NL026.21 Vrede
Ontwerp 2025 Ott
Overwijn 1951
Ottema 1876
[39] Uit Minno's schriften.
Zoo wanneer daar een man is dermate boos, dat hij onze naburen berooft, doodslagen pleegt, huizen in brand steekt, maagden schendt, wat het ook zij dat boos is, en onze landgenooten willen dat gewroken hebben, dan is het recht, dat men den dader vatte en in hunne [41] tegenwoordigheid doode, opdat daarover geen oorlog kome, waardoor de onschuldige zoude boeten voor den schuldige. Willen zij hem zijn lijf laten behouden en de wraak laten afkoopen, zoo mag men dat gedoogen. Is de schuldige een koning, grevetman, greve, wie dat het zij, die over de zeden moet waken, zoo moeten wij het kwaad herstellen, maar hij moet zijne straf hebben. Voert hij een eernaam op zijn schild van zijne voorvaderen, dan mogen zijne nabestaanden dien naam niet langer voeren, daarom dat de eene bloedverwant zorgdragen zal over de zeden des anderen.
Noten
[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 04b Wetten voor de Zeevaart