NL106.10 Ljudgarda
Ontwerp 2025 Ott
Overwijn 1951
Ottema 1876
[147] Nu wil ik zelf schrijven, eerst over mijne burgt en dan over hetgene ik heb mogen zien.
Mijne burgt ligt aan 't noordeinde van de Liudgaarde. De toren heeft zes zijden. Driemaal dertig voet is hij hoog. Plat van boven. Een klein huisje daarop, waaruit men naar de sterren ziet. Aan iedere zijde van den toren staat een huis, lang drie honderd en breed driemaal zeven voet, en evenzoo hoog, behalve het dak, dat rondachtig is. Al deze van hardgebakken steen, en van buiten zijn er geene andere. Om de burgt is een ringdijk, en daarom heen eene gracht diep drie maal zeven en breed driemaal twaalf voet. Ziet iemand boven van den toren naar beneden, dan ziet hij de gedaante van het Juul. Op den grond tusschen de zuidelijke huizen, daar zijn allerlei kruiden van heinde en verre, daarvan moeten de maagden de krachten leeren kennen. Tusschen de noordelijke huizen is alleen veld. De drie noordelijke huizen zijn vol koorn en andere benoodigdheden. Twee zuidelijke huizen zijn voor de maagden, om school te houden en te wonen. Het zuidelijkste huis is de woning der Burgtmaagd. In den toren hangt de lamp. De wanden van den toren zijn gesmukt met kostbare steenen. Op de zuiderwand is de Tex gegrift. Aan de rechterzijde van deze vindt men de formleer; aan de linkerzijde de wetten. De andere zaken vindt men op de drie andere zijden. Tegen den dijk aan, bij het huis der Burgtmaagd, staat de oven en de meelmolen door vier buffels gekruid. Buiten onze burgtwal is de plaats, waarop de burgtheeren en de krijgers wonen. De ringdijk daaromheen is een uur groot, niet een zeemans, maar een zonne uur, waarvan tweemaal twaalf in een etmaal gaan. Aan de binnenzijde van den dijk is een plat, vijf voet beneden de kruin. Daarop zijn drie honderd kraanbogen, gedekt met hout en leder. Behalve de huizen der inwoners zijn daarbinnen langs den [149] dijk nog driemaal twaalf noodhuizen voor de omwoners. Het veld dient tot kamp en tot weide. Aan de zuidzijde van de buitenste ringdijk is de Liudgaarde omtuind door het groote Lindenwoud. Hare gedaante is driehoekig, met de breede zijde naar buiten, opdat de zon daarin mag zien. Want daar zijn vele buitenlandsche boomen en bloemen, door de zeevaarders medegebracht. Gelijk de gedaante van onze burgt is, zoo zijn alle andere; doch onze burgt is de grootste; maar de allergrootste is die van Texland. De toren van Fryaburgt is zoo hoog, dat hij de wolken tornt, en in evenredigheid van den toren is al het overige.
Bij ons op de burgt is het zoo verdeeld. Zeven jonge maagden waken bij de lamp. Iedere waak is drie uren. In den overigen tijd moeten zij huiswerk doen, leeren en slapen. Zijn zij zeven jaar wakende geweest, dan zijn zij vrij. Dan mogen zij onder de menschen gaan, om op hunne zeden te letten en raad te geven. Is eene drie jaren maagd geweest, dan mag zij somtijds met de oude maagden mede gaan.
De schrijver moet de meisjes leeren lezen, schrijven en rekenen. De grijsaards of greva moeten haar leeren recht en plicht, zedekunde, kruidkunde en heelkunde, geschiedenissen, vertellingen en zangen, benevens allerhande dingen die haar noodig zijn om raad te geven. De Burgtmaagd moet haar leeren, hoe zij daarmede te werk moeten gaan bij de menschen.
Noten
[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 13i Langs de Rijn