1848-1874 Cornelis Over de Linden
Cornelis Over de Linden (1811-1874) was een kleinzoon van Andries Over de Linden (1759-1820).
[samenvatting volgt]
Afkortingen
- d.v./z.v. = dochter/zoon van
- bs = Burgerlijke Stand / br = Bevolkingsregister
1848
Augustus — Cornelis Over de Linden schreef 23 september 1871 (23 jaar later dus) aan Jan Ottema:
In Augustus van [1848] bezocht ik [te Enkhuizen] mijne Moeder [Anna Goemaat (1784-1874)] en tegelijk mijn Tante [Aafje OdL (1798-1849)] die mij toen het handschrift gaf.[1] (...) Toen grootvader gestorven was [Andries OdL (1759-1820)], liet mijn vader en diens andere zuster [Antje OdL (1795-1882); de andere zuster, Trijntje (1791-1829) woonde vermoedelijk al in Amsterdam] haar [d.i. Aafje] koepel en tuin behouden en zoo kwam het weinige van mijn grootvader in handen van mijn tante, wier man Hk. Reuvers heette.
1861
1863
1867
1870
1871
1872
1873
1874
Gaat verder met Leendert F. Over de Linden.
Noten
- ↑ Hajo Last (1850-1838) schreef in een ingezonden brief aan de Enkhuizer Ct. d.d. 9-1-1934 dat Hein [Hendrik] Kofman (1853-1833, z.v. Cornelia Reuvers en Rijkent Kofman) hem had gezegd: “Neef Over de Linde heeft ze gestolen van mijn moeder.” — Gestolen of (beter:) opgeëist lijkt mij (JO) aannemelijker dan Cornelis’ verhaal en zou o.a. verklaren waarom er afwijkende versies zijn van dit verhaal en waarom aangehuwde stiefzoon Jacob Munnik (1819-1897) sprak over een eerdere poging (1845) om het handschrift te bemachtigen (zoals vermeld in Wie heeft...?).