1871 Colmjon: Difference between revisions
add |
mNo edit summary |
||
| (2 intermediate revisions by the same user not shown) | |||
| Line 1: | Line 1: | ||
*'''JJK 7''' [[Gerben Colmjon|Colmjon, G.]] — Nog iets over het Oud Friesch handschrift — [https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010586167:mpeg21:a0046 ''LC'' 12-9-1871]. | |||
*'''JJK 11''' Colmjon, G. — Over het boek van Adela; repliek op de door den Heer dr [[Jan G. Ottema|J.G. Ottema]] gemaakte aanmerkingen — uitg. Wester, Leeuwarden, [https://books.google.nl/books?id=o69mskPzl7UC 8 bl. gedat. 25-9-1871]. | |||
---- | |||
'''JJK 7''' Colmjon, G. — Nog iets over het Oud Friesch handschrift — [https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010586167:mpeg21:a0046 ''LC'' 12-9-1871]. | |||
==Nog Iets over het Oud Friesch handschrift,== | |||
''' | '''in bezit van den Heer [[Cornelis Over de Linden|C. Over de Linden]] te Helder.''' | ||
Het is eigenlijk geheel tegen mijn zin en voornemen, dat ik de pen opvat, om over het handschrift, hierboven genoemd, in het publiek nu reeds iets te vergen. Ik was nl. tot hiertoe van meening, dat de wijze, waarop ik met dat geschrift bekend ben geworden, mij in zekeren zin zulks verbood. Het stuk toch was niet uitgegeven; het bevond zich in handen van den heer dr. [[Jan G. Ottema|J.G. Ottema]], lid van het Friesch genootschap van geschied-, oudheid- en taalkunde, die, het wenschelijk achtende, dat het met eene Hollandsche vertaling en eene overzetting in nieuw Friesch zoude worden uitgegeven, mij verzocht deze laatste te willen bewerken, en, nadat ik zulks gereedelijk had op mij genomen, mij eene kopie er van tot dat doel ter hand stelde. Ik kreeg dus het stuk om het te vertalen, en niet om er gebruik van te maken voor een publiek tegenschrift op het door hem gegeven verslag van het handschrift; waarom ik mij dan ook stellig voorgenomen had, niets aande mijn oordeel over het stuk in het openbaar te laten uitgaan, zoo lang het niet door den druk tot algemeen eigendom was geworden, en ik zou aan dat voornemen getrouw gebleven zijn, indien de heer jhr. mr. [[Montanus Hettema|de Haan Hettema]], in zijn opstel over het handschrift, in het Bijvoegsel der ''Leeuwarder Courant'' van dinsdag 5 September jl. niet mijn naam had genoemd, met eene bijvoeging, die zoo ietwat heeft van eene beschuldiging — van onoplettendheid nl. bij het lezen van het handschrift —, wat ik meen, dat het mij thans ten plicht maakt, te doen zien, dat die beschuldiging niet door mij verdiend is. | Het is eigenlijk geheel tegen mijn zin en voornemen, dat ik de pen opvat, om over het handschrift, hierboven genoemd, in het publiek nu reeds iets te vergen. Ik was nl. tot hiertoe van meening, dat de wijze, waarop ik met dat geschrift bekend ben geworden, mij in zekeren zin zulks verbood. Het stuk toch was niet uitgegeven; het bevond zich in handen van den heer dr. [[Jan G. Ottema|J.G. Ottema]], lid van het Friesch genootschap van geschied-, oudheid- en taalkunde, die, het wenschelijk achtende, dat het met eene Hollandsche vertaling en eene overzetting in nieuw Friesch zoude worden uitgegeven, mij verzocht deze laatste te willen bewerken, en, nadat ik zulks gereedelijk had op mij genomen, mij eene kopie er van tot dat doel ter hand stelde. Ik kreeg dus het stuk om het te vertalen, en niet om er gebruik van te maken voor een publiek tegenschrift op het door hem gegeven verslag van het handschrift; waarom ik mij dan ook stellig voorgenomen had, niets aande mijn oordeel over het stuk in het openbaar te laten uitgaan, zoo lang het niet door den druk tot algemeen eigendom was geworden, en ik zou aan dat voornemen getrouw gebleven zijn, indien de heer jhr. mr. [[Montanus Hettema|de Haan Hettema]], in zijn opstel over het handschrift, in het Bijvoegsel der ''Leeuwarder Courant'' van dinsdag 5 September jl. niet mijn naam had genoemd, met eene bijvoeging, die zoo ietwat heeft van eene beschuldiging — van onoplettendheid nl. bij het lezen van het handschrift —, wat ik meen, dat het mij thans ten plicht maakt, te doen zien, dat die beschuldiging niet door mij verdiend is. | ||
| Line 102: | Line 106: | ||
---- | ---- | ||
Het bovenstaande was reeds voor den druk gezet, toen ik in de ''Leeuwarder Courant'' van Zondag 10 September de reis van Apollonia langs den Rhijn, in de 6de eeuw voor Chr. (blz. 108-113 van ons handschrift), waarin van de Zwitsersche paaldorpen melding wordt gemaakt, zag medegedeeld. Die plaats had ik niet eerder onder de oogen gehad, daar in het afschrift, door mij gebruikt, blz. 100-122 van het handschrift ontbreken. Ze is intusschen voor mijn onderzoek naar den ouderdom van het handschrift weder van groot belang, want ze bewijst dat het geschreven moet zijn, niet slechts na 1833, zoo als ik reeds meende te mogen stellen, maar zelfs na 1853, dewijl men vóór dien tijd van het bestaan der overblijfselen van de paaldorpen in de Zwitsersche meeren niets afwist. | Het bovenstaande was reeds voor den druk gezet, toen ik in de ''Leeuwarder Courant'' van Zondag 10 September de reis van Apollonia langs den Rhijn, in de 6de eeuw voor Chr. (blz. 108-113 van ons handschrift), waarin van de Zwitsersche paaldorpen melding wordt gemaakt, zag medegedeeld. Die plaats had ik niet eerder onder de oogen gehad, daar in het afschrift, door mij gebruikt, blz. 100-122 van het handschrift ontbreken. Ze is intusschen voor mijn onderzoek naar den ouderdom van het handschrift weder van groot belang, want ze bewijst dat het geschreven moet zijn, niet slechts na 1833, zoo als ik reeds meende te mogen stellen, maar zelfs na 1853, dewijl men vóór dien tijd van het bestaan der overblijfselen van de paaldorpen in de Zwitsersche meeren niets afwist. | ||
---- | |||
'''JJK 11''' Colmjon, G. — Over het boek van Adela; repliek op de door den Heer dr J.G. Ottema gemaakte aanmerkingen — uitg. Wester, Leeuwarden, [https://books.google.nl/books?id=o69mskPzl7UC 8 bl. gedat. 25-9-1871]. | |||
<big>'''Over het Boek van Adela,'''</big> | |||
'''Repliek''' op de door den Heer Dr. [[Jan G. Ottema|J.G. Ottema]] gemaakte aanmerkingen, (''zie Leeuwarder Courant van'' 19 ''September'' 1871) op mijn vorig opstel over dat boek, door '''[[Gerben Colmjon|G. Colmjon]]'''. | |||
Leeuwarden. — J.G. Wester. / 1871. | |||
---- | |||
De reden, waarom deze repliek niet in de ''Leeuwarder Courant'' het licht ziet, is daarin gelegen, dat de Redactie van genoemd blad het in ’t belang harer lezers acht, niet meer over het veelbesproken oude Friesche handschrift op te nemen. Daar ik meen, dat de door den heer Dr. J.G. Ottema op mijn daarover geschreven artikel gemaakte aanmerkingen een antwoord vereischen, ben ik dus genoodzaakt dat afzonderlijk uit te geven. | |||
L. 25 Sept. 1871. / G.C. | |||
==Over het Boek van Adela.== | |||
[1] Nog eenmaal moet ik de pen ter hand nemen, om een woord te zeggen over het ''Boek van Adela'', thans naar aanleiding van de door den heer Dr. J.G. Ottema op mijn vorig opstel gemaakte aanmerkingen. Ik zal zoo kort zijn, als mij mogelijk is, den lezer verschooning verzoekende voor de dorheid van mijn geschrijf, die een betoog, als mij thans is opgelegd, noodwendig eigen is. | |||
De eerste aanmerking van genoemden geleerde strekt ten betooge, dat het niets bewijst tegen de echtheid van het boek van Adela, als men dit, zoo als ik met eenige plaatsen heb gedaan, woord voor woord in hedendaagsch Friesch of Hollandsch kan overschrijven, en hij zegt, om zijn gezegde klem te geven, dat geheel op dezelfde wijze een Griek in onze dagen de taal van Herodotus in zijne tegenwoordige spraak zal kunnen overbrengen, zonder aan de woordvoeging of periodenbouw iets te veranderen, al zijn daar drie en twintig eeuwen tusschen verloopen. Dit argument bewijst voor mij niets, omdat ik, zoo als de heer O. anders ook wel zal weten, geen Grieksch versta. Maar dit weet ik wel, dat, wanneer men b.v. uit de ''Kroniek van Holland'', door den klerk uit de lage landen, uit de 14e eeuw, of uit Hooft’s ''Nederl. Historie'', of uit J. de Brune’s ''Wetsteen der Vernuften'', dat nu geen wetten, contracten of testamenten zijn, een stuk in onze nieuwere spelling overschrijft, men dan nog geen negentiende-eeuwsche [2] taal heeft, zoo als men, gelijk de heer O. zelf erkent, verkrijgt, wanneer men dus met het boek van Adela te werk gaat. Hoewel tusschen die schrijvers en ons nu bij lange na nog geen drie en twintig eeuwen zijn verloopen, zal alleen de stijl doen zien, dat zij niet van onzen tijd zijn. | |||
Ten tweeden komt de heer O. op mijne aanmerking betrekkelijk woorden en uitdrukkingen, die mij in het handschrift te nieuwerwetsch voorkomen. Hij zegt, »dat het niet mogelijk is, van eenig woord den tijd van zijn bestaan aan te wijzen, tenzij namen van zaken, die zelve van later tijd en oorsprong zijn. De woorden en uitdrukkingen,” zoo vervolgt hij, »waaruit eene taal bestaat, zijn toch wel even oud als de taal zelve.” — Indien hij nu met dit laatste wil te kennen geven, dat iedere taal, met al hare woorden (behalve de bedoelde namen van zaken) en met al hare uitdrukkingen, op eens is voor den dag gekomen, zoodat b.v. het Nederlandsch alle woorden en zegswijzen, die het nu bezit, van den beginne af gehad heeft, dan is hij mis; want de geschiedenis der talen leert ons, dat zij van tijd tot tijd nieuwe woorden opnemen en oude uitwerpen, of laat mij liever zeggen, verliezen; terwijl weer andere eene geheel andere beteekenis aannemen. Ik zou, om dit laatste gezegde te staven, het woord ''sella'' uit het hs., zoo dit als goede munt erkend was, kunnen aanhalen. In ’t hs. beteekent het ''koopen'', terwijl het, voor zoo ver mij bekend is, in ’t Eng., Angels. en oud Noordsch nooit anders voorkomt dan in die van ''verkoopen'', ''overgeven'';<ref>Het is hierom ook, dat ik in ''salthatha'' eene opzettelijke verknoeiing van ''soldaten'' meen te zien.</ref> liever denke men echter aan ons woord ''braaf''. Dit is dan ook de reden, waarom men dikwerf uit de woorden, [3] die in eenig geschrift voorkomen, bij benadering den tijd kan bepalen, wanneer het geschreven moet zijn. | |||
Ik heb dus van ''falikant'' gebruik gemaakt, dat ik houd voor afgeleid van ''faelgen'', samengesteld met ''kant''. De heer O. zegt nu, dat dit woord in de oudste Friesche en Hollandsche stukken reeds voorkomt, maar brengt volstrekt geene bewijzen bij, dat het zoo vroeg reeds gevonden wordt, dat mijne afleiding onmogelijk is. Hij wil het afleiden van een bijv. nw. ''falikande'', dat hij echter niet weet dat bestaat of bestaan heeft, maar dat toch zou kunnen hebben bestaan, omdat wij ook het bvn. ''mislikande'' hebben, bv. ''en mislikande dânte fon en diar'',<ref>Ik moet even de opmerking maken, dat deze plaats uit het hs. is, en dus het bestaan ook van dit woord niet eens bewijst, daar aan dit geschrift, als niet voor echt erkend, geenerlei gezach kan worden toegekend.</ref> welk bvn. men in de oude Friesche wetten vindt verkort tot ''mislik''. Even als nu ''mislikande'', zoo redeneert de heer O., samengesteld is uit ''mis'' en ''likande'' (deelw. van het ww. ''lika''), zoo zal het bv. nw. ''falikande'' bestaan uit ''fa'' (''faa'' in het Deensch, ''fê'' in het oud Friesch, ook buiten het hs.) en ''likande'', en hiervan zou dan ''falikant'' komen. Indien nu ''mislikande'' (spreek uit: ''mislikende'') een woord ''mislikant'' had opgeleverd, dan zou die redeneering veel grond hebben; maar daar dat niet zoo is, kan ik de voorgestelde afleiding volstrekt niet aannemen. Ons woord ''falikant'', met den klemtoon op de laatste lettergreep, heeft niets van een tegenw. deelw.; het verraadt daardoor klaarblijkelijk eene samenstelling met het znw. ''kant'', en ik blijf het daarom met Halbertsma, die trouwens van taal ook nog al wat afwist, afleiden van ''faelgen'' en ''kant''. | |||
De heer O. maakt dan de opmerking, dat ik ''Net'' [4] ''krekt lik'' verkeerd heb vertaald. Ik kan het niet nazien, daar ik, op zijn verzoek, een dag of drie na het verschijnen van mijn eerste opstel, het door mij gebruikte afschrift hem heb terug bezorgd, en ga dus hiervan zwijgend verder. | |||
De heer O. kan zich ook niet met mij vereenigen, wanneer ik zeg, dat ons ''nul'' komt van Lat. ''nullus''. Hij zegt, dat ''nol'', dat een kleine ronde terp beteekent, met nul is verwant, en dat die benaming aan de ronde gedaante van het cijfer is ontleend. Intusschen is de afkomst van ons woord daarmede niet verklaard, en daar ik nu eene sprekende gelijkenis zie tusschen ons ''nul'' en der Franschen ''nulle'', dat hetzelfde beteekent, en eigenlijk hetzelfde woord is als hun ''nul nulle'', geen, dat van Lat. ''nullus'' is gevormd (zie: de Roquefort, Dict. étym. de la langue Franç.), houd ik met Weiland ons woord daarvan afkomstig. Om deze reden meen ik ook, dat ons ''nul'' en het Noordholl. ''nol'' wel niets met elkander zullen hebben uit te staan, tenzij dit laatste woord van vrij laten datum mocht zijn. | |||
De heer O. wil er echter niets van weten, dat er in het handschrift sporen van bekendheid met de Lat. taal te vinden zijn. Woorden als ''skole'', school, ''altar'', altaar, en ''tohnekka'', tunica, zouden daarom woorden van Midden-Europeschen oorsprong zijn. Le Jeune, in zijne ''Geschied- en letterk. nasporingen omtrent de afkomst en verspreiding der talen'', st. I, bl. 71, zegt, dat school komt door het Grieksch uit het Hebreeuwsch, maar dat wij het hebben uit het Latijn. Wie nu gelijk heeft, durf ik niet beslissen, maar ik zou haast denken, dat mijn zegsman ’t wel moest weten. ''Altare'' is volgens Bosworth, ''Anglosax. Dict.'', samengesteld uit Lat. ''alta'', hoog, en ''ara'', offerplaats. Mij dunkt de verklaring [5] is te duidelijk om betwijfeld te kunnen worden. ''Tohnekka'' kan inderdaad zeer oud zijn. | |||
Ik heb in mijn vorig schrijven aanmerking gemaakt op het woord ''rest'', overig blijft, dat ik hield voor van Lat. ''restare'' afkomstig. De heer O. tracht nu te bewijzen, dat het komt van Fr. ''restja'', rusten, berusten, weshalve dan ook het znw. de ''rest'' eene nog aanwezige hoeveelheid zou beteekenen. Hoewel ik mij nu met deze verklaring zeer goed zou kunnen vereenigen, komt het mij toch opmerkelijk voor, dat ''restja'' of ''reste'', behalve in dit hs., nimmer, noch in geschrifte, noch in de spreektaal, in het Friesch in de beteek. van ''overig'' zijn voorkomt, evenmin als ''rest'' in den zooeven genoemden zin, tenzij misschien bij den eenen of anderen Hollandsch-Frieschen schrijver van onzen tijd. | |||
Omdat de heer O. van meening is, gelijk ik zoo-even zeî, dat er in ons handschrift volstrekt geen sporen van Lat. gevonden kunnen worden, mag dan ook ons ''just'' niet van Lat. ''justus'' afgeleid worden. Hij wil daarom, dat het verwant zal zijn met ''jvd'', een woord uit het hs., dat in het zuiverste oud Fr. ''hiude'' en ''hiode'' geschreven werd, en ''heden'', van ''daag'', beteekent, en dat het dus oorspronkelijk Friesch zou zijn. Maar welken grond heeft de heer O. nu voor zijne bewering? Hij zegt er ons niets van. Ik beweer, dat het geen oorspr. Friesch kan zijn, omdat het in die taal eerst na Gijsbert Jakobsz. voorkomt, terwijl men als zeker mag aannemen, dat een woord, dat zoo menigvuldige malen in de rede te pas komt, indien het werkelijk in de taal was, ook in onze Friesche geschriften tot en met G.J. moest gevonden worden. Bovendien vind ik er ook geen spoor van in andere oude Germaansche dialecten. Waar zal men ’t nu gaan [6] zoeken? In ’t nieuw Engelsch vind ik ''just'', in ’t Fransch, ''justement'', van het bvn. ''juste'', onder anderen in de beteekenis van ''precies''. Dit woord ging in ’t Holl. over, en zoo begon men dan te spreken van ''just'' of ''juist''<ref>Kiliaan heeft het op beiderlei wijze gespeld.</ref> ''op denzelfden tijd als'', of ''juist te gelijk met iets anders gebeurde dit of dat'', of wel: ''juist gebeurde dit of dat, toen iets anders plaats vond''. Dit is geheel de beteekenis, waarin wij ’t in de aangehaalde plaats uit het hs. hebben: ''Just wêre ’t jolfêrste'', ’t was precies julfeest, toen er iets anders plaats vond. In beteekenis heeft het dus geen de minste verwantschap met ''jvd'', ''hiude'', ''hiode'', heden of van daag, en ’t er nu alleen om de geringe overeenkomst in den vorm van af te leiden, zou te dwaas zijn. — Over de afkomst nu van Fransch ''juste'' en Eng. ''just'' zullen we maar niet meer woorden verspillen. | |||
Ten aanzien van ons ''amery'', moet ik met den geleerden schrijver, wat de afleiding betreft, mede blijven verschillen, aangezien de door mij gegevene, m.i., veel natuurlijker is, en wij daarbij het woord reeds terstond in zijn tegenwoordigen vorm hebben; want het is voor ieder, die op de volkstaal heeft gelet, duidelijk, dat ''Ave Mary'' bij onze voorouders aldra die tweede, het vlugge spreken belemmerende lettergreep moest verliezen, en vooral toen het niet meer het ''Ave Maria'' aanduidde, maar alleen diende om een kort tijdsbestek te beteekenen. Bovendien beveelt zich deze afleiding ook aan door den beteren zin, dien ze geeft. Evenwel wil ik nu wel toegeven, dat ''amering'' niet tot de opzettelijk verknoeide woorden behoort. | |||
De heer O. schijnt bijna boos te zijn, omdat ik het ''skriffilt'', waarvan in het boek sprake is, verkies [7] gelijk te stellen met ons ''linnen papier''; ik weet niet, zegt hij, dat met de uitvinding van dit laatste bedoeld wordt de vervaardiging van papier uit linnen ''lompen''. Hij veronderstelt dat ''skriffilt'' is een vilt uit vlas samengestampt, en dus met ons papier niet te vergelijken. We zullen zien, wat er van de zaak is. | |||
»Hoe dat ''skriffilt'' er uitzag en op welke wijze het vervaardigd werd,” zegt hij, »weten wij niet. Alleen wordt er bericht, dat men daartoe ''linnent'' of als surrogaat ''pompablêdar'' bezigde. Doch wat is nu ''linnent'',” vraagt hij, en vervolgt dan: »op bl. 95 lezen wij; ''hira hemeth is linnent, hira tohnekka wol, that hju selva spon and wevade''. Daaruit blijkt,” meent hij, »dat met ''linnent'' | |||
bedoeld wordt, wat wij vlas noemen.” | |||
Hoe komt echter de geleerde schrijver er bij! Kan iemand van een hemd zeggen, dat het ''vlas'' is? De stof, waarvan ’t gemaakt is, is uit ''vlas'' bereid, maar die bereide stof, waaruit het hemd bestaat, heet ''linnen'', en het woord ''linnent'' uit het hs. beteekent hier dus niets anders dan ons ''linnen''. ’t Staat er duidelijk: Haar hemd <u>is</u> linnen, haar tunica wol, en door spinnen en weven had zij zelve die stoffen bereid. Of kan men niet ''linnen'' vertalen, omdat er bij gezegd wordt, dat zij ’t zelve spon en weefde? Maar wij spreken toch van ''gesponnen garen'', van ''geweven linnen'' en van den ''linnenwever'', Of is de vertaling van ''linnent'' niet juist, omdat het staat in éénen adem met ''wol''? Maar met dit woord wordt immers nog dagelijks zoowel de versche, onbereide wol als eene daarvan vervaardigde stof aangeduid. In deze plaats kan met geen mogelijkheid van ''vlas'' of van ''wol'', in de eerste, natuurlijke beteekenis van het woord, sprake zijn. | |||
[8] Uit deze plaats, in verband met de door mij in mijn vorig opstel aangehaalde zinsnede, waarin van ’t ''skriffilt'' sprake was, blijkt onwederlegbaar, dat dit niets anders is dan ons ''papier'' uit ''linnen lompen'' vervaardigd. | |||
Over de besmettelijke longziekte, acht ik het niet noodig, hier verder iets bij te voegen. Alleen dien ik te zeggen, dat ik niet beweerd heb, dat die ziekte in de oudheid niet heeft bestaan, maar alleen, dat men ze als zoodanig niet had herkend, en dat daaruit moest volgen, dat de naam niet bestond; mij dunkt, dat dit zoo klaar is als de dag. | |||
En hiermede neem ik afscheid van het Boek van Adela. Ik heb mijn oordeel uitgesproken en het zooveel mogelijk met bewijzen zoeken te staven. Kan men zich met mijn gevoelen vereenigen, uitmuntend; kan men het niet, ook al wel; ik zal er niet boos om worden. Ieder moge, na al het gezegde, over de echtheid of onechtheid zelf oordeelen, en tevens den tijd bepalen, waarin het moet ontstaan zijn. | |||
Ik mag de pen niet neerleggen, alvorens den heer O. dank gezegd te hebben, voor zijne beleefde en hoogstbeschaafde terechtwijzing ter zake mijne misstelling, wat betreft het woord ''justus'', in mijn vorig opstel. ’t Was glad mis, hoor! Doch troosten wij ons, er hebben wel nog erger misstellingen plaats, en zonder struikelen en dwalen is niemand ooit groot geworden. | |||
==Noten== | ==Noten== | ||
<references /> | <references /> | ||
[[Category:Sources Dutch]] | [[Category:Sources Dutch]] | ||
Latest revision as of 10:33, 9 September 2025
- JJK 7 Colmjon, G. — Nog iets over het Oud Friesch handschrift — LC 12-9-1871.
- JJK 11 Colmjon, G. — Over het boek van Adela; repliek op de door den Heer dr J.G. Ottema gemaakte aanmerkingen — uitg. Wester, Leeuwarden, 8 bl. gedat. 25-9-1871.
JJK 7 Colmjon, G. — Nog iets over het Oud Friesch handschrift — LC 12-9-1871.
Nog Iets over het Oud Friesch handschrift,
in bezit van den Heer C. Over de Linden te Helder.
Het is eigenlijk geheel tegen mijn zin en voornemen, dat ik de pen opvat, om over het handschrift, hierboven genoemd, in het publiek nu reeds iets te vergen. Ik was nl. tot hiertoe van meening, dat de wijze, waarop ik met dat geschrift bekend ben geworden, mij in zekeren zin zulks verbood. Het stuk toch was niet uitgegeven; het bevond zich in handen van den heer dr. J.G. Ottema, lid van het Friesch genootschap van geschied-, oudheid- en taalkunde, die, het wenschelijk achtende, dat het met eene Hollandsche vertaling en eene overzetting in nieuw Friesch zoude worden uitgegeven, mij verzocht deze laatste te willen bewerken, en, nadat ik zulks gereedelijk had op mij genomen, mij eene kopie er van tot dat doel ter hand stelde. Ik kreeg dus het stuk om het te vertalen, en niet om er gebruik van te maken voor een publiek tegenschrift op het door hem gegeven verslag van het handschrift; waarom ik mij dan ook stellig voorgenomen had, niets aande mijn oordeel over het stuk in het openbaar te laten uitgaan, zoo lang het niet door den druk tot algemeen eigendom was geworden, en ik zou aan dat voornemen getrouw gebleven zijn, indien de heer jhr. mr. de Haan Hettema, in zijn opstel over het handschrift, in het Bijvoegsel der Leeuwarder Courant van dinsdag 5 September jl. niet mijn naam had genoemd, met eene bijvoeging, die zoo ietwat heeft van eene beschuldiging — van onoplettendheid nl. bij het lezen van het handschrift —, wat ik meen, dat het mij thans ten plicht maakt, te doen zien, dat die beschuldiging niet door mij verdiend is.
De heer Hettema zegt daar, dat ik mij om het schrift niet bekommerd heb. Ik meen te mogen vragen, hoe hij dit weet? Het is waar, in een paar dagbladen heeft een bericht gestaan, dat ik het handschrift voor onecht hield, hoofdzakelijk op grond dat de stijl te nieuwerwetsch is, zonder meer; maar hoe weet de heer H., dat dit bericht waarheid, of dat het de geheele waarheid bevatte? Het was toch geen richt van mijzelven uitgegaan, en al mag men aannemen, dat in den regel courantenberichten waarheid behelzen, de geheele waarheid hebben ze al dikwijls niet, zoodat het vrij onvoorzichtig en voorbarig is, daaruit bepaalde besluiten op te maken.
Ten bewijze nu dat de heer H. inderdaad te voorbarig is geweest, meen ik thans te moeten verklaren, dat, zoodra ik de drie gephotegrafeerde bladen onder de oogen kreeg (het handschrift zelf heb ik slechts een oogenblik, nauwelijks vijf minuten lang, gezien), het letterschrift mij zeer verdacht voorkwam, zoodat ik onder anderen aan den heer dr. J. van Vloten, toen deze den 3 Junij jongstleden de prov. bibliotheek bezocht, mede op grond daarvan, mijn vermoeden van onechtheid van het stuk te kennen gaf.
Hieruit moge blijken, dat ik op het schrift wel heb gelet; toch is het waar, dat ik er mij niet veel om bekommerd heb, omdat ik meende in het stuk meer stellige bewijzen voor de onechtheid te vinden. Het letterschrift en de stijl hadden slechts een vermoeden van de onechtheid bij mij opgewekt; waarop zich echter een meer bepaald gevoelen bij mij vestigde, kan blijken uit het volgende schrijven van den 7 Augustus jl. aan den heer dr. J.G. Ottema. dat ik thans de vrijheid neem, in zijn geheel hier mede te deelen; terwijl ik dan nog een paar opmerkingen zal laten volgen.
WelEdele Zeer Geleerde Heer!
Van het eerste oogenblik af, dat ik in de gelegenheid was, een oog te slaan in het Boek van Adela, heb ik, zooals ik u dan ook reeds heb gezegd, getwijfeld aan de echtheid van dat geschrift. Niets is dus natuurlijker, dan dat ik, zoodra het geheel in mijne handen was, 't met vlijt begon te lezen, om te zien, of mijn twijfel inderdaad eenigen bewijsbaren grond mocht hebben.
Mijn vermoeden, dat het stuk niet echt zou zijn, grondde zich reeds terstond op den stijl, den bouw der volzinnen en sommige uitdrukkingen, die mij in zulk een oud stuk te nieuwerwetsch voorkwamen.
Het is waar, wij kennen geene stukken in eenige Germaansche taal geschreven, die tot zoo hoogen ouderdom opklimmen, en vergelijking daarmede is dus onmogelijk. Wij bezitten echter wel stukken, die toch betrekkelijk zeer oud mogen heeten, en wat vooral hier in aanmerking moet komen, is het eeuwenoude Friesch onzer wetten en het nog oudere Angelsaksisch.
Wanneer men nu eenige kennis heeft van de taal, zooals die in deze stukken, die wij weten, dat echt zijn, voorkomt, en men ziet dan, dat de taal in het Boek van Adela, wat stijl en wijze van zeggen betreft, veel meer overeenkomst heeft met het nieuwere Friesch en Nederduitsch met het oud Friesch en andere oude met het Friesch verwante talen, dan moet dit wel een sterk vermoeden van onechtheid van het genoemde boek verwekken.
En dit is inderdaad met het onderhavige geschrift het geval. Talrijke plaatsen zijn woord voor woord in hedendaagsch Hollandsch of Friesch over te schrijven, zonder dat men eenige omzetting behoeft te maken, om een behoorlijken nieuwerwetschen stijl te hebben. Ik zal mijn gezegde met enkele voorbeelden trachten te staven.
Bl. 10 leest men: That forma hwat hiu hira bern lërde wab selvtwang that othere was lyafte to duged and tha hja jëroch wrden tha lërda hju hjam thju wertha fen tha frydom kenna hwand seide hju sonder frydom send alle othera dugedon allëna god vmbe jo to slavona to makiande juwe ofkumste to ëvge skanthe.
Vertaling: Het eerste wat zij hare kinderen leerde was zelfbedwang (zelfbeheersching), het tweede was liefde tot deugd, en toen zij mondig werden, toen leerde zij hun de waarde van de vrijheid kennen; want, zeide zij zonder vrijheid zijn alle andere deugden alleen goed om u tot slaven te maken, uwe afkomst tot eeuwige schande.
Bl. 31. Tha roka hropath spar, spar men hia stëlon and wrslinath alwat under hiara snavela kumath.
Vertaling: De roeken[1] roepen: spaar, spaar! maar zij stelen en verslinden al wat onder hare snavels komt.
Bl. 36. That likt en ordël seidan tha prëstera men aste nu mënste that pest thruch usa dumhëd kumth skolde Nyhellenia than wel sa god wesa willa umbe us ewat fon that nya liucht to lenande hwëruppa hiu sa stolth is.
Vertaling: Dat gelijkt een oordeel, zeiden de priesters, maar als gij nu meent, dat (de) pest door onze domheid komt, zou N. dan wel zoo goed wezen willen om[2] ons iets van dat nieuwe licht te leenen, waarop zij zoo trotsch is?
Iets verder staat: Wi willath bilawa that thin rëd god sy sëidon tha prëstera men seg us ho skilun wi ther alle manniska to kregia.
Vertaling: Wij willen gelooven dat uw raad goed zij, zeiden de priesters, maar zeg ons, hoe zullen wij daar alle menschen toe krijgen?
Bl. 38. Thruch lesta wiston hia hiare selva master to makiande fon usa ëwa.
Vertaling: Door list wisten zij zich zelve meester te maken van onze wetten.
Bl. 39. Thak althus weifaren was mith mina liud fon Athenia këmon wi to tha lesta an en ëland thruch min liud Krëta heton uma wilda Krëta tham et folk anhyv by usa kumste tha as hia sagen that wi nin orloch int skeld foren wrdon hia mak.
Vertaling: Toen ’k aldus weggevaren was met mijne lieden van Athene, kwamen wij ten laatste aan een eiland, door mijne lieden Kreta geheeten, om de wilde kreten, die het volk aanhief bij onze komst; doch als zij zagen, dat wij geen oorlog in ’t schild voerden, werden zij mak.
Ziedaar de vertaling van eenige plaatsen (die ik nog met een groot aantal zoude kunnen vermeerderen; want de laatste is nog slechts van bl. 39, en ik heb alleen die genomen, waarop door de eene of andere uitdrukking, meer bijzonder mijn aandacht viel), bijna alle met behoud van dezelfde woorden en geheel in de oorspronkelijke woordschikking. Ik meen, met het oog op de oude geschriften, die wij bezitten en die werkelijk als echt erkend zijn, dat eene zoo woordelijke vertaling, uit een zooveel ouder stuk — want dit is uit het oudste gedeelte, dat door Adela, en dus in het jaar 558 vóór Chr. geschreven zou zijn — eene onmogelijkheid zou zijn.
Door u wordt de groote overeenkomst van de taal in het Boek van Adela met het nieuwere Friesch en Hollandsch toegeschreven aan hare beschaafdheid. Mijns inziens mag ze echter volstrekt niet beschaafd genoemd worden. Die beschaafdheid moest niet slechts blijken uit den meer volkomen bouw der volzinnen, de schikking der woorden, maar daarmede moest gepaard gaan nauwkeurigheid in het gebruik van de buigingsvormen in de verschillende naamvallen bij de zelfst. naamw., zoowel als in de conjugatie der werkwoorden, en dit is hier zeer gebrekkig. Het zou mij te ver leiden, hier daarvan voorbeelden bij te brengen; mocht echter, het stuk worden uitgegeven, dan zal ik daar nader op terug komen. Thans meen ik te kunnen volstaan, met eenvoudig u aan te raden, eens nauwkeurig, over eenige pagina’s slechts, het gebruik van het lidwoord na te gaan, en de verwarring, die daarin heerscht, zal u terstond in het oog vallen.
Nog meer moet de gelijkheid met onze nieuwe talen ons treffen, wanneer wij letten op sommige zegswijzen, bv. bl. 3. Tha thene magy dat anda nôs kryg. Toen de magy dat in den neus kreeg. — Ald. Nei min ynfalde myning, naar mijn eenvoudige meening. — bl. 4. anda brûd sitta, in den broei zitten, of Fr. in ’e brând sitte. — bl. 16, 33. falikant utkuma, verkeerd uitkomen. Dit woord falikant, steeds met t geschreven, kan niet als fa-likand worden gelezen,[3] want het part. act. wordt steeds in deze bladen met d gespeld. Zie voorts Kiliaan en Weiland op faliekant, aldmede Halbertsma, Aant. op Maarland, 4e boek, bl. 138. Volgens dezen laatste zeide men eerst faaljekant en is de uitspraak falikant van later tijd. Het woord komt van het oud Holl. ww. faelgen, nu falen, Fr. faillir. — Bl. 36. Wel muglik andere H. Wel mogelijk, antwoordde H. — Bl. 45, fon a wis rakath, van de wijs geraakt. — Bl. 49 en vele andere plaatsen: lik as, zoo als wij ’t nog zeggen, terwijl men in de oude Fr. wetten bijna altijd vindt alsa lik sa, — bl. 51, allet öre folk is nul int siffer. Al het andere volk is nul in ’t cijfer. — Bl. 65. Thisse alde rob, deze oude zeerob. — Bl. 54. As of et barn wëren. Alsof het kinderen waren. — Bl. 59. Tha tha Thyriar thus fry spel hëden. Toen de Tyriers dus vrij spel hadden. — Bl. 63. Hiu wilda buppa M. utminthia, zij wilde boven M. uitmunten. — Bl. 124. That bisawd ûs and likt ûs mal to. Dat bisaude ûs end like ûs mal ta (nieuw Fr.). — Bl. 149. Net krek lik. Net krekt lîk (nieuw Fr). Vooral is ’t opmerkelijk dat net met e is gespeld; in de oude Friesche wetten vindt men slechts nawet, naut, nat. — Bl. 155. Awet hwat im afternei sa wel to pase këm, iets, wat hem naderhand zoo wel te pas kwam. — Ald. En ëlle liawe fam, eene heel lieve meid. — Bl. 156. Far sa fëre ik hia hav kanna lëred, voor zoover ik haar heb leeren kennen. — Bl. 160, ëndracht is sok rakath, eendracht is zoek geraakt. — Ald. Glad urjetten, glad vergeten. — Bl. 202. Ther hia allera distik les krëion int ryda and int handtëra fon allerleia wëpna. Daar zij dagelijks les kregen in ’t rijden en in ’t hanteeren van allerlei wapenen, enz. enz.
Voorts moest men, meen ik, de volgende woorden in zulk een oud geschrift niet aantreffen: Bl 2, untfryast, ontfriescht, of van Frija’s volk verbasterd. — Bl. 20, markield, marktgeld. In de oudste stukken vindt men niet mark, maar marked, market, merked, merket. — Bl. 48 en 57, folkplantinga, volkplantingen. — Bl. 53, tus, te huis. — Bl, 66. Nei, ergens heen. Nei komt in ’t oud Fr. slechts voor in de beteekenis van Holl. nabij, Angels, neh, nieh, nih, en in die van Holl., na, achter; volgens. In den zin als ’t hier staat, vindt men in ’t oud Fr. even als in ’t Angels, steeds to, in ’t Oud en Middelhoogd. Ze zuo. — Bl. 98, formlëre, vormenleer. — Bl. 158, aiendommelikhëd, eigendommelijkheid. — Bl. 159, bosa nygonga, booze neigingen. — Bl. 163, himellaya, gevormd uit himel hemel, en laya (oud Fr., leda) leiden, komt mij te gezocht voor, even als ook de verklaring van delta door laagte, (omdat del in ’t hedendaagsch Friesch nederwaarts beteekent) en verder bijna alle naamverklaringen. — Bl. 164, Fiuchta umb sëda and gelav, vechten om zeden en geloof. Ik ben van meening, dat het woord geloof toen nog niet in dien zin kan gebruikt zijn. — Bl. 190. Hushalden, in de beteek. van huisgezin.
Dan vind ik de volgende woorden, uit het Latijn, die mij verdacht voorkomen: In de voorrede B. staat: Hwat ther jeta rest fon us alde sedum. Wat er nog overig is van onze oude zeden. Hoewel niet in het stuk zelf, maar in het geschrift van Liko overa Linda van 803 voorkomende, meen ik toch op dit rest van Lat. restare te moeten wijzen, omdat het juist staat in de beteekenis, waarin alleen het in ’t Nederduitsch is overgegaan. In ’t Friesch is ’t werkwoord niet opgenomen, en dat onze voorouders ’t niet eens hebben verstaan, blijkt daaruit, dat het subst. rest, eig. overschot, bij hen de beteekenis van eene groote menigte aannam, bv. en rest bunken, een menigte beenderen. — Bl. 51, nul, van Lat. nullus. Ook dit woord moet wel argwaan verwekken, omdat het juist voorkomt in den zin als in de nieuwere talen, terwijl het in ’t Latijn een veel ruimere beteekenis had. — Voorts Bl. 114 skol, leerschool, Lat. schola. Op altar (bl. 38) Lat. altare; tohnekna (bl. 91) Lat. tunicae, en tohnekka (bl. 95) Lat. tunica, wil ik geene aanmerking maken; men zou des noods kunnen beweren, dat beide talen ze uit eene nog oudere taal hadden, of zelfs dat ze uit het Friesch in ’t Latijn waren overgegaan.
Wat echter mijn vermoeden van onechtheid nog versterkt is, dat ik ook Fransche woorden vind; bv. bl. 2, 21, 23, 197 en 202 handtëra of hantëra, hanteeren. De uitgang eeren is Fransch. Verg. te Winkel, Grondbegins. der Ned. spelling, Leid. 1865, bl. 45. — Bl. 30, 145, 149, krek, nu meest krekt, Fransch correct van Lat. correctus. — Bl. 124 pront, Fransch prompt, van Lat. promptus. — Bl. 149 partia en bl. 153 partyia, partijen. Fransch parti — Bl. 151 skankadia, schenkaadje, geschenk. De uitgang aadje is het Fraasche age. Verg. te Winkel, bl. 195.
Sommige woorden dragen de duidelijkste kenmerken van opzettelijke verknoeiing met zich. Ik breng daartoe: Bl. 3 lunsyakte, longziekte; Bl. 54 amering, van het nieuw Friesche amery, dat samengetrokken is uit Ave Maria, (Fr. Mary). In een amery iets doen, is het doen in den tijd, dien er noodig is tot het opzeggen van het A.M. — Bl. 125, 197, 201 saltatha van soldaten.
Mij dunkt, wanneer men dit alles in aanmerking neemt, kan het niet anders of men moet het voor onmogelijk houden, dat het Boek van Adela van zoo hoogen ouderdom zou zijn, als het heet te zijn. Wat echter aan allen twijfel een einde maakt, is, naar ik meen, hetgeen men vindt bl. 64. Men leest daar: Anda ora syde there skelda hwer hia tomet the fert fon alle seh have ther makath hia hiuddegon skriffilt fon pompebledar; thermith sparath hia linnent ut, enz. Dat zal moeten zijn: Aan de andere zijde der Schelde, waar men bijna de vaart vaart van alle zeeën heeft, daar maakt men tegenwoordig papier van pompebladen (een waterplant); daarmede spaart men linnen uit. — Ik heb op allerlei wijze gezocht om van skriffilt iets anders te maken dan papier (vilt om op te schrijven), maar het is mij niet mogen gelukken, en heb ik nu goed vertaald dan doe ik de vraag, hoe kon er in de 6e eeuw voor Chr. (want deze plaats komt voor in het oudste, door Adela geschreven gedeelte) hoe kon er toen sprake zijn van het uitsparen van linnen, door het gebruiken van eene andere stof tot het vervaardigen van papier, terwijl het linnenpapier, naar ’t schijnt, eerst in ’t begin der 14e eeuw na Chr. werd uitgevonden?
WelEd. Zeergel. Heer! In aanmerking nemende wat ik hierboven heb neergeschreven, kan het niet anders of ik moet mij van de onechtheid van het Boek van Adela overtuigd houden. Gij weet, dat ik een vurig beminnaar ben van onze oude, en toch nog zoo maagdelijk schoone Friesche taal. ’t Is dan niet zonder een innig gevoel van weemoed, dat ik dit schrijven, dat een vond, die voor de beoefening der Friesche taal misschien een nieuw tijdperk zoude openen, als nul en van geene waarde moet verklaren, u aanbied, en ik zou, indien eenige hoop daarop bij mij overig was, hartelijk wenschen, dat mij aangetoond werd, dat ik dwaal. Dwaal ik niet, en wordt zulks door u erkend, dan zal ik u mede mijn vermoeden omtrent den tijd, waarin het stuk moet gemaakt zijn, enz. doen kennen. Met belangstelling zie ik uw antwoord te gemoet.
Ik heb de eer met de meeste hoogachting mij te noemen,
UwEd. Zeergel. Dw. Dienaar, G. Colmjon.
Leeuwarden, den 7 Augustus 1871.
Hetgeen ik nu bij dit schrijven nog voegen wilde, betreft de vragen: wanneer is het stuk vervaardigd, en wie is de schrijver?
De vermelding van papier uit linnen vervaardigd — want ik meen het er voor te mogen houden, dat mijne vertaling juist is — verplaatst ons, wat de eerste vraag betreft, reeds terstond in den tijd nadat die papiersoort was uitgevonden, dat is na 1300. Een paar woorden, die in het stuk voorkomen, brengen ons echter tot een veel later tijdperk.
Wij vinden er vooreerst het woord falikant. De oudere uitspraak van dit woord, zooals ook reeds boven is gezegd, is faaljekant, van het oude Holl. werkwoord faelgen, samengesteld met kant. Dat wij dit weten, is van belang, omdat wij, ons woord hier niet faliekant (= faaljekant) gespeld vindende, daaruit zien, dat het moet geschreven zijn, nadat het oude woord faelgen reeds tot falen was versleten, en men van falikant niet meer de juiste afleiding wist, waarna eerst deze vergroeiing van het woord kon plaats vinden. Ik meen veilig te mogen stellen, dat dit niet vóór 1500 kan geweest zijn.
Daarop komt voor de tijdsbepaling van ons handschrift in aanmerking het woord just, Holl. juist, Fransch juste (van het Lat. justus, het part. pass. van jugere), dat wij er vinden op blz. 52. Het leert ons, dat wij den oorsprong van ons stuk hebben te zoeken in den tijd, nadat dit woord reeds geheel bij ons inheemsch geworden was, inheemsch ook in het Friesch. Bij Gijsbert Jakobsz. nu (1668) komt het nog niet voor, en ook in het Friesch kort na hem geschreven, zal men het vergeefs zoeken. Het is wel niet nauwkeurig te bepalen, wanneer het in ’t Friesch in zwang is gekomen, maar zeker eerst na 1700.
Vele uitdrukkingen hebben echter een zoo nieuwerwetschen tint, dat ik van den beginne af heb gemeend, dat het stuk geen 50 jaren oud kon zijn, en ik geloof dat door een ander woord mijn gevoelen wordt bevestigd. Op blz. 3 leest men: Thank enes thër was hyr wësen en herde lunsyakte among eth fia, and that er thër jeta erg wde, skolde i eth than wel wâgia umbe juw hëlena fja to farande among hiara syaka, enz. Dat is: Denk eens, daar was hier eene hevige longziekte onder het vee geweest, en dat die daar nog erg woedde, zoudt gij het dan wel wagen, uw gezond vee te drijven ouder hun ziek?
Het woord longziekte is van niet zeer ouden datum: „Wanneer wij de geschiedenis raadplegen,’ zegt J. van Hertum, in zijne Verhand. over de besmettelijke longziekte van het rundvee, Zierikzee 1842, blz. 2,
dan schijnt deze veeziekte in de grijze oudheid niet bestaan of geheerscht te hebben. Sommige veeartsenijkundigen, wel is waar, vooronderstellen dat de ziekte, welke door Silius Italicus wordt beschreven en welke in het jaar 212 vóór onze tijdrekening, in Sicilië, onder het vee heeft geheerscht, voor de hier bedoelde longziekte moet gehouden worden. Doch de door dien geschiedschrijver opgegevene verschijnselen der ziekte geven veel meer grond om aan te nemen, dat men destijds niet met de longziekte, maar met het bekende Miltvuur heeft te doen gehad, tenzij men zou mogen vooronderstellen, dat deze beide ziekten vereenigd zijn voorgekomen, waarvan men in lateren tijd menigvuldige voorbeelden gehad heeft.
Dan, hoe dit ook moge zijn, zekere narichten bezitten wij omtrent het bestaan der longziekte in de oudheid niet, omdat men, zoo ze al bestond, ze niet als zoodanig herkend had, en er volgt dus van zelf uit, dat de naam niet bestond. Wij vinden eerst bepaald bericht van het heerschen der longziekte in 1693 in Hessen in 1743 in Zurich en in meer andere kantons van Zwitserland, en van dien tijd af heeft zij schier onophoudelijk in een of ander gedeelte van dat land, en ook wel elders, geheerscht.
Na de lezing van de uitgeschreven plaats van het handschrift komt het mij echter alleszins waarschijnlijk voor dat het geschrift zal gefabriceerd zijn in of kort na een tijd, dat hier te lande de longziekte heerschte. Volgens den zooeven aangehaalden schrijver, blz. 4, verscheen zij in ons vaderland het eerst in den jare 1827. en wel in de zuidelijke provinciën. Eerst in den jare 1833 drong zij ook tot de noordelijke provinciën door. Ik meen dus voor den tijd van ’t ontstaan van ons oud handschrift het tijdperk na het jaar 1833 als waarschijnlijk te mogen stellen. Al is het ook waar, dat de longziekte wel vroeger in andere landen heeft geheerscht, komt het mij toch voor, dat er aan geen veel vroeger tijdperk voor ’t ontstaan van ons handschrift te denken valt, omdat er zoo bepaald van de besmettelijkheid der ziekte gesproken wordt, terwijl C.J. Fuchs (Der Kampf mit der Lungenseuche, Leipz. 1861, blz. 5) zegt:
Es ist noch nicht zwanzig Jahre her, dass die Annahme der Ansteckungsfähigkeit der Lungenseuche vielfachen Widerspruch sogar bei Sachverständigen fand
en ook de schrijver, bij het heerschen der ziekte in zijne nabijheid te gereeder op dit denkbeeld kon komen.
De vraag, door wien het stuk gemaakt is, is zeker moeielijk te beantwoorden; doch ik meen te kunnen zeggen, dat hoogstwaarschijnlijk aan geen Fries de eer daarvan toekomt. Ik meen dit te kunnen opmaken uit sommige taalfouten, die een Fries nooit zou kunnen begaan.
In het oud Friesch heeft het werkwoord in den zin van de Nederd. onbepaalde wijze met het voorzetsel te steeds den uitgang ande of ane. Dit vindt men ook menigvuldige malen hier, bv. blz. 2 to dëiande te dooden, en to letane te laten; maar ook zeer veel, en misschien wel vaker, vindt men bij het voorzetsel to de onbepaalde wijze op a bv. blz. 4 to finda te vinden, blz. 20 to wandelja te wandelen. Dit nu is eene fout, die een Fries nooit zou kunnen begaan, want wij, wij Stadfriezen zelfs, hebben deze eigenaardigheid nog steeds bewaard. Terwijl wij zeggen: Laat him komme, zullen wij, met het voorzetsel te, aan het werkwoord steeds den uitgang en geven; wij zullen bv. zeggen: Is daar wel bij te kommen? Ik heb dan ook bij den minstgeoefenden Frieschen schrijver die fout nog nooit aangetroffen, en daaruit meen ik dus te mogen besluiten, dat de auteur van ons stuk geen Fries is.
Op blz. 83 staat: Urmites i (moest zijn thu) klarsiande biste, vermits gij klaarziende zijt. Hoe zou een Fries ooit i, jy of jou voor thu of dou kunnen zeggen?
Nog vindt men lek and brek op blz. 64 en andere plaatsen, in de beteekenis van gebrek, behoeftigheid. Ook deze fout kan een Fries nimmer begaan; hij bezigt die uitdrukking voor fouten en gebreken.
En hiermede meen ik vooreerst genoeg te hebben gezegd.
G. Colmjon.
Het bovenstaande was reeds voor den druk gezet, toen ik in de Leeuwarder Courant van Zondag 10 September de reis van Apollonia langs den Rhijn, in de 6de eeuw voor Chr. (blz. 108-113 van ons handschrift), waarin van de Zwitsersche paaldorpen melding wordt gemaakt, zag medegedeeld. Die plaats had ik niet eerder onder de oogen gehad, daar in het afschrift, door mij gebruikt, blz. 100-122 van het handschrift ontbreken. Ze is intusschen voor mijn onderzoek naar den ouderdom van het handschrift weder van groot belang, want ze bewijst dat het geschreven moet zijn, niet slechts na 1833, zoo als ik reeds meende te mogen stellen, maar zelfs na 1853, dewijl men vóór dien tijd van het bestaan der overblijfselen van de paaldorpen in de Zwitsersche meeren niets afwist.
JJK 11 Colmjon, G. — Over het boek van Adela; repliek op de door den Heer dr J.G. Ottema gemaakte aanmerkingen — uitg. Wester, Leeuwarden, 8 bl. gedat. 25-9-1871.
Over het Boek van Adela,
Repliek op de door den Heer Dr. J.G. Ottema gemaakte aanmerkingen, (zie Leeuwarder Courant van 19 September 1871) op mijn vorig opstel over dat boek, door G. Colmjon.
Leeuwarden. — J.G. Wester. / 1871.
De reden, waarom deze repliek niet in de Leeuwarder Courant het licht ziet, is daarin gelegen, dat de Redactie van genoemd blad het in ’t belang harer lezers acht, niet meer over het veelbesproken oude Friesche handschrift op te nemen. Daar ik meen, dat de door den heer Dr. J.G. Ottema op mijn daarover geschreven artikel gemaakte aanmerkingen een antwoord vereischen, ben ik dus genoodzaakt dat afzonderlijk uit te geven.
L. 25 Sept. 1871. / G.C.
Over het Boek van Adela.
[1] Nog eenmaal moet ik de pen ter hand nemen, om een woord te zeggen over het Boek van Adela, thans naar aanleiding van de door den heer Dr. J.G. Ottema op mijn vorig opstel gemaakte aanmerkingen. Ik zal zoo kort zijn, als mij mogelijk is, den lezer verschooning verzoekende voor de dorheid van mijn geschrijf, die een betoog, als mij thans is opgelegd, noodwendig eigen is.
De eerste aanmerking van genoemden geleerde strekt ten betooge, dat het niets bewijst tegen de echtheid van het boek van Adela, als men dit, zoo als ik met eenige plaatsen heb gedaan, woord voor woord in hedendaagsch Friesch of Hollandsch kan overschrijven, en hij zegt, om zijn gezegde klem te geven, dat geheel op dezelfde wijze een Griek in onze dagen de taal van Herodotus in zijne tegenwoordige spraak zal kunnen overbrengen, zonder aan de woordvoeging of periodenbouw iets te veranderen, al zijn daar drie en twintig eeuwen tusschen verloopen. Dit argument bewijst voor mij niets, omdat ik, zoo als de heer O. anders ook wel zal weten, geen Grieksch versta. Maar dit weet ik wel, dat, wanneer men b.v. uit de Kroniek van Holland, door den klerk uit de lage landen, uit de 14e eeuw, of uit Hooft’s Nederl. Historie, of uit J. de Brune’s Wetsteen der Vernuften, dat nu geen wetten, contracten of testamenten zijn, een stuk in onze nieuwere spelling overschrijft, men dan nog geen negentiende-eeuwsche [2] taal heeft, zoo als men, gelijk de heer O. zelf erkent, verkrijgt, wanneer men dus met het boek van Adela te werk gaat. Hoewel tusschen die schrijvers en ons nu bij lange na nog geen drie en twintig eeuwen zijn verloopen, zal alleen de stijl doen zien, dat zij niet van onzen tijd zijn.
Ten tweeden komt de heer O. op mijne aanmerking betrekkelijk woorden en uitdrukkingen, die mij in het handschrift te nieuwerwetsch voorkomen. Hij zegt, »dat het niet mogelijk is, van eenig woord den tijd van zijn bestaan aan te wijzen, tenzij namen van zaken, die zelve van later tijd en oorsprong zijn. De woorden en uitdrukkingen,” zoo vervolgt hij, »waaruit eene taal bestaat, zijn toch wel even oud als de taal zelve.” — Indien hij nu met dit laatste wil te kennen geven, dat iedere taal, met al hare woorden (behalve de bedoelde namen van zaken) en met al hare uitdrukkingen, op eens is voor den dag gekomen, zoodat b.v. het Nederlandsch alle woorden en zegswijzen, die het nu bezit, van den beginne af gehad heeft, dan is hij mis; want de geschiedenis der talen leert ons, dat zij van tijd tot tijd nieuwe woorden opnemen en oude uitwerpen, of laat mij liever zeggen, verliezen; terwijl weer andere eene geheel andere beteekenis aannemen. Ik zou, om dit laatste gezegde te staven, het woord sella uit het hs., zoo dit als goede munt erkend was, kunnen aanhalen. In ’t hs. beteekent het koopen, terwijl het, voor zoo ver mij bekend is, in ’t Eng., Angels. en oud Noordsch nooit anders voorkomt dan in die van verkoopen, overgeven;[4] liever denke men echter aan ons woord braaf. Dit is dan ook de reden, waarom men dikwerf uit de woorden, [3] die in eenig geschrift voorkomen, bij benadering den tijd kan bepalen, wanneer het geschreven moet zijn.
Ik heb dus van falikant gebruik gemaakt, dat ik houd voor afgeleid van faelgen, samengesteld met kant. De heer O. zegt nu, dat dit woord in de oudste Friesche en Hollandsche stukken reeds voorkomt, maar brengt volstrekt geene bewijzen bij, dat het zoo vroeg reeds gevonden wordt, dat mijne afleiding onmogelijk is. Hij wil het afleiden van een bijv. nw. falikande, dat hij echter niet weet dat bestaat of bestaan heeft, maar dat toch zou kunnen hebben bestaan, omdat wij ook het bvn. mislikande hebben, bv. en mislikande dânte fon en diar,[5] welk bvn. men in de oude Friesche wetten vindt verkort tot mislik. Even als nu mislikande, zoo redeneert de heer O., samengesteld is uit mis en likande (deelw. van het ww. lika), zoo zal het bv. nw. falikande bestaan uit fa (faa in het Deensch, fê in het oud Friesch, ook buiten het hs.) en likande, en hiervan zou dan falikant komen. Indien nu mislikande (spreek uit: mislikende) een woord mislikant had opgeleverd, dan zou die redeneering veel grond hebben; maar daar dat niet zoo is, kan ik de voorgestelde afleiding volstrekt niet aannemen. Ons woord falikant, met den klemtoon op de laatste lettergreep, heeft niets van een tegenw. deelw.; het verraadt daardoor klaarblijkelijk eene samenstelling met het znw. kant, en ik blijf het daarom met Halbertsma, die trouwens van taal ook nog al wat afwist, afleiden van faelgen en kant.
De heer O. maakt dan de opmerking, dat ik Net [4] krekt lik verkeerd heb vertaald. Ik kan het niet nazien, daar ik, op zijn verzoek, een dag of drie na het verschijnen van mijn eerste opstel, het door mij gebruikte afschrift hem heb terug bezorgd, en ga dus hiervan zwijgend verder.
De heer O. kan zich ook niet met mij vereenigen, wanneer ik zeg, dat ons nul komt van Lat. nullus. Hij zegt, dat nol, dat een kleine ronde terp beteekent, met nul is verwant, en dat die benaming aan de ronde gedaante van het cijfer is ontleend. Intusschen is de afkomst van ons woord daarmede niet verklaard, en daar ik nu eene sprekende gelijkenis zie tusschen ons nul en der Franschen nulle, dat hetzelfde beteekent, en eigenlijk hetzelfde woord is als hun nul nulle, geen, dat van Lat. nullus is gevormd (zie: de Roquefort, Dict. étym. de la langue Franç.), houd ik met Weiland ons woord daarvan afkomstig. Om deze reden meen ik ook, dat ons nul en het Noordholl. nol wel niets met elkander zullen hebben uit te staan, tenzij dit laatste woord van vrij laten datum mocht zijn.
De heer O. wil er echter niets van weten, dat er in het handschrift sporen van bekendheid met de Lat. taal te vinden zijn. Woorden als skole, school, altar, altaar, en tohnekka, tunica, zouden daarom woorden van Midden-Europeschen oorsprong zijn. Le Jeune, in zijne Geschied- en letterk. nasporingen omtrent de afkomst en verspreiding der talen, st. I, bl. 71, zegt, dat school komt door het Grieksch uit het Hebreeuwsch, maar dat wij het hebben uit het Latijn. Wie nu gelijk heeft, durf ik niet beslissen, maar ik zou haast denken, dat mijn zegsman ’t wel moest weten. Altare is volgens Bosworth, Anglosax. Dict., samengesteld uit Lat. alta, hoog, en ara, offerplaats. Mij dunkt de verklaring [5] is te duidelijk om betwijfeld te kunnen worden. Tohnekka kan inderdaad zeer oud zijn.
Ik heb in mijn vorig schrijven aanmerking gemaakt op het woord rest, overig blijft, dat ik hield voor van Lat. restare afkomstig. De heer O. tracht nu te bewijzen, dat het komt van Fr. restja, rusten, berusten, weshalve dan ook het znw. de rest eene nog aanwezige hoeveelheid zou beteekenen. Hoewel ik mij nu met deze verklaring zeer goed zou kunnen vereenigen, komt het mij toch opmerkelijk voor, dat restja of reste, behalve in dit hs., nimmer, noch in geschrifte, noch in de spreektaal, in het Friesch in de beteek. van overig zijn voorkomt, evenmin als rest in den zooeven genoemden zin, tenzij misschien bij den eenen of anderen Hollandsch-Frieschen schrijver van onzen tijd.
Omdat de heer O. van meening is, gelijk ik zoo-even zeî, dat er in ons handschrift volstrekt geen sporen van Lat. gevonden kunnen worden, mag dan ook ons just niet van Lat. justus afgeleid worden. Hij wil daarom, dat het verwant zal zijn met jvd, een woord uit het hs., dat in het zuiverste oud Fr. hiude en hiode geschreven werd, en heden, van daag, beteekent, en dat het dus oorspronkelijk Friesch zou zijn. Maar welken grond heeft de heer O. nu voor zijne bewering? Hij zegt er ons niets van. Ik beweer, dat het geen oorspr. Friesch kan zijn, omdat het in die taal eerst na Gijsbert Jakobsz. voorkomt, terwijl men als zeker mag aannemen, dat een woord, dat zoo menigvuldige malen in de rede te pas komt, indien het werkelijk in de taal was, ook in onze Friesche geschriften tot en met G.J. moest gevonden worden. Bovendien vind ik er ook geen spoor van in andere oude Germaansche dialecten. Waar zal men ’t nu gaan [6] zoeken? In ’t nieuw Engelsch vind ik just, in ’t Fransch, justement, van het bvn. juste, onder anderen in de beteekenis van precies. Dit woord ging in ’t Holl. over, en zoo begon men dan te spreken van just of juist[6] op denzelfden tijd als, of juist te gelijk met iets anders gebeurde dit of dat, of wel: juist gebeurde dit of dat, toen iets anders plaats vond. Dit is geheel de beteekenis, waarin wij ’t in de aangehaalde plaats uit het hs. hebben: Just wêre ’t jolfêrste, ’t was precies julfeest, toen er iets anders plaats vond. In beteekenis heeft het dus geen de minste verwantschap met jvd, hiude, hiode, heden of van daag, en ’t er nu alleen om de geringe overeenkomst in den vorm van af te leiden, zou te dwaas zijn. — Over de afkomst nu van Fransch juste en Eng. just zullen we maar niet meer woorden verspillen.
Ten aanzien van ons amery, moet ik met den geleerden schrijver, wat de afleiding betreft, mede blijven verschillen, aangezien de door mij gegevene, m.i., veel natuurlijker is, en wij daarbij het woord reeds terstond in zijn tegenwoordigen vorm hebben; want het is voor ieder, die op de volkstaal heeft gelet, duidelijk, dat Ave Mary bij onze voorouders aldra die tweede, het vlugge spreken belemmerende lettergreep moest verliezen, en vooral toen het niet meer het Ave Maria aanduidde, maar alleen diende om een kort tijdsbestek te beteekenen. Bovendien beveelt zich deze afleiding ook aan door den beteren zin, dien ze geeft. Evenwel wil ik nu wel toegeven, dat amering niet tot de opzettelijk verknoeide woorden behoort.
De heer O. schijnt bijna boos te zijn, omdat ik het skriffilt, waarvan in het boek sprake is, verkies [7] gelijk te stellen met ons linnen papier; ik weet niet, zegt hij, dat met de uitvinding van dit laatste bedoeld wordt de vervaardiging van papier uit linnen lompen. Hij veronderstelt dat skriffilt is een vilt uit vlas samengestampt, en dus met ons papier niet te vergelijken. We zullen zien, wat er van de zaak is.
»Hoe dat skriffilt er uitzag en op welke wijze het vervaardigd werd,” zegt hij, »weten wij niet. Alleen wordt er bericht, dat men daartoe linnent of als surrogaat pompablêdar bezigde. Doch wat is nu linnent,” vraagt hij, en vervolgt dan: »op bl. 95 lezen wij; hira hemeth is linnent, hira tohnekka wol, that hju selva spon and wevade. Daaruit blijkt,” meent hij, »dat met linnent bedoeld wordt, wat wij vlas noemen.”
Hoe komt echter de geleerde schrijver er bij! Kan iemand van een hemd zeggen, dat het vlas is? De stof, waarvan ’t gemaakt is, is uit vlas bereid, maar die bereide stof, waaruit het hemd bestaat, heet linnen, en het woord linnent uit het hs. beteekent hier dus niets anders dan ons linnen. ’t Staat er duidelijk: Haar hemd is linnen, haar tunica wol, en door spinnen en weven had zij zelve die stoffen bereid. Of kan men niet linnen vertalen, omdat er bij gezegd wordt, dat zij ’t zelve spon en weefde? Maar wij spreken toch van gesponnen garen, van geweven linnen en van den linnenwever, Of is de vertaling van linnent niet juist, omdat het staat in éénen adem met wol? Maar met dit woord wordt immers nog dagelijks zoowel de versche, onbereide wol als eene daarvan vervaardigde stof aangeduid. In deze plaats kan met geen mogelijkheid van vlas of van wol, in de eerste, natuurlijke beteekenis van het woord, sprake zijn.
[8] Uit deze plaats, in verband met de door mij in mijn vorig opstel aangehaalde zinsnede, waarin van ’t skriffilt sprake was, blijkt onwederlegbaar, dat dit niets anders is dan ons papier uit linnen lompen vervaardigd.
Over de besmettelijke longziekte, acht ik het niet noodig, hier verder iets bij te voegen. Alleen dien ik te zeggen, dat ik niet beweerd heb, dat die ziekte in de oudheid niet heeft bestaan, maar alleen, dat men ze als zoodanig niet had herkend, en dat daaruit moest volgen, dat de naam niet bestond; mij dunkt, dat dit zoo klaar is als de dag.
En hiermede neem ik afscheid van het Boek van Adela. Ik heb mijn oordeel uitgesproken en het zooveel mogelijk met bewijzen zoeken te staven. Kan men zich met mijn gevoelen vereenigen, uitmuntend; kan men het niet, ook al wel; ik zal er niet boos om worden. Ieder moge, na al het gezegde, over de echtheid of onechtheid zelf oordeelen, en tevens den tijd bepalen, waarin het moet ontstaan zijn.
Ik mag de pen niet neerleggen, alvorens den heer O. dank gezegd te hebben, voor zijne beleefde en hoogstbeschaafde terechtwijzing ter zake mijne misstelling, wat betreft het woord justus, in mijn vorig opstel. ’t Was glad mis, hoor! Doch troosten wij ons, er hebben wel nog erger misstellingen plaats, en zonder struikelen en dwalen is niemand ooit groot geworden.
Noten
- ↑ Friesch.
- ↑ Friesisme.
- ↑ Zoo als de heer O. nl, wilde.
- ↑ Het is hierom ook, dat ik in salthatha eene opzettelijke verknoeiing van soldaten meen te zien.
- ↑ Ik moet even de opmerking maken, dat deze plaats uit het hs. is, en dus het bestaan ook van dit woord niet eens bewijst, daar aan dit geschrift, als niet voor echt erkend, geenerlei gezach kan worden toegekend.
- ↑ Kiliaan heeft het op beiderlei wijze gespeld.