1973 Geschiedbron
Het Oera Linda Boek een geschiedbron?
Een verweerschrift door Dr. phil. F.J. Los
[afbeelding:] Oud Stadswapen van Staveren
Uitgave: Vidar-publiciteit / Postbus 5350 — Amsterdam / Postgironr. 608394
Inleiding
[1] De derde tot en met zesde eeuw onzer jaartelling waren tot dusver, voor wat de geschiedenis van Friesland betreft, een vrijwel onbekend terrein.
Daar geschreven berichten over dit tijdvak schenen te ontbreken, was men uitsluitend aangewezen op de resultaten van opgravingen, die ons alleen omtrent de beschaving van dit land in de heidense tijd, maar niet omtrent zijn geschiedenis iets kunnen leren. Terecht sprak men dan ook van „de duistere eeuwen der Friese geschiedenis”.[1]
Dit oude Friesland was aanzienlijk groter dan de huidige provincie van die naam, zelfs als wij ons die vergroot denken met alle landstreken, die nog als oud-Fries gebied bekend staan, dus met West-Friesland, Groningen en het Duitse Oost-Friesland. In de Karolingische tijd (ca. 800 o.jrt) strekte het zich uit van de Wezer tot het Sincfal (d.i. het tegenwoordige Zwin op de grens tussen Nederland en België), terwijl het landinwaarts tot voorbij Utrecht en Dorestad (Wijk bij Duurstede) reikte. Het was een tijdlang verenigd in het rijk van de bekende koning Redbad (of Radboud, 679-719), dat door de Franken werd vernietigd in een reeks verdelgingsoorlogen, die gepaard gingen met een gedwongen bekering.
Op taalkundige en andere gronden moet echter worden aangenomen dat geheel westelijk Nederland — de provincies Noord- en Zuid-Holland en delen van Utrecht en Zeeland — al in een veel vroegere tijd bewoond werden door Friezen.[2] Evenals de met hen nauw verwante Saksen, vormden ook de Friezen een verbond van stammen, waartoe onder anderen de bekende Kaninefaten in Kennemerland en omgeving behoorden. Zo valt de geschiedenis van Friesland in de eerste jaren onzer jaartelling vrijwel samen met die van Nederland, dat grotendeels Fries was, totdat deze aanvankelijke eenheid door een wreed ingrijpen van een vreemde macht uit het Zuiden werd verstoord. De hier boven aangeduide lacune in de Friese geschiedenis vormt dus tevens een hiaat in onze [2] Nederlandse geschiedenis, dat door alle rechtgeaarde vaderlanders zou moeten worden betreurd.
Toen ik dan ook bij mijn bestudering van het z.g. Oera Linda-boek tot de ontdekking kwam, dat deze oud-Friese handschriften authentieke kernen bevatten, waaruit o.a. een volledig overzicht der Friese geschiedenis in de vijfde eeuw o.jrt. (het tijdvak 400-480) samengesteld kon worden, leefde ik in de veronderstelling dat het boek, waarin ik mijn bevindingen wilde vastleggen, weliswaar geen algemene instemming, maar toch in elk geval een ernstig onderzoek zou uitlokken. In hoeverre deze verwachting is bewaarheid moge de lezer zelf afleiden uit het overzicht van persstemmen en daarmee samenhangende correspondentie, dat ik hier laat volgen.
Nederlandse persstemmen
[3] Op 11 november 1972 verscheen in de Leeuwarder Courant, zonder dat mij daarvan bericht werd gezonden, het volgende aan mijn boek gewijde artikel:
Doctor schiet Ura Linda-‘bok’
Mocht men hopen, dat na het verschijnen van de door alle Germanisten gekraakte publicatie van Herman Wirth (Die Ura Linda Chronik, 1933) er geen geschriften meer zouden verschijnen, die aannemelijk wilden maken, dat in de 19de eeuwse mystificatie Thet Oera Linda Bok een „historische kern” schuilgaat, deze hoop is niet bewaarheid. Van tijd tot tijd slaagt de nog steeds onbekend gebleven maker van dit geschrift er in geesten te verwarren en slachtoffers te maken. Het jongste slachtoffer (kennelijk niet in jaren: de man publiceerde al in 1940) is dr.phil. Frans J. Los, die bij uitgeverij W.J. Pieters te Oostburg zojuist liet verschijnen: Die Ura Linda Handschriften als Geschichtsquelle.
Het feit, dat het boekje in het Duits is gesteld en het adres van de „alleenverkoper voor Duitsland” vermeldt, doet vermoeden, dat gegokt wordt op belangstelling van ongeneeslijke Wirth-aanhangers, germanofiele fantasten en Noordrasenthousiasten, die er kennelijk bij onze oosterburen nog altijd verondersteld worden te zijn. Eigenlijk zou men dit vreemde pseudo-wetenschappelijke produkt (144 bladzijden) zonder meer kunnen afdoen met de slotregels te citeren, die voldoende de onkritische instelling van de auteur onthullen. Men leest daar:
Op grond van het bovenstaande overzicht is de conclusie gewettigd, dat in de Ura Linda handschriften een geschiedbron aanwezig is die als bijzonder rijk beschouwd mag worden. Daarbij zijn noch [4] de wetten die de collectie bevat, noch de talrijke vermaningen en leerstellingen van de burchtmaagden en andere niet-historische geschriften in ons onderzoek betrokken. Al deze niet behandelde geschriften getuigen van een scherp verstand, een wijde blik en een waarlijk humane gezindheid. Voor zover ze echt zijn (curs. v.d.M.) zijn ze voor onze Friese voorouders zeer eervol. Nadat de burchtschrijver Bruno in zijn tweede geschrift op een aangrijpende manier over de dood van Adela bericht heeft, deelt hij het grafschrift van deze uitzonderlijke vrouw mee. Het luidt: loop niet zo snel, want hier ligt Adela begraven. Zo zou men ook de al te haastige critici van de U.L. geschriften willen toeroepen: oordeel niet te snel, want hier ligt een schat van waardevolle historische berichten begraven.
Over haast gesproken: Los deelt mee, dat hij pas in 1971 door een reprint van Ottema’s boek uit [1876] kennismaakte met de stof, maar zijn voorwoord is gedateerd juni 1972. Met andere woorden: in één jaar, ten hoogste anderhalf, weet de auteur een onderzoek in te stellen dat hem bij wijze van spreken naar de uiteinden van de aarde voert en dat hem meteen heeft geleerd echt van apocrief, oeroud van laat-18de eeuws, fantasie van werkelijkheid te onderscheiden: een inderdaad bewonderenswaardige prestatie, als men weet hoe dik de bibliografie over het Oera Linda Bok is die J.J. Kalma al jaren geleden samenstelde (en die Los niet kent). Hij kan dan ook een heleboel zaken buiten beschouwing laten: ik ken geen Fries, zegt hij, en dus zal ik mij onthouden van een beoordeling van het gebruikte oudfries. Ook wenst hij zich — hoe bescheiden! — geen oordeel aan te mätigen „inzake de moeilijke (inderdaad!) vraag naar de oorsprong van het gebruikte letterschrift”. Bijna olijk (als het niet bloedserieus was bedoeld) verklaart hij: „Deze problemen mogen aan specialisten voorbehouden blijven”.
Zelfs met de ‘echtheid’ van het handschrift zegt hij op pag. 9 zich niet te willen bezighouden. Kern van zijn streven is alleen maar om aan te tonen, dat, terwijl de vroegere auteurs, rond 1900, onmogelijk konden geloven aan het „beeld van het voorchristelijke verleden der Zeegermanen”, zoals het OLB dat tekent, „ondertussen voor de serieuze onderzoekers het beeld van de Europese voorhistorie ingrijpend gewijzigd is”. En in dat beeld blijkt het OLB wonderwel te passen, althans volgens Los:
„Telkens weer kwamen parallellen naar voren met de prehistorische [5] gebeurtenissen.” Zoals de archeologen die recentelijk hebben beschreven? Welnee: „gebeurtenissen, waaromtrent Jürgen Spanuth in zijn boek Atlantis over die uit de noordelijke gebieden afkomstige volkeren bericht”. Met andere woorden: naast de nimmer ernstig genomen Wirth wordt hier de warhoofdige Duitse dominee in het geding gebracht, die in 1965 een fantastische theorie publiceerde over een machtig en goed-georganiseerd heidens koninkrijk dat Zuidzweden, Denemarken, de kustgebieden van Noord-Duitsland en Nederland omvatte. „Het valt daarmee samen met het gebied van de zogenaamde ‘nordische’ kultuur, die aan de oergermanen toegeschreven wordt.”
Volgens Spanuth bestond de militaire organisatie van dit ‘rijk’ uit... 60.000 districten!
Geen enkele vraag bij Los, waar voor een zo vroege periode al die mensen vandaan moesten komen. Geen kennis bij hem inzake de pre- en protohistorie van Friesland (een onduidelijke uitspraak van Russchen inzake een gebeurtenis, „die Friesland tot op zijn grondvesten deed schudden”, wordt in verband gebracht met de voor het betoog noodzakelijke geweldige overstroming, die omstreeks 450 geheel Friesland (!) verwoestte). Geen kennis van plaatsnaamkunde: ‘Appelscha’ opent de mogelijkheid van een verering van de Griekse god Apollo ook in het ingveoonse gebied. Geen kennis van de nederzettingsgeschiedenis: Texel en Ameland zouden al in de volksverhuizingstijd bewoond zijn geweest. Geen notie van volkskundige publicaties: het oelebord toont nog altijd „de zwanen als geleidsvogels van Apollo, ter weerszijden van een gestileerde Irminzuil, die wijzen naar de oude Noorse lichtgod.” Enz. enz.
Ik moest een uiterst kleine greep doen om aan te tonen met welk een verward, onbetrouwbaar, in wezen ook nog ideologisch relaas men te maken heeft met deze late echo van Wirth. Veel Friezen zullen er hopelijk niet inlopen en naar men mag aannemen ook vele Duitsers niet. Als enige bibliotheek deze Ura Linda ‘bok’, door dr. Phil. Los zo verrassend snel geschoten, toch nog mocht willen bijzetten, laat dat dan in de afdeling Rariteiten gebeuren. Er valt werkelijk geen goed woord over te zeggen.
S.J. van der Molen
[6] In antwoord op dit artikel zond ik op 23 maart 1973 aan de redaktie van de Leeuwarder Courant de volgende brief:
Van bevriende zijde werd mij dezer dagen een reproduktie toegezonden van een ‘bespreking’, die de heer S.J. van der Molen in Uw blad van 11 november 1972 gewijd heeft aan mijn boek „Die Ura Linda Handschriften als Geschichtsquelle”. Deze ‘bespreking’ gaat niet mank aan een overmaat van welwillendheid en objektiviteit, maar het verbijsterende voor mij is dat ik van haar verschijnen geen kennis droeg, daar U destijds verzuimd hebt mij betreffend nummer op te sturen.
Hoewel het nu, na een tijdsverloop van vier maanden, rijkelijk laat is, zou ik met het oog op de indruk welke het bedoelde stuk bij Uw lezers mogelijk heeft achtergelaten, toch willen vragen of U bereid bent alsnog een wederwoord van mij in Uw blad op te nemen, waarin ik mij tegen de aantijgingen van de heer Van der Molen kan verdedigen.
Mijn stuk zal beslist korter zijn dan het zijne en ik acht het waarschijnlijk dat ik het in fatsoen van hem zal winnen. Ik zou alleen van U de belofte willen hebben, dat U niets in mijn stuk zult veranderen zonder mijn toestemming.
Met belangstelling Uw antwoord tegemoet ziende, / hoogachtend, (F.J. Los)
Ik ontving daarop het volgende antwoord, gedateerd 26 maart 1973:
Geachte heer Los,
Het spijt ons, dat U geen bewijs-exemplaren zijn toegezonden van de krant, waarin Uw boek over de Oera Linda-handschriften werd besproken. Hier is zeker geen sprake van boze opzet, maar van een verzuim bij onze expeditie, waarvoor onze verontschuldiging. Op Uw vraag een wederwoord op de bespreking te mogen plaatsen, moeten wij U antwoorden, dat het bij kranten niet de gewoonte is om op kritieken ook weer anti-kritieken te plaatsen.
Leeuwarder Courant / Hoofdredactie. / Hoogachtend, (J. Noordmans)
[7] Onbevredigd door dit schrijven antwoordde ik als volgt:
Aan de Hoofdredactie van de Leeuwarder Courant
Oostburg, 31 maart 1973 / Geachte Heer Noordmans,
Uw excuus inzake het niet aan mij toezenden van bewijs-exemplaren moet ik wel aanvaarden. Toch doet het mij wat wonderlijk aan dat ook de Nieuwe Rotterdamse Courant, in welk blad de heer Van der Molen ook al getracht heeft in een ingezonden stuk 26-1-1973 mijn boek in discrediet te brengen, verzuimd heeft mij daarvan bericht te sturen. Zijn boze opzet blijkt daaruit toch wel duidelijk.
Verder begrijp ik niet dat U in Uw brief spreekt van „kritieken en anti-kritieken”. Het stuk van de heer Van der Molen was helemaal geen kritiek maar een aaneenrijging van verdachtmakingen en niet ter zake dienende hatelijkheden. Hij heeft mij op geen enkele fout kunnen betrappen en evenmin mijn methode van onderzoek aangevochten. Wat is het nut van zulk geschrijf en waarom krijg ik niet de kans mij tegen zijn aantijgingen te verdedigen?
Hoogachtend, F. J. Los
Intussen had ik een verweerschrift geschreven, waarvan ik een afschrift aan de heer Noordmans deed toekomen met het hier volgende begeleidende schrijven:
Aan de Redactie van de Leeuwarder Courant / Voorstreek 99 / Leeuwarden
Oostburg, 9 April 1973 / Geachte Heer Noordmans,
Hierbij zend ik U toch maar een afschrift van het verweerschrift, dat ik naar aanleiding van de aantijgingen van de heer S.J. van der Molen heb geschreven. Als de waarheid U zo weinig ter harte gaat, dat U blijft weigeren het te plaatsen, moet U dit maar laten. Maar U kunt er nu in elk geval kennis van nemen.
Hoogachtend, F.J. Los
[8]
Aan de Redactie van de Leeuwarder Courant / Voorstreek 99 / Leeuwarden.
Oostburg / April 1973 / Geachte Redactie,
Van bevriende zijde werd mij dezer dagen een reproduktie toegezonden van een ‘bespreking’, die de heer S.J. van der Molen in Uw blad van 11/11/72 gewijd heeft aan mijn in oktober 1972 verschenen boek „Die Ura Linda Handschriften als Geschichtsquelle”. Daar ik geen abonnee op Uw blad ben en verzuimd werd mij — als meest belanghebbende — betreffend nummer toe te sturen, heb ik geen gelegenheid gehad om mij tegen zijn aantijgingen te verdedigen. Daarom verwacht ik dat U bereid zult zijn — al is dat nu, na vier maanden, wel erg laat — mijn hieronder volgend wederwoord alsnog te plaatsen.
De heer Van der Molen noemt in zijn ‘bespreking’ Thet Oera Linda Bok kort en goed een „19de eeuwse mystificatie”. Hij meent dat ik, door in het Duits te schrijven, ‘gegokt’ heb „op belangstelling van ongeneeslijke Wirth-aanhangers, germanofiele fantasten en Noordrasenthousiasten, die er kennelijk bij onze oosterburen nog altijd verondersteld worden te zijn”. Wanneer het echter zo zeker is dat onderhavige handschriften een vervalsing zijn, waarom worden ze dan in de Provinciale Bibliotheek te Leeuwarden in een kluis als een kostbaar kleinood bewaard? Wanneer ik er zó over dacht, zou ik dit waardeloze maakwerk maar liever zien opgeborgen in een brandende kachel...
Daar ik mij bewust ben van mijn Germaanse afkomst en niet minder van de zeer bijzondere rol, die het Noordse ras in de geschiedenis heeft gespeeld, mag de heer Van der Molen mij gerust tot de germanofielen rekenen. Tot de Wirth-aanhangers behoor ik echter zeer beslist niet. Als de heer Van der Molen mijn boek goed had gelezen, zou hij hebben gezien dat ik daarin de onhoudbaarheid heb aangetoond van de voornaamste stelling van prof. Herman Wirth, die bij de heidense Friezen een monotheïstisch geloof aanwezig achtte.
Van de honderden publikaties, die in de loop der tijden omtrent het Oera Linda Bok zijn verschenen, heb ik inderdaad hoegenaamd geen kennis genomen en de bibliografie van J.J. Kalma [9] bleef mij onbekend. Ik betreur dit niet, daar deze lawine van geschriften, die bijna zonder uitzondering uitgaan van de vóóronderstelling dat deze manuskripten een vervalsing zijn, mijn blik alleen maar zouden hebben verduisterd. Naar mijn mening mag een dergelijk generaliserend oordeel wél het resultaat, maar nooit het uitgangspunt van een wetenschappelijk onderzoek zijn...
Daar ik mij tot taak had gesteld het (pseudo-)historisch gedeelte dezer handschriften onbevooroordeeld op zijn waarheidsgehalte te onderzoeken, heb ik inderdaad zeer snel mijn weg in de schijnbare chaos dezer verzameling kunnen vinden. Ik werd daarbij door twee omstandigheden geholpen, namelijk a) de studie, die ik kort tevoren gemaakt had van de vroegste geschiedenis van Oost-Europa; met name van de volkenverplaatsingen aldaar in de tijd der Hunnen (zie mijn boek „Oost-Europa”, enz. Oostburg 1969) en b) mijn bekendheid met het werk van Jürgen Spanuth over Atlantis. Het boek van dit ‘warhoofd’ heeft internationale erkenning gevonden. Zo hebben het Instituut Breastedt te Chicago, het nationale museum van Kairo en de Franse, te Bern wonende, geleerde Emile Biollay unaniem verklaard, dat het eiland Atlantis 1200 v.o.j. is verzonken in de Noordzee. (Zie het te Parijs verschenen tijdschrift „Nouvelle Ecole” van sept.-okt. 1972, blz. 114-115.)
Op grond van deze kennis, ontdekte ik al dadelijk dat beide helften, waaruit de verzameling bestaat en die in ver uiteenliggende tijden ontstonden, zijn omgewisseld, waarna men de gegeven dateringen, waar nodig, met 1000 heeft verhoogd, om beide helften weer met elkaar in een (schijnbare) overeenstemming te brengen. Het is wel zeer bevreemdend dat de heer v.d.M. dit kernpunt van mijn betoog in zijn ‘kritiek’ zelfs niet heeft genoemd. Inplaats daarvan betwijfelt hij de historiciteit van de geweldige overstroming, die omstreeks 450 v.o.j. geheel Friesland verwoestte. Deze ramp is echter door opgravingen, zowel in ons Friesland als langs de Duitse Noordzeekust, bewezen.
Een laatste verwijt, dat de heer v.d.M. mij naar het hoofd slingert, is, dat ik niet de gehele inhoud van het Oera Linda Bok heb behandeld en mij ook van een oordeel over het daarin gebruikte letterschrift heb onthouden. Wel, ik dacht dat het verstandig was niet te veel hooi op mijn vork te nemen en enkele problemen aan anderen over te laten. Als bijvoorbeeld de heer Van der Molen zich [10] nogeens geroepen mocht voelen een poging te doen, om het vraagstuk van de herkomst van dit letterschrift op te lossen, zou hij zich een eervolle plaats in de geschiedenis van het onderzoek der Oera Linda-handschriften kunnen verwerven. En die eer gun ik hem gaarne.
Dr.phil. F.J. Los
Aan de redaktie van de Nieuwe Rotterdamse Courant richtte ik op 26 maart 1973 het volgende schrijven:
M.H.
Van een abonnee op Uw blad hoorde ik dezer dagen dat daarin — wanneer wist hij niet meer — een bespreking heeft gestaan van mijn in oktober 1972 verschenen boek „Die Ura Linda Handschriften als Geschichtsquelle”, In een later nummer zou naar aanleiding daarvan nog een ingezonden artikel zijn opgenomen.
Daar ik van beide publikaties totaal onkundig ben gelaten, verzoek ik U beleefd mij alsnog de betreffende nummers te willen doen toekomen. Tevens zou ik gaarne van U vernemen, of het mij zal zijn toegestaan mij alsnog in een „wederwoord” tegen de mogelijk tegen mijn boek ingebrachte bezwaren te verdedigen.
U bij voorbaat dankend, / F.J. Los
In antwoord hierop werden mij enige uitknipsels toegezonden, waaronder een aan de redaktie „Cultureel Supplement Handelsblad-N.R.C.”, d.d. 26 januari 1973 toegezonden brief van de onvermoeibare heer Van der Molen. Op mijn verzoek een wederwoord te mogen plaatsen werd niet geantwoord.
Het Oera Linda Boek
Inderdaad is het eeuwfeest van het Oera Linda Boek in 1972 niet ‘gevierd’. De reden is wel duidelijk: in Friesland heeft men na de [11] stroom van boeken, brochures en artikelen over deze falsificatie geen belangstelling meer, wat niet wil zeggen, dat er eens een einde aan de OLB-publikaties zal komen. In het herdenkingsjaar verschenen tenminste nog weer twee geschriften (men zou ze als ‘eerbetoon’ kunnen beschouwen) en wel een in het Frans en een in het Duits, maar beide van Nederlandse hand, Dr. F.S. Sixma baron van Heemstra publiceerde Le problème de l'VVra Linda Bok (op eigen kosten uitgegeven, maar verkrijgbaar bij Brinkman te Amsterdam) en dr. Frans J. Los: Die Ura Linda Handschriften als Geschichtsquelle (Oostburg 1972). Het eerste vooronderstelt een ‘Vorlage’ van het veelbesproken handschrift en zou dit origineel willen laten ontstaan in een soort Friese Muiderkring te Beetgum (17de-18de eeuw). De andere auteur ziet „immer wieder Parallelen zu den frühgeschichtlichen Ereignissen, von denen Jürgen Spanuth in seinem Buch ‘Atlantis’ (...) berichtet” Daarmee kan deze commentator van het OLB moeilijk ernstig worden genomen. De roep om een herdruk die Rudy Kousbroek laat klinken, is niet gerechtvaardigd: in 1971 verscheen in Amsterdam (de naam van de uitgever, die meer herdrukken op de markt brengt, is mij ontschoten) een fotomechanische reprint van Ottema’s werkstuk uit 1871. Indien Kousbroek wenst te weten in welk een mer à boire hij zijn tenen heeft gestoken, raadplege hij de OLB-bibliografie van ds. J.J. Kalma. Waarschijnlijk zal hij ze snel terugtrekken.
S.J. van der Molen / Leeuwarden.
Door al het voorgaande wantrouwend geworden, had ik twee dagen te voren (op 24 maart 1973) aan de redaktie van het Fries Dagblad de volgende brief verzonden:
M.H.
In oktober 1972 zond mijn uitgever U een exemplaar van mijn toen pas verschenen boek „Die Ura Linda Handschriften als Geschichtsquelle”, in de verwachting, dat U daaraan in Uw blad een bespreking zoudt willen wijden. Tot dusver mochten hij en ik echter niets van U vernemen.
Beleefd verzoek ik U daarom mij te willen berichten, of in Uw blad [12] een bespreking is verschenen. De reden van mijn verzoek is het feit, dat ik dezer dagen van een kennis moest vernemen dat in de Leeuwarder Courant van 11 november 1972 een zeer onwelwillende ‘bespreking’ van mijn boek is verschenen, zonder dat mij daarvan bericht is gezonden. Gaarne zou ik nu willen weten, of mij ook in Uw blad een dergelijk lot ten deel is gevallen.
Bij voorbaat dankend, F.J. Los
In antwoord hierop werd mij, zonder enig commentaar, een in het nummer van 28 oktober 1972 verschenen en in het Fries geschreven artikel over het Oera Linda Boek toegezonden. Het gedeelte daarvan, dat betrekking heeft op mijn boek, luidt in vertaling als volgt:
Geschiedenisbron?
Nu ligt er weer een boek over het „Oera Linda Bo(o)k” op onze tafel. Het is in het Duits geschreven, maar de schrijver is, volgens zijn naam, Nederlander en het is ook in Nederland uitgegeven bij de firma W.J. Pieters in Oostburg. Peter Wegener in Bonn is de man die het alleen maar in Duitsland verkopen mag. De schrijver, Frans J. Los, die zoals men op de achterkant lezen kan Dr.phil. is, heeft al meer boeken bij Pieters uitgegeven gekregen. In 1940 en 1943 heeft hij bij de uitgeverij „Hamer” en „Volk en Bodem” gepubliceerd. De titel van het boek dat we nu van hem ontvingen is: „Die Ura Linda Handschriften als Geschichtsquelle” (De Oera Linda Handschriften als geschiedenisbron). Dit lijkt precies een nieuw punt in de Oera Linda kwestie, maar dr. Herman Wirth heeft het indertijd al een „Friezenbijbel” genoemd.
Nu zijn er twee mogelijkheden: men neemt aan dat er in dit boek betrouwbare historische gegevens zitten die indertijd zijn opgetekend (van vijfhonderd zoveel af of later). Tegenwoordig zijn er niet veel mensen meer die dat nog aandurven. Of men moet [13] toegeven dat het boek een verdichtsel is uit het begin van de 19e eeuw, wie het dan ook gemaakt heeft.
Het spreekt dan vanzelf — als men de zaak bedriegen wil — dat er hier en daar historische gegevens gebruikt werden. Dan lijkt het echter. Maar het wordt wel wat rijkelijk mythologisch als men diezelfde dingen, die uit de historie in het boek gekomen zijn, wil gebruiken als historisch bewijs.
Voorbeeld
Nu nog een enkel voorbeeld van de redenering van de schrijver. Hij neemt aan dat in het begin van het boek (ons citaat) met ‘Atland’ het legendarische land Atlantis bedoeld is. Er zou dus worden gerekend volgens een jaartelling, die met de ondergang van Atlantis begint. (Wij vertalen uit het Duits:)
Hoewel men deze oorsprong in christelijke tijd door de zondvloed (sundfloed) verving en daardoor verduisterde, bleef deze tijdrekening in Friesland tot in het begin van de vorige eeuw in gebruik.
De woordspeling Aldlan-Atlantis wordt door de schrijver ernstig genomen en wij vinden in het Oera Linda Bo(o)k en bij de heer Los dezelfde afkeer van het christendom. ‘Pampier’ is ook als een grap bedoeld(??). „Oordeel niet te gauw, want hier ligt een schat van waardevolle historische berichten begraven,” zegt de schrijver aan het eind van het boek.
Het was goed beschouwd beter geweest als dit soort berichten maar begraven bleven, want hier gaat het deksel weer open van de doos van Pandora, waar de rook uit opstijgt van heidense mythologisering, die — als het er op aankomt — met geschiedschrijving niet zo heel veel van doen heeft. Er is weer eens een schot gelost op het Oera Linda Book, zoals E.B. Folkertsma het indertijd zei: een schot met los kruit op het Oera Linda Bok.
(Doch ook een losse flodder kan slaapwandelaars wel eens wakker schudden! F.J.L.)
Hier wordt mijn boek dus op één lijn gesteld met dat van prof. Wirth, waarvan het zo totaal verschilt. Ook wordt mijn eindoordeel vermeld zonder dat de weg wordt aangegeven, waarlangs ik daartoe ben gekomen. De mogelijkheid dat de Handschriften historische berichten bevatten wordt evenwel niet ontkend.
Een ander geluid
[14] Intussen had ik van prof.dr. G. Kahlo, oud hoog-leraar aan de universiteit Leipzig en philoloog van internationale bekendheid, een schrijven ontvangen, waarin een andere toon te beluisteren valt. Deze beoefenaar van de taalwetenschappen en der geschiedenis, met wie ik sedert jaren in briefwisseling sta, schreef mij vanuit zijn woonplaats in de D.D.R. d.d. 1 november 1972 o.a. het volgende:
Warum ich über Ihr Buch erst heute schreibe, statt dasz ich mich gleich bedankt habe? Ich habe es viermal gelesen, denn es ist groszartig. Vor allem ist Ihre Methode und logische Darstellung wunderbar. Dasz Sie die gleiche Gedankenrichtung haben wie Spanuth usw., aber trotz verschiedener Wege beziehungsweise mit Hilfe verschiedener Wissenschaften zum gleichen ‘Ziel’ gelangen, steht einzig da. Deshalb arbeite ich es jetzt in aller Ruhe nochmals am Schreibtisch durch, [enz.]
Hier wordt mijn boek dus wél ernstig genomen en het verschil in beoordeling met de hierboven weergegeven persstemmen is op zijn minst opvallend. In een latere brief (d.d. 5 december 1972) meent mijn hooggeleerde vriend dat mijn critici mijn logica eenvoudig niet begrepen hebben. Ook herinnert hij daarin aan het volgende gezegde:
Als Pythagoras den Beweis für seinen Lehrsatz gefunden hatte (550 vor d.Ztr), opferte er aus Freude den ‘Göttern’ einen Ochsen. Seitdem zittern alle Ochsen, wenn eine neue Wahrheit entdeckt wird.
In het hieronder volgende overzicht zal ik nu trachten de lezer een indruk te geven van de methode van onderzoek, die ik in mijn boek heb gevolgd en van de ontdekking, die ik daarbij gedaan heb. Ik zal mij daarbij beperken tot die gedeelten der Oera Linda-handschriften, die van belang zijn voor de geschiedenis van Friesland.
Mijn werkwijze en resultaten
[15] In de honderden publikaties — boeken en tijdschriften — waarin tot dusver de vraag omtrent de herkomst der Oera Linda-handschriften is behandeld, wordt bijna zonder uitzondering uitgegaan van het vóóroordeel, dat zij een vervalsing zouden zijn uit een betrekkelijk recent verleden.
Namen van mogelijke vervalsers werden genoemd, onder andere die van Cornelis over de Linden, opzichter op de rijksmarinewerf te Den Helder, tot wiens familiebezit de handschriften behoorden. Deze man, een autodidakt met ruime belangstelling, had hun bestaan onthuld toen hij iemand zocht, die ze voor hem zou kunnen vertalen. Merkwaardig is het, dat men onmiddellijk naar een andere vervalser uit een wat verder terugliggende tijd ging zoeken, zodra de onhoudbaarheid van deze veronderstelling — beter zou ik hier van verdachtmaking kunnen spreken — afdoende was gebleken. Het is prof. Herman Wirth geweest, die op het onwetenschappelijke van deze bevóóroordeelde handelwijze heeft gewezen.[3] Hoewel hij toegaf dat in de handschriften in de loop der tijden bij het overschrijven veel was bijgevoegd en veranderd, achtte hij daarin toch echte kernen, daterend uit een zeer vroege tijd, aanwezig. Ook wees hij op het feit, dat — ondanks alle vaak met grote heftigheid gevoerde diskussies — de handschriften nog nimmer waren onderzocht op hun mogelijke historische inhoud. Teneinde een dergelijk onderzoek met goed gevolg te kunnen verrichten, heb ik — om te beginnen — in een inhoudsopgave van het geheel alle stukken, waarin historische gebeurtenissen worden verhaald, met een kruisje gemerkt. Daar ik mijn onderzoek tot deze gedeelten wilde beperken, heb ik alle andere gedeelten, zoals wetten, toespraken, reisverslagen en landbeschrijvingen, buiten beschouwing gelaten. Als uitgangspunt nam ik de uitgave der handschriften, die dr. J.G. Ottema in 1872, met een bijgevoegde Nederlandse vertaling, onder de titel ‘Thet Oera Linda Bok’, heeft doen verschijnen.[4]
[16] Reeds bij een oppervlakkige beschouwing viel het mij op, dat hier niet van een ‘boek’ en evenmin van een ‘kroniek’ kon worden gesproken. Het gaat om een verzameling van handschriften van zeer uiteenlopende inhoud, die verscheidene malen zijn overgeschreven — voor de laatste maal, naar mag worden aangenomen, op het eind van de 18de eeuw — en die bovendien onvolledig is, daar de beide helften waaruit de verzameling bestaat niet bij elkaar aansluiten, terwijl ook kleinere stukken ontbreken. In verband hiermee is het begrijpelijk dat de eerste geleerden, die de verzameling onder ogen kregen, de inhoud ‘dol en onsamenhangend’ vonden. Niettemin passen de beide opdrachten, welke de verzameling inleiden, zeer wel in het raam van hun tijd, waardoor zij vertrouwen wekken. In de eerste beveelt Hiddo, bijgenaamd Oera Linda, zijn zoon Okke de handschriften, „die de geschiedenis van ons gehele volk bevatten”, goed te bewaren en over te schrijven, wat hij zelf ook reeds had gedaan, daar zij tijdens een overstroming het jaar tevoren nat waren geworden. Deze opdracht werd geschreven te Ljoewert (d.i. Leeuwarden, in het Fries Ljouwerd) „nadat Atland verzonken is het 3449ste jaar, dat is naar kristenrekening het 1256ste jaar”. Inderdaad was de 13de eeuw in Friesland en Groningen een tijd van geweldige overstromingen, waardoor toen uit het vroegere Flevomeer de Zuiderzee ontstond.
De tweede opdracht is nog merkwaardiger. Daarin smeekt Liko, bijgenaamd Ovira Linda, zijn erfgenamen de schriften steeds verborgen te houden voor monniken, daar zij heulen met het Frankische gezag, dat „alles laat verwoesten wat van onze voorvaderen komt en wat van onze oude zeden nog over is”. Deze opdracht „geschreven te Ljoedwerd 803 jaren naar kristenbegrip”, wordt begrijpelijk, wanneer men ook hier de tijdsomstandigheden in aanmerking neemt.
Nadat Midden-Friesland in een met grote verbittering gevoerde oorlog op een verschrikkelijke wijze was verwoest, werd hertog Bobo (of Boppo) „de voorvechter der vrijheid en der oude goden”, in 734 door de Frankische hofmeier Karel Martel in de slag bij de Boornzee (of Middelzee) verslagen. Het land werd toen tot de Lauwers onderworpen en met geweld bekeerd, maar in 784 kwamen de Friezen in opstand, verdreven de kristenprediker Lioedger en sloten zich aan bij de Saksen. Beide volken werden eerst omstreeks het jaar 804 door de legers van de Frankische koning Karel, later bijgenaamd de Grote, voorgoed onderworpen. Voor zijn waarschuwing had Liko Ovira Linda dus goede gronden.
[17] De beide helften der handschriften zouden, volgens de gegeven dateringen, omstreeks 250 jaar na elkaar zijn ontstaan. Het uitgangspunt dezer dateringen is, zoals hierboven alreeds is gebleken, de „ondergang van Atland” — d.i. Atlantis —, die op 2193 vóór o.j. wordt aangegeven. De eerste helft is grotendeels het werk van een vrouw, Adela geheten, en zou in 558 voor o.j. ontstaan zijn. Het werd voortgezet door haar zoon, Adelbrost en haar dochter Apollonia. De tweede helft zou omstreeks 300 voor o.j. door Frethorik en andere schrijvers, van wie de laatste onbekend is gebleven, zijn geschreven.
Wanneer men nu uit de eerste helft, behalve de daarin opgenomen wetten en mythen, ook de oudere berichten weglaat, die op Adela’s bevel uit andere geschriften en van inschriften op torens zijn overgenomen, verkrijgt men een logisch en samenhangend verhaal, waarvan het slot echter aan het begin van de tweede helft is te vinden, waar een aantal bladzijden ten onrechte aan Frethorik wordt toegeschreven. Kort samengevat komt dit verhaal op het volgende neer.
Er is hier sprake van het land der Fryas, d.i. der „kinderen van de godin Frya” (=Freija), dat zich uitstrekte van de Schelde tot in Jutland en ook de Deense eilanden en ‘Schonland’ (Zuid-Zweden) omvatte. Dit land, dat dus samenviel met het gebied der, uit de geschiedenis bekende, Ingwaeonen of Zee-Germanen, werd geregeerd door voor drie jaar gekozen koningen en beambten, die echter onder het oppertoezicht stonden van een voor het leven gekozen ‘Volksmoeder’, die op haar burcht op Texel (Tex-Land) resideerde. In deze en andere burchten bevond zich een toren, waarin een eeuwig brandende lamp (foddik) door maagden — een soort Vestalinnen — brandende werd gehouden.
Dit Fryasland werd vanuit het Oosten aangevallen door Finnen (Finna) en Magyaren (Magyara), wier opperhoofd wordt aangeduid als de Magy. Eerst veroverde de Magy Schoonland, maar „over de bergen en over de zee waagde hij niet te komen”. Wat later, naar het heet in 591 v.o.j., maakte hij gebruik van een strenge vorst, die de Sont deed dichtvriezen, voor de verovering der ‘Denemarken’. Twee jaar later ondernam hij in lichte boten met Deense bemanning tijdens een stormachtige nacht een overval op de burcht van Texel, waarbij de volksmoeder Frana een gewelddadige dood vond. Kort-daarna echter werd een deel van zijn vloot tijdens een zeegevecht bij Medemblik in brand geschoten en hijzelf gedood.
Zeven maanden later vindt in Groningen (Grenega) een volksvergadering [18] plaats waarop Adela tot volksmoeder wordt verkozen. Daar zij echter met Apol, grietman in Oost-Vlieland, wil trouwen, weigert zij deze benoeming te aanvaarden. (‘Magy’ was blijkbaar geen persoonsnaam, maar de titel van de vorst der Magyaren.)
Het gevolg is dat geen volksmoeder wordt gekozen en daar men bovendien de te Dokkum (Dokhem) residerende koning Ljoedgert wantrouwt, breiden wetteloosheid en anarchie zich uit. De Magy maakt daarvan gebruik om zijn macht uit te breiden tot aan de Wezer.
Onder deze omstandigheden wordt dertig jaar na de dood van Frana (559 v.o.j.?) een nieuwe volksvergadering gehouden. Adela neemt daar het woord en betoogt, dat de Magy meer door arglist en omkopen van hertogen en edelen, aan wie hij belooft hun ambten erfelijk te zullen maken, dan door de wapenen heeft overwonnen. Om aan de wanorde een eind te maken, geeft zij de raad een nieuwe volksmoeder te kiezen, als hoedanig zij Teuntje, de burchtvrouw van Medemblik, aanbeveelt.
Dit wordt echter verijdeld door een andere burchtvrouw, die, als zij haar eigen verkiezing niet kan doorzetten, naar de Magy vlucht en hem de raad geeft Adela te laten vermoorden. Inderdaad wordt deze merkwaardige vrouw enkele jaren later, na afloop van een Meifeest, voor haar huis dodelijk getroffen door een vergiftigde pijl, afgeschoten door een troep Magyaarse ruiters, aan welke het was gelukt onopgemerkt langs de paden van het Lindawoud tot in de buurt van Staveren door te dringen. Twee maanden later wordt het verminkte lijk van haar zoon Adelbrost op het erf van zijn vader gevonden. Moord en tweedracht grijpen steeds verder om zich heen en „drie jaar later was de Magy meester zonder strijd”. Volgens het verhaal werden kort daarop alle burchten van het land door een geweldige overstroming verwoest, met uitzondering van de Fryasburcht op Texel, terwijl de Magy om het leven kwam bij een opstand in Schoonland. Door deze vloed werden alle wouden weggespoeld, met de ondergrond erbij. Toen het water na een vreselijke winter verdween, liet het in Oost-Flieland dertig en in West-Flieland vijftig zoute meren en plassen achter. Adela’s dochter, Apollonia, vindt in de volgende lente bij haar terugkeer van een reis langs de Rijn haar burcht Ljoedgaarde verwoest, de naburige wouden verdwenen en het in het noorden aangrenzende land in zee verzonken.
In een aan Frethorik toegeschreven geschrift uit de tweede helft der handschriften is dan van wederopbouw van het vernielde land [19] sprake. Binnen de ringwal van de verwoeste burcht ontstaat een dorp, Ljoedwerd, terwijl het land er buiten overgelaten wordt aan de zee. Op daartoe geschikte plaatsen graaft men kanalen en werpt men dijken op. Het is duidelijk dat met Ljoedwerd Leeuwarden (Fries: Ljouwerd) wordt bedoeld, welke stad in de Middeleeuwen aan de oever der Boornzee of Middelzee lag. Het ontstaan van deze slurfvormige zeearm, die later weer is dichtgeslibd, wordt hier vermeld.
Wanneer men zich nu afvraagt in welke fase der bekende geschiedenis of prehistorie het hier boven beknopt weergegeven verhaal een plaats zou kunnen vinden, wordt het aanstonds duidelijk, dat in de duistere zesde eeuw vóór onze jaartelling geen enkel aanknopingspunt is te vinden. Daarentegen past dit verhaal zeer goed in het raam van de ‘Hunnentijd’, de vijfde eeuw o.j. Zo kwam ik tot de ontdekking, dat de beide helften van de verzameling zijn omgewisseld, waarna men, om de dateringen weer met elkaar in overeenstemming te brengen, de in de eerste helft gegeven data met 1000 heeft verhoogd. (Atlantis ging dus niet in 2193, maar in 1193 v.o.j. ten onder, wat klopt met de opvatting van Spanuth. Voor deze veronderstelling vond ik een zestal gronden, waarvan ik de voornaamste hier laat volgen.
* * *
De bondsstaat der Ingwaeonen — hier Fryasland genoemd, terwijl ook van „onze staten” wordt gesproken — kan evenmin vóór de Romeinse tijd zijn ontstaan, als die der aangrenzende Saksen, die eerst ca. 250 o.j. werd gevormd. Friesland was in de Romeinse tijd nog sterk bebost; de grote overstroming had dus toen nog niet plaatsgevonden. Bij opgravingen in Friesland en langs de Duitse Noordzeekust zijn sporen gevonden van een alles verwoestende vloed, die men op het midden der vijfde eeuw o.j. dateerde. Tenslotte kunnen ook de burchten en grotere plaatsen, zoals Groningen, Staveren, Medemblik en Leiden (Lydasburg), die in de handschriften worden genoemd, niet reeds vóór of in de romeinse tijd hebben bestaan, daar de romeinse schrijvers niets daaromtrent vermelden. Op al deze gronden mag worden aangenomen dat het boek van Adela in 442 o.j. en de voortzetting door Apollonia in 445 is geschreven.
Het is verder duidelijk dat de Finnen en Magyaren (=Hongaren), die eerst in het Oostzeegebied en vervolgens in Friesland doordrongen, daar verschenen als de noordelijke bondgenoten van Attila, die meer zuidwaarts, in het Donaugebied opereerde. Beide [20] volken woonden toentertijd in Midden-Rusland, dat tot het machtsgebied van deze grootkhan der Hunnen behoorde. Hun opmars naar het Westen deed grote aantallen Angelen en Saksen ertoe besluiten naar Britannië uit te wijken. Ook is het opvallend hoezeer de methoden van hun aanvoerder, de Magy, die de aanzienlijken omkocht en door bevordering van rassenvermenging en demoralisatie de weerstand der onderworpen volken trachtte te verzwakken, op die van zijn Turkse opperheer gelijken.[5]
Een laatste bewijs voor de juistheid van mijn omwisselings-theorie is de „Geschiedenis van koning Askar”, die aan het eind der verzameling is blijven staan. Daarin wordt verhaald, hoe het aan deze vorst omstreeks het begin der zesde eeuw gelukte in Friesland een erfelijke monarchie te vestigen. Dit verhaal vormt namelijk een verbindingsschakel tussen enerzijds de berichten uit de eerste helft der handschriften en anderzijds de bekende geschiedenis van de Friese koning Radbod (679-719),
De oudste in deze manuskripten te vinden berichten, die uit de tijd van 1193-650 v.o.j. stammen en waartoe onder andere het verhaal omtrent de ondergang van Atlantis behoort, kunnen hier evenmin worden weergegeven als de zeer merkwaardige verhalen, die in de tweede helft — die in werkelijkheid de oudste is — zijn te vinden. Genoeg is in het bovenstaande echter gezegd om aan te tonen, dat de Oera Linda-handschriften een onmisbare bron zijn voor de kennis onzer vroegste geschiedenis.
Enkele bedenkingen
[21] Een mij bevriend persoon, die mijn boek had gelezen, schreef mij o.a. het volgende:
- Ik moet U bekennen een aantal vraagtekens te moeten plaatsen achter Uw visie in verband met het Oera Linda Bok. Al die overschrijvingen bijvoorbeeld tot op de tijd van de Franse revolutie (zoals u aantoont), die zelfs leidden tot omwisselen van dateringen; door wat voor mensen zijn die verricht? Mensen, die klaarblijkelijk het oude handschrift konden lezen en... schrijven. Volgens Ottema zou het handschrift uit de 13de eeuw stammen. Hij maakte dit indertijd zeer aannemelijk, maar evengoed blijkt nu ook deze stellingname onjuist te zijn...
Ik gaf hierop het volgende antwoord:
- Ik meen als vrijwel zeker te mogen aannemen, dat de omwisseling der beide helften — voor mij een vaststaand feit — heeft plaatsgehad in 1255 o.j., toen Hiddo Oera Linda de manuskripten uit het water opviste. Hoogstwaarschijnlijk is toen ook een belangrijk deel verloren gegaan en wel juist dat, waarin de geschiedenis van de Romeinse tijd beschreven stond. Was dit toen niet gebeurd, dan hadden wij althans dit deel aan de hand van de berichten der Romeinse schrijvers kunnen kontroleren. Bij het overschrijven in 1256 heeft Hiddo toen al sommige dateringen veranderd. De kern van deze manuskripten stamt dus uit een nog oudere tijd.
U vraagt of al die mensen, die de latere overschrijvingen (beter misschien: bewerkingen) verrichtten, het oude schrift konden lezen en schrijven. Dit is inderdaad een probleem. Het is echter een feit, dat reeds de eerste onderzoekers der handschriften opmerkten, dat hoewel zij waren geschreven in een zeer oud Fries, bepaalde gedeelten modernere woorden en uitdrukkingen bevatten. Dit is [22] ook sommige Duitsers opgevallen en zou door Friese taalgeleerden eens nader onderzocht moeten worden. Zij zouden daardoor misschien in staat zijn latere toevoegingen als zodanig te onderkennen.
Volgens een eenvoudige vrouw uit Hoofdplaat [dorp in Zeeuws-Vlaanderen], die mijn boek heeft gelezen, zijn mannen te zeer met zichzelf ingenomen en hebben ze een te geringe dunk van vrouwen, dan dat het mogelijk geacht zou kunnen worden, dat een vervalser uit de 18de eeuw een verhaal heeft verzonnen waarin vrouwen een zó dominerende rol spelen als in het O.L. Bok.
Een ander bezwaar, dat bij de lezers van mijn boek kan zijn gerezen, bestaat in het volgende. In de Oera Linda-handschriften is herhaaldelijk sprake van ronde, door een aarden wal omgeven burchten in het midden waarvan zich een stenen toren bevond. Genoemd worden de burcht op Texel, de burchten Stavia achter Staveren en Forana bij Egmond, de burchten bij Medemblik en bij Leiden (Lydasburg) en die op Walcheren (Walhallagara). In de genoemde toren werd een heilige lamp (foddik) door maagden — een soort Vestalinnen — steeds brandende gehouden, terwijl de muren waren bedekt met inscripties, die wetten en historische berichten bevatten. Op de hoofdburcht van Texel zetelde, als hoofd van deze cultus en raadgeefster van het volk, een voor het leven verkozen Volks- of Eremoeder.
Menigeen zal deze berichten ongeloofwaardig vinden, daar in de antieke literatuur over de Germanen nergens over een vuurdienst wordt gesproken. Toch zijn er enige feiten die voor de juistheid ervan pleiten. Reeds Dr. Ottema wees er op dat de hoofdplaats van Texel nog altijd Den Burg heet, terwijl de (nu stenen) burcht van Leiden rond is. Enkele jaren geleden zijn bovendien bij opgravingen in de binnenstad van Middelburg resten van een ronde aarden burchtwal ontdekt, die door de archeologen op het laatste kwart der 9de eeuw ojrt. is gedateerd, maar die zeer wel op een ouder voorbeeld zou kunnen teruggaan. Van doorslaggevende betekenis is echter het volgende.
De Arabische geschiedschrijver Ibn Dihja (1159-1235) bericht van de oude Denen — naaste verwanten der Friezen!:
Sie waren Heiden, heute aber bekennen sie sich zum Christenglauben und liessen den Feuerkult und die Religionen, welche sie hatten, und bekehrten sich zum Christentum, mit Ausnahme der Bewohner einiger ihrer Inseln, die isoliert im Meere liegen, welche die alte [23] Religion beibehalten haben, namlich den Feuerkult, das Heiraten von Mutter und Schwester und verschiedene andere Schändlichkeiten. Diese bekampfen sie und schleppen sie in die Sklaverei.”[6]
Een andere Arabische schrijver, Idrisi (omstreeks 1150), vermeldt de vuurdienst bij de Balten, de voorouders der huidige Letten en Litouwers en der Middeleeuwse Proessi of Pruisen. Aan het voorkomen van de vuurverering ook bij de oude Friezen kan dus nauwelijks worden getwijfeld.
Aantekeningen
- ↑ Zo ongeveer de titel van de studie van A. Russchen: „New Light on Dark-Age Frisia”, Drachten 1967, waaraan in de tekst enkele bijzonderheden ontleend zijn.
- ↑ Verg. het genoemde werk van Russchen op blz. 12 en 13.
- ↑ Herman Wirth: „Die Ura Linda Chronik”, Leipzig 1933, blz. 139-140.
- ↑ Dit jaar opnieuw uitgegeven door de Uitgeverij Minerva, Overtoom 480 Amsterdam-West en in de boekhandel verkrijgbaar. Prijs ƒ 30,-.
- ↑ Volgens Adela zou de Magy zich ook aan kinderroof hebben schuldig gemaakt. Zijn methoden doen aan die van een Oosteuropese macht uit onze eigen tijd denken. De Hunnen, wier inval de rassische tegenstelling der bevolking van Zuidoost-Europa grondig en in een voor ons werelddeel ongunstige zin wijzigde, waren Turken.
- ↑ Verg. Dr. H.J. Graf: „Orientalische Berichte des Mittelalters über die Germanen”, Krefeld 1971, biz. 9 en 17.
Slotwoord
[24] Aan de hand van een analyse van de historische gedeelten der handschriften meen ik te hebben aangetoond dat deze — mits in de juiste volgorde geplaatst — geenszins meer „dol en onsamenhangend” genoemd kunnen worden. Zij bevatten integendeel — en dat vooral wat Friesland betreft — een samenhangend en logisch opgebouwd geschiedverhaal, aan de echtheid waarvan niet behoeft te worden getwijfeld. Slechts personen, die niet of onvoldoende historisch onderlegd zijn, kunnen met een schouderophalen aan mijn argumentatie voorbijgaan. Dezulken te overtuigen zal altijd onmogelijk blijken.
Men bedenke verder dat ik lang niet de gehele inhoud der handschriften — waarbij ongetwijfeld veel is, wat door latere afschrijvers is ingelast of toegevoegd — bij mijn onderzoek heb betrokken. Evenmin heb ik de pretentie alle problemen, die bij de bestudering van deze, zo uiterst merkwaardige, verzameling rijzen, opgelost te hebben.
Hier ligt nog een terrein braak, waarop samenwerking tussen meerdere onderzoekers vruchten zou kunnen afwerpen. Als b.v. de heer Van der Molen zich eens zou willen wijden aan de bestudering van het vraagstuk van de herkomst van het vreemde letterschrift, zou hij een positieve bijdrage kunnen leveren tot de kennis van ons Friese verleden, inplaats van altijd zo in het negatieve te blijven. Hij late zich daarvan niet door een valse bescheidenheid weerhouden!
Met de wens, dat het spoedig tot een dergelijke samenwerking moge komen, wil ik dit verweerschrift besluiten.