1702 Beschryvinge van Vroonen
View source on Google Books.
gedeeltelijke transcriptie
OUD-HEEDEN van ZAANLAND STAVOREN VRONEN en WATERLAND
door
H.SOETEBOOM
II Deel.
Willem Linnig van Koppenol
MDCCII (1702), Amsterdam
OUD-HEDEN VAN ZAANLAND, STAVOREN, VRONEN en WATERLAND;
Behelzende haar Oosprongen, Volkplantingen, Loop der Rivieren, Bedykinge, Regeeringen onder Keyzers, Koningen, Prinçen, Graven, Potestaten, en Burger-vaderen.
De Wetten, en Voor-regten, haar door deze vergund; De oorlogen die haar gedrukt, ende Vrede, Koophandel, Scheepvaart, Visscherye, en Leeringen, die veele Steden, en Dorpen verheven hebben.
Alles uit de Oudheden Nagespeurd, en met Autentique Stukken bewaarheid.
DOOR HENDRIK SOETEBOOM - TWEDE DEEL.
Deze laatste Druk van nieuws overzien, verbeterd, met nodige Aantekeningen, Figuren, en een Landkaart verrykt.
t'AMSTERDAM, By WILHEM LINNIG VAN KOPPENOL op de Vygendam, in de Gulde Roos, MDCCII
[Fol.1]
BESCHRYVINGE VAN VROONEN: Hooft en Moeder-Stadt der KLEYNE VRIESEN.
HET I. BOECK,
Vervattende Haar opkomen, Bloeyende staat, Wapen, Voor-rechten, Oude gelegenheyd, Zeevaart en Koophandel.
HET I. CAPITTEL.
De waarheyt, welk is ofte wesen moet de ziele der Historien, soo de Oude getuygen (door verloop van tyden, door stoffigheyt onser voorouderen, ofte door den woesten Oorlog verswakt) zynde in dese onse dagen met veel donkerheden en nevelen omhangen, kan niet wel voortgebracht worden, als meesten tyt met het geley van de onsekere beschryvingen, van de alder-bedenkelykste naramingen, ofte van 't gene dat mette omstandigheden der saken best over een komt, sodanig meesten tyt geschieden moet in de vertellingen van de oude Stadt Vroonen, daar 't nu aan toe gekomen is, 't welk of schoon de waarheyt [2] vast staat, datse eertyts geweest zy, by de voortreffelykste Scribenten bevestig wort, en door soo veel goede getuygen aangenomen; nochtans van haar eerste beginsel en van haar midden, weynig ofte geen bescheyt by een brengen, dan van hooren seggen: Alleen men siet Vroonen van achteren, en niet van vooren; men weet haar val, en niet hoese begonnen heeft, Ja hoe Vroonen stont eer het viel, daar nochtans veel roems van hare grootheyt en bloeyende stant gedaan wort.
Wanneer ik dit nu by my selven overlegge (zynde gebooren in een Landstreek, daar de Inwoonders hun outs tyts verblyden, datse de name hadden van Vriesen als een Vrye volk Te weten, aan de Zaan, die voor eenige eeuwen ontrent Vroonen in de Zee placht te vallen,) konde niet nalaten om van de gemelde Stad, niet alleen haren val ofte ondergang (die God zy gelooft, wien 't alleen toekomt uyt duysternisse ligt te maken; de welke ook De Landen van Holland, West-vriesland, meer bate dan schaade deede, en namaals een vaste Bondgenoodschap met den anderen veroorsaakte) maar ook haar begin en treffelyken middelstant te beschryven, met soo veel sekerheyt en blyken als 't my mogelyk om doen was, daar van niets achterlatende by myn weten, en desgelyks geen leugenen bybrengende met voordacht. Sodanig een History en Lant-beschryvers belydenisse behoort te wesen, (als gesegt is) want wy hier inne niet na en 'volgende luyden (hoewel van groote geleertheyd) die werk gesocht hebben, omme te beschryven een Utopia, als den ver- [3] standigen Thomas Mores, eertyts Cancelier van Engeland, ofte van 't Eylant Attelantida, daar den Jesuit en nauw doorsnuffelende Josephus Acosta van verhaalt, het welke eenige hondert mylen groot, ontrent de barbarische kusten gelegen hadde, en in de grooten Oceaan, die ongrondelyk diep is, verdronken soude zyn, 't gene met reden men Nergens Land noemen mocht: ofte en volgen ook niet den voortreffeyken werelt wysen Plato, om te verhalen van een Stad, die noyt te vinden heeft geweest, hoewel datter een sulken Stad in des Aardryks ront wel behoorde, ofte hadde mogen zyn. Want, het gene hier verhandelt sal worden, is van een Stad ofte Vestinge, die haar wesen heeft gehad in der waarheyd, hare handelinge en doen in erusthaftigheyd, haar voorspoet in Scheepvaart en Koophandel, haar bloey en 't vallen in den verderffelyken Oorlog.
VROONEN dan na ellen aansien heeft haar eerste bevolking ontvangen uyt de Landen der Oostvriesen, (die men Frisiae Majores noemt, zynde de Groote,) geseten aan gene zyde van het Flye, die de plaatsen eerstmaalen aangevaart ofte bewoont hebben; een volk dat sich derft roemen afgekomen te zyn uyt de verstroyde Oversten van 't Macedonisch heyr, en dat na 't overlyden van den grooten Alexander; en of nu sulkx by veelen (en dat met groote redenen) in twyfel getrokken word, soo is het doen ter tyd een volk geworden, dat sich door de vermenigvuldinge aan alle kanten uyt te breyden socht, gelyk 't selfde blykt [4] in de Op en Nedergang van Stavoren, en voornamelyk in de Voor-reden; innemende sekere Landen (volgens het regt der naturen) die niet bewoont waren, ofte uyt recht en macht des Oorlogs, diese door gewelt van wapenen (genomen voor 't krygsrecht) verkregen: Daarom getuygen ons de Vriessche Kronyken, dat Friso een heyrkracht van zyn Vader bekomen hebbende, aan de zyde van het Flye neder sitten ging, welke land hy na zyne name Frisiae Novam (nu ter tyd kleyn vriesland ofte Noord-Hollandt) genaamt heeft, in de welke hy een grondvest leyde van een toekomende Stadt die hy na de name zyns Egemaals Vrougeest hete: dese stad soude namaals de Romeynen in gelykheyt (soo als zy schryven, segt Winsemius) van 't Italiaansche Verona VERONAM genoemt hebben, siet zyn Friesche Cronyk lib. I fol. 11. Op een andere plaatse noemt hy haar de Hooftstad, en sou gebouwt zyn 120. jaren voor de geboorte Christi; en soo 't wel schynt, heeft Friso de Jonge zyn Hof en Vorstelyke wooninge in de stad Vroonen gehouden, en mogelyk ook de heerschappye over West-vriesland gehad: waar uyt men siet, dat de gemelde Stad het eerste begin was van de Mindere Vriesen, de outste stad, de Moederstad, en de voortreffelykste van alle de nakomende, steden soo van Dorpen, Buerten, en andersins, die na hare eerste besettinge uytgebreyd zyn. Wann hy dan segt, dat Friso een heyrkracht van zyn Vader verkregen hadde (verstaat dat Friso de Jonge, een zoone was van Gruno, dese een zoon van Gaylo, en [5] dese een sone van Hajo, Overste der Vriesche Priesteren, onder 't Heydendom zijnde de soone van Friso, de Oude) en hy sich aan de kant van 't Flye nedersette, so is het vermoeden de bane gemaakt is met de Wapens, ofte dat Westvrieslandt te voren al bewoont, en over sulks de eerste occupeerders eygen was. Maar wanneer hy seggen wil, dat Friso de Ionge, een groot geselschap by hem gehad heeft om de selve Landen te bewoonen, kondét wel wesen dat Westvriesland ofte met geen ofte met weynig volk beseten is geweest. En 't mach ook lichtelyk vele tot verwonderinge trecken, indien Frisus met syn by-hebbende heyr, het mindere deel ofte 't kleyne Vrieslant eerstmaal heeft bevolkt, so een reecx van jaren voor de toekomste onses Heylants; waaom dat dan de oude Hollandsche Chronyk met sijn Divisien schryft, dat de volkeren eerst voort geset zyn ontrent drie hondert jaren na de geboorte Christi: Want hy schryft aldus; Men seyt in 't jaar van drie hondert, West-vrieslant van vyf Heeren en Edelen bewoont is geworden, als van eenen genoemt Coning Dirk, zynde van Vrieslant, daar den Coning Rabbout af gekomen is, dese hadde sijn woonstad en Coninglyken stoel in Medenblik. De anderen was genaamt Heer Gerrit Uitter-woude, die placht te woonen in het Dorp Opdijk. De derde heete Roelant van Weernesse, en hadde een groot Kasteel staan in het Dorp van Wydenesse dar sijn heerlykheyt was (mogelyk dat namaals de Hollantsche Graven dit Kasteel opgemaakt en versterkt hebben tegens de geduerige wederspannigheyt der kleyne Vriesen so verhaalt sal [6] worden onder Grave Floris de V. van dien name, gelyk de selve 't Kasteel tot Medenblik mede herbouwt heeft.) De vierde deser Edelen was genaamt Kinne, Heykers Soon van Bennebroek, dese nam zyn woonstede tot Bennebroek. En de laatste wierde genaamt Jonkheer Adelbold van Winkel, die woonde in 't Dorp Winkel. Dog om hier met bescheydenheyt van te oordelen, en niet met veel tegenreden daar over te twisten, so is lichtelyk de schryver zyn meeninge geweest, dat dese Edelen niet de volk-plante, maar de eerste Heerlykheden te dier plaatse aangevaart hebben, en mogelyk gekomen zyn met een goet getal van volk, ofte door groote Privilegien en Voor-rechten tot die gemelde Dorpen gelokt, en over sulks deselve grootelyks vermeerdert, en daar toe besonderlyk verbetert hebben: Want hy segt dat Kinne de zoon was van Heyke van Bennebroek, of men most de wagen voor de paarden inspannen, en seggen dat de Soon aldaar eer dan de Vader geweest was, indien men Heykes vaders Dorp sonder menschen wilden hebben, der dat'er Kinne metter woon quam; maar voor my, ik soude liever gelooven, dat dese Heeren en Edelen meest Westvriesen zyn geweest, maar dat deselve met de komste van Prince Dirk geboren zynde uyt de stamme der Hertogen van oost-vrieslant (die daar na, gelyk ook uyt de Ledenen van de voornoemde Prince Dirk tot Koningen in Oost en West-vriesland verheven zyn geworden,) datse met de komste van so hoogen persoon (seg ik) als wesende de voor- [7] naamste Ingesetenen, Welboren Mannen, zynde ryk in goederen, van hem (en mogelyk met verlof syner Vrienden Hertogen van Vrieslant) tot Heeren en Edelen gemaakt, en tot de regeeringe des Lands zynes Vorstendoms, en heerlykheden toegevoegd zyn: Sus ander en waar den so geloofwaardigen Cornelius Tacitus, de beroemde History schryver die in dese Lande lange te vooren geweest was, en des Lants gelegentheyt te deegen doorsnuffelen, van leugenen ofte beter groote misverstant te beschuldigen, daar hy by zynen tyden de mindere Vriesen al tot een volk stelt, en zyn woorden in 't kort van hem, dat de Vriesen twederley zyn, na de gelegentheyt van hare mogentheyt, want de eene werden genaamt die van het Groot Vrieslandt, en de andere die van het Kleyne Vrieslant, beyde dese volkeren te samen werden van den andere afgeslooten, door middel van den Rijn, en strekken tot de Oceanische Zee toe. Siet hier van in zyn Boek de Moral Germanicum, daar hy wyd en breed van dese volkeren en van hun zeden handelt. Plinius die reekent en telt de Kleyne Vriesen onder de Batavieren, noemende eerst Batavia, dan de Caninefaten, dan de Mindere Vriesen, de Waterlanders, de Cauchen, &c. beslooten zynde (so hy schryft tusschen Helium en 't Flevum, twee Casteelen, de eene gelegen ontrent de Mase, en de ander aan de Riviere het Flye.
Dat Winsemius segt, dat Friso de nieuw-gebouwde Stat van Vroonen, na syn wyf Vrougeest genaamt heeft, en de Romeynen weder- [8] om Veronam (so als sy schryven seyt hy verwondert my, want latende de naam in zyn wesen, tot aan ons vyfde Capittel daar als dan breeder van gehandelt sal worden) wie sal gelooven dat de Italianen sulkx getuygen, terwylen het minste daar van in de gemelde Tacitus niet te vinden is, die so eene sake vol voortreffelykheyt en dienende tot beter onderrechtinge aan de uytlantsche Hooftstad, en 't Lant der kleyne Vriesen, niet en hadde voorbygegaan; en indien de Casteelen, Burgen ofte Vastigheden aan den Rijn, van de Romeynen by tyden van dien eerwaardigen Tacitus, en voornamelyk die aan de Ryndeure by Vroonen gebouwt waren (so het sekerste niet en is, maar vry eenige jaren daar na) wat Schrijver isser onder de Romeynen. (neemt ook Plinius hier by, die hier vermeldinge van doet; dewyl wy schier aan hem alleen de eenige getuyge hebben, van den handel, zeden en manieren der Bataviers; en Vriesen, daar hy breed beschryft hen doen met en tegens de Romeynen, daarse hun-lieden so lang met de wapenen beschermden, datse eyndelyk de Vrede verkregen, en door de gene versmacht. Om dit wat nader in te sien, sullens eens overgaan tot Vroonen en besoeken de besettinge der Romeynen aldaar.
HET II. CAPITTEL.
[9] Hoe wel dat Winsemius verhaalt dat de Romeynen na hunne eygen getuygenisse de voornoemde Stad in gelykheyt van het Italiaansche Verona, Veronam genaamt hebben, so schryft hy niet wanneer by wat gelegenheyt. De sake lust my nu een weynig te ondersoeken, om eens te besien of het klouwen niet by den draad te vinden is, en hoe na datmen soude konnen ramen.
De meergemelde Tacitus doet in sijn gantsche Beschryvinge ofte Jaartydboeken, nochte in de zeden der Fuytschen geen vermeldinge daar van, en voornamelak van de gene die in kennemerland ofte in Westvrieslant (by zyn omswervinge hier ontrent) waren; so datmen wel gelooven mag datser doen noch niet geweest, maar namaals wel gemaakt zyn so de getuygen van later tyden by brengen, in de oude opschriften van 't bouwen der Kasteelen, nu en dan in Hollant gevonden, onder andere daar inne de woorden ontrent van dese inhoud, staat dat de Batavieren waren Broeders en Vrienden van 't Roomsche Ryk, gelyk ook in een ander steen. Petrus Schriverius verhaalt van vele Antiquiteyten die ontrent verscheyden oude en aansienlyke Gebouwen gevonden zyn, en segt dat daar uyt blykt dat de Romeynen hier lange heerschappye gehad hebben; het [10] welk gelofelijk is, doch heb noyt beschyt gevonden, of sulkx met bewillinge van de Batavieren geschiet was, of door dien de selve hun Roomsche Heerschappye, die hier so genoemt wort, onderworpen waren. Hy schrijft Rijnsburg toe dat het een Roomsch gebouw is, alwaar den Rijn voorby liep tot Catwijk in Zee; Want seyt hy men sal weten dat de middelstroom van den Rijn, die lange zyn naam behout (door de steden Uytrecht) Woerden, en Leyden voorby Rijnsburg (also van den Rijn en 't Roomsch gebouw genaamt) en Cattenwijk in de Zee placht te loopen, is verstopt door een groot en vervarelyken onweder) gelykerwys de oude Cronijken van Uytrecht vermelden) ten tyden van Hungrus de elfste Bisschop van Uytrecht, inden Jare 860. doen de Zeevis voor de Stad Uytrecht gevangen worde, en meer ander wonders geschiede, dat in de Cronijken te vinden is, op welken over langs de Rijn heen veel Sloten en Casteelen gebouwt zyn: Als daar ware Wiltenburg boven Uytrecht, Roomburg niet verre van Leyden, de Burgt binnen de Stad met de Burgen tot Rijnsburg en tot Valkenburg, en alle welke Casteelen die men daar na Burgen noemde, ongetwyffelt van de Romeynen gesticht zyn, tegen den aanval en oploop der Heydenen en andere hare vyanden. Verhaalt wyders van 't Huys te Britten, ofte Brittenburg, en stelt voorts verscheyden Antiquiteyten ontrent dese Casteelen en Burgen gevonden: Onder andere seyt hy ook desgelykx is de Burgt die buyten de Hoogewoerts-poort, niet verre van [11] Leyden lach, genoemt, Roodenburg, overmits de roode Tichelen en Estrikken die daar in groote menigte gevonden wierden, soo ik my van eenige heb laten seggen, en hier zijn ook kopere Afgoden gevonden, en kostelyke gesteenten, veele Medalien, en Marmorsteenen en met Roomsche Titulen en Opschriften: En verhaalt mede van Voorburg, en segt watter van is ofte niet, ik houde my versekert, dat daar ook een Roomsch gebouw gestaan heeft, want'er veel vreemdigheden en Antiquiteyten gevonden werden, en wort veel vreemdigheyt vertelt van den Koning Aurildulus, en van zyn groot Kasteel by Voorburg gebouwt.
Wel aan dan, laat ons gelooven dat de Romeynen na de tyden van Tacitus, 't zy om dat se de lieden hier onder dwang wilden houden, ofte dat zy dit deden om de Heydenen (daarse nochtans geen Christenen waren) ofte vyanden uyt den lande te weeren, vele sloten en Kastelen ontrent den Ryn, en voor namelijk by Leyden gebouwt hebben; wat sal ons dan hinderen omme te geloven dat de selve ontrent de uytgank van den Ryn by Petten, desgelyks deden, op datse daar mede de Noormannen en Deenen uyt ten lande mochten houden, die dog by na 't alderlangsten in 't Heydendom gesteken hebben, en geslagen vyanden, niet alleen van Heerschappye der Romeynen, maar ook van de Vriesen, en Hollanders waren? want warelik de plaatse van Vroonen was daar toe beter als een van alle de andere gelegen aan den Ryn. Ik hebbe in myn Zaanlantsche Arcadia ver- [12] haalt 't geene my dunkt dat hier mede te passe komt, dat de Zaan haar beginsel genomen heeft uytten Ryn by het oude Slot Roomburg, die de Romeynen op de mond van de Riviere getimmert hadden omme niet alleen de vaart door den Rijn na Catwijk te beheerschen, maar ook die door Kennemerland na de Noortzee geloopen heeft, op datter geen schepen door dese twee uytvallen van den Rijn, op nog neder soude varen sonder believen van de Romeynsche Oversten, &c. En gelijk het een Burg der Romeynen geweest is tot verseekering van hare Heerschappye, so is ook Vroonen geweest om haren staat des te beter te bevestigen. Welke ons ook niet duysterlyk (so my dunkt) te kennen geeft den Enkelden Arent, die de Heeren van Vroon tot haren Wapen en Zegel gebruykt hebben, als die sy doen ter tyd van de Romeynen (daar zynde) al ontfangen hadden: Want de verdubbelinge van des Keysers Arent is eerst geschied ten tyden van den Keyser Constantinus; in 't Jaar van 330. als wy verhalen sullen in 't achtste Capittel, ende dit soude nog meerder schyn hebben, terwylen voor die tyd de Romeynen hier de meeste besittinge hadden, en namaals so niet. In het jaar van 65. na de geboorte Christi, bouwde een seeker Ritmeester, zynde Roomsch balling, 't Slot Anthonius, dat de Slaven en Wilden, woonende ontrent Dordrecht, verdestrueerden 122. Jaren daar na, en voorts weder herbouwt, noemde het Wiltenburg, dat niet verre van Uytrecht aan den Rijn was, maakten daarom mueren en poorten. Dit is van Valentianus de Keyser neder geworpen. En schoon men van het besit der Romeynen geen [13] seker bewysen konnen hebben soo mach myn nogtans uyt de omstandigheyt van 't bouwen der Burgeren ontrent den Ryn, wel geloven datse het besetten, en die van Vroonen metten enkelden Arent versien hebben, in de tusschen tyden van C. Cornelius Tacitus, vermaart Historyschryver der Romeynen, en van harent wegen Rentemeester in dese Landen, na Constantinus de Keyser beloopen byna 300. Jaren.
HET III. CAPITTEL.
Geen volk was de Stad Vroonen en hare gelegentheyd dienstelyker, dan de verwoede Deenen en Noormannen, aan de eene zyde omme haar sitstoel des Oorlogs aldaar te maken, als verhaalt sal worden, en aan de andere zyde omme de naast-gelegene Landen tollen, desgelyks schattingen af te parssen, voornamelyk van Hollanders en West-vriesen: De tollen trokkense van de schepen die op en af den Ryn wilden varen met hare goederen, so te vooren gedaan was. De schattingen waren lastgelden diese de lieden door de wapenen en hun groot gesag afdrongen: Oversulks hebben de Koningen hier een Tribuythuys doen maken, daar (so men schryft) Saxus Grammaticus veel wonders van verhaalt. Dog het geene dese soo seer geachte Schryvers hier van getuygt, hebbe tot myn groot leetwesen noyt konnen bekoomen.
Het is altyd sekerder van henlieden datse Vroonen besetten hebben dan van de Romeynen, ik heb geseyd om haar Zedum [14] Bellum aldaar te houden, van dit sal ik meer bescheyt doen in 't elfde Capittel. Dog op dat men dies te beter dit uyt mijn voorstel soude mogen bevestigen, sullen daar van eenige dingen verhalen uyt onse Historyschryvers, so vele als die zijn, die staande houden dat de Noormannen en Deenen hier lange heerschappye gehad hebben. Boxhornius schrifter dit van: de geleerde komen niet over een, wanneer de Noormannen Holland overwonnen hebben, en aldaar haar volk aangevoert; en dit is niet te verwonderen, daar in die tijden so groot gebrek van Historyschrijvers was, &c. En vorders Junius die dunkt dat dit overvallen der Deenen gedaan is in 't Jaar onser verlossinge 837. als Duerstede door 't sweert en yver verdestrueert is geweest, en de Vriesen Contributie afgeeyscht, (hier is wel in acht te nemen van 't Tribuyt-huys tot Vroonen,) na het getuygenis van Sigebertus P. Opmerus [?] soude gedaan zijn in 't Jaar 682. maar ik en weet niet wat Autheur hy daar in volgt: Andere schryven op een ander Jaar. Wy sullen onse meyninge ofte gissinge hier van niet verswygen. Het is dan gelooffelyk dat de Noormannen defe Contreyen door den Oorlog aangevochten, en overweldigt hebben eenige hondert Jaren (want den oprechten en waaragtigen) tyt en kanmen niet teenemaal versekeren) voor de opregtinge van de Graaflykheyt, en dat sommige van haar die uyt het Deensche Hollant gekomen waren, dese plaats eerst ingenomen, en van haar eygen name Hollant genoemt hebben, &c. Wy- [15] ders, dat de voorsz. Noormannen in de volgende tyden van de Koningen van Vrankryk aangevochten zynde, van de selve somtyts verjaagt, somtyts ook de Victorie bevochten hebben, en dat sy onder regeeringe van Dirk den eerften van dien name, Grave van Hollant, niet te eenenmaal in route geslagen zyn, gelyk men tot nog toe gemeent heeft: Maar dat zy in de besittinge van't Lant gebleven, en wy daar van af komstig zyn, want het kan gebeurt zyn dat de Franschen na veel vechtens dit Land den Noormannen om daar in te woonen overgelevert hebben; ofte dat de Noormannen 't selve met gewelt ingenomen hebbende, door Houwelyken en andere soodaenige alliantien met andere nabuerige Vorsten, haar selven daar in met kracht gesterkt, en alsoo vastelyk behouden hebben, &c. Regina getuygt dat de Noormannen op't Jaar 884. uyt Denemarken in Kennemerlant, het welke 't hert van Hollant is, gekomen zyn, op datse door last van Godefroy, den Ryn (verstaat by Vroonen) opvaren souden: Zoo souden de Noormannen op't Jaar 862. niet verdreven zyn geweeft. En men moet weten (seyt hy elders) dat de Noormannen die in Hollandt geseten waren, met haar gebueren en omleggende volkeren ontrent dien tyt, een groot ende swaar Oorlog gevoert hebben, dikwyls verwonnen, en dikwils verwinnaars zynde, alsoo hebben zy op het Jaar 837. de vermaarde en voortreffelyke Stadt Duerstede met vyer en swaart verwoest, en de Vriesen, die zy alreede overwonnen hadden, onder [16] contributie gebracht, &c. De naamen van veele Steden en Vlecken vintmen in Hollant die over een komen met de namen in Denemarken, als Schagen, Bergen, Valkenburg, Haarlem, Workum, Woerden en Noortwyk. Uyt welke de doorgronders van de Nederlantsche outheyt, voor vast en ongetwyffelt houden, dat de naam van Hollant uyt dese wortel gesprooten is: dit hebben wy uyt het Toonneel van Holland door Boxhornius beschreven, dus wytloopig willen verhalen, om te betonen, dat de Deenen en Noormannen, lange voor die tyden der Graven van Hollant, dit Lant al beseten hebben, hoewel dat onse Historyschryvers weynig vermelding daar van doen voor den Jare van 80. en is na myn gevoelen wel te gelooven, terwylen zy in verscheyden togten niet alleen de Hollanders, maar ook de Wilden, Slaven, Vranken en andere volkeren overvallen hebben, houdende hare besittingen en besettinge in Vroonen, te meer om dat hy seyd dat zy in de besittinge van dit Land gebleven, en wy daar van afkomstig zyn, en de Chronijken getuygen, van haar verscheyden invallen in Hollant, en segt Schriverius, dat dit baldadig volk met een groot getal van Schepen den Ryn opgekomen zyn, en dat het gantsche Land doorliepen met schenden, moorden, branden en rooven. Daar na seyd hy, Anno 847 als dit volk noch niet versadigt was, zynse den Ryn wederom opgekomen, verstoorende en verwoestende na haar oude gewoonte, Steden, Dorpen, Kasteelen, Sloten, en al wat [17] se onderwegen vonden. Ook desgelyks in het Jaar van 856. verdervense in Zuyt hollant onder anderen ook de Sloten tot Voorburg en Noortwyk, doodende S. Ieroen die daar Priester was, en Rynland aldus te vyer en swaart verwoest hebbende, heeft dit schadelyk volk Kennemerlant ook aangetast, alles ter neder werpende, verdestrueerden de Egmond met S. Aalbrecht Kerke aldaar; uyt welke wel te begrypen is dat de Deenen en Noormannen, en in dese tochten en diese te voren mochten gedaan hebben, Vroonen, tot haar loop plaats met hare Schepen genomen hebben, daar hun Tribuythuys was, en hun best gelegen, om'er uyt Deenemarken aan te komen, te havenen, en voorts den Ryn op te varen.
HET IV. CAPITTEL.
Ick heb sulks voor tegenwoordig (doch me mocht het hier onnodig achten) omme te bewysen dat Vroonen een heel oude Stad is geweest; maar my wel bedenkende hebbe noch noyt eenige Schryver doorgesien, de welke gelooft heeft, datter de Stad van Vroonen geweest is, of hy heeft de selve oud geacht; daarom seg ik, men mocht het hier onnodig achten dit andermalen te verseekeren, terwylen genoegsaam uit de drie voorgaande Capittelen blykt datse Overout is (so men somwylen dit woordeken gebruykt, omme van een ongemeene ouderdom spreken.) Doch wy willen ten overvloet, haar oude Heerlykheyt en gelegentheyt bevesti- [18] gen, en verhalen eenige geschiedenissen, die aauwysen datse in die overoude tyden, seer bequaam lach om met schepen daar aan te komen en te havenen. Hoewel van dit desgelijks in 't tiende Capittel breeder gesproken sal worden van hare gelegentheid aan een uytgank van den Ryn, welke Rijnspruchtels, ouderdom en vaarbaarheid men oordeelen kan uyt de afvloeyinge des Rijns door Kennemerland, ofte foo de oude Schryvers getuygen, in het midden door Batavia, met de woorden van Plinius, die voor veel hondert jaren geleeft heeft. Corbulo, een Veltoverste der Romeynen in Duytsland, de Gallische, ofte Fransche Kust verlost hebbende van de Zeeroovers, is getoogen na de Vriesen, daar mede bevredigt zijnde, heeft deselve om hun in tucht te houden, een sterk guarnisoenplaats gemaakt, waar mede de stad Vroonen (segt Hoeve) wel verstaan wort. So dit waar is het geene hy hier segt, en in zyn Chartre Chronyk schrijft, lib. 3. cap.14. soo gaan dese twee dingen vast; Eerstelyk, dat de Romeynen, als wy verhaalt hebben, Vroonen vast gemaakt hebben tot een Guarnisoenplaats, en most geschied zyn geen hondert jaren na ons liefs Heeren Christi geboorte. Ten anderen, dat'er als doen alreede een bequame Haven was om met zyn schepen daar in te komen doen hy de Zee geveylig hadde, als hier uyt wel gevat kan worden. Desgelykx segt Hoeve, dat Civilis den Batavier zyne schepen na boven tegens den Rijnstroom optrok, dat niet verre hier van daan geweeft is. Van den Ryn by Vroo- [19] nen, de Haven, en wat diergelyks mag wesen, heeft van der Hoeve breed en seer aardig beschreven in het voorgemelde Boeck, dito ?? cap. 3?. Hy heeft ook in het 11. Capittel te vooren verhaalt van St. Ursula, die wel haar elf duisend Maagden aan de Ryndeuren en tot Vroonen in Westvriesland te scheepe quam: zy wort genoemt met Maagden aldaar aangekomen te zyn; sommige seggen datter ook Weduwen onder waren, dit word op 't Jaar 383. gesteld, doense uyt Brittanien reysden, om aan gelyk getal van soldaten in Armorien ten Houwelyk besteed te worden; doch gevallen door tempesten binnen de Ryndeuren, en voorts tot Verona in Vriesland; voorders in de handen der Picten en Hunnen, (dit waren mogelyk Zeerovers, die wel eer in Yrlant, en namaal in Schotland woonden) van welke tot Oversten waren Melgo ende E????, als zy haar selven tot hunne wellusten niet begeven wilden, zijn al te samen, so geschreven word, vermoort en omgebracht, ten tyden des Keysers Justiniani, in het Jaar 698. als Wilfridus Bisschop, en Willibrordus aldaar aanquamen; van Wilfrit verhalen wy in de Opkomste van Alkmaar, in 't vierde Boek in 't eerste Capittel. Wy hebben ook in 't voorgaande geseyt, dat de Deenen, uyt last van Godefroy, alhier den Ryn opvoeren, na de getuygenisse van Regino, die op dien tyt leefde, welke bequaamheyt der Haven, en gelegentheid voor de Deenen, om tot Vroonen en voorts in Holland te komen, groote oorsaken gegeven [20] hebben totten inval, en tot so veel verwoestingen in de Landen hier ontrent. De Romeynen en de Vriesen hielden ten tyden Tiberius een slachtinge in Weft-vriesland, om de nabuurheid van den Rynstroom, door welkers middelmond Apronius, der Romeynen Oversten, zyn volk wederom te scheep heeft wech gevoert: Dese Slag geschiede by het Bosch Baduhinne, in West-Vriesland. Leeft hier van Winsemius, lib. I. folio 22. Hier uyt soude men ook afnemen konnen dat de Romeynen Vroonen doen ter tyd besaten, en datse overmits eenige saken van den Ryn die daar voorby liep, in Oorlog geraakt waren: Dat ook Apronius zyne schepen Van Vroonen uyt de Haven gevoert hadde tegens de Vriesen, doch de slag bequam hem niet wel, en hy keerde weer te rug met zyn schepen en overgebleven volk.
Wouter van Gouthoeven, in zyn verbeterde Hollandsche Chronyk, sprekende van het Dorp Bergam ofte Bergen, dat het bewesten den Ryn lag, segt daar op voorder : Hier uyt blykt dat den Ryn, met eenen arm dwars door Rynland tot Alkmaar, Egmond, en Bergen toe, in dien tyden mede in Zee geloopen heeft, alsoo kennelyk is uyt de oude Historyschryvers, dat de Deenen en Noormans met hun schepen hier by somtyds aan land gekomen zyn om rooverye te stichten, gelyk Philippus Comineus, die over 140. jaren (seyt hy ontrent 1618) geleeft heeft, schryft in zyn Historie van de Koning Lodowyk de elfste van Vrankryk, en verhaalt dat Eduart de vierde van dien name, Ko- [21] ning van Engeland, uyt zyn Koninkryk voor zyn vyanden vluchtende, met drie schepen en 700 mannen na Holland toe, uyt vreese van de Oosterlingen, die met acht schepen op Zee waren, genootsaakt was lager aan Holland naar Weft-Vriesland te zeylen, en dat hy quam by een kleyn stedeken Alkmaar genaamt, en ankerde zyn drie schepen soo naar de Stad als men konde, alsoo door leeg water de schepen in de Haven niet wel komen konden, uyt het welke Gouthoeven wederom een besluyt maakt, dat als doen de Ryn aldaar mede in de Zee liep, welk mits gevoelen in myn Zaanlants Arcadia tegen gesproken hebbe, overmits doen den Haven al lang geslooten had geweest, en selfs lag by Petten, over dese opening, Anno 1400. al een Dyk, die XXI. jaren daar door brak.
HET V. CAPITTEL.
Oorspronk des naams van Vronen: wat Vroonen te seggen zy; Waaruyt ook 't woordeken van Vryen Vrank gekomen is.
IN het eerste Capittel is gesproken (uyt Winsemius, en uyt andere Schryvers) van 't bouwen der stadts Vroonen; desgelyks ook aangeroert de oorsprong van haar twee eerste namen, de derde sal de twee volgen. De gemelde Schryver (op dat ik zyne woorden hier wederom by voege) segt dat Friso de Stad na zyn vrouwe Vrouw-geest genoemt heeft, en de Romeynen daar na, ingelyk- [22] heid van het Italiaansche Verona, Veronam. Wat de naam Vrouwgeest betreft, is mogelyk by de geleerde man sottelyk beraamt, en heeft de sake uytgedrukt na de woorden die bloot leggen, Vrouwgeest, ofte Vroon op de Geest, een eenige letter maar veranderende: Ofte nu by verloop van tyden de naam is uytgesproken voor VrouVron, gelyk de namen van Steden en Plaatsen dese omwentelingen by de gemeene man onderworpen zijn, als te zien is in de navolgende, voor Alle-meeren, Alkmaar, voor St. Pancratius, St. Bankers, voor School te rel Schorel, voor Medemelacha ofte Medenblinkt, Medenblik, ofte by sommige Memelik; voor Enkelhuysen, Enkhuysen, en wat sal ik niet seggen voor Heerlems-stad, Haarlem, en diergelyke, of ook de Ingesetenen liever gehad hebben. Een Vron ofte vrye naam, dan die van een Vrouwe: hoe wel dat veel van de voortreffelykste Steden in Italien, Griecken, Kleyn Asien, Egypten, &c. na Vrouwen genoemt zijn, dat is niet seekerlijk te seggen: men vind nergens in eenige oude Chronijken, Opschriften ofte Schriften, dat woordeken van Vrouwgeest; maar wel Vrolen, Vronlen, Vron, en ten meesten tijden Vroon op de Geest, als in 't vervolg wel blijken sal; so uyt het Zegel der Stad, uyt de giften der Graven, en uyt de oude beschryvingen. Het kan licht wesen dat Frisus wijf Frouwe? geheeten heeft, maar Geest heeft zyn besondere eygenschap, terwylen het een Hoogland beteekent, dat hem verheft boven de Broeken en lage Beemden, lager zynde dan de Bergen, ook minder dan de Heuve- [28] len, wort daarom by de Swirtsers een Tal, by de onse een Dal, en by de vreemde Volkeren een Valeye genaamt, leggende ontrent de verheven hoogte der Bergen, en laagte der Broeklanden, Poelen en Moerasschen, gelijk Vroonen gelegen heeft, en noch het seer oude Buertje van Zaangeest (in de banne van Bergen bewesten den Rijn) leyd. Ook is de name van Verona by de alderkloekste Schrijvers tot den selven gedaan, en de Uytlandische best bekend. Dan wel Vrougeest, van welke men de getuygenisse kan sien in de Latijnsche en Nederduytsche schriften.
Wy moeten ook eens innesien wat het seggen van de Romeynen beduyd heeft, die dese Stad in gelykheyt van 't Italiaansche Verona Veronam noemden. Verona in Italien leyd op een schoon en effen pleyn, gekeert na 't Zuyden, Oosten, en Noordwesten, in 't Noorden allengskens sich wat verheffende; welke hoogte ofte heuvelkens haar een gedaante van een Theatrum ofte Schoutooneel geeft: op het hoogste der heuvelkens leggen twee brave Kasteelen, en men vind daar ontrent noch een oud Casteel, het welke gemeenlijk Citadella genaamt word, hier worden noch guysenderley Antiquiteyten gevonden, die getuygen van hare oude Heerlijkheyt en Rijkdom. Soo wanneer dit nu waar is, datter eenige gelijkheyd tusschen dese plaatsen geweest is, soo het ook wel geweest mag zijn, hebben wy veel voortreffelijkheyt van onse Westvriesche Verona te bedenken: Wat dat Vroonen mede gekeert [24] was naa het Zuyden, Oosten en Noordwesten (verstaat in de vlackte ofte ook in de gedaante des Stads) wie kander tegens seggen met blyckende redenen? Wy houden 't geene van Verona in Italien gesegt is: Het eerste moet nootsakelyk waarzyn, na de gelegentheid des Stad yder die 't gesien heeft, en de Hetrusschen wonderlyk wel bekend: Het ander kan waar zyn, mids dat men de boessem van den Ryn-spruchtel, niet alleen tot Bergen (daar men de schepen van ouds mede bergden) maar boven dit, datmen een boessem (voor het Vaartuyg (binnen in de Stad noch vind, loopende tot aan het Merkveld (een oude Antiquiteyt van Vroonen) daar alle Goederen, die den Ryn opgevoert most, uytgescheept wierden, gelyk in een Stad geschied die Stapelrecht heeft; en oversulks soude Vroonen halvemaans gewyse gelegen hebben, met hooft en de voeten aan den Ryn (by my de Zaan genaamt) en de rugge na het Ooften gekeert; het hooft na Bergen ofte in 't Noord-westen, en de voeten na 't Zuyd, mits de gemelde Rivier meerder om het Zuidoosten liep. Siet nu eens, dus kan men een saak uytvinden, waar van men geen beschryving vind; en dat'er gesegt word, dat de Landen ofte de Stad allenckens in het Noorden wat verheft, met kleyne Berghskens: Dit is so klaar als den dach; want Vroonen had voor 't inbreeken der wateren in 't Noorden veel heuvelen, die eyndigen aan de Bergen, welk den Occenaus uyt het Land keerden, gelyk deselve [25] nu noch doen, hebbende een ommering by na als een halve Maan; Want de Bergen van West-vriesland achter Vroonen leggende ingeboogen. Op de hoogte van kleyne heuvelkens hebben lichtelyk ten tyden datter de Romeynen waren geweest, twee ofte drie Casteelen gestaan, daar onder het voornaamste dat van Friso en zyn nakomelingen gebouwt, soo dat vroonen haar vertoont heeft als op een Theatrum ofte Schouwburg, bewysende haar heerlykheid en rykdom, gelykse namaal in haren val ook den jammerlyken ondergank heeft getoont.
Het is ook eens van noode dat men inne ziet wat men het woort Vroonen te kennen gegeven heeft, ofte te verstaan geven wil: Eener segt op dese saake aldus: Dit selve seyt hy (hebbende aangeroert de woorden die in de rand der Klocxkens gegooten zyn) doet aanwysinge om den oorspronk des naams van deses Stads te ondersoeken, en daar door te verklaren datse niet Verona genoemt mag werden, want Vroon alsoo weynig gemeenschap heeft met Verona, als Leyden met Lugdunum: Maar alsoo by de oude Vriesen en Saxen, Vroon beduyd vry (want de n word om de klank ten vollen daar aan geset) en Vroone beteekent tolle ofte Heeren chyns, de welke de Steden ofte Landen gehouden zyn de Princen ofte Heeren te betalen, waar van zy vry waren, gelyk andere Vroon-heeren; Soo hebben zy sonder twyffel uyt oorsaacke van [26] sulke hunne vryheden, die zy van hunne Graven en Heeren verkregen hadden, met hun eygene oude vriessche tale willen noemen, Vron le Geest, vrije leden en landen; want zy niet gehouden waren eenige chynsen ofte tollen te geven, om de welke vryheyt te behouden, hebben zy de wapenen (als verhaald sal worden) aangenomen, &c. Nu 't kan wel zyn, dat gelyk de Romeynen de naam van Vrouwgeest verandert hebben in Verona, na de gelykheid van het Italiaansche, die van de Stad ook de name van Verona vernadert hebben in Vronen, na luyd van hunne vryheden, die best met het seggen van Vroon ofte Vryheeren over een quam, maar dat Vron ofte Vro op zyn Vriesch ofte op zyn Sax vryheid soude bedieden, daar van en schynt Albertus Cranzius, die de gesten der Saxen soo verstandelyk geschreven heeft) niet geweten te hebben; want hy seyt dat eenen Hanefro, Hanover de name veroorsaakt heeft, als dat de Hanestzaden waren, want Vro noemden de Deenen seker Zade, lib. I. cap. 11. Vro. is ook een woort van verheuginge, het welke met de vryheid maagschappye heeft. Het wort verhaalt dat Franeker in Vriesland, wel eer plag te heeten Froen-Akker ofte Vroon-Akker, en soude ontstaan zyn, soo men seyd, van een gevryde Akker ofte Land daar het op gebouwt wierd, en is metter tyd de naem van Vroonakker in Franeker verandert. Wat ook beroert de Tollen ofte Heeren Chynsen die Vroonen genaamt werden, dit is van ouds bekent geweest, en wierde doen de Vroon- [27] schoude geheeten, bestaande in Last-geleden die men aan den Heer betalen most. Van de selve bevind ik mede in de Voorrechten van Waterland, dat men eenig man de Vroonschoude manen sou tot zyn voordeur, en dat most weten twee zyner naaste Bueren; en gaf hy se niet ten eynde zyner Dorpen, ofte yemand van zynent wegen, so was hy den Heer schuldig een boete van twee pont. Van dese Vroonschoude sal in 't volgende Capittel breeder gesproken worden, hoedanig sulks by die van Vroonen geweest mag zyn, die nochtans vrye lieden wilden heeten, en ook daar benevens droegen de naame Friesen, Frye-Friesche volkeren.
Mathias van der Hoeve, segt in zyn Hantvest Chronyk, lib. 6. folio 163. dat de Saxonis Inferioris, Batavia, Frisii, Bructery, en andere Fransche Volkeren, Franci, van de Vryheid genaamt wierden. Beyde de namen van Vrye en van Vranken, hebben de oude Volkeren seer gecelebreert, en soo hooge in waarde gehouden, dat yeder by na Frye (alias Friesen) en Vrancken (alias Francken) woude genaamt zyn; en dit was de oorsaak dat in de Landen der Batavieren, en het bovenste van de Betuwe de plaatsen opwaarts gelegen, de name van Neder-Vrankryk ofte Franckenlant soo lange bleef; en desgelyks de Neder-Saxische Vriesen, die hun uytbreyden tot boven Uytrecht, na het Ryk van Nieumegen, (nova magus) het welke de Rym-Chronyk, en met hem vele andere bevestigen, van dit schryft M. Stocky aldus:
[28] Oude boeken hoor ik gewagen
Dat al't landt beneden Neymagen
Wylen Neder-Saxen hiet,
Also al de stroom verschiet
Van der Mase en van den Ryne,
De Scheld' was dat west-ende zyne
Alsoo als zy valt in de Zee,
Oost strekkend' min no mee
Dan tot'er Lavece of ter Elve,
Die Keyser van Roomen selve
Ontsagen menighd werf dit Lant,
Wantmer wreet volk en sterck in vant,
En die quaat te soeken waren,
Dicke quamen zy met scharen
Om dat Roomsche Ryk te kranken
En verheerde de Rynvranken,
Wiltenborg hief haar Hooftstad,
Daar dat volk menigh jaar in sat, &c.
En wat lager.
De Neder-Saxen heeten nu Vriese.
Voorts seyt desen Schryver, dat'et Graafschap van Hollant een stuck van Vriesland is, en dat de Koning van Vrankryk een stuck daar van besat, daarom noemen wyse aan het Zuyden Neder-Franken, boven staat Rynvranken, en aan het Noorden de Neder-Saxense Vriesen, want de name (soo P. Schriverius aantekent) van Hollant is niet veel meer dan ses hondert Jaren bekent geweest; dat wylen Hollant, het Sticht van Uytrecht en ook een deel van Gelderlant, onder den naam van Vriesland begreepen was; dit kan ik (seyt hy) uyt de oude geloofwaar- [29] dige Schryvers beweeren; Stigebertus Gemelacensis op het Jaar 1009. noemt Tiel een Stad van Vriesland, Uytrecht is by de selve op 't volgende jaar 1010. in Vrieslant geset, desgelyks is Trajectum Frisia Urbis, by Wippo in vita Conradi Salici, op 't Jaar 1039. Item by Ottho Frisingensis lib. 5 cap. 31. en by Harmanus Contractus: by Lambertus Scafnaburgensis op 't Jaar 1048. word Vlaardingen en Rynsburg onder Vriesland gereekent, welke Schryvers alle op dien tyt geleeft hebben, P. Schriverius out Batavia Duyts, pag. 111. De Franken (schryft eener) hebben 't jock der Romeynen van den halse geworpen; alsse selve begeerig waren omme te heerschen, so hebbense een naam bedacht van de vryheyt, sich latende Vrancken ofte Vrye volkeren noemen, achterlatende de oude naam der Duytschen. Doch een ander seyt, dat de Vriesen haren ouden naam noyt verandert en hebben, en haar oude Landen noch bewoonen; daar benevens hebben de vrye volkeren van Vroon hun oude naam vele eeuwen beseten, en na dat de Stad vergaan is, soo is de waardigheit noch gebleven tot op desen dag, en behoud hare plaatse in waardige saaken, dat men deselve veel malen gedenken moet, in de Vroonlanden; Vroonvis en Vroonschoude, tot het welke (om wat breeder te verhandelen) ick nu gekomen ben.
(...)