn dat in een der genoemde jaren de heer Haverschmidt een bezoek had gehad van zijn vriend den heer P. Paaltjes, en dat deze letterkundige het bewuste manuscript aan den Helder had verloren of laten liggen. De heer Paaltjes was, gelijk uit zijne minnedichten te bewijzen is, reeds als student door teedere banden aan »Frieslands barren grond” verbonden. Niets is dus natuurlijker dan dat het bedoelde voortbrengsel der oude friesche letterkunde zich in zijn bezit bevond. Wie de persoonlijkheid van den heer Paaltjes uit zijne gedichten en uit de »levensschets” van zijn vriend Haverschmidt kent, zal ons moeten toestemmen dat juist Paaltjes de eenige man in Nederland was (of is, haasten wij ons er bij te voegen; anders krijgt de Speclator maar weer eene reclame van een dood verklaard dichter), die zulk een handschrift kon bezitten zonder er ooit tegen iemand melding van te maken. Even begrijpelijk is het dan ook, dat Paaltjes voor éen man een uitzondering zal gemaakt hebben — voor zijn boezemvriend Haverschmidt, die toevallig het bastaardfriesch (en dus ook de bastaardtaal van het handschrift) verstaat, en dus het boek lezen kon.

De heer Verwijs zal, door een ernstig onderzoek in te stellen naar de juistheid dezer hypothese, de vrienden van oud-friesche geschiedenis en letteren ongetwijfeld ten hoogste verplichten. [anoniem]

No. 41 — 14 oktober

{17} Adela’s Boek

[322] Naar aanleiding van uw schrijven in de Spectator van 7 October, heb ik u het navolgende te berichten:

Het Oude Friesche handschrift, thans in het bezit van den Heer C. Over de Linden, Constructeur aan ’s Rijks Marinewerf te Helder, is door hem  in de maand Augustus 1848 ontvangen van zijne tante A. Meijlhof, geb. Over de Linden, wonende te Enkhuizen en aldaar overleden den 4 Februarij 1849. Deze was in het bezit van het handschrift gekomen bij den dood van haren vader Andries Over de Linden, scheepstimmerman te Enkhuizen, overleden den 15 April 1820. Dit zijn feiten, waaromtrent geen twijfel kan bestaan. In 1867 heeft de Heer C. Over de Linden dezelfde verklaring gegeven aan Dr. E. Verwijs. De man zal toch zelf wel het beste weten, hoe en wanneer hij aan dat handschrift gekomen is. Hij heeft nu, evenmin als toen, niet de minste reden, om eene andere herkomst op te geven, als de alleen ware. Was hij op eene andere wijze, langs een anderen weg, op een ander tijdstip eigenaar van het handschrift geworden, dan zoude hij het aan Dr. E. Verwijs en mij even goed gezegd hebben, als de hier bovenstaande verklaring.

Dus kunt gij begrijpen, hoe bespottelijk ik de bewering vond van den Heer Colmjon, dat het geschrift vervaardigd zoude zijn na 1853, dat is, ettelijke jaren nadat het in het bezit was van den tegenwoordigen eigenaar.

Mogen er nu in dit geschrift onjuiste denkbeelden en opvattingen voorkomen, is niet alles, wat er instaat, historische waarheid, ontmoet men hier een of ander verhaal , dat tot het gebied der sage behoort, — dat alles bewijst niets tegen den ouderdom van het geschrift. Wij bezitten daarenboven zoo weinige, ja bijna geene sagen uit den voortijd, dat elke bijdrage tot dien schralen voorraad ook weer hare waarde heeft.

Wat vervolgens de taal en de taalkundige waarde van het geschrift betreft, daaromtrent kan ik niet beter doen dan u verwijzen naar hetgene Jhr. Mr. M. de Haan Hettema geschreven heeft in de Leeuwarder Courant van den 5 September ll.

Ten aanzien van die Burgtmaagden, die ook al de eer niet hebben u te behagen, herinner ik u aan Velleda Aurinia en Gauna, bij Tacitus, Germ. c. 8 en elders. Deze Gauna was volgens Dio Cassius de opvolgster van [323] Velleda. En wanneer wij nu in ons H.S. onder veele burgten ook Mannagardaforda opgenoemd vinden, dan vernemen wij, wat wij vroeger niet wisten, dat Velleda in edita turri gezeteld was te Munster.

Eindelijk kan ik u de geruststellende verzekering geven, dat de naam Neptunus in het geheele H.S. niet voorkomt. Doch bij het lezen van de zwerftochten des ouden zeekonings Tunis, die weleer de Middellandsche zee in alle richtingen doorkruiste, kan men niet nalaten aan Neptunus te denken. Althans, die naam kwam Dr. Verwijs, zoowel als mij, daarbij terstond voor den geest.

Leeuwarden, den 11 October 1871. / Dr. J. G. Ottema.

[redactioneel naschrift]

Tegenover dit getuigenis van dr. Ottema stellen wij het getuigenis van denzelfden dr. Ottema, in zijn verslag aan het Friesch Genootschap, blz. 238:

»De andere, Neptunus, de God van de Middellandsche zee, blijkt hier bij zijn leven een Friesche Viking, zeekoning, geweest te zijn, thuis behoorende te Alderga (Ouddorp niet verre van Alkmaar). Zijn naam was Teunis, in de wandeling bij zijne manschappen Neef Teunis genoemd, die vooral de Middellandsche zee tot het doel en tooneel zijner tochten gekozen had, en door de Tyriers vergood zoude zijn, in den tijd toen de Phoenicische zeevaart zich aanmerkelijk begon uit te breiden, en naar Friesland stevende, om hier Britsch tin, Noordsch ijzer en barnsteen uit de Balde (Baltische) zee te halen.”

Qui diable est ici la dupe? Moet men er misschien bijvoegen wat er op volgt: ils sont tous dans le secret?

Red.

No. 42 — 21 oktober

{18} Een verzoek om revisie.[5]

[330] Het handschrift, het friesche handschrift, is veroordeeld, gewogen en te licht bevonden, onecht verklaard, buitengeworpen in de uiterste duisternis. Mannen van naam hebben uitspraak gedaan. Slechts zeer enkelen bleven moedig, sommigen niet dan aarzelend de partij opnemen van den verworpeling. Wat staat nu ons anderen te doen, die nog niet overtuigd zijn, noch van de geloofwaardigheid van het stuk, noch van de juistheid der meening dat het gansch en al bedrog zou zijn? Ons eenvoudig nederleggen bij het vonnis door de geleerde heeren geveld, of beleefdelijk en met gepasten eerbied alsnog revisie vragen? Mij dunkt het laatste. In elk geval mogen enkele opmerkingen over de zaak in kwestie geoorloofd schijnen.

Eén ding zij voor alles wèl in ’t oog gehouden. Slechts zeer enkelen hebben het handschrift zelf gezien en doorgelezen. Wat wij, d.i. het publiek, er van weten, vernamen we eenvoudig uit mededeelingen van anderen en uit eenige weinige, hier en daar aangehaalde fragmenten. Een eigen oordeel èn over den uitwendigen vorm èn over den ganschen inhoud (door den een hoogstbelangrijk, door den ander laf en onbeduidend, door een derde curieus en geestig als parodie of satire genoemd) is ons derhalve noch niel mogelijk.

Wanneer men ons dan zegt: Het papier is eenvoudig chineesch pakpapier, dat men in elken theewinkel bekomen kan, — dan is dat wel mogelijk, maar daarom nog niet zeker. Ds. Lasonder had het voor een papiersoort verklaard, zeer overeenkomende met dat van sommige zeer oude chinesche documenten in de bibliotheek van St. Petersburg. Is het nu daarom hetzelfde als het tegenwoordig nog gebruikelijk chineesch papier?

De letters zijn niet alle grieksche, gelijk dr. Ottema beweerd had. Toegegeven; maar wat zijn ze dan? Voor een deel gewone romeinsche kapitalen, voor een ander werkelijk grieksche, — zoo heet het; maar nu voor het resterende deel? Ook heeft niemand betoogd of zelfs getracht te betoogen, dat ze niet uit het »jol” of zonnerad gevormd waren, gelijk het handschrift zelf dat zeer plastisch heet aan te toonen. En al evenmin is bewezen, dat die letters oudtijds hier in gebruik kunnen zijn geweest; wèl dat ze niet in andere oude oorkonden worden aangetroffen, ’t geen op zich zelf natuurlijk niets bewijst. En zou er in overoude tijden niet, gansch onafhankelijk van Grieken en Romeinen, een eigen schrift van andere volken, b.v. de Phoeniciërs, ontleend kunnen zijn? Laat ons in elk geval niet onherroepelijk beslissen eer wij het handschrift zelf of zijne photographische afbeeldingen vóór ons hebben!

Dit wat den vorm aangaat. Maar nu de inhoud! Als reeds is gezegd, wij kennen dien niet geheel; en aan alles wat er van medegedeeld werd, behoeven wij geen onvoorwaardelijk geloof te hechten. Zoo komt b.v. die »Neef Teunis”, die wel het meest, en zeker niet zonder reden, den lachlust onzer critici heeft opgewekt, blijkens de eigene, latere, verklaring van den heer Ottema, in het gansche stuk nergens voor, maar was eenvoudig eene uitvinding van dien geleerde, naar aanleiding van den ouden zeekoning Tunis of Teunis, waarvan in het handschrift gesproken wordt. Op gelijke wijze kan er nog wel meer, wat tot spot aanleiding gaf, in het verslag worden aangetroffen, zonder dat hier uit nog volgt, dat het ook in het handschrift of althans juist evenzoo daarin te lezen staat.

Een belangrijk voorbeeld van gerezen misverstand ten gevolge van dr. O’s allicht ietwat overhaasten, schoon anders veelzins lofwaardigen ijver in het verklaren van het stuk, levert m.i. ook de paalwoning-geschiedenis. Zoo iets, dan heeft juist deze gestrekt om terstond de beweerde onechtheid in ’t oog te doen springen, ja zelfs om het hewijs te leveren dat het stuk minstens na 1853 moet vervaardigd zijn. En hier kunnen wij nu voor ons zelf oordeelen, vermits de proces-stukken waarop hier uitspraak gedaan werd, inderdaad vóor ons liggen; met name, behalve het verslag: het uittreksel van den Rijntogt, opgenomen in de Leeuwarder Courant. Daarin wordt, gelijk men zich herinnert, verhaald: dat de Marezaten hunne huizen op palen bouwden. Nu redeneert men aldus: — De overblijfselen der zwitsersche paalwoningen waren vóor 1853 niet bekend; van haar voormalig bestaan wist men niets vóor dien tijd; ergo is het handschrift na 1853 zamengesteld. Maar in van Lennep’s Brinio wordt eveneens van paalwoningen bij de Marezaten gesproken[6]; en dus zou men, naar bovenstaande redenering, tot het besluit moeten komen, dat de (vóor een goede dertig jaren opgestelde) Brinio na 1853 geschreven moet zijn! — Doch de aanleiding tot het zonderlinge misverstand gaf juist hij zelf tegen wien het gekeerd werd; nl. dr. O., die terstond van zijnen kant uit het aantreffen van bovenvermelde mededeeling in het handschrift tot het besluit kwam, dat de inhoud voor ’t minst twintig eeuwen oud moest zijn. Het eene besluit is blijkbaar zoo min gerechtvaardigd als het ander; en zoo vervalt alweder een van de hoofdpunten uit de akte van beschuldiging.

Elders in hetzelfde reisverhaal wordt van gouden kroonen gesproken, welke de vrouwen op het hoofd droegen. En nu ziet de heer Winkler hierin een bewijs van de onechtheid van het stuk omdat de oorijzers oorspronkelijk van ijzer waren. Doch worden hier nu juist de »oor-ijzers” bedoeld? In sommige streken van Beieren dragen de vrouwen ook nu nog eene soort van gouden of vergulden kroontjes, waaraan een sluier bevestigd is. Kunnen ze elders en in ouden tijd, ook in ’t aloude Friesland, dan geen dergelijke versierselen gedragen hebben.

[331] De vermelding van het oorspronkelijk Suez-kanaal bewijst mede, — zoo wordt gezegd, — de nieuwheid van het geschrift. Zeker, indien het daar inderdaad »Suezkanaal” genoemd werd. Doch die naam staat niet in het handschrift, maar eenvoudig in een door dr. O. aangehaald gezegde van Renaud, die in een rapport bij de Académie des Sciences de hypothese omtrent de vroegere verbinding van de Bittermeeren met de Roode zee vermeldt. En is nu een een stuk onecht en nieuw omdat een hypothese van later tijd hare bevestiging er in erlangt? Op die manier is menig egyptisch monument van toch onbetwistbare oudheid ook wel voor een nieuw fabriekaat uit te maken.

De angst van de Friezen voor den Overste Magy, die al de landen aan de andere zijde der Wezer had ingepakt, slaat onmiskenbaar, — zoo wordt geoordeeld, — op onze Prussophobie na 1866. Alsof er in al de twintig eeuwen, die vóor 1866 verliepen, en waarvan wij alleen de latere recht kennen, nooit een vorst had kunnen bestaan, die de landen aan de andere zijde der Wezer had in bezit genomen!

En zoo zouden wij kunnen voortgaan, als we niet vreesden het geduld van den lezer uit te putten. Maar het voorafgaande zal ook wel voldoende zijn om aan te toonen, dat, zooat niet alle bezwaren tegen de echtheid en oudheid van ons handschrift in ’t midden gebracht, dan toch vele, en juist de voornaamste, op niet dan misverstand of althans op zeer lichtvaardig aangenomen gronden steunen, zoodat op die en dergelijke door de tegenstander noch in ’t geheel geen »quod demonstrandum erat” onder hunne bewijsvoering kan worden gesteld.

Eene niet licht te tellen moeilijkheid leveren niettemin, — ik erken het, — sommige uitdrukkingen in het stuk, die werkelijk een nieuweren oorsprong schijnen aan te duiden dan er door sommigen aan toegeschreven wordt. Het klinkt inderdaad zeer vreemd, in zoo ouden tijd de menschen soms reeds te hooren spreken gelijk wij dat nu gewend zijn; en het besluit licht voor de hand, dat het boek dan ook in onzen tijd moet geschreven zijn. Onoverkomelijk dunkt mij evenwel die moeilijkheid geenszins. Reeds heeft dr. O. er op gewezen, dat toch een Griek onzer dagen de taal van Herodotus in zijne tegenwoordige spraak kan overbrengen, zonder aan woordvoeging of periodenbouw iets te veranderen, al zijn daar drie-en-twintig eeuwen tusschen verloopen, alsmede, dat er geen vergelijking geldig is tusschen den verhalenden stijl van Adela’s boek en den dorren stijl van wetten, contracten en testamenten, waarin alles bestaat [wat] wij tot nu toe in de o. friesche taal bezaten. Wij mogen daarbij herinneren, hoe de oudheidvorscher menigmaal gelegenheid heeft zich te verbazen, als hij soms in onbetwistbaar werkelijk oude stukken, uitdrukkingen en gansche gezegden uit den mond des volks ziet opgeteekend, aan welke hij, enkel wetten, contracten, enz., of ook altijd meer of min gekunstelde dichtwerken raadplegend, zeer zeker niet geneigd zou zijn een reeds zoo vroegen oorsprong toe te kennen. En wat nu sommige woorden aangaat, die naar ’t oordeel van eenige taalkenners onmogelijk oud-Friesch konden zijn, maar uit het Fransch of Latijn moeten zijn ontleend, ook omtrent deze schijnt revisie nog niet gansch overtollig, wanneer men slechts bedenkt, dat de taalgeleerden zelf het daaromtrent nog in ’t geheel niet eens zijn, en de heeren Colmjon en Ottema b.v. beide hun argumenten vóor en tegen de meeste dier woorden ter tafel brengen, zonder dat aan ons anderen nog gegeven zij te beslissen welke in elk bijzonder geval de zwaarwichtigste zijn.

Eindelijk blijft voor de bestrijders, willen ze hun beweringen blijvend ingang doen vinden, eene moeilijkheid op te lossen over, die inderdaad toch vrij wat meer noch in heeft dan de taalkundige kwestie voor de wederpartij. De vraag namelijk, hoe een, vrij volumineus, handschrift, dat sinds 1820 in éene en dezelfde familie heeft berust, en in 1849 aan den tegenwoordigen bezitter werd overgedragen, met mogelijkheid na 1866 of na 1853, of na 1849 of na 1820 kan zijn opgesteld.

Nemen wij dus alles te samen, dan hebben we voorzeker nog geenszins het recht, alleen op grond van het thans aangevoerde het besluit te trekken, dat het bewuste stuk werkelijk zóo oud is als sommigen willen, noch ook eenige aanleiding om bij benadering zelfs den waren ouderdom te bepalen, maar evenmin, op grond van de argumenten der bestrijders te besluiten tot de geheele onechtheid en gansch nieuwen oorsprong van het boek. Maar voor ’t oogenblik verlangen wij dan ook nog geen stellige beslissing. Juist tot het verschuiven van deze de vaderlandsche geleerden uit te noodigen, was het doel van dit schrijven. Laat ons niet overhaast en om eenige schijnbare dwaasheden, die bij eersten oogopslag wantrouwen inboezemen, met voorname minachting een document in een hoek werpen, dat, ja, mogelijk geheel of grootendeels valsch kan zijn, maar, indien het eens echt ware, toch een onschatbare vond voor de kennis der oudheid van een, in de geschiedenis van Europa zooveel beteekenend land als het van ouds beroemde Friesland mocht zijn! Een wijs besluit ware dan ook wellicht indien het Friesch Genootschap, zonder noch in eenig opzicht uitspraak omtrent de echtheid van het handschrift te doen, eenvoudig begon met het in druk uit te geven (des noods met vertaling, en met fac-sìimile van een paar tekstbladen) en dan afwachtte wat over en weer door de kritiek nog mocht worden te berde gebracht.

W.d.L. [Johan de Wal]

No. 43 — 28 oktober

{19} Waarde Heer Spectator!

[335] Uw vorig nommer geeft mij aanleiding tot een paar opmerkingen: [...] Ten tweede, nog een enkel woord omtrent de snakerij van ’t Friesche Handschrift. Ik zou haast vermoeden, dat die W.d.L. in ’t complot is betrokken, en ons door zijn gemoedelijke bespiegelingen wil beetnemen. Hoe komt de man anders tot zulke ernstige beschouwingen over zulk een onnoozele grap? Wat longziekte en paalwoningen betreft, laat ik de zaak daar; bij de algemeene bewoordingen, waarin beide vermeld worden, is het zeer licht mogelijk, dat dit reeds in de vorige eeuw en door den opsteller van ’t fraaije stuk zelf gebeurd is. Maar verder mag men dan ook niet gaan. Het dagteekent blijkbaar uit denzelfden tijd, waarin ook de Klaas Kolijn geboren werd, en dat zich toen een Alkemade en Van Loon door dezen lieten foppen, is reeds erg genoeg; maar dat thans een geleerd genootschap zich nog aan de uitgave van een dergelijk knutselwerk zou bezondigen, ware werkelijk niet te dulden. Wil de gelukkige eigenaar het voor zijn archief of bibliotheek afstaan, en het daar ter inzage laten voor ieder, die er kennis van nemen en zijn hart aan ophalen wil, waarom niet? — Maar zijn goede geld te besteden, om dergelijke fraaijigheden door den druk algemeen te maken, en zich zelf om zijn onnoozelheid te laten uitlachen, gaat niet aan. Het Friesch Genootschap heeft, dunkt mij, beter dingen dan dat te doen. En neem ik daarom — als lid van dat genootschap — de vrijheid, hier nogmaals openlijk verzet aan te teekenen tegen een dergelijke dwaasheid. Verblijve, enz.

Bl. 23 Oct. ’71. Van Vloten.

{20} Het allernieuwste handschrift.

[339] Terwijl het Friesch Genootschap nog steeds met zijn handschrift bezig blijft en de Akademie van Wetenschappen voortgaat, zich in het runisch te oefenen, wordt, naar men verzekert, dezer dagen bij het Zeeuwsche Genootschap een mede overoude, maar eerst onlangs weer ontdekte inscriptie in behandeling genomen, die indertijd door een dorps-schoenlapper vóor zijne deur moet zijn geplaatst geweest, maar door de boeren, voor wie ze bestemd was in ’t geheel niet — en door slechts enkele taalkenners eenigermate ontcijferd werd. Het bedoelde opschrift is van den navolgenden inhoud:

NITET. VISIN. MARDRO. ME. EN. ETEKIN.

Noch wordt gemeld, dat een patriottiesch Zeeuw voor de verklaring van dit raadselachtig opschrift, ’t welk voor de kennis van de geschiedenis der zeeuwsche taal van veel belang moet zijn, aan het Genootschap een present-exemplaar van het friesche handschrift heeft toegezegd, zoodra dit zal zijn uitgegeven. [anoniem]

No. 44 — 4 november

{22} Het Friesche handschrift.

[342] Aan de Redactie van »de Nederlandsche Spectator.”

WelEdele Heeren,

Door velerlei geschrijf uitgelokt, verzoek ik UEd. beleefd, het onderstaande in uw blad, een plaatsje te verleenen.

OVER HET BOEK VAN ADELA.

Ik ondergeteekende verklaar, dat bovengemeld boek niet na 1853 door »Piet Paaltjens” of door een anderen geleerden »Piet” gemaakt is.

Durfde ik mijn geheugen zoo zeer verdenken, dan zou ik veeleer geloven dat mijn vader, die in 1837 het tijdelijke met het eeuwige verwisselde, het mij op een goeden dag met passende toespraak had ter hand gesteld.

Zoo had het ten minste behooren te zijn.

Ik ontving het echter van mijne tante — die eerst in 1849 stierf — met de eenvoudige toespraak, dat zij het op verlangen van mijn grootvader zóó lang had moeten bewaren tot dat ik oud en wijs genoeg zou zijn om er prijs op te stellen.

Dat deze verklaring geen bewijs is voor hen, die met mij en mijn geheugen niets te maken hebben, begrijp ik volkomen.

»Met zwart op wit” kan ik echter bewijzen, dat dr. Eelco Verwijs, na inzage van het eerste gedeelte van het boek, mij het volgende schreef:

En daar ontvang ik uwe mij zoo hoogst welkome bezending, waardoor mij de echtheid onwederleggelijk werd bewezen, en waarvoor ik u hartelijk dank zeg.

Na de ontvangst van eene andere bezending schreef ZEd. mij:

Is het bewuste Handschrift een »heiligdom” in uwe familie? Zoo ja, vergun mij dan de openbaarmaking; zoo neen, mag ik dan in mijne kwaliteit als archivaris er met den Commissaris des Konings en Gedeputeerden over spreken en hun een voorstel doen met u te onderhandelen over de overname? Vergeef mij die vraag (enz.)

Wat de heer dr. J.G. Ottema van het boek denkt, bewijst zijn verslag.

Het eenige verschil van gevoelen dat ik bij beide heeren bespeur is, dat de heer Ottema het voor het door Hiddo Oera Linda geschreven boek houdt, en de heer Verwijs meent, dat het meermalen overgeschreven is.

Wat het geschil tusschen de heeren Ottema en Colmjon aangaat, ieder hunner kan van diens standpunt gelijk hebben, doch hun verschil in meening wordt door het volgende opgehelderd:

Hebben onze voorouders destijds zooveel op de Middellandsche Zee gevaren, dan kunnen zij niet alleen Latijnsche, maar zelfs wel eenige Arabische en Afrikaansche woorden gebezigd hebben. Dat Gijsbert Japicks en de Friesche boeren die niet gebruiken bewijst niets, daar men in de zeeplaatsen allerhande vreemde woorden bezigt die men op het platte land en in binnensteden niet hoort.

EN NU DE HOOFDZAAK:

Daar mijne nieuwsgierigheid en die mijner zonen, door de vertaling van den heer dr. Ottema, voldaan is, komt het er voor mij minder op aan wat de geleerden er van denken die het boek niet gezien hebben. Maar! — bij het lezen bemerk ik, dat het boek, voor zooveel er van het geheel nog overig is, wel door de over de Lindens bewaard is, doch dat het niet voor hen maar voor de blanke Europesche bevolking geschreven is: »Omdat de Heidensche volken met hunne priesters destijds uit Azie, — ten noorden over Zweden en ten zuiden over Frankrijk, — in Europa drongen en door list en geweld alles vernielden en zoek maakten wat de overwonnenen aan hunne verloren vrijheid kon herinneren.”

Of de geschiedenis daarin te boek gesteld nu even onwaarschijnlijk is als die der Aziatische en Afrikaansche volkeren, laat ik in het midden; maar ik geloof toch dat het zeer ondankbaar van ons zijn zoude haar over boord te werpen terwijl men die van vreemden, met vele kosten in eere houdt.

Helder den 26 Oct. 1871.

C. OVER DE LINDEN. / Eerste Meesterknecht bij ’s Rijks-Marinewerf.

No. 45 — 11 november

{24} Naschrift op mijn »verzoek om revisie”.

[353] Van eene vriendelijke hand ontving ik dezer dagen de photographiën van drie bladzijden uit het al meer en meer algemeene belangstelling wekkende handschrift. Gaarne betuig ik daarvoor openlijk den geëerden zender mijn welgemeenden dank, en aarzel niet, tevens te verklaren, dat de inzage der bedoelde stukken met bijbehoorende vertaling mij niet weinig in mijne opvatting heeft versterkt. Eene uitgave, — altijd nog zonder beslissing, — blijft mij dus ook wenschelijk voorkomen. Of dit nu evenwel door particuliere krachten zal kunnen geschieden, schijnt mij zeer onzeker, en niet raadzaam zou ik het achten, met kans op mislukking het te beproeven, in zoover deze laatste allicht een schijn-argument aan tegenstanders der uitgave mocht in handen spelen. Eene corporatie daarentegen, als het Friesch Genootschap, die zich ten doel stelt belangrijke taal- en oudheidkundige documenten in ’t licht te geven, wier bekendmaking juist niet door particulieren kan geschieden, mag zich als ’t ware geroepen achten, ook in dezen niet geheel werkeloos te blijven. Dan, het Genootschap, dat zoovele verstandige voorgangers telt, heeft ongetwijfeld mijn nederigen raad niet van noode en zal ook zelf wel het wijsste besluit weten te nemen. Het gezegde worde mitsdien eenvoudig als eene bescheiden aanbeveling opgevat, en als eene hulde aan den ijver en de volharding van die mannen, die ondanks alle tegenwerking en allen spot en hoon zich noch niet lieten afschrikken van de hun opgelegde taak, eene misschien inderdaad belangrijke oorkonde te ontrukken aan de vergetelheid. Hoe anders die hooghartige geleerden, zooals de heeren v.d. Bergh, v.L. Brouwer en v. Vloten, die, zonder eenig verder onderzoek van de zaak, met voorname minachting op al wat er in ernst over gezegd wordt nederzien! Gunstig steekt ook, m.i. de houding van den heer Verwijs daarbij af, die, blijkens den brief van den heer Over de Linden in het laatste nommer van den Spectator, het veelbesproken stuk wel degelijk de opmerkzaamheid der oudheidkenners waardig keurde en schriftelijk den eigenaar aanbood, het òf te doen aankoopen voor het Provinciaal Archief òf wel eene uitgave er van te bewerken, terwijl hem, toenmaals althans, de echtheid onwederleggelijk uit de inzage scheen gebleken te zijn. Werd ze hem nu later weer twijfelachtig, er was hier ten minste geen lichtzinnigheid of verwaten spot, en de kans blijft ook bestaan, dat hernieuwd en voortgezet onderzoek dezen geleerden oudheidkenner, als wellicht menig ander, noch weer tot de vroeger door hem voorgestane meening terug zal brengen. / W.d.L. [Johan de Wal]

No. 50 — 16 december

{26} Flanor (C. Vosmaer) in rubriek Vlugmaren

[399] (...) Zoo krijgen wij het uitzicht op de uitgave van het Handschrift, van Thet Oera Linda bok, het fameuse boek van Adela, de vrouw van Apol Grévetman ovir tha Linda wrda, geschreven door Apollónia, hare dochter, en verder door hare latere nakomelingen. Onwaardeerbaar boek, geschreven vele eeuwen voor Kristus en de oude geschiedenis van Friesland gewis in helderder daglicht stellende. Nu zal de ontijdige spot blozen en de voorbarige negentiende-eeuwsche kritiek verstommen. De medegedeelde proeve, Friso’s aankomst te Stavoren beschrijvende, wekt reeds levendig onzen leeslust op en smaakt naar meer.

Noten

  1. Na het, voor dr. Ottema allicht min aangenaam oordeel van onzen geleerden oudheidkenner, den heer Van den Bergh, heeft de Redactie v.d. Spectator gemeend, het voor hem allezins vleijende des heeren v.L.B., niet te mogen terughouden. Zij zelve wenscht inmiddels voor ’t oogenblik buiten de kwestie te blijven, die bij de opvatting van den heer v.L.B., althans met betrekking tot dr. Ottema, een gansch ander, van het vroegere zeer verschillend aanzien schijnt te kunnen erlangen. Red.
  2. Die „papier-kwestie” schijnt werkelijk aan sommige geleerden nog eenige moeilijkheid te baren. Dr Ottema heeft later inmiddels de beleefdheid gehad, ons den weg aan te wijzen, waarop de maker van de pseudo-oorkonde aan het daartoe benoodigde papier is gekomen. In de Leeuwarder Courant van 19 Sept. ll. deelt hij mede, dat het bedoelde papier, ook naar getuigenis van den heer Lasonder, volkomen gelijksoortig is aan het Chineesch papier van een aantal documenten in Petersburg. En om nu eeu behoorlijken voorraad Chineesch papier te bekomen, ’t welk evenzeer voor inpakken als voor schrijven en drukken gebruikt wordt, behoeft men zich in ons land waarlijk niet veel moeite te geven. Inkt kan men natuurlijk overigens maken of namaken zooals men wil.
  3. Van gelijksoortig gehalte, maar niettemin nog al aardig is de (elders, in de Leeuwarder Courant, meegedeelde) verklaring van Himâlaya, als zamengesteld uit himel, hemel en laya (leda), leiden, terwijl iedereen tegenwoordig weet of althans kan weten, dat de naam van het gebergte in ’t Sanskr. doodeenvoudig „woning der sneeuw” beteekent, — hima, sneeuw, âlaya, woning (van â en lî, liggen, wonen), — evenals Dhavala-giri nieta anders is dan de Witte Berg, de Montblanc.
  4. Niet minder goed volgehouden ook dan de toon van het verslag schijnt ons de latere verdediging van den heer O. tegen den heer Colmjon in de Leeuwarder Courant v. 19 Sept. ll.
  5. De Redactie, na eene plaats in hare kolommen te hebben ingeruimd voor de onderling verschillende beschouwingen der heeren v.d. Bergh, v.L. Brouwer en Ottema, heeft gemeend, thans ook geene te moeten weigeren aan bovenstaande, weder in vele punten van de drie evengenoemde afwijkende. Zij wil alleen hopen, dat het handschrift, als het eenmaal zal zijn uitgegeven, ook blijken moge, al het geschrijf, dat er al over gemeest, is en waarschijnlijk nog wel zijn zal, werkelijk, in welken zin dan ook, waard te zijn. — Red.
  6. „Woningen waren hier schaarsch en ver van-een verspreid, en die weinige, welke zich hier en daar op houten palen verhieven, hadden een ongastvrij en armoedig aanzien.”