Johannes Dyserinck

Johannes Dyserinck (Haarlem 1835 - Baarn 1912) was een Nederlandse letterkundige en doopsgezind predikant, van 1861 tot 1879 te Den Helder. Hij was theoloog en lid van diverse wetenschappelijke genootschappen, waaronder het Fries Genootschap.
Uit brieven van de Over de Lindens blijkt dat Dyserinck grote belangstelling had voor de kwestie en er is vaker sprake van dat hij erover zou hebben geschreven, of dat van plan was. Wellicht gebeurde dat anoniem, want zijn naam komt niet voor in de Kalma’s bibliografie (door mij wel toegevoegd bij JJK 49).
In brieven C. Over de Linden
- 9-10-1871
Over een dag of 4 geleden kreeg ik des avonds bezoek van de Meniste dominé Dyserinck om mijn handschrift te mogen zien. Ik zeide dat ik het niet tehuis had. Toen sprak hij om, ik weet niet meer welke groote geleerde, die ook lid van de Tweede Kamer moet zijn, naar Leeuwarden te zullen verwijzen. Na veel praten waarbij het mij voorkwam alsof hij zich voor het handschrift interesseerde zeide ik hem, dat, als hij me op zijn dominée’s woord beloofde het hier niemand te vertellen, hij het dan mogt zien. Het handschrift maakte op hem den indruk als of het zoo oud niet was. (...) Gister na de middag kwam hij weder bij mij met de Spectator [JJK 13-16] en las mij daar, met blijkbaar genoegen, de laffe praat, uit drie of vier stukken, tegen het handschrift voor.
- 13-10-1871 - In deze brief wordt een relevante discussie beschreven tussen Dyserinck en COdL over de echtheid. D. leest in de brief van Verwijs:
“.. uwe mij zoo hoogst welkome bezending, waardoor mij de echtheid onwederleggelijk werd bewezen ... De wetenschap daarentegen kan aan het bekend worden van uw handschrift veel, zeer veel hebben. Het is zeker hoogst belangrijk voor de friesche taal der middeneeuwen, waarvan geen enkel letterkundig produkt overig is dan alleen wetten. Doch nog belangrijker voor de letterkunde, die er een merkelijke aanwinst door zou krijgen.”
- 1-1-1872
Wat de intekening op het oeralindas boek aangaat, zoo geloof ik dat het hier weinig opneemt, en dat degenen die er het meest over geschreven hebben, zoo als domine Dysering [Dyserinck] enz. er niet op hebben ingeteekend. Ik hoor er zelfs niet meer van.
- 28-11-1872
Behalve meschien bij dominé Dysering [Dyserinck], die welligt mogelijk het wachtwoord uit Leiden heeft, geloof ik dat er hier niemand is die tegen de echtheid oposeert.
In brieven L.F. Over de Linden
- 6-5-1874 aan prof. J.C.G. Boot
Het berigt in de verschillende Couranten — overgenomen uit de Rotterdammer, waarin het ’t eerst vermeld werd [JJK 49], en waarschijnlijk afkomstig van Ds Johs Dyserinck alhier, die Correspondent is van dat blad, — waarin gezegd wordt dat door mij is uitgegeven een “open(bare) brief aan de Afdg. Lett. der K.A.v.W.”, is dus geheel onjuist. De afdrukken zijn niet in den handel en ook niet voor elk verkrijgbaar gesteld. Ik vermeende aan U en aan mijzelf verpligt te zijn, van deze omstandigheid melding te maken en U te verzekeren dat de plaatsing van het berigt geheel tegen mijne inzigten is.
- 7-8-1874
Ds. Dyserinck hield mij van morgen staande en verzocht verlof om in de volgende maand, in gezelschap van den Heer Durieu, Bibliothecaris te Leiden, en diens echtgenoot, het HS eens te mogen zien. Hij was het deze keer niet eens met de leden der Kon. Academie.
- 5-3-1876: Lange brief, m.n. over Dyserinck.
- 25-2-1877: N.a.v. kranteberichten verdenkt L.F. Dyserinck ervan als zgn. taalgeleerde tegen de OL echtheid te zullen publiceren.
- 10-3-1877
... het geleuter van BV en van Dyserinck ... Dyserinck hield mij heden middag staande en gaf mij den grond op voor zijn vermoeden dat mijn vader het gedaan kon hebben. ... Ik hoop niet dat de brochure van BV en het opstelletje van Dyserinck U in onaangename stemming mogen brengen.
- 22-3-1877
... dat ik BV zal beantwoorden en de nietigheid der bewijzen in zijn slecht geschreven stuk zal aantasten. / ’t Schijnt dat Dyserinck bevreesd wordt voor de gevolgen. Hij heeft uitgelaten dat hij nog geen stellig plan had iets over de zaak te schrijven, maar dit afhankelijk stelde van mijn antwoord aan BV.
- 16-6-1877
Wij hebben uit deze gemeente twee geschriften omtrent het OLB te wachten, n.l. een van Berk, dat te Zwolle zal verschijnen en een van Dyserinck. Of ’t laatste afzonderlijk of in een der tijdschriften zal verschijnen is mij niet bekend.
- 31-12-1877
Ds Dyserinck verzekerde mij dat daarin [het eerste nommer van ’78 van de Gids] een stuk zou voortkomen over dat onderwerp van een schrijver uit Haarlem.
In brieven Ottema
- 15-10-1871
Zeg aan Ds. Dyserink dat amper een oud hollandsch woord is ... Zeg verder aan Ds. Dijserink: Van de straat die uit de Middellandsche Zee in de Roode Zee uitliep ...
- 28-10-1871
Laat dezen brief aan Ds. Dyserinck lezen, zoo gij namelijk in hem eenig vertrouwen stelt.
- 3-6-1872
Ds. Dyserink heeft zeker wel een Atlas van Kiepert Oude Geographie.
- 23-3-1876
Er staan wel eens Latijnsche aanhalingen in; die zult gij wel in de gelegenheid zijn door iemand te laten vertalen (al was het Ds. D. [Dyserinck]).
- 10-9-1876
Kuipers heeft u een Friesche Courant [JJK 125] gezonden waarin het bericht van Verwijs was opgenomen. De man die aan den maaltijd van Letterkunde dat vertelseltje gedebiteerd heeft, is Ds. Dyserinck geweest. Ik wist dat vroeger ook reeds door den Heer Eekhoff, die erbij tegenwoordig was.
- 12-3-1877
De scène met Dyserinck herinner ik mij zeer goed. Uw vader heeft mij dadelijk, den volgenden dag, het geheele gesprek, heel van den rooster, mede[ge]deeld. ... b.v. dat uw vader zijn heele leven ter zee gevaren, en uit China een voorraad van Chineesch papier medegebracht heeft. / Kan Dyserinck dat soms geschreven hebben?
- 10-6-1877
Wat Dyserinck denkt te schrijven, zullen wij gerust afwachten.