Jump to content

1923 Herman Wirth in NRC

From Oera Linda Wiki
Ingezonden bericht van Herman Wirth in de Nieuwe Rotterdamsche Courant, 30-6-1923 ochtendblad, blz. 2, onder wetenschappelijke berichten - JJK245.

Thet Oera Linda Bok. (ingezonden.)

Tot nog toe heeft men, hoofdzakelijk om bezwaren van taalkundigen aard, het handschrift van het Oera Linda Bok voor een vervalsching gehouden. De wartaal, waarin het geschreven is, de dwaze woordafleidingen en -verklaringen waren de eerste punten van beschuldiging; verder het feit, dat het paper van het handschrift waarschijnlijk eerst uit het begin der vorige eeuw afkomstig is.

Deze feiten blijven ook in hun vollen omvang bij het opnieuw aanhangig maken van het vraagstuk bestaan. Do formuleering van het vraagstuk is echter geheel anders geworden. Het gaat hier niet meer om de „echtheid” van het handschrift zelf, zooals het voor ons ligt, maar om de echtheid der hier achter schuil gaande overlevering, der bronnen. Het vroegere onderzoek heeft ongetwijfeld waar gemaakt, dat het handschrift in zijn huidigen vorm op zijn vroegst uit het begin der 19de eeuw dagteekent. Hiermede meende men voldoende te hebben bewezen, en men heeft nooit de moeite genomen den eigenljken inhoud van het handschrift verder te onderzoeken en de bronnen dier z.g. vervalsching op te sporen. Want er bestaan slechts twee mogelijkheden, òf de z.g. vervalscher heeft die bizonderheden verzonnen òf heeft ze ergens aan ontleend.

Afgezien van een enkele plaats, de Buddha-namen, die uit Volney's Ruïnes zouden kunnen ontleend zijn, hebben de gewezen rechters geen meerdere gegevens kunnen verstrekken en het ook voor overbodig gehouden hier verder in te treden. Toch schuilt hier juist het alibi-bewijs voor den aangeklaagde, den braven Kees over de Linden, en de onweerlegbare gronden voor zijn rehabilitatie. In het licht der jongste oergeschiedkundige navorsching blijkt een reeks van belangrijke bizonderheden volkomen juist te zijn, die echter geen vervalscher kon hebben geweten, ook al had hij de hééle wetenschappelijke vakliteratuur van zijn tijd ter beschikking gehad, en die dientengevolge ook onmogelijk kunnen verzonnen zijn. Dergelijke toevalligheden, in zoo uitgebreiden omvang, zijn nog nimmer voorgekomen. Ik noem hier slechts den naam van Wralda voor het oud-arische monotheïstische godsbegrip, een volstrekt abstract-ethisch begrip; het zesspakig rad die zijn „Oudste” (!) zinnebeeld; dat dit met het „joelrad” identiek is en hieruit het letterschrift is ontstaan; dat dit „met de zon om” geschreven werd; de cultuspositie van de vrouw; de symbolische burchten; de aan Wralda en Irtha gewijde lampen; de naam en het symbool van den „Kroder”; de benoeming „od” voor „God’s adem’; het feit, dat het Wodanisme een verval van dat hoogere oude godsbegrip was, veroorzaakt door het binnendringen van mongoloïde volksStammen in N.W. Europa omstreeks 2000 v.Chr. (begin bronstijdperk); tochten van Noordgermaansche zeevaarders na 2000 v.Chr. in den Aegeïschen archipel en naar Palestina; de beschouwing, dat heb Noorden een grondstandige meerderwaardige kultuur heeft bezeten en deze van het Noorden naar het Zuiden en Oosten is gegaan, en niet omgekeerd, in flagrante tegenspraak dus met het toen algemeen gangbare dogma „ex oriente lux” (het licht uit het Oosten), enz., enz.

Dit zijn momenten, die niemand in den tijd, waarin het handschrift heet vervalscht te zijn (dus tot uiterlijk het midden van de vorige eeuw) kon hebben geweten, die echter de taalkundige rechters van het handschrift ook niet kenden, daar toen de oergeschiedvorsching, de wetenschap der spade, vooral wat het Noorden betreft, zich nog in het allerprimitiefste beginstadium van ontwikkeling bevond.

Nadab de eerroovende beschuldiging tegen den braven scheepstimmermansbaas uit den Helder schijnbaar reeds lang een rechtsgeldig oordeel was geworden, is thans de herziening van het proces niet alleen een eereplicht, maar eensklaps ook een hoog belangrijk wetenschappelijk vraagstuk geworden. Want de oorspronkelijke bron van het bestaande handschrift vertegenwoordigt de laatste codificatie van het oer-arische monotheïsme, waarvan de overlevering in Friesland schijnbaar het langst bewaard bleef. Wat op grond van de oude procesakten alleen kan worden aangenomen is, dat we hier met een op zijn minst derde-hands-redactie van een oude bron te doen hebben, welker eerste codificatie met het volste recht in het Karolingische tijdperk, de vrijheidsstrijd der Friezen en Saksers, kan worden gesteld. Wat de taalkundige verwarring, het archaïseerend taalgebruik door iemand uit veel lateren tijd betreft, dienaangaande wordt ook in het handschrift zelf een volstrekt niet onaannemelijke vingerwijzing gegeven. In de 13de eeuw zou deze oudere bron uit het geheugen afgeschreven zijn door iemand, die zelf dus het oudfriesch niet meer machtig kon zijn en wiens taal dus even veel van het Friesch uit den Karolingen tijd verschilt, als b.v. het middel-nederlandsch der 13de eeuw van het Oudnederfrankisch.

Dat een afschrift uit heb geheugen historisch volstrekt mogelijk is, bewijst het feit dat Karel, bijgenaamd de Groote, zelf de germaansche „heidensche” heldendichten uit den volksmond liet verzamelen en opteekenen (die zijn bigotte zoon Lodewijk weer liet vernietigen); dat in de vroege middeleeuwen b.v. op IJsland ook nog het geheele germaansche (z.g. gewoonte-) recht een mondeling en geen schriftelijk vastgelegde overlevering was. Da continuïteit van het germaansche „heidendom” in de middeleeuwen blijkt vooral ten plattenlande veel sterker en bewuster te zijn geweest, dan wij tot dusver op grond onzer kerkelijke geschiedbronnen aannamen. Ook zij was een uitsluitend mondelinge en thans streng verheelde overlevering, daar de kerk ze te vuur en te zwaard vervolgde en o.a. de germaansche „wijze vrouw” als „heks” op den brandstapel plaatste.

Dat aan het einde der 18de of begin der 19de eeuw een bewerker of afschrijver nog eens zijne hand in het spel heeft gehad en aan hem o.a. die eene ontleening aan Volney’s Ruïnes over Buddha’s namen kan worden toegeschreven, is zeer wel aannemelijk.

Wat de onzinnige volksetymologieën (naamafleidingen enz.) betreft, deze kan men in alle laat middeleeuwsche en zestiende-eeuwsche kronieken nog in overvloed vinden. Al deze dingen, ook mogelijke inlasschingen uit humanistische of encyclopaedische pen, kan men gemakkelijk er uitlichten. Blijft echter de groote kern bestaan, welker echtheid in het licht van het hedendaagsche oergeschiedkundige onderzoek zal lijken boven allen twijfel verheven te zijn.

De oude philologische methode der mythologie- en godsdienstgeschiedschrijving heeft alle haar beschikbare wegen doorloopen en kan ons hier niet meer helpen; haar secundaire geschreven bronnen van lateren tijd vormen slechts nog een warwinkel van willekeurige exegese. Wij moeten terug naar de oerbronnen zelve: hier kan ons enkel de wetenschap der spade op weg brengen, het synthetisch primair bronnenonderzoek, als nieuwe methode, waarvan ik met mijn komend jaar verschijnend werk: Urgermanischer Glaube, een proeve hoop te kunnen geven. Het gaat hier om een nog bijkans volkomen braak liggend gebied, de geschiedenis der symbolische teekens, der hieroglyphiek en in verband hiermede der oervolkskunde van het Noorden, wier continuïteit in den loop van duizenden jaren, tot op den huidigen dag toe, den onderzoeker met verbazing en bewondering vervult.

In dit verband herrijst voor het eerst de geestelijke beschaving onzer voorvaderen, der Noordsche „barbaren” en „heidenen”, der dragers der godsvrijheid in den mensch, en wordt eerst duidelijk, hoe afhankelijk het oosten in zijn oudste kultuurformaties reeds hiervan was, ook wat het latere Jahvisme en Christendom betreft. De esotheriek onzer volkskunde, onze eigen rasen zielkunde verschijnt dan in klare trekken voor ons geestelijk oog en maakt de roeping bewust die thans als „erfherinneren” steeds machtiger langs verschillende wegen en op verschillende wijzen in de Noordsche volkeren begint te ontwaken.

Prof. Dr. H. Wirth (Marburg) — Sneek, den 24 Juni 1923.