NL205.01 Askar
Ontwerp 2026 Ott
Overwijn 1951
Ottema 1876
[/247] Zoodra Askar van Reintjas boden vernam, hoe de Jutten gezind waren, zond hij terstond boden van zijnentwege naar den koning van Hals. Het schip, waarmede de boden gingen, was vol geladen met vrouwen sieraden, en daarbij was een gouden schild, waarop Askars gedaante kunstig was afgebeeld. Deze boden moesten vragen of Askar des konings dochter Frethogunsta tot zijne vrouw mocht hebben. Frethogunsta kwam een jaar later te Staveren; bij haar gevolg was ook een Magy, want de Jutten waren sedert lang verdorven. Kort nadat Askar met Frethogunsta getrouwd was, werd er te Staveren eene kerk gebouwd; in de kerk werden booze gedrochtelijke beelden gesteld, met goud doorwevene kleederen. Ook is er beweerd dat Askar bij nacht en bij ontijde met Frethogunsta zich daar voor nederboog. Maar zooveel is zeker, de burgt Stavia werd niet weder opgebouwd.
Reintja was reeds teruggekomen, en ging nijdig naar Prontlik de Moeder te Texland zich beklagen. Prontlik ging heen en zond allerwege boden, die verkondigden: Askar is overgeven aan afgoderij. Askar deed alsof hij het niet merkte, maar onverwacht kwam er een vloot uit Hals. Des nachts werden de Maagden uit de burgt gedreven, en des ochtens konde men van de burgt slechts eene gloeijende puinhoop zien. Prontlik en Reintja kwamen bij mij om eene schuilplaats; toen ik daar later over nadacht, scheen het mij toe dat het kwaad voor mijne staat bedijen konde. Daarom hebben wij te zamen eene list verzonnen, die ons allen moest baten. Zie hier hoe wij te werk gegaan zijn. Midden in het Krijlwoud beoosten Liudwerd ligt onze vlied of weerburg, die men alleen langs doolpaden kan genaken. Op deze burgt had ik sints langen [249] tijd jonge wachters gesteld, die alle een afschuw van Askar hadden en alle andere menschen daar vandaan hielden. Nu was het bij ons al zoo ver gekomen, dat vele vrouwen en ook mannen al praatten over spoken, witte wijven en kabouter mannekes even als de Denemarkers. Askar had al deze dwaasheden tot zijn voordeel aangewend, en dat wilden wij nu ook tot ons voordeel doen. Bij eene duistere nacht bragt ik de Maagden naar de burgt en daarna gingen zij met hare dienaressen langs de doolpaden spoken in witte kleederen gehuld, zoo dat er naderhand geen mensch meer durfde komen. Toen Askar meende dat hij de handen ruim had, liet hij de Magjaren onder allerlei namen door zijne staten reizen en behalve in Groningen en in mijne staat werden zij nergens geweerd. Nadat Askar alzoo met de Jutten en de andere Denemarkers was verbonden gingen zij alle te zamen rooven; doch dat heeft geene goede vruchten gebaard. Zij brachten allerhande buitenlandsche schatten te huis. Maar juist daardoor wilden de jonge mannen geen ambacht leeren, noch op het veld arbeiden; zoodat hij ten laatste wel slaven nemen moest. Maar dat was geheel tegen Wraldas wil en tegen Fryas raad. Daarom konde de straf niet achterwege blijven.
Noten
[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 19e Hoe Straf Kwam