NL072.05 Geertmannen
Ontwerp 2026 Ott
Overwijn 1951
Ottema 1876
[/101] Dit is over de Geertmannen.
Toen Hellenia of Minerva gestorven was, hielden de priesters zich alsof zij met ons waren, en opdat zulks duidelijk blijken zoude, hebben zij Hellenia tot eene Godin uitgeroepen. Ook wilden zij geene andere Moeder laten kiezen, zeggende, dat zij vrees hadden, dat er onder hare maagden geene zoude wezen, die zij zoo zouden kunnen vertrouwen als Minerva, die Nyhellenia bijgenaamd was. Maar wij wilden Minerva niet als eene Godin erkennen, naardien zij zelve ons gezegd had, dat niemand goed of volkomen kon wezen, als Wraldas geest. Daarom kozen wij Geert Pyres dochter tot onze Moeder.
Als de priesters zagen, dat zij hunne haring op ons vuur niet mochten braden, gingen zij buiten Athene en zeiden, dat wij [103] Minerva niet als eene Godin wilden erkennen uit nijd, omdat zij de inlanders zooveel liefde had bewezen. Daarop gaven zij het volk beeldtenissen van hare gelijkenis, betuigende dat zij daaraan alles mochten vragen, zoo lang zij gehoorzaam bleven. Door al deze verhalen werd het domme volk van ons afkeerig gemaakt, en ten laatsten vielen zij ons te lijf. Maar wij hadden onze steenen burgtwal met twee hoornen omgebogen tot aan de zee. Zij konden ons daarom niet genaken. Doch wat gebeurde, een Egyptenaar die een overpriester was, helder van oogen, klaar van brein, en verlicht van geest, zijn naam was Cecrops, hij kwam om raad te geven. Als Cecrops nu zag, dat hij met zijne lieden onze wal niet bestormen kon, toen zond hij boden naar Thyrus. Daarop kwamen driehonderd schepen vol soldaten van de wilde bergvolken onverwacht in onze haven varen, terwijl wij met al onze mannen op den wal strijdende waren.
Zoodra zij de haven hadden ingenomen, wilden de woeste soldaten het dorp en onze schepen plunderen. Een soldaat had reeds een meisje geschonden, maar Cecrops wilde dat niet gedogen, en de Thyrische zeelieden, die nog Friesch bloed in het lijf hadden, zeiden: als gij dat doet, zullen wij den rooden haan in onze schepen steken en gij zult uwe bergen nooit wederzien. Cecrops die niet hield van moorden noch van verwoesten, zond boden naar Geert om haar de burgt af te eischen, zij mocht vrijen uittocht hebben met al haar drijvende en dragende have, en hare volgelingen desgelijks. De verstandigste der burgtheeren heel goed ziende, dat zij de burgt niet konden houden, raadden Geert aan, dat zij gaauw moest toebijten, voor dat Cecrops woedend werd en anders begon. Drie maanden daarna vertrok Geert met de beste Fryaszonen en zeven maal twaalf schepen. Toen zij een poos buiten de haven waren, kwamen er wel dertig schepen van Thyrus met vrouw en kinderen. Zij wilden naar Athene gaan, doch als zij hoorden hoe het te Athene geschapen stond, gingen zij met Geert. De zeekoning der [105] Thyriers bracht allen te zamen door de straat, die in deze tijden op de Roode zee uitliep. Ten laatste landden zij aan Pangab, dat is in onze spraak vijf wateren, omdat vijf rivieren met haar naar de zee toestroomen. Hier zetten zij zich neder. Dat land hebben zij Geertmannia genoemd. De koning van Thyrus later ziende, dat zijne allerbeste zeelieden vertrokken waren, zond al zijne schepen met zijne wilde soldaten om hen dood of levend te vatten. Maar als zij bij de straat kwamen, beefden beide aarde en zee. Daarop hief aarde haar lijf daar zoo omhoog, dat al het water de straat uitliep, en dat alle wadden en schorren als een burgtwal voor hen oprezen.
Dit geschiedde wegens de deugden der Geertmannen, gelijk iedereen klaar en duidelijk zien kan.
Noten
[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 10a Ulysus