NL097.28 Beginselen
Ontwerp 2026 Ott
Overwijn 1951
Ottema 1876
[/135] De oude leer, die gegrift is buiten op de wand des burgttorens, is niet geschreven in het boek van Adelas volgers. Waarom dit nagelaten is, weet ik niet te schrijven. Doch dit boek is mijn eigen, daarom wil ik die daarin zetten ter wille van mijne bloedverwanten.
Oudste leer.
Alle het goede minnende Fryas kinderen zij heil! Daardoor [137] zal het zalig worden op aarde. Leer en verkondig aan de volken. Wralda is het alleroudste of overoudste, want hij schiep alle dingen. Wralda is alles in alles, want hij is eeuwig en oneindig. Wralda is overal tegenwoordig, maar nergens te aanschouwen, daarom wordt dit wezen geest genoemd. Alles wat wij van hem zien kunnen, zijn de schepselen die door zijn leven komen en weder heengaan, want uit Wralda komen alle dingen en keeren tot hem weder. Van uit Wralda komt de aanvang en het einde, alle dingen gaan in hem op. Wralda is het eenige almachtige wezen, want alle andere macht is van hem geleend en keert tot hem terug. Uit Wralda komen alle krachten en alle krachten keeren tot hem weder. Daarom is hij alleen het scheppende wezen, en niets is geschapen buiten hem.
Wralda legde eeuwige inzettingen, dat is wetten in al het geschapene, en er zijn geen goede wetten, of zij moeten daarnaar ingericht zijn. Maar ofschoon alles in Wralda is, de boosheid der menschen is niet van hem. Boosheid komt door loomheid, zorgeloosheid en domheid. Daarom kan zij wel de menschen schaden, maar Wralda nimmer. Wralda is de wijsheid, en de wetten, die hij gemaakt heeft, zijn de boeken, waaruit wij leeren kunnen, en er is geen wijsheid te vinden, noch te vergaderen buiten die. De menschen kunnen vele dingen zien, maar Wralda ziet alle dingen. De menschen kunnen vele dingen leeren, maar Wralda weet alle dingen. De menschen kunnen vele dingen ontsluiten, maar voor Wralda is alles geopend. De menschen zijn mannelijk en vrouwelijk, maar Wralda schept beide. De menschen beminnen en haten, maar Wralda alleen is rechtvaardig. Daarom is Wralda alleen goed, en er zijn geen goeden buiten hem. Met het Juul verandert en wisselt al het geschapene, maar het goede is alleen onveranderlijk. Omdat Wralda goed is, kan hij ook niet veranderen; [139] en omdat hij blijft, daarom is hij alleen wezen, en al het andere schijn.
Noten
[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 13f Oudste Leer 2