Jump to content

NL113.23 Vlucht

From Oera Linda Wiki
Revision as of 13:04, 13 February 2023 by Jan (talk | contribs) (add)
(diff) ← Older revision | Latest revision (diff) | Newer revision → (diff)

Ontwerp 2026 Ott

[113/23]

Overwijn 1951

Ottema 1876

[157] De geschriften van Frêthorik en Wiljow.

Mijn naam is Frêthorik toegenaamd oera Linda, dat wil zeggen over de Linden. Te Ljudwardia ben ik tot Asga gekozen. Ljudwardia is een nieuw dorp, binnen den ringdijk van de burgt Ljudgarda, waarvan de naam in oneer gekomen is. Onder mijne tijden is veel gebeurd. Veel had ik daarover geschreven; maar naderhand zijn mij nog vele dingen gemeld. Van een en ander wil ik eene geschiedenis achter dit boek schrijven, de goede menschen tot eere, de slechten tot oneer.

In mijne jeugd hoorde ik klachten alomme: booze tijd kwam; booze tijd was gekomen; Frya had ons verlaten; zij had hare waakmeisjes terug gehouden; want gedrochtelijke (afgods)beelden waren binnen onze landpalen gevonden.

Ik brande van nieuwsgierigheid om die beelden te zien. In onze buurt strompelde een oud vrouwtje de huizen uit en in, altijd roepende over de booze tijd. Ik draaide haar op zijde. Zij streek mij om de kin. Nu werd ik vrijmoedig en vroeg haar of zij mij de booze tijd en de beelden eens wilde toonen. Zij lachte goedaardig, en bragt mij op de burgt. Een grijsaard vroeg mij of ik al lezen en schrijven kon. Neen, zeide ik. Dan moet gij eerst heengaan en leeren, zeide hij, anders mag het u niet getoond worden. Dagelijks ging ik bij den schrijver leeren. Acht jaren later hoorde ik, dat onze burgtmaagd ontucht had bedreven en dat sommige burgtheeren verraad gepleegd hadden met den Magy. En vele menschen waren op hunne zijde. Overal kwam tweespalt. Er waren kinderen, die opstonden tegen hunne ouders. In 't verborgen [159] werden de brave menschen vermoord. Het oude vrouwtje, dat alles openbaar maakte, werd dood gevonden in een gruppel. Mijn vader, die rechter was, wilde haar gewroken hebben. Bij nacht werd hij in zijn huis vermoord. Drie jaren later was de Magy meester zonder strijd. De Saxmannen waren vroom en braaf gebleven. Naar hen vluchtten alle goede menschen. Mijne moeder bestierf het. Nu deed ik als de anderen. De Magy verhief zich op zijne slimheid. Maar Irtha zoude hem toonen, dat zij geen Magy noch afgoden mocht toelaten tot de heilige schoot, waaruit zij Frya baarde. Even als het wilde ros zijne manen schudt, nadat het zijn berijder in het gras geworpen heeft, even zoo schudde Irtha hare wouden en bergen. Rivieren werden over de velden gespreid. De zee kookte. Bergen spuwden vuur naar de wolken, en wat zij gespuwd hadden, slingerden de wolken weder op aarde. Bij den aanvang van Arnemaand (oogstmaand) neigde de aarde noordwaarts en zeeg neder, al lager en lager. In de Wolvenmaand (wintermaand) lagen de lage marken van Fryasland onder de zee bedolven. De wouden, daar beelden in waren, werden opgeheven en een spel der winden. Het jaar daarop kwam vorst in de Hardemaand (louwmaand) en legde oud Fryasland onder een plank (ijsveld) verscholen. In Sellemaand (sprokkelmaand) kwam stormwind uit het noorden weg, mede voerende bergen van ijs en steenen. Toen springvloed kwam, hief de aarde zich op. Het ijs smolt weg. Ebbe kwam en de wouden met de beelden dreeven naar zee. In de Winne of Minnemaand (bloeimaand) ging ieder, die durfde, weer naar huis varen. Ik kwam met eene maagd op de burgt Liudgaarde. Hoe droevig zag het er daar uit. De wouden der Lindaoorden waren meest weg. Waar de Liudgaarde geweest was, was zee. De golfslag zweepte den ringdijk. IJs had den toren vernield, en de huizen lagen door elkander. Aan de helling van den dijk vond ik een steen; [161] onze schrijver had daar zijn naam ingegrift; dat was mij een baken. Gelijk het met onze burgt gegaan was, zoo was het ook met de andere gegaan. In de hooge landen waren zij door de aarde, en in de lage landen door het water vernield. Alleen Fryasburcht op Texland werd ongedeerd gevonden. Maar al het land dat noordwaarts gelegen had, was onder de zee; nog is het niet weer boven gebragt. Aan dezen kant van het Flymeer waren, naar gemeld werd, dertig zoute plassen gekomen, ontstaan door de wouden, die met grond en al weg gedreven waren. Te Westflyland vijftig. De gracht, die van het Alderga dwars door het land geloopen had, was verzand en vernield. De zeelieden en ander varensvolk, die te huis waren, hadden zich zelven gered met magen en bloedverwanten op hunne schepen. Maar het zwarte volk van Lydasburgt en Alkmarum had eveneens gedaan. Terwijl de zwarten zuidwaarts dreven, hadden zij vele meisjes gered, en naardien niemand kwam om ze op te eischen, hielden zij haar tot hunne vrouwen. De menschen die terug kwamen, gingen allen binnen de ringdijken der burgten wonen, omdat het daar buiten alles slib en broekland was. De oude huizen werden zamengeklust. Van de bovenlanden kocht men koeijen en schapen, en in de groote huizen, daar te voren de maagden gevestigd waren, werd nu laken en filt gemaakt, om des levens wille. Dit geschiedde 1888 jaren nadat Atland gezonken was.

Noten


Navigeer

[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 14b De Zwarte Mannen