Jump to content

1942-1944 De Germanen

From Oera Linda Wiki

De Germanen I

Germanen en Indo-Germanen in het vroegste tijdvak hunner ontwikkeling

F.J. Los

1944 / uitgeverij Roskam — Amsterdam C. / Keizersgracht 786

Voorwoord

[9] Voor allen, die voor den nieuwen tijd en de eischen, die deze stelt, niet moedwillig hun oogen sluiten, zal het duidelijk zijn, dat hij ook een sterke behoefte heeft doen ontstaan aan een nieuwe geschiedbeschouwing op positieven grondslag, die de oude, individualistische, waarvan de onhoudbaarheid is gebleken, kan vervangen. Inplaats van een geschiedbeschouwing, die haar uitgangspunt zoekt in een hypothetische gelijkheid aller menschen en voor welke de begrippen „menschheid” en „vooruitgang” de beide pijlers zijn, waarop zij haar denkconstructies doet berusten, dient egen geschiedbeschouwing te komen, die aan de aangeboren ongelijkheid der menschen ten volle recht doet wedervaren en die het ras — d.i. de mensch zelf met zijn erfelijken aanleg — als den voornaamsten verklaringsgrond en tevens als het uitgangspunt der geschiedenis aanvaardt. Bovendien behoort het streven naar een absolute „objectiviteit”, die, voor menschen onbereikbaar, in de practijk meestal ontaardt in een partijkiezen tegen eigen ras en volk, te worden vervangen door een zich welbewust plaatsen op Germaansch standpunt. Want wel dient de geschiedschrijver, wanneer hij de geschiedenis van vreemde volken behandelt, zich in den aard en de levensomstandigheden dier volken in te denken en deze „objectief”, d.i. waarheidsgetrouw, uit te beelden, maar steeds behoort hij zich van eigen aard en afkomst bewust te blijven en de positie, welke zijn eigen ras in de wereld inneemt, moet voor hem het centrale punt zijn, van waaruit hij het wereldgebeuren beziet.

Aan werken, waarin de geschiedenis vanuit dit Germaansche standpunt wordt behandeld, bestaat in ons land thans zeker behoefte. Wanneer wij ons niet vergissen, leeft in ruimen [10] kring het verlangen naar een samenvattende behandeling der geschiedenis, die als grondslag voor een nieuwe wereldbeschouwing kan dienen en eindelijk een antwoord kan geven op de vraag naar het waarom der dingen. De sterke behoefte aan voorlichting, die zich op dit gebied thans doet gelden, is ongetwijfeld een gevolg van het gevoel van onbevredigdheid, dat de oude, democratische geschiedbeschouwing bij velen heeft achtergelaten. Des te meer is het te betreuren, dat onze jeugd nog steeds haar geschiedkundige kennis put uit leerboeken, waarin deze verouderde beschouwing, hetzij openlijk hetzij bedekt, wordt gehuldigd. Toch schijnt het den schrijver van dit boek toe, dat de tijd voor het schrijven van nieuwe leerboeken voor onze middelbare en lagere scholen nog niet is gekomen. Allereerst is er z.i. thans behoefte aan werken, waarin de algemeene richtlijnen worden uitgestippeld, die bij het schrijven van dergelijke leerboeken behooren te worden gevolgd, boeken, die als het ware de ijsbrekers zijn, die de vloot der nieuwe geschiedbeschouwing voorafgaan. De wensch, een dergelijk boek aan zijn landgenooten te verschaffen, is dan ook de reden geweest, die den schrijver tot de uitgave van deze oudste geschiedenis der Germanen en Indogermanen heeft doen besluiten.

Het beknopte karakter van dit werk is hieraan te danken, dat het zijn oorsprong vindt in een aantal overzichten, die de schrijver samenstelde ten behoeve zijner leerlingen, toen hij in de eerste helft van dit jaar als leeraar in de Germaansche geschiedenis werkzaam was aan de Boerenschool te Rijs in Friesland. Gedwongen zich streng tot de hoofdzaken te bepalen, heeft hij er bij het samenstellen dier overzichten naar gestreefd, veel in weinige woorden te zeggen en al achtte hij het ook noodzakelijk deze overzichten op vele plaatsen aan te vullen en verder uit te werken, voordat zij in boekvorm konden verschijnen, zoo is hij er zich toch [11] van bewust, dat ook het boek, dat op deze wijze ontstond, een eenigszins schematisch karakter heeft behouden. Niettemin schijnt het hem toe, dat de hoofdlijnen der geschiedkundige ontwikkeling er duidelijk in uitkomen, terwijl den lezer voldoende gegevens worden verschaft, om hem van de onhoudbaarheid der oude geschiedbeschouwing te overtuigen. In dit werkje, dat later, naar de schrijver hoopt, door andere zal kunnen worden gevolgd, wordt het uitgangspunt onzer geschiedenis gezocht in het Noorden en niet — zooals tot dusver gebruikelijk was — in het Zuiden en Oosten. Deze verlegging van het uitgangspunt werd mogelijk gemaakt, door aan de voorgeschiedenis (prae-historie) van ons ras de haar toekomende plaats in te ruimen. Verder staan, wat de stof betreft, de Germanen op den voorgrond, al zijn daarnaast de andere Indogermanen niet vergeten. Het betrekken van de andere Indogermaansche volken binnen den kring der beschouwing biedt, naar het den schrijver voorkomt, een drieledig voordeel. Vooreerst wordt het daardoor mogelijk de plaats, die aan de Germanen temidden der andere volken toekomt, duidelijker te omlijnen. Ten tweede wordt daardoor het gezichtsveld ten zeerste verruimd, terwijl de lezer tevens een beeld krijgt van den zeer grooten invloed, die het Noordras op den loop der geschiedenis heeft uitgeoefend. In de derde plaats krijgt hij zoodoende gelegenheid uit het lot dier andere Indogermaansche volken leering te trekken met betrekking tot het verloop der eigen Germaansche geschiedenis. Het laatste voordeel is misschien wel het belangrijkste. Immers kunnen wij uit de geschiedenis van Indiërs, Meden en Perzen, Grieken en Romeinen de gevaren leeren kennen, die ook onze eigen toekomst bedreigen.

De schrijver heeft dit werkje in de eerste plaats bedoeld voor ouderen, die, eenige kennis der z.g. algemeene geschiedenis bezittend, zich gaarne van nieuwere inzichten en [12] opvattingen op de hoogte willen stellen en daarbij toegankelijk zijn voor een Germaansche beschouwingswijze. Daarnaast hoopt hij, dat het bruikbaar zal zijn als handleiding voor leiders van vormingscursussen e.d. Hen, die meer van de kultuur en het beschavingsniveau der oude Germanen zouden willen weten, dan in dit boek wordt geboden, verwijst hij naar het boeiend en populair geschreven werk van H. Hofmeister: „Germanenkunde”, waaraan hij vele gegevens heeft ontleend, alsmede naar het pas verschenen boek van Prof. J. de Vries: „De Germanen”, dat te laat onder zijn aandacht kwam, dan dat hij daaruit voor de samenstelling van dit werkje nog materiaal heeft kunnen putten.

Opgemerkt dient nog te worden, dat het laatste hoofdstuk van dit boek, dat als tijdschriftartikel reeds eerder is verschenen,[1] van een eenigszins ander karakter is dan de overige hoofdstukken. Het onderwerp, dat daarin wordt behandeld, acht de schrijver voor onzen kijk op de oude Germanen evenwel zóó belangrijk, dat hij de onverkorte opname van bedoeld artikel in dit boek meent te kunnen verantwoorden.

Moge dit boek beantwoorden aan het doel, waarmee het werd geschreven en voor velen den weg banen naar een waarlijk Germaansche beschouwing der geschiedenis.

Bakkum (N.-H.), October 1942. De Schrijver

INLEIDING

I. Omschrijving der begrippen „Germanen” en „Indogermanen”.

[13] In onzen tijd is het begrip „Germanen” voornamelijk taalkundig van inhoud en duidt de volken aan, die Germaansche talen spreken. Tot hen behooren:

In Europa: Duitschers, Nederlanders, Engelschen, IJslanders, Denen, Noren en Zweden (tot de Nederlanders behooren ook de Vlamingen).
Buiten Europa: De Engelsch sprekende Noord-Amerikanen en Canadeezen (niet de Fransch sprekende), de Boeren en Engelschen van Zuid-Afrika, de Engelsche bewoners van Australië en Nieuw-Zeeland en verder talrijke Engelschen, Duitschers, Nederlanders, enz. die over de Europeesche koloniën verspreid zijn.

Zijn zij, die tot deze volken behooren, nu allen „echte” Germanen? De Engelsch sprekende negers, mulatten en mestiezen van Noord-Amerika, de eveneens Engelsch sprekende Ieren van Ierland, de Duitsche en andere Germaansche talen sprekende Joden geven op deze vraag een ondubbelzinnig antwoord. Afgezien van deze vreemde elementen, waarvan de herkomst algemeen bekend is, bevatten de huidige Germaansche volken echter nog talrijke andere bestanddeelen van vreemd ras. Werkelijk Germanen zijn alleen die Germaansch sprekenden, wier aard in hoofdzaak bepaald wordt door het Noordras. De kenmerken van dit ras zijn een lange en slanke gestalte, lange schedel, lang en smal gezicht, lichtgekleurde oogen en blond haar. Ofschoon er tusschen beide verband aanwezig is, vallen de begrippen „Taal” en „Ras” dus niet samen.

[14] (...)

A. Herkomst, kultuur en uitbreiding der Indo-germanen

[19]

B. De rol der Indogermanen in de geschiedenis der Oudheid

[53]

C. Kultuur en oudste geschiedenis der Germanen

[78] ... [142]

Noten

  1. Namelijk in „Volk en Bodem” van Jan. en Febr. 1942.