Jump to content

Herinneringen 1724-1752

From Oera Linda Wiki
In voorbereiding.

In the town register of Zurich, of 1895, it is stated (...) that Felix was probably descended from Konrad Ott, who was living at Aurich in 1303. (bron: aantekeningen Leo Ott)

I a. Herinneringen als van eervader Ott

Als ruiter in het lijfregiment van baron van Drimborn leefde ik met vrouw en zoontje met het garnizoen van Deventer. Ik bezorgde boodschappen namens de baron naar Groningen en Leeuwarden. In 1724 bracht ik een oud handschrift naar de procureur generaal van het Hof van Friesland, Johannes van Beucker. Alles wat ik over het handschrift wist vertelde ik hem en zoals de baron voorzien had, was het voor Van Beucker een grote eer om het te mogen beheren en onderzoeken. Telkens wanneer hij in Deventer of ik in Friesland was en wij elkaar zagen, spraken wij erover en bevestigden onze geheimhouding — ik mede namens de baron.

In 1741 maakte ik kennis met zijn jonge, wakkere dienaar Jan Andriesz, over wie de beuker me al verteld had. Ik had hem toestemming gegeven om ingewijd te worden in het geheime handschrift en hij had de verdere studie ervan op zich genomen. Zonder met ons te overleggen had hij de bijnaam Over Lende aangenomen. Hij had een mooie handtekening geoefend — de initialen J. en O., met Lende voluit. Ik vond het mooi en keurde het goed, maar bedacht later dat het ongewenste aandacht zou kunnen trekken. Mijn vriend Johannes ‘de beuker’ vroeg een jaar later ontslag om zich weer op de studie van het handschrift te richten, maar overleed kort daarna, kort voor midzomer 1742. In de buurt zijnde, sprak ik op de begrafenis zijn dienaar Jan OverLende die ik het verdere beheer van het handschrift toevertrouwde, omdat hij meer waardevolle boeken en dokumenten met de grootste zorg bewaarde. We spraken af dat hij binnen vijf jaar naar Westfriesland zou komen, naar Medemblik, Hoorn of Enkhuizen, opdat wij het samen verder konden bewaren en door ons samen gekozen vertrouwelingen inwijden, opdat onze kennis niet verloren gaat. Zelf had ik mijn oudste zoon in Hoorn, een kleermakersleerling, al het nodige uitgelegd, ook wat OverLende nog niet wist, met name hoe ik het, voor ik dienst nam als ruiter, bij een Duitse juzuïet had laten verdwijnen.

OverLende had een bruid gevonden die een zus in Enkhuizen had en die daar ook heen wilde. In de zomer van 1745 trouwden ze in Harlingen, van waaruit het huwelijksbootje hen naar ons in Westfriesland bracht. Mijn zoon Pieter trouwde vier jaar later, in de zomer van 1749. Jan O. en Piet O. sloten een band en van mijn laatste herinneringen uit mijn bestaan als Ignatius Bernard Ott, in de zomer van 1752, is het besluit van dit schrijven mijn meest dierbare.

Het was de zomer waarin mijn jongste zoon Ignatius (20) aan boord was van de Stralen, onderweg naar de Kaap, afgescheept in mei, als tweede meester naar Indië, mede in de hoop iets te vernemen over onze zoon Frans, die daar acht jaar geleden verdween. Ik was met mijn vrouw Maria en dochter Anna (17) bij onze oudste zoon Pieter (30). Zijn Maritje (37) zat met de kleine Bernard (2) in de tuin. Maria en Anna verkozen de frisse lucht in de schaduw van de Linde boven onze rook in de werkkamer van Piet, zodat we ongestoord konden spreken met Jan Andriesz — de naam O.L. spraken we niet meer uit — die kort na ons aankwam. Zijn vrouw Janke kwam eind van de middag, met haar dochtertjes.

[meer volgt; bovenstaande wordt nog herzien en uitgebreid.]