1876-1877 Euphonia
Publicaties m.b.t. O.L. in Euphonia - weekblad gewijs aan letterkunde en welsprekendheid voor Noord- en Zuid-Nederland / orgaan der letterlievende vereeniging “Nicolaas Beets” te Urecht (medewerkers o.a. T.H. de Beer, D. Dekker en J. van Vloten) [bron: PDF]
1876, 20 mei
Euponia 8/5
- JJK 86 LFOL advertentie LFOL met redactioneel naschrift (PDF#77)
Naar aanleiding van een in de Kunstbode van 25 April ll. voorkomend schrijven van den heer Alberdingh Thijm aan den Redacteur van Vloten, waarin de eerste zich spottend en ongeloovig over het veel besproken Oera Linda Bok uitlaat leest men de volgende advertentie in het N.v.d. Dag.
„De heer Alberdingh Thijm bezit niet de noodige kennis om over de echtheid van het Oera Linda Bok (niet Ora Linda Bok) te kunnen oordeelen. Hij zelf weet dat het best. Als hij het toch doet, dan speelt zijne waanwijsheid hem parten. — L.F. Over de Linden. Helder, 27 April 1876.”
[redactie:] Wij kunnen ons geen partij stellen in deze moeielijke kwestie, waarover zoo even eene belangrijke studie van de hand des Heeren J. Beckering Vinckers verscheen, die dit boek zelfs wartaal noemt, maar vinden eene terechtwijzing per advertentie niet zeer letterkundig.
1876, 27 mei
Euponia 9/3
- JJK 87 T.H. de Beer: Een nieuwe Macpherson (PDF#82-83)
Een nieuwe Macpherson.
Toen Macpherson zijne gewaande gedichten van Ossian uitgaf, duurde het betrekkelijk korten tijd of het bedrog kwam aan het licht, door dat de industrieel Macpherson den Schotschen bard woorden in den mond legde, die in Ossians tijd nog niet bestonden.
Als ik in een werk, dat voor tweehonderd jaar geschreven heette te zijn, over spoortreinen of photogrammen mocht lezen, zou ik tot de overtuiging komen, dat het boek bepaald van veel jonger datum was; een werk dat het woord spoliateur bevat, kan niet voor Napoleon I en een werk, waarin het woord bienfaisance te vinden is, kan niet vóor Bernardin de St. Pierre geschreven zijn; want deze zijn het, die deze woorden het eerst hebben gebruikt.
Aan die kleinigheid hebben de samenstellers of heeft de samensteller van het Oera Linda Bok niet gedacht, niet begrepen, dat men met bijna mathematische juistheid den ouderdom van een of ander geschrift kan bepalen. Dit nu is geschied. Men heeft den tijd der vervaardiging omstreeks 1853 geplaatst en op voldoende gronden.
Het bericht in N° 8 van Euphonia had mij de pen nog niet in de hand gegeven, ware het niet, dat ik juist met den Hr. L.F. Over de Linden in correspondentie was. Ziehier waarom.
In de vorige maand bracht ik een paar weken te Londen door en ontmoette daar Dr. Doran, den Redacteur van Notes and Queries, die juist de merkwaardige historie van Neef Teunis en van het klassieke Walcheren (Hoe oud is dat eiland, heeren geologen?) had gelezen en zeer verlangend was te weten, wat men in Nederland van de zaak zei. Gelijk men weet, is bij Trübner & Co. eene Engelsche vertaling uitgekomen. Verschillende geleerden hadden even als hij den draak met het werk gestoken en verklaarden het eenstemmig voor een lomp bedrog. The Times, Pall Mall, the Liverpool Mercury en onlangs ook the Academy maakten zich vroolijk met het werk en bewezen inderdaad de onechtheid door het aanhalen van woorden, onbekend in den tijd, waarin het boek heet geschreven te zijn. Op het museum te Middelburg had ik een photogram van eene bladzijde van het handschrift bezien en het boek geraadpleegd — ik had de overtuigende redevoeringen van de HH. Beckering Vinckers en Nanninga Uiterdijk op het congres te Maastricht gehoord en was ontstemd door al den spot, waarmede men sprak over de Nederlandsche geleerden, die nog aan de echtheid mochten gelooven. Een der eerste verrassingen bij mijn thuiskomst is de adv. in het N.v.d.D.
Ik heb daarop de vrijheid genomen den onderteekenaar dier advertentie te schrijven, dat geen deskundige, ja geen verstandig mensch aan de onechtheid van het boek twijfelde — dat ik begreep, dat het gemaakt was om eer of geld, of met het doel, een ernstig wetenschappelijk onderzoek uit te lokken, dat ik dit kon begrijpen; maar dat het niet meer dan billijk dan fatsoenlijk was, nu de zaak te laten rusten in plaats van hen uit te schelden, die niet goed vinden zich te laten bedriegen.
Er kwam geen ander antwoord, dan de vraag, waarom ik gemelden brief had geschreven.
Ik heb daarvoor mijne gronden opgegeven en beleefd gevraagd:
- Waarom de echtheid van het O.L.B. te Maastricht niet is gehandhaafd tegenover het verpletterend oordeel daar uitgesproken.
- Waarom het Ms. niet eerder is vertoond en hoe het mogelijk was, dat het zoolang verborgen bleef.
- Hoe het kwam dat niemand in ons klein landje wist, dat er een zoo merkwaardig persoon bestond als de bezitter van zulk een eenig handschrift.
Waarom ’t niet eerder verscheen schrijft de heer Over de Linden, dat „heeft geen antwoord noodig” 2. ’t Is „meermalen en aan verschillende personen vertoond.” 3. „De gelukkige bezitter is bekend geworden” 4. Had ik gevraagd welke achtenswaardige personen het Ms. tusschen 1800 en 1850 hadden gezien — mij dunkt, ’t worde spoedig bekend als deze of gene iets zeer zeldzaams bezit, iets van groote historische: waarde.
Op die laatste vraag ’t antwoord dat drie met name genoemde familieleden het Hs. gezien hebben vóor 1830. Ik zeg: dat te bewijzen is. Maar ’t meest doorslaand bewijs der echtheid:
„Ik (L.F.O.d.L.) bezit eene behoorlijk op zegel geteekende en gelegaliseerde verklaring van drie respectabele menschen, dat het bestaan van het Hs. hen tusschen 1848 en 1850 bekend was”
Dat doet de deur toe. Men verklaart niet dat men het gezien heeft. Men wist (hoe?) dat ’t bestond tusschen 1848 en 1850. Hebben onze anti-Bokkers zich dan een jaar of drie verrekend?
Het is te hopen voor den wetenschappelijken naam van Nederland, dat men zich niet langer zal laten beet nemen. De brochure van den Heer Beckering Vinckers en de handelingen van het Maastrichtsche congres mogen druk gekocht en de Bokken-historie goed gelezen worden.
De aanhangers van de Bok — zijn — na alles wat er bewezen is inderdaad dwazen als ze aan de echtheid gelooven en schurken als ze er niet aan gelooven.
Goes. T.H. de Beer.
P.S. Zooals de misdaad was moet ook de straf zijn. Het zou hoogst wenschelijk wezen, dat uitgemaakt werd wie het MS. heeft gefabriceerd. De man heeft eene belooning verdiend voor al het monnikewerk, dat hij zich getroost heeft en voor de opwekking tot beoefening der oude Friesche taal, die hij heeft gegeven. Mochten eenige personen zich met de opsporing willen belasten dan zou het niet ongepast zijn een fonds bijeen te brengen om hen daaruit schadeloos te stellen en de voorgestelde belooning uit te reiken. Ik ben bereid de lijst daartoe te openen met eene eerste bijdrage van tien gulden.
- JJK 88 LFOL meer over advertentie en redactioneel commentaar (PDF#85)
In verband met eene door mij geplaatste advertentie in ’t Nieuws van den Dag, betrekkelijk het Oera Linda Bok, wordt in het nommer van 20 dezer van Uw blad gezegd: „(Wij) vinden eene terechtwijzing per advertentie niet zeer letterkundig”.
Daarop dient het volgende tot antwoord:
- Eene teregtwijzing kan zijn letterkundig of niet-letterkundig: ’t doet er in dat geval niet toe of die per advertentie of op andere wijze wordt gepubliceerd.
- Ik geef niet de voorkeur aan advertentiën, maar deed de ervaring op, dat sommige bladen en tijdschriften bereidwillig opnamen wat tegen het O.L.B. geschreven werd, doch het debat voor gesloten verklaarden, wanneer voorstanders wilden antwoorden. Om die ondervinding niet nog eens op te doen, nam ik mijn toevlugt tot het kostbare adverteren.
Ik houd mij aanbevolen voor de plaatsing van dit antwoord in Uw eerstvolgend nommer.
Hoogachtend, Uw Dv. Dienaar,
Helder, 31 Mei 1876. — L.F. Over de Linden.
Wanneer de antwoorden van den Heer L.F. Over de Linden in denzelfden toon zijn gesteld geweest als in dien van de aangehaalde advertentie, kunnen we ons best begrijpen, dat men de kolommen daarvoor gesloten hield. Eene met deugdelijke bewijzen gestaafde wederlegging der bestrijders van het O.L.B. zal door ons van de voorstanders gaarne worden opgenomen. Nà al wat me er over gelezen hebben, achten we dit echter eene onmogelijke zaak! — De Redactie.
1876, 3 juni
Euponia 10/2-3 en 6
- JJK 90 Dekker: Wat ik van den man weet... (PDF#90-91)
Wat ik van den man weet, die het „Oera Linda Bok” uit het stof te voorschijn bracht.
In 1840 heb ik den Heer C. Over de Linden, modelwerker op ’s Rijkswerf alhier leeren kennen. Hij was een man, die goed van ’t lager onderwijs had gebruik gemaakt, niet meer. Hij was, voor zijn stand, goed ontwikkeld. In zijn vak was hij zeer bekwaam. Dat wisten zijne superieuren en verdroegen van hem, wat zij niet in een anderen werkman zouden hebben geduld. Als baas Over de Linden geen lust in ’t werk had of niet best slaagde in ‘t geen hij te doen had, ging hij heen, niet zelden tusschentijds en kwam soms in een paar dagen niet terug. Men liet zulk eene handeling van hem oogluikend toe.
Ik was in dien tijd hulponderwijzer aan de openbare school (Hoofdgracht, hoofdonderwijzer P. Rijkers) bij wien de Heer C. Over de Linden met nog een modelwerker, Korver, een paar avonden per week les kwam nemen in de Fransche taal. Ik heb die les meermalen bijgewoond en bij ontstentenis van den Heer Rijkers die enkele malen waargenomen. Baas Over de Linden deed zich daarbij als een schrander man kennen. Nadat hij een jaar les had genomen las hij een Fransch werk, met behulp van een woordenboek. Door eigen oefening is hij verder gekomen. “Andere talen kende hij niet. In dien tijd wist hij misschien niet, dat er eene Oud-Friesche taal bestond. Hij had een talrijk gezin, meest zoons, jongens met goede geestvermogens. Ze werden reeds ‘vroeg in ’t bedrijvig leven geplaatst. Geen lid van de Heldersche familie Over de Linden kan het Ms. gefabriceerd hebben. Zij, noch zijne zoons hadden tijd voor ’t samenstellen van het werk, al hadden zij er ook al hunne vrije uren en een groot deel van hunne nachtrust aan opgeofferd. Ook durf ik gerust beweren, — en de nog levenden zullen het met mij erkennen, — dat noch de vader noch de zoons de bekwaamheid bezaten tot het maken van het O.L.B. Hoe kwam het handschrift in de Heldersche familie? Ook daarvan weet ik iets. In 1872 werd ik door den Heer C. Over de Linden, (vader) verzocht om voor hem een lijstje samen te stellen van woorden niet in Hollandsche woordenboeken voorkomende, maar niettemin op Texel en in West-Friesland in gebruik. Dr. Ottema had die noodig tot eene pleitrede voor de echtheid van het Ms. Ik heb, voor zoo ver mij dit mogelijk was aan dat verzoek voldaan. — Bij deze gelegenheid heeft O.d.L. mij het Ms. vertoond. Op mijne vraag: Hoe komt ge aan dit handschrift, deed hij een verhaal, dat ik zal trachten woordelijk weêr te geven. Het luidde: „Ik heb het al jaren lang in mijn bezit. Eene tante van me te Enkhuizen, sedert overleden, heeft het mij eens met heel geheimzinnig gebaar ter hand gesteld. Ik lachte om haren ernst en wilde de prullen bijna niet aanvaarden, waardoor zij in haar voornemen, om mij het Ms. te schenken, schier aan ’t wan- kelen werd gebracht, want het waren papieren van hooge waarde. Haar vader had ze haar en niet haar broeder, — waarschijnlijk de vader van den ouden heer O.d.L., — ter hand gesteld, omdat hij reden meende te hebben ze in hare handen veiliger te wanen dan in die van haren broeder, echter met bevel om ze later aan die der manlijke nakomelingen uit het geslacht, dien zij het meeste vertrouwen zou kunnen schenken, ter hand te stellen, onder de heilige belofte ze wel te bewaren. Het was omtrent den tijd dat ik bij Mr. Rijkers fransch kwam leeren, — ge herinnert u dien tijd zeker wel, — dat ik de prullen kreeg. Lang heb ik er op getuurd, maar ik kon er geen woord van lezen. Toen het Ms. eens bij gelegenheid van het schoonmaken te berde kwam, vertelde mij iemand, die het zag en boeren-friesch verstond, dat het schrift daarnaar geleek. Ik schafte mij daarop werkjes aan over de oude Friesche taal en oefende mij er in, doch daar ik er niet in slaagde om het Ms, met behulp van mijne verkregen kennis te lezen, ging het weer naar den zolder. Voor eenige jaren te Amsterdam zijnde, maakte ik in mijn logement kennis met een Fries, die bijzonder in mijn smaak viel. Ge weet ik ben een rare, en ofschoon ik noodig te huis moest zijn en volstrekt geen plan had op eene reis naar Friesland, ging ik er met hem heen. ’t Is licht te begrijpen dat ik met mijn reisgenoot over mijne prullen sprak. Hij stelde mij voor aan den Heer Janssen, onderwijzer te Harlingen, een man, die, naar de schatting van mijn nieuwen vriend, mij wel zou helper om het Ms. te lezen. Door den Heer Janssen kwam ik verder in aanraking met Dr. Ottema en ziedaar de reden, waarom het Ms, van stof ontdaan, onder de menschen tot mij kwam.”
De rest weet ieder.
Misschien is hetgeen ik boven omtrent het handschrift gezegd heb, reeds eerder verteld, — ik heb de kwestie ‚ niet in alles gevolgd, — maar waarschijnlijk niet zoo met de eigen woorden van den Heer O.d.L. Daarom achtte ik het niet ongepast, nu het O.L.B. in Euphonia besproken wordt ze ten beste te geven. Dat de Heer L.F. Over de Linden korzelig wordt, wanneer men zijn vader of hem verdenkt van opzettelijke bedriegerij, kan ik mij zeer goed verklaren. Hij is een geacht ingezeten van deze Gemeente.
Het zij verre van mij een lans voor de echtheid van het O.L.B. te willen breken, maar van de beschuldiging dat het Ms. omtrent 1853 hier gefabriceerd zou zijn, kan geen sprake zijn. Ik geloof daaraan evenmin als aan de echtheid van het handschrift.
Wanneer er nog nakomelingen van de bedoelde tante in Enkhuizen in leven zijn, zou het onderzoek naar den oorsprong van het O.L.B. van daar moeten uitgaan.
Helder, Mei ’76. — D. Dekker.
- JJK 91 LFOL (PDF#94)
Helder, den 28. Mei 1876.
WelEdele Heeren!
Heden avond ten half twaalf uur thuiskomende van eene reis naar Amsterdam, vond ik op mijne schrijftafel N°. 9 van Uw Weekblad waarin is opgenomen een stuk van den Heer T.H. de Beer, bevattende o.a. eenige citaten uit brieven tusschen dien heer en mij gewisseld, doch welke citaten uit het verband gerukt en niet woordelijk overgenomen of eerlijk toegepast zijn, terwijl hij van onze particuliere, eene publieke zaak maakt.
Wilt ge eerlijk handelen dan behoort1) de gevoerde correspondentie, bestaande uit 3 brieven en ééne vraag, woordelijk in Uw blad opgenomen te worden. De lezers kunnen dan zelf conclusie maken. Ik wil er zelfs geen woord aan toevoegen om den lezers eene door mij beoogde overtuiging op te dringen en geene enkele scheeve vergelijking van den Heer de Beer navolgen.
Dewijl de stukken, die in het eerstvolgend nommer opgenomen kunnen worden, reeds morgen ten Uwent moeten zijn en ’t mij op ’t oogenblik aan tijd ontbreekt om de afschriften vóór dien bepaalden tijd gereed te maken, zal ik zorgen dat ze in het nommer van 10 Juni a.s. van Uw blad geplaatst kunnen worden.
Hoogachtend, UEd. Dv Dienaar, L.F. Over de Linden.
1) Een toontje lager als ’t u belieft! (Noot van de Redactie )
- JJK 92 Berk (PDF#94)
Mag ’k naar aanleiding van ’t stukje «Een nieuwe Macpherson” (27 Mei 1876) U ’n plaatsje verzoeken voor de volgende opmerking:
M. T.H. de Beer!
Door ongemotiveerde gissingen aangaande „’t doel, waarmee ’t O.L.B. vervaardigd is” (al begrijpt ge ’t nog zoo goed, volgens uw schrijven), — door scheldwoorden als dwazen en schurken te richten aan ’t adres van hen, die ’t voor echt houden — komt ge geen stap verder. Wacht liever eerst ’t aangekondigde tweede schrijven van den heer Beckering Vinckers af („De onechtlieid, enz” p.5 en p.60). Mocht ook dit U niet voldoen, dan kunt ge altijd nog uw toevlucht nemen tot de policie-maatregel van gelduitloving voor de „opsporing” (en aanhouding?) van den vervaardiger. — Of: Sla zelf de handen aan ’t werk.
Helder, 28 Mei 1876. — J.F. Berk.
- JK 92a redactie (PDF#94)
Wij zullen om onpartijdig en aan onze belofte getrouw te blijven, behalve deze brieven ook nog in N°. 11 de gevoerde correspondentie tusschen de Heeren de B. en Over de L. opnemen, maar meenen dan ná ’t antwoord van den Heer de B., dat zeker niet zal uitblijven, deze onvruchtbare polemiek te moeten sluiten. Alleen deugdelijke besprekingen, zooals ’t stuk van den Heer D. Dekker onder „Letterkunde” in dit Nommer voorkomende, kunnen tot klaarheid en waarheid leiden. De brieven van de Heeren Berk en Over de Linden leiden tot niets. Alleen mogen we wel vragen, wat deed den Heer Berk in ’t strijdperk treden en wel op zulk een toon? Is ’t daarom misschien, dat de Heer Beckering Vinckers zich tot ZEd om inlichtingen heeft gewend en hij ook daardoor meent in deze recht en gezag te hebben gekregen? In elk geval Mijne Heeren, argumenten, maar geen groote woorden of personaliteiten, die slechts kunnen verbitteren, doch niet overtuigen. Denkt aan ons devies: „Euphonia!” — De Redactie.
1876, 10 juni
Euponia 11/5-6
- JJK 96 De Beer en LFOL met redactionele noot (PDF#101)
Afschrift van de Correspondentie tusschen de HH. T.H. de Beer te Goes en L.F. Over de Linden te Helder. N° 1.
Den Heere L.F. Over de Linden, te Helder
Goes, 4 Mei ’76
WelEd Heer,
In ’t binnen- en buitenland is ’t O.L.B. bekend en waar ’t bekend is, zijn er geleerden, die ’t geheele spel doorzien of althans meenen te doorzien.
’t Is aardig gevonden, maar laat ’t nu wèl zijn en laat er niet gescholden worden op hen, die weigeren zich te laten beetnemen — zij die aan de echtheid niet gelooven hebben veel grondiger bewijzen aangevoerd voor hun ongeloof dan er noch bewijzen voor de echtheid zijn aangebracht.
Indien ’t inderdaad echt is, waarom dan niet meer aangaande de herkomst gestaafd en ’t origineel aan de twijfelaars voorgelegd — is dat merkwaardig boek in deze eeuw nooit aan ’t licht gekomen? nooit aan iemand vertoond? Is de gelukkige bezitter niet bekend geworden in ons klein landje? Welke achtenswaardige personen hebben bijv. tusschen 1800 en 1830 het Ms. gezien of er van gehoord? Zulke opgaven zouden de echtheid beter staven dan scheldwoorden in Couranten.
get. T.H. de Beer.
N°. 2.
Den Heere T.H. de Beer, te Goes.
Helder, den 5 Mei ’76.
WelEdele Heer,
Waarom schrijft ge mij uwen brief van 4 dezer?
get. L.F. Over de Linden.
N°. 3.
Den Heere L.F. Over de Linden, te Helder
Goes, 15 Mei ’76
WelEd Heer,
Ik schreef U omdat de adv. in ’t N.v.d. Dag, aan ’t adres van den Heer Alb. Thijm door U geteekend wat en me tot schrijven bewoog zal ik U mededeelen.
Ik kom juist uit Engeland, wuar ’t O. L. B. aan de orde was. De Liverpool Mercury, the Times en ik meen ook Daily News hebben het boek sterk veroordeeld. Dr. Doran de red. van Notes and Queries vroeg me dadelijk, wat ik er over dacht en ’t geheele gezelschap nam deel aan 't discours, terwijl velen het gelezen hadden en hunne gronden voor de onechtheid aanvoerden.
Pall Mall van 4 Apr.: the Academy van 6 Mei begraven ’t eenvoudig.
De beschuldiging van onechtheid is een grievende beleediging geworden voor ieder, die met het boek als O.fr. ms. in betrekking staat — die beschuldiging maakt hen allen tot domooren of bedriegers,: „fools if they do believe and rogues of they do not.”
’t Boek is gemaakt — de hemel weet waarom: geld, eer, bekendheid of — een streven om de geleerde wereld beet te nemen moet hebben voorgezeten. Dat alles is te excuseeren: onze staatslieden en redacteuren doen dergelijke zaken bij herhaling en worden er voor geprezen.
De bewijzen tegen de echtheid hebben studie gekost en in zooverre was ’t O.L.B. nuttig. Nu ’t bewijs geleverd is — voornamelijk door de O.L. Bokkers zelf, acht ik het onedel de echtheid noch langer vol te houden en die zelfs met beleedigende woorden te verdedigen.
Te Maastricht op ’t Congres is duidelijk bewezen, dat ’t boek onecht was. Waarom was er niemand om ’t daar gesprokene te wederleggen!
Zoo ’t echt is en de wereld dat moet gelooven op straffe van beleedigd te worden, waarom komt er dan niemand opdagen, die kan verklaren het Ms. tusschen 1820 en 1850 bijv. gezien te hebben?
Uw dw. — get. T.H. de Beer.
N°. 4.
Den Heere T.H. de Beer, te Goes.
Helder, den 17 Mei ’76.
WelEdele Heer,
Ik beantwoordde Uw brief van 4 dezer niet, omdat van mij niet gevergd kan worden, dat ik ieder terstond zal ten dienste staan, die goedvindt wij eenige vragen te doen, daarom bepaalde ik mij bij schrijven van 5 dezer tot de vraag, wat U tot schrijven van Uw brief aanleiding gaf.
Ten gevolge van deze vraag ontving ik een nader schrijven van 15 dezer. ’t Maakt mij niet veel wijzer.
Ik lees eruit, dat de ondervinding, die door U na den 5. dezer in Engeland werd opgedaan, U vóór dien tijd tot schrijven bewoog. ’t staat er zoo met andere woorden; hoezeer ik wil aannemen dat ’t niet zoo bedoeld is.
Ik wil uwe belangstelling op niet al te zware proef stellen en daarom mijn autwoord op uw eerste schrijven hieronder laten volgen, na U echter vooraf de opmerking te hebben gemaakt, dat ge U ten opzigte van ’t Oera Linda Bok, naar ’t schijnt steeds in verkeerd gezelschap bevindt. In de Engelsche bladen hebt U toch niet anders gelezen dan de artikelen die tegen de echtheid geschreven werden, hoezeer er even goed andere zijn gepubliceerd. Daarbij moet niet uit ’t oog verloren worden, dat het onechtheid-vuurtje uit Nederland werd aangestookt, en ’t niet onmogelijk is te achten dat er zelfs personen voor naar Engeland zijn geweest.
Op Uw eersten brief het volgende antwoord, (op ’t gevaar af van niet door U geloofd te worden. Doch in dat geval: Hony soit etc.).
Ter zake dus:
Dat er steekhoudende bewijzen voor de echtheid van ’t O.L.B. zijn, is zeker. Zoo ge daarmede niet bekend mogt zijn verwijs ik U naar de Inleiding van ’t boek en naar de „geschiedkundige ophelderingen en aanteekeningen op ’t O.L.B. door Dr. J.G. Ottema, uitgegeven bij H. Kuipers te Leeuwarden.
Steekhoudende bewijzen voor de onechtheid zijn mij nog niet bekend. Die daaraan arbeiden gaan als balansen heen en weer.
De herkomst van het Hs is gestaafd voor zoover dat mogelijk was; testamenten en boedelbeschrijvingen van vroegere bezitters schijnen niet bestaan te hebben. Waarom ’t origineel niet aan de twijfelaars voorgelegd? vraagt gij. Maar zoudt U dan welligt wenschen, dat ik bijv. met het boek onder den arm of in een valies, het land doorreizende, mij bij HH. twijfelaars zoude aanmelden met verzoek of zij zich asjeblieft eens wilden overtuigen dat het Hs wezenlijk bestaat? Wie de bezigtiging er van ten mijnen huize hebben verzocht vonden daarvoor steeds gelegenheid.
U vraagt: „Is dat merkwaardig boek in deze eeuw nooit aan ’t licht gekomen? nooit aan iemafid vertoond? Is de gelukkige bezitter niet bekend geworden in ons klein landje? Welke achtenswaardige personen hebben bijv. tusschen 1800 en 1830 het Hs. gezien of er van gehoord?
Ik antwoord: 1. De eerste vraag heeft geen antwoord noodig. 2. ’t Is meermalen en aan verschillende personen vertoond. 3. De gelukkige bezitter is bekend geworden in ons klein landje. 4. Tusschen 1800 en 1830 hebben mijn overgrootvader Andries Over de Linden, diens dochter Aafje Over de Linden en dezer man Hendrik Reuvers het Hs. gezien; van andere personen is mij dit niet bekend. Dat de genoemden tot de achtenswaardige personen behoorden durf ik verzekeren.1)
Ik ben ’t met U eens, dat degelijke opgaven beter overtuigen dan scheldwoorden in couranten of tijdschriften; en ’t is fatsoenlijker.
Vandaar dan ook dat ik, wanneer een niet zaakkundig persoon het Hs. in ’t publiek aanvalt, er mij eenvoudig toe bepaal het publiek in te lichten, dat de man, die zóó spreekt, daartoe de bevoegdheid mist.
UwEd. Dw. — get. L.F. Over de Linden.
1) In den oorspronkelijken brief, dien de Heer d.B. ons heeft gezonden, lezen we achter dezen zin tusschen twee haakjes: „Bovendien bezit ik een behoorlijk op zegel geteekende en gelegaliseerde verklaring van drie respectabele menschen, dat het bestaan van het Hs. hun tusschen 1848 en 1850 bekend was.” — Overigens is deze copie vrij wel gelijk aan het origineel. — De Redactie.
- JJK 97 Berk (PDF#102)
WelEd. Heer!
In ’t nommer van 3 Juni ll. doet U de vraag: «Wat deed den beer Berk in ’t strijdperk treden en wel op zulk een toon? Is ’t daarom misschien, dat de Heer Beckering Vinckers zich tot ZEd. om inlichtingen heeft gewend en hij ook daardoor meent in deze recht en gezag te hebben gekregen?” — Mag ’k U verzoeken ’t antwoord daarop te plaatsen; ’t is de laatste maal, dat ’k me met dergelijk verzoek tot U wend,
’k Heb ’t O.L.B. gezien en de vertalingen gelezen met alle stukken, die er op betrekking hebben, zoo vóór als tegen. Wat de taal betreft, waarin ’t Hs gesteld is — hierover kan ’k niet meespreken. Den inhoud heb ’k getoetst aan de geschiedenis van de volken, in ’t O.L.B. genoemd, en van hunne godsdiensten, (voor zoover beide bekend zijn). Bij eenige puuten waarover ’k te vergeefs opheldering zocht, vond ’k een tal van verrassende uitkomsten als zooveel argumenten vóór de echtheid. Maar — de taal?
Doordien in ’t O.L.B. sprake is [van] paalwoningen en koperen (niet bronzen) wapenen, (aant. 1) was ’k gekomen op t jaartal 1853, zelfs nog later (aant 2). ’k Dacht dus: zoo ’t Hs. onecht is, moet het omstreeks dien tijd vervaardigd zijn. Wordt dus uitgemaakt, dat het vóór 1853 bestaan heeft, dan zal ’t m.i. groote moeite kosten, de onechtheid aan te toonen. Het stond bij me vast, dat, zoo het onecht was, de voltooiing van dit geduldwerk na 1853 moet plaats gehad hebben. En bovendien stonden me steeds de vragen voor den geest: Van waar ’t papier, van waar ’t letterschrift (aant. 3), wie in de familie of onder de kennissen van den heer C. Over de Linden had zoo uitgestrekte kennis als vereischt werd tot de samenstelling van ’t O.L.B.? — Ik begon dus een ander onderzoek en trachtte met grondige bewijzen aaa te toonen, dat het niet na 1853 gemaakt kon zijn.
Zoo had ’k reeds een aanzienlijken tijd aan ’t O.L.B. besteed, toen ’k voor eenige maanden hoorde, dat de heer Beekering Vinckers te Maastricht de onechtheid betoogd had — doch voor de vervaardiging geen bepaalden tijd had opgegeven. Ik had vroeger ’t voorrecht gehad, op ’t gymnasium te Kampen, genoemden heer als docent voor ’t Engelsch en Duitsch te hebben. De herinnering aan zijn aangenamen omgang, en z’n degelijk onderwijs, deed me besluiten, mij tot ZEd. te wenden met de vraag, of ’k ZEd. inlichtingen aangaande ’t O.L.B. kon en mocht verschaffen. De heer B.V. stemde toe, en leidde door vragen en opmerkingen dit nieuwe onderzoek. Terwijl ’k alle bereikbare inlichtingen omtrent den heer C.O.d.L. (aant. 4), diens kennis en vooral omtrent diens vrienden en vroegere leden zijner familie trachtte te verkrijgen in den Helder, — wees de heer B.V. me Enkhuizen als een voornaam punt van onderzoek. Ik trad in correspondentie met den heer Knuivers aldaar, die, welwillend genoeg was, dáár de noodige nasporingen te doen.
Wat de uitslag van deze nasporingen is, zal uit ’t aangekondigde tweede schrijven van den heer B.V. blijken.
Zoo dan, meen ’k eenig recht te hebben in de O.L.B.-quaestie mee te praten, en daarom heb ’k gewezen op de onvruchtbaarheid van des heeren de Beer's geschrijf. Wat ’t uitloven der geldpremie op de opsporing van den maker van ’t Hs. betreft — ik vind ’t vernederend voor hen, die lust tot onderzoek hebben en uit liefde voor de waarheid aan ’t werk zijn getogen.
—
Aant. 1. „Ook daar (Hongarije, Zevenbergen enz. moeten wapenen en gereedschappen van koper en van brons in menigte voorkomen. Dr Keller trekt hieruit ’t besluit, dat die landen door een volk bewoond zijn geweest, dat tot z'n wapens, gereedschappen en versierselen koper gebruikte, voor het ’t brons kende. Hieruit zou volgen, dat in eenige landen van Europa inderdaad een kopertijdvak aan ’t bronstijdvak voorafgegaan was;” enz. (Die Ureinwohuer des Scandinavischen Nordens von S. Nilsson 1865). / Volgens Nilsson valt ’t bronstijdperk ±1600 v. Chr.
Aant. 2. „Dat hier in Noord-Europa phönicische versierselen uit den grond worden opgegraven, heeft tot nu toe zeker wel niemand gedacht.” (Nilsson 1866)
Aant. 3. Onder het lof- en krulwerk, waarmede de Alhambra versierd is, komen als architectonische ornamenten voor: onze cijfers, geplaatst in, en gevormd uit een cirkel met twee middellijnen, waardoor ze met onbeduidende afwijkingen overeenkomen met ’t O.L.B. (The Arabian antiquities of Spain by J.C. Murphy. London 1813 pl. 87). / Onze cijfers zijn dus door de Arabieren gebruikt als versierselen, niet als getalmerken. Hoe kwamen zij aan die versierselen?
Aant. 4. De schets, welke de heer Dekker van den beer C.O.d.L. gegeven heeft (Euphonia 3 Juni ’76) is ontoereikend en daardoor zelfs hinderlijk voor hen, die zich een beeld van dezen man willen vormen. De heer Dekker schijnt hem, (volgens ’t aangehaalde schrijven) van 1840 tot 1872 uit ’t oog te hebben verloren en vóór 1840 niets belangrijks van hem te weten. (Zie ’t tweede schrijven des heeren B.V. zoodra ’t verschijnt).
Helder, 4 Juni 1876. J.F. Berk.
- JJK 98 De Beer (PDF#102)
Aan de Redactie van Euphonia en de HH. Berk en Over de Linden.
Een paar woorden voor ’t N°. waarin de „brieven” moeten voorkomen.
Waarom de heer Berk zich zoo boos maakt, is mij niet recht duidelijk! Als ik naga, met welk doel iemand bijv. in de 19e eeuw een boek schrijft en dat als afkomstig uit de 10e eeuw wil laten doorgaan — dan kan er geen sprake zijn van „ongemotiveerde gissingen” — ik heb alleen alle gevallen op te sommen, die mogelijk zijn. Heb ik er een paar vergeten, dan kon de heer Berk mij dat onder ’t oog brengen zonder zulk een overvloed van imperatieven, die buiten de school heel weinig en in eene goede school hoe langer hoe minder voorkomen. Ook heb ik niet beweerd „verder” te willen „komen”; ik heb — en ieder die nederlandsch verstaat zal dat begrepen hebben — te kennen gegeven, dat er zulke doorslaande bewijzen zijn aangevoerd, tegen de echtheid van ’t O.L.B. dat men er van overtuigd moet wezen. dat het handschrift in later tijd is gefabriceerd. Begrijpt men niet, dat een handschrift waarin bijv. het woord bisschop voorkomt, niet kan geschreven zijn, vóor den tijd, dat er bisschoppen waren, dan is men dwaas; houdt men na al die overtuigende bewijzen het als voorbeeld aangehaalde handschrift toch voor echt, dus tegen beter weten aan, dan is men een schurk.
De Heer Berk stelt die redeneering eenigszins anders voor. Hij had de opmerking kunnen makeu, dat er noch een derde geval mogelijk was nl, dat de man door valsche schaamte belet werd voor de waarheid uit te komen. In dat geval pleegt hij echter toch eene misdaad aan de wetenschap.
De Redactie is zoo beleefd het bevel van den heer Over de Linden te gehoorzamen eu de geheele correspondentie af te drukken. Mij wel — de heer Over de Linden is echter zoo beleefd zijn toevlucht te nemen tot de gewone beschuldiging „citaatvervalsching.”
Na zulk eene beschuldiging moet de heer Over de Linden geen „afschriften” van mijne brieven laten afdrukken maar de brieven zelve zenden, gelijk ik de zijne aan de Redactie zend, om er naar goedvinden mede te handelen, in elk geval om te zien, of de „citaten uit het verband gerukt en niet woordelijk overgenomen of eerlijk toegepast zijn.”
Goes. T.H. de Beer.
- JJK 98a Redactie (PDF#102)
Wij danken de Heeren voor hunne mededeelingen en sluiten de discussiën. We vinden de zaak, na de wending die zij genomen heeft, niet belangrijk genoeg om er op deze wijze onze lezers verder mede te vermoeien. — De Redactie.
1876, 24 juni
Euponia 13/6
- JJK 107 De Beer In ‘the Academy’... (PDF#118)
In the Academy van 17 Juni bl. 586 plaatst de heer Jules Andrieux een langen brief, waarin hij betoogt, dat het Oera Linda Bôk kan geschreven zijn met het oog op de gebeurtenissen in Nederland tusschen 1685 en 1700 en daaromtrent, minder gekleed dan gehuld in een ouden vorm, om de gevolgen te ontgaan van het pleiten voor eene werkelijk eerlijke en zuivere republiek. De schrijver verwijst naar de Grave’s Republigue des Champs Elysées ou Monde Ancien, uitgegeven te Gent in 1806, en vindt in eene zinsnede van Regnard’s Reizen in Lapland (1810) eene aanwijzing van de bron waaraan de Grave’s werk, zoowel als het O.L.B., ontleend zijn nl. Olof Rudbeck’s Atland eller Manheim (Upsala 1679). Bayle beweerde reeds, dat deze Zweed niet licht ontwapend zou worden en wierp den handschoen neer, dien de schr. meent, dat door den vervaardiger van het O.L.B. was opgenomen, gelijk een lezer van de Nouvelles de la RePublique des Lettres Januari 1685 — een Nederlander zuchtende naar de vrijheid, die Marnix heer van St. Aldegonde genoot, maar die niet meer bestond na de verdrijvingder Spanjaarden.
Niet alleen de feiten komen in het O.L.B. overeen met die welke Rudbeck vermeldt, maar ook etymologische flaters van Rudbeck zijn in het O.L.B. getrouwelijk overgenomen.
In twee punten moet ik met den heer Andrieux verschillen:
- de heer Andrieux beweert, dat het volkomen gelijk staat of Rudbeck’s boek anoniem in ’t oud-Friesch (en hoe?) wordt uitgegeven of dat de Télémaque anoniem in ’t Grieksch verscheen. Ik voeg er bij: indien namelijk van het grieksche handschrift werd verzekerd en plechtig verklaard, dat het met Homerus’ eigen hand was geschreven.
- Dr. Ottema had volgens den heer Andrieux den oorsprong van het boek moeten opgeven (N.B.!) maar dan was de geheele mystificatie er niet geweest. De heer A. meent verder dat de text van ’t laatst der 17e eeuw dagteekent, dat natuurlijk — al ware het alleen om de „paalwoningen” onmogelijk kan worden aangenomen.
Goes, 20 Juni ’76. — T.H. De Beer.
1876, 15 juli
Euponia 16/2
- JJK 112 Moltzer Iets voortreffelijks! (juichend over BV’s wartaal) (PDF#138)
Iets voortreffelijks! [boekbespreking]
J. Beckering Vinckers. De onechtheid van het Oera Linda-Bôk, aangetoond uit de wartaal, waarin het is geschreven. Haarlem Erven F. Bohn. 1876.
Wie niet uitsluitend in letterkundige maar ook in taalkundige vertoogen, vooral wanneer ze, wel verre van dor en droog, even smaakvol als degelijk zijn geschreven, pleizier heeft, late bovengenoemd werkje niet ongelezen. Is reeds de naam van den schrijver, den vertaler immers van Whitney’s keurige Lectures, op zich zelf eene aanbeveling, zoodat allicht mijn welgemeende raad geheel overbodig zou kunnen lijken, ik wil er dan ook slechts met een enkel woord op wijzen, omdat men misschien het essay met den zucht „alweer over dat vervelende Oera Linda-Bôk” op zijde zou kunnen schuiven. Men doe dat toch vooral niet.
De Heer B.V. geeft voorwaar niet iets gewoons, iets alledaagsch, maar iets, dat inderdaad voortreffelijk mag heeten. Op mijn woord, wij krijgen niet elken dag zulke lectuur in de hand, lectuur, die zóó leerzaam en tevens zóó aangenaam is. Dat de geleerde schrijver m.i. in zijn betoog volkomen is geslaagd, zal ik wel niet behoeven te verzekeren; eerlijk gezegd, daarom raad ik het ook niet in de eerste en voornaamste plaats ter lezing aan, want ik houd me overtuigd, dat de meesten, die het boekje in handen nemen, niet gelooven aan het Oera Linda-Bôk; liever stel ik op den voorgrond, dat het boekje m.i. bovenal hierom in dubbele mate de aandacht verdient, omdat het uit het oogpunt van methode zoo goed is. Voorzeker, de schrijver haalt heel veel Gothisch en Angelsaksisch en Oudfriesch aan, maar nooit om er eenvoudig mede te pralen en te pronken, eenig en alleen om primo de ongerijmdheid aan te toonen van het taaltje, waarin het Oera Linda-Bôk is geschreven; secundo voor goed uit te maken, „dat iedereen, die zich niet met de geschiedkundige ontwikkeling der Germaansche talen onledig heeft gehouden, volkomen onbevoegd is om over de echtheid of onechtheid van het O.L.B. een afdoend oordeel uit te spreken” (bl 49). Overweldigend is de kracht der argumenten van den Heer Beckering Vinckers, en, zooals ik zeide, onderhoudend weet hij ook over uit den aard der zaak niet smakelijke onderwerpen te schrijven. Zoo iemand, dan heeft hij den meesters der Germaansche taalkunde het geheim hunner kunst afgezien. Doch men leze en oordeele zelf.
Groningen, 19/6 ’76. — Mr. H.E. Moltzer. [Henri Ernest Moltzer (1836-1895)]
1877, 21 april
Euponia nr.?/1-3 (nog niet op web gevonden)
- JJK 172 Dekker over Wie heeft...?