1912 Aanvulling van "Beweerd..."
JJK 209 Linden, L.F. Over de - Aanvulling van de Brochure “Beweerd, maar niet bewezen” (enz), met daarin o.a. brieven en aantekeningen van W.M. Visser - Helder, C. de Boer jr. (voorjaar) 1912, 48 pp. 8°.
Aanvulling van de Brochure „Beweerd, maar niet bewezen”
van L.F. Over de Linden,
betreffende het Handschrift van Thet Oera Linda-Bok.
Helder — C. De Boer Jr. — 1912.
In verband met de laatstelijk bekend geworden veronderstellingen betrekkelijk het handschrift in oud-friesche taal, dat door Dr. J.G. Ottema te Leeuwarden werd vertaald en bij den boekhandelaar H. Kuipers aldaar werd uitgegeven onder den titel van „Thet Oera Linda-Bok”, — acht ik het van belang enkele daaromtrent ontvangen brieven openbaar te maken, om op die wijze misvattingen op te heffen, die bij belangstellenden in bedoeld handschrift en deszelfs inhoud zijn ontstaan of zouden kunnen ontstaan.
De schrijvers van deze brieven gaven mij vrijheid daaraan openbaarheid te geven en er gebruik van te maken op de wijze die door mij het meest wenschelijk wordt geacht.
Zij, die in het bezit zijn van een exemplaar van een der uitgaven van het Oera Linda-Bok of van mijne desbetreffende brochure „Beweerd maar niet bewezen”, zullen van deze aanvulling een exemplaar kosteloos kunnen ontvangen als per briefkaart de afzending wordt verzocht aan mij L.F. Over de Linden, te Helder, Kanaalweg 7.
De brieven door mij bedoeld zijn:
1°. Van Ds. F. HaverSchmidt, te Schiedam, gedateerd 5 December 1875, luidende als volgt:
Waarde Heer!
Het spijt mij, dat de grappige inmenging van mijn persoon, (of eigenlijk van mijn verdwenen vriend Piet Paaltjens) in de kwestie van Thet Oera Linda-Bok U verdriet veroorzaakte. Maar daarom kan ik er toch niet toe besluiten om in ernst „openlijke verklaringen” te gaan afleggen in „veelgelezen [2] tijdschriften of couranten”. Het eenige wat ik doen kan en wil, is, U de schriftelijke verzekering in handen te geven, 1°. dat, zoover mij bekend, Piet Paaltjens nooit aan den Helder geweest is; 2°, dat ik zelf nooit het genoegen had, op welke manier ook, met Uwe geachte familie en met de onder haar berustende schriftuur kennis te maken; 3°, dat noch Piet noch ik Thet Oera Linda-Bok ooit hebben gezien of gelezen (voor Piet durf ik in dit geval evengoed in te staan als voor mijzelven, want ik weet stellig, dat hij het mij anders wel zou gezegd hebben), en 4°. dat de Heer Bolhuis van Zeeburch, met zijn vernuftige combinatie (in den door U medegedeelden brief aan den Heer Eekhoff, dd. 29 Aug. ’75) vermoedelijk de dupe is van een ui, die bij het eerste verschijnen van Thet Oera Linda-Bok in de Ned. Spectator te lezen stond.
Van deze mijn eerlijke verklaring kunt U vrij gebruik maken, waar U dat noodig dunkt.
Hoogachtend heb ik de eer te zijn, Waarde Heer!
Uw Dw. Dr. (get.) Fr. HaverSchmidt.
2°. Blijkens een uitknipsel uit de „N. Rotterdamsche Courant”, werd door Ds. Fr. HaverSchmidt het volgende aan de „Zutphensche Courant” geschreven naar aanleiding van de gissing dat Piet Paaltjens de schrijver zou zijn van het Oera Linda-Bok:
Wees zoo goed, mijnheer de redacteur, en vertel aan Uwe lezers, dat gij misgeraden hebt. Ik heb het Oera Linda-Bok nog niet eens gelezen, laat staan dat ik het geschreven heb. Anders, Dr. Ottema heeft mij zelf gezegd, ik mogt willen dat ik knap genoeg was om het te maken. Maar in dat geval zou ik er ook eerlijk voor uitkomen; want Dr. Ottema is nog een oud leermeester van mij, en ik houd veel te veel van hem om hem te kunnen foppen.
3°. Brief van 20 Mei 1874 van de Koninklijke Akademie [3] van Wetenschappen te Amsterdam aan den Heer L.F. Over de Linden te Helder.
Amsterdam, 20 Mei 1874.
Weledele Heer.
Uw brief van 20 April l.l. aan de Afd. letterkunde der K.Ak.v.W., die mij tegelijkertijd met uw nader schrijven van 6 Mei in eene brochure van Dr. J.G. Ottema gedrukt in handen kwam, is door mij in de vergadering der afdeeling l.l. Maandag 18 dezer voorgelezen.
Zonder discussie werd het voorstel van den Voorzitter aangenomen om aan UEd. als antwoord te zenden een nauwkeurig extract uit het Proces-Verbaal der vergadering van 13 April, waaruit blijkt, dat de afdeeling volstrekt niet aansprakelijk is voor het strenge oordeel door een paar harer leden over de echtheid van het Oera Linda-Bok geuit, maar dat zij eenvoudig niet verlangde zich met de quaestie in te laten.
Ik voldoe aan den last mij gegeven door U hierbij het bedoelde extract te zenden en noem mij met de meeste achting
UwEd. Dw. Dienaar, J.C.G. Boot. — Secretaris der afdeeling.
Extract. — Bijlage 1.
Amsterdam, 20 Mei 1874.
Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam.
Gewone vergadering 18 April 1874.
Tegenwoordig de heeren: C.W. Opzoomer, Voorzitter, C. Leemans, W.G. Brill, L.A.J.W. Sloet, J. Dirks, W.J. Knoop, N. Beets, L.Th.C. van den Bergh, B.J. Lintelo de Geer, [4] A. Kuenen, S. Vissering, J.E. Goudsmit, J.P. Six, S.A. Naber, Th. Bonet, H. Kern, J.A. Fruin, R. von Boneval Faure, G. Mees Az., C. Vosmaer, H. von Herwerden, B.H.C.K. van der Wijck, P.J. Veth, J.P.N. Land en J.C.G. Boot, Secretaris.
(...)
Vervolgens komt in discussie een schriftelijk ingediend voorstel van den heer Leemans, betreffende het in 1872 door Dr. J.G. Ottema te Leeuwarden uitgegeven „Oera Linda-Bok”. Het handschrift wordt door velen, en ook door den voorsteller, voor een fabrikaat van lateren tijd gehouden; maar daar de inhoud in het buitenland zeer de aandacht trekt, stelt de heer Leemans voor een nader onderzoek op te dragen aan eene Commissie, en den uitslag van haar onderzoek in de Verslagen en Mededeelingen der afdeeling bekend te maken.
Dit voorstel wordt ijverig ondersteund door den heer Dirks, die opmerkt, dat voor het handschrift aan den heer C. Over de Linden te Helder kort voor zijn overlijden eene som van 1000 pst. [pound sterling] is geboden, en dat het wel mogelijk is, dat zijne erven het daarvoor zullen afstaan. Indien dus de Akademie de zaak wil onderzoeken, moet zij niet lang wachten. Ook bij het Friesch Genootschap is de zaak het onderwerp van ernstige besprekingen.
Het voorstel wordt bestreden door de heeren van den Bergh en Kern, die op grond van de ongerijmdheid der verhalen en van de duidelijke sporen van vervalsching in de taal aangewezen, niet wenschen, dat de Akademie zich met zoodanig onderzoek bezig zal houden.
Toen daarop de heer Beets het woord verlangde, maakte de Voorzitter de opmerking, dat het debat een verkeerden weg opging. Men heeft hier niet te doen met hetgeen voor en tegen de echtheid van het handschrift pleit. De eenige vraag hier aan de orde is deze: is het wenschelijk, dat de Akademie dit onderzoek aan eene Commissie uit haar midden opdrage? of [5] is het beter, dat zij dit werk overlate aan wie zich daartoe gedrongen acht? Alleen aan hem, die binnen de grenzen dier vraag willen blijven, kan hij het woord verleenen.
Ofschoon de heer Beets meent, dat het moeilijk valt die vraag te beantwoorden zonder zich eenigszins met het afgewezen onderzoek in te laten, onderwerpt hij zich aan het gevoelen van den Voorzitter en bepaalt zich tot een eenvoudig ontraden van het voorstel.
De heer Leemans verklaart, dat het gesprokene hem genoeg afdoende voorkomt om niet verder op het benoemen eener Commissie aan te dringen.
De heer Boot vindt de zaak nog alles behalve afgedaan, maar is tegen het benoemen eener Commissie, omdat hij vreest, dat de Akademie minder dan het Friesch Genootschap bevoegd is om in dezen te oordeelen.
De vraag, zooals die door den Voorzitter gesteld is, wordt in stemming gebracht, en de uitkomst is, dat met 18 tegen 7 stemmen besloten wordt, dat geen Commissie zal benoemd worden.
Voor copy conform J.C.G. Boot, Secretaris der letterk. afd.
4°. In den brief van den 19 October 1867 van Dr. Eelco Verwijs aan den heer C. Over de Linden te Helder, komt het volgende voor:
Met Uw stuk, bl. 47 — 74, ben ik druk bezig, en ik verlang steeds naar meer, vooral naar het origineel. Ik wou zoo gaarne in het Friesch Genootschap er verslag van doen, als een hoogst merkwaardige ontdekking, en er gaarne het origineel bij overleggen.
Niet dat ik meer de echtheid van het origineel betwist, dat zij verre, maar gaarne gaf ik toch een résumé van het geheel, en de inhoud van de mij toegezonden bladen is inderdaad allercurieust.
Een enz. ...
[6] Op voorstel van den heer Dr. Verwijs ontving deze, op last van den Commissaris des Konings en H.H. Gedeputeerde Staten van Friesland de opdracht om aan den Helder met den heer Over de Linden te onderhandelen over den verkoop van het Handschrift; aan deze opdracht werd 20 en 21 November 1867 gevolg gegeven. Aan Gedeputeerde Staten heeft Dr. Verwijs gerapporteerd, onder dagteekening van 17 December 1867, dat zijne poging vruchteloos is gebleven, omdat de heer Over de Linden onder geene voorwaarde tot afstand van zijn handschrift te bewegen was.
5°. Brief van 7 September 1876 van den heer Eelco Verwijs, opgenomen in de „Groninger Courant” en daaruit overgenomen in de „Friesche Courant” van genoemden datum.
In de „Gron. Ct” van heden komt de volgende brief voor onder de ingezonden stukken:
Voor eenige jaren ontving ik een brief uit Stuttgart van Eduard von Kansler, den bekenden beoefenaar onzer Mnl. letteren en uitgever der Altniederländische Sprach-Denkmäler. Mijn oude vriend schreef mij, dat een hoogleeraar te Stuttgart zich bezig hield met onze Mnl. letterkunde en daartoe mijne Bloemlezing uit Middelnederlandsche dichters gebruikte. In het IIIde dl., bl. 141, hadden zij een Mnl. gedicht gevonden, dat hoogst belangrijk was, daar het „Anklänge” aan de Edda bevatte. Alle Mnl. liederverzamelingen hadden zij doorgesnuffeld, doch het nergens gevonden. Waar toch had ik dat zoo merkwaardige gedicht gevonden?
Ik was gelukkig in staat mijn ouden vriend een bevredigend antwoord te geven. „De jonge Coenraet” was niets anders dan de vertaling van een oud-Deensch volkslied „Ungen Svendal,” dat door Lüning in de inleiding zijner Edda, bl. 28 vlg. was medegedeeld. Het gedicht was in geen der oudere liederverzamelingen te vinden, daar het zeer jong was, en evenals het liedeken „Zoet gedenken” van Walther von der [7] Vogelweide, op bl. 124, niets anders dan vertalingen van mij zelven, die ik in mijne Bloemlezing had binnengesmokkeld, om misschien eenige beoefenaars onzer Mnl. letterkunde eens bij den neus te hebben.
Ik vermaakte mij niet weinig over mijn onschuldig grapje en over de „Anklänge” aan de Edda; doch kan mij nu ook niet geheel vrijpleiten van de schuld van eens falsaris in geschrifte geweest te zijn.
Toen ik nu voor een paar dagen van eene buitenlandsche reis terugkeerde, vond ik een no. van uwe courant van den 18den Augustus. In een stukje van den heer J.v.W.B. word ik daarin plegtig gesommeerd eene verklaring af te leggen, dat ik niet de schrijver ben van Thet Oera Linda Bok, noch daaraan medepligtig.
Misschien zal ik als oud-falsaris minder geloof vinden dan Piet Paaltjens; doch kan met hetzelfde gerust geweten plegtig verklaren, dat ik part noch deel heb aan de wording van dit veel gerucht makende boek. Reeds in 1871 deed ik in een der winteravondvergaderingen der Leidsche maatschappij eene mededeeling, waarin ik de ontwijfelbare onechtheid besprak. Maar op de vraag: „Wie kan het dan gemaakt hebben?” moest ik steeds het antwoord schuldig blijven. Dit was mij en velen met mij een onoplosbaar raadsel. En dit raadsel zal, hoop ik, eerlang opgelost worden, en daardoor aan allen twijfel een einde gemaakt worden. Aan het diner toch na de zomervergadering van de maatschappij der Nederlandsche letterkunde deelde een tafelgenoot, een bewoner van den Helder, aan mij en andere tafelburen mede, dat de schuldige aan het letterkundig bedrog ontdekt was, en dat binnen kort de geheele geschiedenis aan het licht zou komen. Meer mogt hij niet mededeelen: wij moesten ons ongeduld nog een korte wijle opschorten.
Die onthulling maakt mijne verklaring eigenlijk geheel onnoodig; doch na de opeisching van den heer v.W.B. meende [8] ik niet te mogen zwijgen, en eindig met den wensch, dat ons aller ongeduld niet te lang op de proef moge worden gesteld, en wij spoedig den naam van den snaak mogen vernemen, die zich bij zijn leven reeds heeft verkneukeld en zich nu zeker vaak in zijn graf zal omkeeren van pleizier over zijn zoo prachtig gelukt letterkundig bedrog.
Ik zou in staat zijn den ondeugenden schalk te benijden; maar hij ligt onder de groene zode, terwijl ik gelukkig nog vol levenslust „die Freude des Daseins”’ geniet.
Gegroet van Uw Dw. Dr. Eelco Verwijs.
6°. Brief van L.F. Over de Linden, gedateerd 17 April 1905, aan de Redactie van het tijdschrift „De Gids” te Amsterdam.
Aan de Redactie van „de Gids”, Mr. J.N. van Hall, te Amsterdam (Vondelstraat 21).
Helder, 17 April 1905.
Weledel Gestrenge Heer,
In de aflevering van Januari 1878 van „de Gids” wordt gelegenheid gegeven tot opname van een opstel van den heer Dr. Joh. Gallee te Haarlem, inhoudende hetgeen door Z.Ed. gelezen werd omtrent het, thans in mijn bezit zijnde, handschrift in oud-friesche taal, dat door Dr. J.G. Ottema vertaald en bij de firma H. Kuipers, te Leeuwarden, uitgegeven werd, onder den naam van „Thet Oera Linda-Bok”.
Hoezeer de heer Gallee, blijkens dat opstel, niet zelf kon beschikken over de noodige kennis van de oud-friesche taal, om over den inhoud van het handschrift een eigen oordeel te mogen uitspreken — dus ook niet kon oordeelen over de juistheid [9] van hetgeen anderen daarover ten beste gaven — kon hij toch goedvinden, op gezag der beweringen van anderen het handschrift als onecht te verklaren. Hij leverde geen enkel bewijs.
Die uitspraak op zóó zwakken grond, is waardeloos te achten.
Er was destijds over genoemd handschrift zoovéél geschreven door bevoegden en niet-bevoegden, dat de noodige aandacht voor dat onderwerp toen moeilijk verkregen kon worden, tenzij eenige bijzondere omstandigheid zich mocht voordoen, die dienen kon tot aanvulling van de bewijzen voor de echtheid van het stuk.
Zulk een omstandigheid deed zich eenigen tijd geleden voor.
In het jaar 1872 werd het handschrift in het openbaar bekend; het bestond reeds lang vóór het jaar 1853.
In dat handschrift komt voor eene reisbeschrijving van „Adela”, waarin melding wordt gemaakt van paalwoningen in de meeren van Zwitserland.
Die vermelding is door Dr. Ottema aangemerkt als een der voorname bewijzen voor de echtheid van het handschrift, omdat vóór het jaar 1858 nòch bij geschrift nòch bij overlevering iets bekend was van het vroegere bestaan van paalwoningen in die meeren. Eerst in 1853, bij een buitengewone droogte werden de overblijfselen van die woningen aldaar ontdekt.
Bij sommigen rees echter de vraag of het handschrift werkelijk vóór 1853 reeds bestond.
Om twijfel dienaangaande op te heffen was noodig getuigenis van een alleszins betrouwbaar persoon.
Door mij werd gehoopt, dat zoodanig persoon, in staat en genegen zulk een getuigenis schriftelijk te leveren, zich zou doen kennen. Na langen tijd te hebben gewacht, werd de hoop verwezenlijkt en het hierbij gevoegde schrijven mij toegezonden door den oud-kapitein-luitenant ter zee W.M. Visser, Inspecteur van stoomvaartdienst in Ned. Oost-Indië, oud-directeur van de Nederl. stoomvaartmaatschappij te Rotterdam, thans wonende te Delft, op welk schrijven door mij geantwoord werd bij brieven dd. 24 Mei en 8 Juni d.a.v. waarvan afschriften hierbij zijn [10] gevoegd. Mede gaat in originale hierbij de verzameling van En aanteekeningen van den heer W.M. Visser, betreffende den inhoud van „Thet Oera Linda-Bok”.
Vermits aan het opstel van den heer Gallee over het hiervoren genoemde handschrift gastvrijheid in „de Gids” werd verleend (Januari 1878), verzoek ik UEd.Gestr. beleefd, ook de hiervoren bedoelde brieven van den heer W.M. Visser en van mij, en de verzameling aanteekeningen van den heer Visser, te doen plaatsen in „de Gids”, als tegenhanger van het opstel van den heer Gallee. Ik hoop dat U dit verzoek billijk zult vinden en het zult inwilligen.
’t Is wellicht niet ondienstig U bij deze te verzekeren, dat aan andere tijdschriften of bladen niet verzocht werd deze stukken te plaatsen of er inzage van te nemen. Ik hield ze in portefeuille tot het lezend publiek van bevoegde zijde blijken zou geven van belangstelling in meergenoemd handschrift, — en dit is in den laatsten tijd herhaaldelijk gebeurd.
Mocht onverhoopt mijn verzoek niet door U ingewilligd kunnen worden, dan zal ik dit pakket gaarne van U terug ontvangen.
Hoogachtend noem ik mij UwEd.Gestr. Dw. Dr. L.F. Over de Linden.
7°. Antwoord, gedateerd 24 April 1905, van den Hoofd-Redacteur van „De Gids”.
Amsterdam, 24 April 1905.
Weledele Heer.
Bij deze heb ik de eer U de stukken mij met Uw schrijven van 17 dezer geworden, terug te zenden.
Of „de Gids” na 27 jaar op de Oera Linda-Bok quaestie terug zal willen komen betwijfel ik, doch, indien dat al mocht [11] geschieden, in den vorm als van de hierbij teruggaande documenten, zal zulk een stuk nooit in een tijdschrift als het onze kunnen worden opgenomen.
Ik heb de eer te zijn Uw. Dw. Dr. Mr. J.N. van Hall.
8°. Correspondentie tusschen den oud-kapitein ter zee W.M. Visser en den heer L.F. Over de Linden, zoomede een afdruk van de Aanteekeningen van eerstgenoemde betrekkelijk den inhoud van Thet Oera Linda-Bok.
Delft, 22 Mei 1895.
Aan den Heer Over de Linden te Helder.
Geachte Heer!
Niet wetend wie van de familieleden thans het H.S. onder zijne berusting heeft, wend ik mij in het algemeen tot „Over de Linden” tot mededeeling van het volgende:
Op Vrijdag den 23sten December 1854, ’s avonds, was ik als adelborst 1e klasse met een corvee van Z.Ms. Fregat „Doggersbank” op ’s Rijks werf te Willemsoord, belast en bezig met het leegpompen, verhalen enz. van de schipdeur van het drooge dok, onder leiding van baas Over de Linden.
Deze werkzaamheid duurde door de toen vrij gebrekkige middelen, vrij lang en dit gaf aanleiding en gelegenheid om met genoemden baas een gesprek aan te knoopen.
Onder anderen was het onderwerp hiervan de reis in de Middellandsche zee waar het schip juist van teruggekeerd was en die welke het weêr in het verschiet had, waardoor wij van zelf kwamen op het aangename van reizen en daardoor van het zien en leeren kennen van vreemde landen en volken, en [12] zoo van zelve ook op het nuttige van zich te kunnen uitdrukken in de talen dier volken.
Naar aanleiding hiervan maakte O.d.L. de opmerking, dat dit trouwens niet alleen het geval was bij reizen maar dat ook voor hen die t’huis blijven het alles waard is vreemde talen te kunnen lezen en verstaan, daar men anders verstoken blijft van veel goeds en nuttigs. Zoo bijv. had hij t’huis een boek dat al heel lang in zijn familie bewaard en van ouders op kinderen overgegaan was en dat hij nu sedert eenige jaren onder zijne berusting had.
Het boek was niet alleen in een vreemde taal maar ook met zulke vreemde letters geschreven dat hij het niet lezen kon. Hij had, zoo vertelde hij, wel alles bij elkaar gesnord wat hij grijpen en vangen kon om hem op den weg te helpen en alle moeite daartoe gedaan, maar hij kon alleen hier en daar een enkel woord oppikken.
Op mijn aanraden er eens een taalkenner over te raadplegen vroeg hij: „Ja wel, maar wie? Professors hebben we hier niet en die komen naar dezen uithoek niet heen en ik zelf, al ging ik naar Leiden, zou toch niet weten tot wien mij te wenden.”
„Wel baas”, zei ik, „dan kan ik u misschien wel helpen! Bij ons in Delft is een professor in de talen die alles weet.”
Hierbij doelde ik op professor Roorda, voor wien ik natuurlijk als Delftsche jongen, geleerd had de grootste achting te koesteren, te meer, omdat ik met hem in aanraking was gekomen juist ook naar aanleiding van een onbekend handschrift. „Zoo gij wilt zal ik er hem over spreken zoodra ik met verlof ga, en stellig kan hij u helpen, zoo al niet persoonlijk, dan toch door een van zijn collega’s in Leiden, Utrecht of elders.”
Baas O.d.L. nam dit aanbod gretig en dankbaar aan en wij spraken af, dat ik Zondag daarop bij hem aan huis zou komen om het geschrift vast eens te zien, teneinde er althans iets van te kunnen vertellen aan den heer Roorda.
Dien Zondag kon ik echter niet van boord en helaas! Later [13] vergat ik de geheele afspraak, zelfs toen ik kort daarop met verlof ging.
Spoedig daarna ging ik naar zee en ik kwam niet meer aan het Nieuwediep vóór 1867, toen ik als 1e officier met de „Metalen Kruis” t’huis gevaren, daar enkele dagen vertoefde.
Eerst in 1874 maakte ik kennis met de uitgave van Dr. Ottema en toen kwam het gehouden gesprek en mijne gedane, maar niet nagekomen belofte aan baas O.d.L. mij met schaamte en leedwezen, maar tevens met volkomen helderheid weêr voor den geest, zoodat ik in mijn dagboek ook den juisten dag en datum kon terug vinden. Ik behoor dus tot de nog levenden, met wien, lang voor het in het licht verschijnen van het werk, O.d.L. er over gesproken heeft.
Helaas! kan ik niet getuigen het boek gezien te hebben. Ook op mij zouden de bestrijders kunnen toepassen, wat bereids opgemerkt werd nopens andere genoemde getuigen, namelijk, dat O.d.L. mij iets op den mouw heeft gespeld.
Maar hier bestaat een groot onderscheid!
Ik laat daar of O.d.L. onder vrienden tot zooiets in staat was, maar het is ten eenemale onaannemelijk, dat een baas van de werf, op Vrijdagavond een officier zou verzoeken, Zondag daarop ten zijnent iets te komen zien, indien dit iets niet in werkelijkheid bestond en nog wèl, omdat dit „komen zien” moest dienen als inleiding tot een verzoek aan professor Roorda, waarmede die officier aan O.d.L., zooals deze zelf verklaarde, een zeer grooten dienst zou bewijzen.
Ik heb naar ik meen, alles gelezen wat voor en tegen het H.S. geschreven is, maar nimmer aan de echtheid getwijfeld, omdat de afspraak op de werf, zooal geen juridisch bewijs, dan toch zeker eene aanwijzing is van zoodanige waarde, dat zij kan worden gelijk gesteld met zulk een bewijs, zoodat het bij mij steeds boven allen twijfel verheven was dat op genoemd tijdstip — 28 December 1854 — het boek werkelijk bestond.
[14] En is dit bewezen, dan is ook, vooral op grond van de paal-woningen-kwestie, het bewijs geleverd, dat het H.S. eeuwen oud is, trots elke bewering van het tegendeel.
Waarom ik hiermede niet vroeger ben aangekomen? Omdat ik in 1875 weêr naar Indië ging, eerst in 1880 terugkeerde en na dien tijd zóó overladen was met bezigheden, dat ik wèl steeds hoopte en verwachtte eenmaal eene bedevaart naar het H.S. te kunnen maken en dan mijne mededeeling te doen, maar hier nimmer iets van kwam.
Dat de zaak mij thans noopt tot schrijven, dank ik aan eene nieuwe herlezing van de „Oera Linda”-litteratuur, ten einde nu verder geen oogenblik te verzuimen, zoo mogelijk nog goed te maken wat jeugdige onbezonnenheid mij deed bederven.
Maak van dit schrijven het gebruik dat u wenschelijk zal voorkomen.
Achtend Uw bereidw. Dr. W.M. Visser.
Oud-Kapitein-Luit. t/z, Inspecteur van stoomvaartdienst in O.-I., Oud-directeur van de Nederl. Stoomvaart-Maatij te Rotterdam.
—
Delft, 23/6 ’95.
Geachte Heer!
Door ziekte in mijn gezin werd ik verhinderd eerder te antwoorden op Uw schrijven van 8 Junij.
Tot mijne vreugd lees ik daarin, dat de nadere aanteekeningen van Dr. Ottema in Uwe handen zijn. Ook dit punt had ik, als vraag, opgeteekend en gaarne wil ik er inzage van hebben, mits na dat gij de mijne in handen hebt.
Juist omdat de mogelijkheid bestaat, dat wij op sommige punten, misschien langs zeer verschillende wegen, tot een [15] zelfde uitkomst geraken, is het zaak aan onwil en vijandigheid de gelegenheid te benemen om in dergelijk geval, te kunnen beschuldigen van het leveren van een variant op een zelfde thema.
Maar waag, nu Ottema dood is, zijn geschrift niet aan de kwade kansen van verzending. Ik hoop ’t ten uwent te komen zien, als ik in Augustus met mijn zoon te Alkmaar moet zijn.
Dat Dijkstra meêdeed aan doodzwijgen is niet te verwonderen. Na het doemvonnis van Beckering Vinckers zijn de geleerden en heel veel leeken schuw geworden en houden zij liefst den kop in het zand.
Aardig intusschen dat die B.V. aan het slot van zijn schrijven zelf een argument geeft vóór de echtheid, door zijne opmerking:
„zooeven wordt mij bericht dat ook wijlen Mr. de Haan Hettema de taal van ’t O.L.B. verklaard heeft voor Friesch, ouder dan dat der O-Friesche wetten!! ’t is haast niet te gelooven.
—
Ik ben begonnen uit mijne boeken de in mijn oog bruikbare gegevens te verzamelen. Maar dit vormt een mengelmoes, die ik eerst wat sorteeren moet.
Span uwe verwachting intusschen niet hoog, bedenk dat ’t leekenwerk is, vervaardigd tot eigen voorlichting om te begrijpen.
Wat latere openbaarmaking aangaat zou het m.i. veel waard wezen als gij een tweede Ottema als bondgenoot, c.q. als advocaat, kondt krijgen.
In geval van strijd komen die golen en magjaren der wetenschap altemet met wapenen, waar Marine-menschen niet zoo goed mede kunnen omgaan.
Dit is echter van later zorg!
Zoodra ik gereed ben, zend ik U mijn paperassen.
Achtend, Uw bereidw. Dr. W.M. Visser.
—
[16] Den Heer W.M. Visser, te Delft
Helder, 24 Mei 1895.
Hoogedelgestrenge Heer.
Gisteren, toen Uw zeer gewaardeerd schrijven van 22 dezer door mij werd ontvangen, ontbrak mij de gelegenheid U dadelijk te antwoorden en vriendelijk dank te zeggen voor de moeite, die U zoo bereidwaardig hebt willen aanwenden om uitvoerige schriftelijke mededeeling te doen van hetgeen U reeds in het jaar 1854 bekend was van het bestaan van het oud-friesche handschrift, dat uitgegeven werd onder den naam van „Thet Oera Linda Bok.”
Dat Uw schrijven met veel belangstelling door mij werd gelezen, behoef ik U niet te verzekeren, vooral nu dat zoo veelvuldig besproken handschrift — dat door mij wordt bewaard — tegenwoordig minder belangstelling ondervindt en door meer actueele zaken en vraagstukken naar den achtergrond wordt gedrongen.
Uw getuigenis is voor hen, die U kennen en daarom aan Uwe oprechtheid moeten gelooven, zeker van veel beteekenis.
Eene dergelijke verklaring als de Uwe — door drie personen uit deze gemeente op gezegeld papier onderteekend — welke handteekeningen door den Burgemeester van den Helder zijn gelegaliseerd — is in mijn bezit. Die personen behoorden tot mijne bekenden, welke omstandigheid aanleiding kan geven de mogelijkheid te onderstellen, dat zij in staat waren zich, om eenigerlei reden, te leenen tot medewerking aan eene te veronderstellen mystificatie. Ten aanzien van U — met wien ik tot heden niet de eer en het genoegen had, in relatie te komen, nòch mondeling, nòch schriftelijk, — kan dat vermoeden niet rijzen.
Zeer gaarne wil ik te gelegenertijd gebruik maken van [17] Uw aanbod om Uwen brief openbaar te maken in een letterkundig tijdschrift of blad en daaraan toevoegen eene kleine toelichting omtrent de ontdekking van overblijfselen van paalwoningen in de Zwitsersche meren.
Mocht U te eeniger tijd aan den Helder komen en lust gevoelen het handschrift te zien, dan houd ik mij aanbevolen voor een bezoek van U: (woonhuis No. 3 van het Directiegebouw der Marine).
Mij verheugende in Uwe belangstelling en U dank zeggende voor Uw schrijven, verblijf ik met de meeste hoogachting,
UwEd.gestr. Dw. Dr. (get.) L.F. Over De Linden, Griffier der Marine.
—
Delft, 31 Mei 1895.
Geachte Heer!
Met genoegen vernam ik door Uw schrijven van 24 dezer, dat mijne mededeeling Uwe belangstelling heeft gewekt, terwijl het mij thans aangenaam was te ontwaren uit de onderteekening, dat ik de eer had te briefwisselen met den schrijver van: „Beweerd maar niet bewezen.”
Uw voornemen om bij mogelijk latere openbare bespreking van het onderwerp eene toelichting omtrent de paalwoningen te geven is zeker niet overbodig, want deze onwraakbare getuigen van eene eeuwen-oude beschaving in die streken, schijnen niet genoeg bekend te zijn, althans nog geen eind te hebben kunnen maken aan den onzin, die nog steeds geleeraard wordt, als zouden onze voorouders driekwart barbaren geweest zijn, die eerst door de gezegende (?) aanraking met de Romeinen ontgroeiden aan den meest oorspronkelijken toestand van onbeschaafdheid.
Wellicht kan ik voor zulk eene bespreking U enkele gegevens verschaffen.
[18] Immers ik handelde eenigszins even zooals blijkbaar Uw Vader gedaan heeft, toen hij trachtte, door behulp van allerlei boeken, een weg te vinden om het oude handschrift te ontcijferen.
Ik, die door de uitgave van Dr. Ottema den inhoud ervan leerde kennen en dus waardeeren, trachtte evenzoo uit verschillende boeken verklaringen te putten omtrent punten, die mij bijzonder verrasten of vreemd voorkwamen. Ik deed dit te meer, toen ik kennis kreeg van den strijd over de echtheid en het meest, na het taalkundig Congres te Maastricht in 1875, waarvan melding werd gemaakt in een dagblad — ik meen de „N.R.C.” — met de liefelijke bemerking dat „wie toen nog aan de echtheid van het boek gelooven kon, rijp was voor Meerenberg.”
Nu, ik voor mij twijfelde geenszins aan die echtheid en evenmin achtte ik, of iemand in mijne omgeving, mij rijp voor Meerenberg; zoodat die opmerking mij verdacht voorkwam en onwillekeurig deed denken aan het bekende: „qui se fâche à tort” of wèl aan den bijbeltekst, waarin gesproken wordt van: „groote geleerdheid, die tot razernij voert.”
Genoeg, het was een spoorslags te meer om te trachten er het mijne van te hebben.
Hierdoor las ik heel wat en stipte ik in de boeken aan wat mij voorkwam te slaan op den inhoud van het O.L.B. o.a. van de paalwoningen. Had ik kunnen vermoeden dat er ooit nog een tijd zou komen waarin het noodig kon zijn gronden aan te voeren voor de echtheid dan had ik die aanteekeningen afzonderlijk opgeschreven, wat nu achterwege bleef. Intusschen kan ik er genoeg van opdiepen om te dienen bij wijze van verre navolging der aanteekeningen van Dr. Ottema.
Wel is waar zijn zij dan slechts aanteekeningen en opmerkingen van een leek — een afleidzieke leek zullen sommigen meenen — maar misschien kunnen zij toch dienen als vingerwijzing voor deskundigen wier ernstig streven het is, [19] bewijzen vóór de echtheid te vinden en in het licht te stellen.
Mocht ik U hiermede van dienst kunnen zijn, dan ben ik gaarne bereid.
Met veel genoegen wil ik bij gelegenheid gebruik maken van Uw vriendelijk aanbod om het H.S. te laten zien.
Achtend, Uw bereidw. Dr. W.M. Visser.
—
Den Heer W.M. Visser, te Delft.
Helder, 8 Juni 1895.
Hoogedelgestrenge Heer.
De Pinkstertijd bracht mij logées die beslag legden op mijn tijd en mij hebben belet eerder te antwoorden op Uw gewaardeerd schrijven van 31 Maart.
Uit dat schrijven bleek mij, dat U niet alleen een belangstellend lezer waart van het Oera-Linda-Bok en van hetgeen daarover werd geschreven, maar zelfs de moeite deed om mede te werken tot het verzamelen van bewijzen voor de echtheid van den inhoud.
Uw aanbod om Uwe verspreide aanteekeningen bijeen te brengen om ze mij af te staan, teneinde er te gelegenertijd openbaarheid aan te geven, wordt zeer gaarne door mij geaccepteerd.
Niet onmogelijk is het te achten dat Dr. Ottema na de uitgave van zijne „Aanteekeningen en opmerkingen betrekkelijk het O.L.B.” verschillende van de door U aangeteekende zaken reeds te boek stelde in een bijgeschreven exemplaar van laatstgenoemd boekje, dat Z.Ed. mij toezond. Als U het mocht wenschen, zal dat bijgeschreven exemplaar U gaarne door mij ter inzage worden gezonden.
De heer Ottema heeft zijn laatsten levenstijd geheel aan [20] het Handschrift van het O.L.B. gegeven. Hij stelde mij ook in het bezit van twee oudfriesche woordenboeken, die samengesteld zijn uit de oudste friesche wetten. Doorschoten met wit papier, heeft Z.Ed. daarop eigenhandig bijgeschreven alle woorden uit het O.L.B. die in deze woordenboeken niet voorkwamen. En dat zijn vele.
Onlangs las ik in eene aflevering van „Eigen Haard” eene rede, uitgesproken door Waling Dijkstra, bij gelegenheid van een jaarfeest van de Vereeniging van friesche taal- en letterkunde. Het trof mij, bij de vermelding van overleden personen, die zich veel moeite hebben gegeven voor het behoud en den bloei van die taal, den naam van Dr. J.G. Ottema te missen, terwijl onder de belangrijke geschriften in die taal uitgegeven het Oera-Linda-Bok niet werd bedacht. Zeker moet dit bevreemding wekken, want echt of niet echt, het handschrift is toch zeker waard genoemd te worden als merkwaardig letterkundig stuk in die taal. Wellicht is Dijkstra omtrent de echtheid van het handschrift twijfelaar en heeft hij gemeend beter te doen het niet te noemen dan daarover mogelijken nieuwen strijd uit te lokken. Die houding vond ik echter niet Friesch. Waar Halbertsma, Reitsma, Verwijs, Ottema en meerdere friesche taalgeleerden er zooveel belangstelling voor aan den dag legden, behoefde hij het niet te verzwijgen. ’t Is bovendien lang genoeg aan de orde geweest en dat bewijst voldoende de belangrijkheid die er aan wordt toegekend.
De omstandigheld dat het zoo langen tijd achtereen aan de orde is geweest doet mij een weinig vreezen, dat vooral de tegenstanders en twijfelaars weinig geneigd zullen zijn spoedig nieuwe mededeelingen daaromtrent te lezen. Dat zal mij evenwel niet terughouden het nieuws te publiceeren.
Tot welk tijdschrift of blad mij te wenden? Het beste zoude wellicht zijn tot „de Nederlandsche Spectator”, indien dat blad daartoe de noodige ruimte beschikbaar kan en wil [21] stellen, of anders „Eigen Haard” naar aanleiding van Dijkstra’s lezing. Ik zou echter willen wachten tot ik in het volledig bezit zal zijn van de door U toegezegde aanteekeningen. Mocht U voor de publiceering een beteren weg kennen, dan houd ik mij voor mededeeling daarvan aanbevolen.
UwHoogEd.gestr. Dv. Dr. (get) L.F. Over de Linden.
Aanteekeningen van W.M. Visser betrekkelijk den inhoud van „Thet Oera Linda Bok”.
Algemeene opmerking.
De inhoud van het boek is van dien aard, dat elk vaderlander wenschen moet de echtheid er van bewezen te zien boven allen twijfel.
Immers, indien het slechts een tendenz-roman ware, zelfs een waarvan een fel bestrijder — Beckering Vinckers — verklaart: „al is ’t O.L.B. op letterkundig en moreel gebied „schoon, zoodat het hier en daar zelfs ’t model Volney’s „Ruines” overtreft enz”, zouden de waarde er van en het nut dat het voor land en volk zou kunnen stichten, niet in vergelijking komen met wat deze zijn zouden, indien niet verdichting, maar werkelijke geschiedenis aan het woord ware.
Dat de inhoud van het boek argwaan verwekken zou en twijfel doen rijzen aan de echtheid, was evenzeer te verwachten als strijd te dien opzichte. Maar daarom een reden te meer om te trachten tot de overtuiging van de echtheid te geraken door het vele vreemde en argwaan-wekkende van den inhoud te toetsen aan bekende gegevens.
Dat hierbij de taal waarin het boek geschreven is van veel nut zou kunnen zijn is niet te verwachten. Immers, welk soort van menschen waren de schrijvers?
Met Adela aan het hoofd, die zelf spon en weefde, koeien melkte, enz. waren de vrouwelijke schrijvers, wat wij thans [22] zouden noemen, wèl flinke, handige boerenhuisvrouwen, maar letterkundigen waren het niet. En de mannelijke schrijvers, meerendeels zeelûi, waren dit nog minder.
De „taal”, die zij voor den dag moesten brengen als zij hunne denkbeelden of hunne ervaringen op schrift brachten, moest wat spelling en regels aangaat dus van een gehalte zijn ongeveer als dat van de geschriften van hedendaagsche boeren, visschers of andere zeelieden, zelfs als van overigens vrij ontwikkelde stadsmenschen.
Wij zagen van die zijde herhaaldelijk staaltjes van een taal, die, hoewel duidelijk en klaar de gedachten uitdrukkende, een rechtschapen taalkundige wanhopig, misschien zelfs dol gemaakt zou hebben als hij bedacht, dat zoo’n poespas bestaan kon ondanks een tegenwoordig schier algemeen genoten onderwijs, ook in taalkunde en terwijl keur van degelijke, taalkundig zuivere boeken in onze taal te lezen zijn.
Evenmin als men dergelijke geschriften vergelijken of toetsen kan aan de voortbrengselen van hedendaagsche letterkundige schrijvers, evenmin kan men de taal van het O.L.B. taalkundig toetsen aan Gothische of andere oude geschriften, die hetzij van kerkelijken, hetzij van rechterlijken aard, toch stellig zullen geschreven zijn door taal- en letterkundig veel meer ontwikkelden.
Geldt dit voor de schrijvers van het boek, vergeten wij niet dat er ook later geen, althans zeer weinig schrijftaal en dus weinig te lezen bestond, eenvoudig omdat er weinig geschreven was. Boeken zooals dat van Adela zullen wel, als eenlingen, gedurende zeer langen tijd dienst gedaan hebben voor een geheele buurtschap, als het boek, de litteratuur, waar latere geslachten uit putten.
En als men nagaat dat, behalve wellicht veel anderen te voren, eerst de Romeinen en later de kristenpredikers alles vernielden wat als oorspronkelijks en nationaals bestond en op litterair gebied hier niets tegenover stond wat, uit den [23] vreemde ingevoerd, onder het bereik van het volk kwam, dan is het klaar dat nog vele eeuwen n.C. de Volkslitteratuur, zoo hier al sprake van was, voornamelijk bestaan heeft uit de weinige, in het geheim bewaarde, taalkundig waarschijnlijk gebrekkige, geschriften der voorouders.
Men moet dus verwachten dat Liko, ja zelfs dat Hidde in 1200, voor hun taal nog teerden op den woordenschat en de schrijfwijze van ’t O.L.B. en dergelijke geschriften, al moge in hun tijd reeds door geleerde klerken aan hoven en in kloosters een Hildebrand lied en zelfs een Heliand geschreven zijn.
Is nu de inhoud van het boek van zóó hooge waarde dat het streven naar bewijs van de echtheid plicht wordt, dan dient in de eerste plaats gezocht te worden, met ernst en onverdroten ijver, naar de andere boeken waar melding van gemaakt wordt en ook naar soortgelijke geschriften, die mogelijkerwijs, even als het O.L.B. ergens in een verborgen of vergeten hoek bewaard gebleven zijn; maar ook naar andere overblijfselen uit die grijze oudheid dient gezocht.
Gezocht in alle hoeken en gaten.
En niet alleen binnen de grenxen van ons land maar ook daar buiten. Vooral ook in Munsterland en in de Sax en Denemarken. Ook in Griekenland en Italië. Ja zelfs, en vooral ook in Indië.
Vooral dáár, waar de bodem minder dan ten onzent, blootgestaan heeft aan geweldige beroeringen en veranderingen door het water.
Opgraven en blootleggen gaat nog, maar opdiepen uit de zee gaat niet.
De opgravingen van Schlieman mogen hoogst belangrijk zijn voor de geschiedenis der Grieken, de vondst van één enkel Juulteeken of van één regel Oera Linda schrift was honderd maal méér waard dan die van tien Apollo’s van Phidias, zelfs dan het terugvinden van de overblijfselen van Noach’s ark op den berg Ararat, waar onlangs melding van [24] gemaakt werd — bij wijze van aardigheid? — in de kranten.
—
Voor ons hier bedoelde vergelijken en toetsen moet men zich losmaken van eenmaal aangenomen denkbeelden en opvattingen, vooral van vooroordeel of tegeningenomenheid. Dit is volstrekt noodig!
Een voorbeeld make onze bedoeling in deze duidelijk.
Een ritmeester bij de ruiterij, gaf eens aan zijn wachtmeester ter lezing een boek over de Grieksche geschiedenis.
Na het lezen gaf de man, niet zeer voldaan, het boek terug, met de opmerking dat ’t toch al erg vreemd was, dat die grieksche Goden en helden en wijzen allemaal paardennamen zouden gehad hebben. Dat kwam hem verdacht voor bij menschen, die honderde jaren geleden zouden geleefd hebben, want hoe konden die in vredesnaam, de namen zelfs maar kennen, laat staan hebben gedragen van de paarden van zijn — des ritmeesters — eskadron?
Die man dacht blijkbaar aan een mystificatie. Zoo gaat ’t trouwens meer.
Ik herinner mij een onderwijzer, die met een volharding, eene betere zaak waardig, trachtte aan te toonen dat, evenals alle mogelijke werktuigen en gereedschappen des dagelijkschen levens, het maken van dijken, het droogleggen en bebouwen van den grond enz. te danken waren aan de gezegende (?) komst der Romeinen, ook zoowat alle woorden onzer taal, afgeleid waren, liefst uit het latijn, maar minstens uit het fransch.
Het ging dien man evenals dien wachtmeester. Hij hulde zich in den nevel van de kennis die hem als met den paplepel ingegeven was en die leerde dat de oorspronkelijke — dat wil zeggen vóórromeinsche — bewoners van ons land niet veel hooger stonden dan hun redelooze vee.
Trouwens, hoeveel anderen, hebben even volhardend en blijkbaar met welgevallen gezocht naar bewijs voor de bewering, dat het geheele menschdom eenvoudig afstamt van Apen?
[25] O.L.B. bl. 67.
... De zon rees hooger en er was zelden vorst.
Deze beschrijving van een vroegeren toestand is zoo argwaanwekkend dat zij kan doen denken aan verdichting.
Wat hier beweerd wordt wil toch niets meer of minder zeggen, dan dat eertijds de aarde een geheel anderen stand zou gehad hebben in en ten opzichte van het vlak harer baan om de zon.
En toch is hier niets tegen in te brengen. Immers, de aanhef van dat verhaal: „Eer de booze tijd kwam”, heeft veel weg van den aanhef van Genesis I: „In den beginne”.
Beide uitdrukkingen doelen op een tijd, die onbepaald lang verleden is. Heeft de geologie nu uitgemaakt dat dit „In den beginne” zeggen wil een tijdsverloop van vele eeuwen.
Zij en de Sterrekunde beiden, hebben aan den dag gebracht, dat inderdaad, ten gevolge van thans bekende oorzaken, ons Noorder halfrond vroeger niet alleen een hooger warmtegraad bezeten heeft, maar ook dat werkelijk de zon er hooger rees.
— Zie de populair beschreven opheldering hiervan in het werk: „De mensch in de Voorwereld” van H. le Hon, bewerkt door H.M.C. van Oosterzee. —
Het O.L.B. deelt hier dus niet iets mede wat onwaar, zelfs onmogelijk zou zijn, maar vertelt in zijn nuchtere taal een eenvoudige waarheid, die eerst eeuwen later, met de oorzaken van haar ontstaan, door de wetenschap is aan het licht gebracht.
Het is hiermede eenigszins zooals met de nuchtere woorden van Prediker I. Eerst eeuwen later, was het voor de wetenschap weggelegd om de daar vermelde verschijnselen meê te deelen en te verklaren.
Hoe die Oude Israelieten zoo knap kwamen weten we evenmin als hoe die schrijvers van het O.L. B. aan hunne gegevens kwamen. Dit doet er trouwens ook niets toe.
[26] O.L.B.
Spinmeisjes in de burgten,
De linnen jurken der meisjes waren omboord met goud uit den Rijn. (bl. 131)
Haar hemd was van linnen, haar tunika van wol, die zij zelve spon en weefde. (131)
Boven den Rijn tusschen het gebergte daar heb ik Marsaten gezien. De Marsaten dat zijn menschen, die op de Meeren wonen. Hun huizen zijn op palen gebouwd. (151)
Ook dit alles schijnt in strijd met wat de geschiedenis leert en waarbij onze voorouders afgeschilderd worden als driekwart barbaren van wier aard of afkomst niemand iets weet en die genoegzaam ongekleed of wel gedekt met een omgeslagen beestenvel en gewapend met een knods, als wilden daarheen leefden.
Wat hiervan zij, al neemt men aan dat de erkende eerste beschrijvers van ons land niet handelden zooals gewoonlijk — ook nog tegenwoordig — gehandeld wordt door vreemdelingen die over ons land verhalen doen, maar dat zij een juist beeld gaven van den toestand zooals zij dien plaatselijk vonden, dan bewijst dit nog niet, dat elders of dat vóór dien tijd de beschaving niet veel hooger stond.
De geschiedenis toch leert, dat het peil der beschaving van een volk niet ligt in een regelmatig stijgende helling, maar veeleer in een golflijn met soms zeer steile en hooge hellingen.
En om hiervan een voorbeeld te zien behoeven wij niet terug te gaan tot lang vervlogen eeuwen, niet tot den toestand van Grieken of Romeinen, want van veel later dagteekening en meer in onze onmiddelijke nabijheid, met name in het Engeland omstreeks den tijd van Elisabeth, kunnen wij hetzelfde opmerken.
(Zie Douglas Campbell, De Puriteinen in Nederland, Engeland en Amerika. Verhalen van I.W G. van Maanen.)
[27] Weerleggen de Latijnsche schrijvers geenszins de waarheid van de beschrijving en het O.L.B. — laat ons aannemen dat zulks omgekeerd evenmin ’t geval is, want op stuk van zaken doet het er niets toe.
Dat zoowel wat betreft de beschrijving van de paaldorpbewoners, als van de kunst van spinnen en weven, de toestand zoodanig was als die in ’t O.L.B. wordt meêgedeeld, is boven allen twijfel verheven door de vondsten in de in 1854 ontdekte en sedert nagespeurde paaldorpen in de Zwitsersche en andere meeren.
De fabrikant Paur te Zurich is zelfs er in geslaagd om, uit de ter plaatse — in het slijk onder een paaldorp — gevonden houten deelen en kleikogels een oorspronkelijk weefgetouw na te maken en daarop lijnwaad te weven van hetzelfde keperachtige patroon als dat, waarvan stukken, goed bewaard in de klei, tusschen de palen gevonden waren. Zie: Le Hon, „De mensch in de Voorwereld” en E.M. Beima, „De aarde vóór den Zondvloed”.
Voor iemand die niet weet dat het O.L.B. in 1854 reeds bestond, moet deze mededeeling aangaande de paalwoningen zeer argwaan wekkend zijn.
Vóór dat jaar toch was er van paaldorpen in meeren nimmer sprake, dan alleen voor enkele geleerden, voorkomende in eene reisbeschrijving van Herodotus over Paconie ongeveer 600 v.C.
Voor hem die zulks wèl weet, is juist dit punt een afdoend bewijs zoowel voor de echtheid als voor de zeer hooge oudheid van het O.L.B.
—
Waarlijk de namen van Dr. F. Keller als ontdekker der paalwoningen en van Dr. J.G. Ottema, dien wij den ontdekker van het O.L.B. kunnen noemen, verdienen in hooge eer gehouden te worden.
[28] O.L.B.
Delte — Joi — Trâst.
„Volgens de geleerde uitleeging is het woord „delta” voor „monding van een rivier” afgeleid van de Grieksche letter Δ omdat in den regel de eilanden vóór riviermondingen een driehoekige gedaante hebben. In het O.L.B. beteekent „delte”, veel natuurlijker „dalte” — laagte — benedeneind. Ook thans nog gebruiken de Rijnschippers, als tegenstelling van bergwaarts, het woord dalwaarts, dat wil zeggen: naar het dal, de laagte, de delte toe.
Opmerkelijk hoe die paardennamen-historie zich voordoet onder verschillende vormen.
—
Het gebruik van de woorden Joi en Troost voor man of echtgenoot en voor vrouw of echtgenoote bij de zeelieden, vindt men nog heden ten dage bij de Scheveningsche visschers, misschien nog op meer plaatsen aan de kust.
Vandaar in den Haag den naam van „joei” als algemeenen naam voor een Scheveninger.
Ook bij Walter Scott vindt men meermalen, onder veel andere Nederlandsche woorden, den naam Jo toegepast in de beteekenis van echtgenoot, bruidegom, vrijer, dáár waar hij zijne personen doet optreden sprekende in de volkstaal der Schotsche laaglanden.
O.L.B.
Tanfana — Ostera — Juul.
Blz. 129 — 130.
Het was Winnemaand. Iedereen gaf toe aan lustige vreugde ...
Voor de deur van Adela trokken twaalf meisjes met twaalf lammeren ...
Met allerlei bloemen waren zij versierd ...
Toen Adela op de straat kwam viel een bloemregen op haar hoofd ...
De geschiedenis — zie o.a: Witkamp, De Zeventien [29] Nederlanden — leert dat de Germanen, onder meer, als goden vereerden Tanfana en Ostera.
Wat dit vereeren als goden betreft, dit kunnen wij op rekening schrijven van de opvatting der heidensche Romeinen.
In hun oog toch was een friesche burgt een tempel gewijd aan de een of andere god of godin en waren de burgtmaagden priesteressen.
Maar van waar den naam Tanfana als die eener godin?
De geschiedenis vermeldt, dat in het jaar 13 n.C. het heiligdom en ook het bosch toegewijd aan de godin Tanfana en gelegen in het Westfaalsche sticht Munster, verwoest werd door Germanicus.
De gevolgtrekking ligt voor de hand.
Toen de Romeinen den daar gelegen burgt innamen zagen zij op den wand het bekende opschrift van O.L.B. blz. 64 gegrift.
Waarschijnlijk gunden zij zich niet den tijd of achtten zij het beneden zich dat barbaarsche letterschrift te ontcijferen, of wèl, waren zij daartoe niet in staat. Maar ongetwijfeld moet hen kenmerkend zijn in het oog gevallen, de boven het geschrift geplaatste teekens van het Juul, vooral het middelste. En hier kon elk Romein, die zijn latijnsche letters kende, gemakkelijk het randschrift tanfan lezen.
Van daar hunne opvatting dat het het heiligdom (?) was toegewijd aan eene godin (?) Tanfana.
Die a werd er bijgesleept evenzoo als thans nog elk zuidelijke mijn naam schrijft als Vissere, soms Wissere of Bissere. Een Indiër maakt er zelfs Pezer van, gelijk menigmaal voorkwam op adressen van Brieven.
—
Wat betreft Ostera als godin (?) der lente, begin ik met op grond van het laatst voorgaande de a weg te schrappen. Dan krijgen wij Oster of Ooster als naam van wat?
Niet van een godin, maar van een feest, het Oosterfeest of [30] lentefeest, dat gevierd werd omstreeks de maand April, die dan ook Oostermaand genoemd werd. Waarom?
Omdat toen, evenals thans, omstreeks dien tijd van het jaar de Oostenwind de heerschende is.
Vandaar nog heden ten dage bij schippers en boeren den naam: Paasch-oort voor dien omstreeks paschen heerschenden wind.
Nu hangt, gelijk men weet, het tijdstip waarop dit feest gevierd wordt af van den stand der maan en kan dit verschillen tusschen 22 Maart en 25 April. Toen Adela vermoord werd, was het in de Winnemaand (Meimaand (?)) en de wijze waarop toen juist feest gevierd werd, wijst duidelijk op een lente feest.
Opmerking verdient dat wèl, wij, Nederlanders en volgens Walter Scott ook de bewoners der Schotsche laaglanden, spreken van paschen, maar dat de Engelschen en Duitschers het paaschfeest nog steeds Ooster heeten.
Dat de eerste Christenpredikers de bestaande volksfeesten of volksplechtigheden pasklaar maakten en benutten ten bate hunner christelijke feesten ten einde deze te gemakkelijker te doen ingang vinden is bekend.
Dit bespaarde de moeite en het gevaar om hunne leer der liefde te moeten doen aannemen door geweld, daar het gepaard ging aan onderwerping aan den een of anderen vorst, die het nuttige vereenigende met het aangename, het aanwinnen van zielen door de kerk deed samengaan met het winnen van land en volk voor zichzelf, met nog ’s Kerks zegen op den koop toe.
Jammer maar dat die predikers, als waardige voorloopers hunner latere collega’s, de ketterjagers, toen als echte heidenjagers alles vernielden wat nationaal was, dat is, wat naar hunne opvatting, riekte naar heidendom.
Adres, het vernielen van oude overblijfselen, de palempsesten, het met zand overdekken van hunnebedden, enz.
[31] Wie weet welke schatten voor de geschiedenis van ons volk op die wijze zijn verloren gegaan, want het terugvinden van het Hildebrand-lied uit de vierde eeuw in den omslag van een manuscript in de abdij te Fulda, gebeurt niet alle dagen, evenmin als het aan het licht komen van een „Oera-Linda-boek.”
(Zie Louis de Backer, Histoire de la Littérature Neérlandaise.)
Natuurlijk gold het Oosterfeest niet juist de Oostenwind op zichzelf, maar veeleer de vreugdewekkende zegeningen waarvan hij de geleider, de aankondiger is, t.w.: de eerste tastbare bewijzen van de herleefde vruchtbaarheid der natuur, zich uitende in de nieuwe voortbrengselen van veld en hof. In onze streken dus de eerste gras- en veldbloemen, de lammeren, kalveren en hoender-eieren.
Van hier wellicht nog heden ten dage onze paascheieren.
Is dit het geval, dan kan de beteekenis van het Oosterfeest zoowel zijn feest der lente, als eerste oogstfeest, of als feest der eerstelingen.
De Oostewind als aankondiger van dit alles, deelde daarin de eer die, te dien opzichte, den ooievaar bewezen wordt, vandaar diens naam Odebaar = Schatdrager.
Het paaschfeest dat ter vervanging van het Oosterfeest ten onzent werd ingevoerd als feest der opstanding van Christus, door de christenen, was door dezen in de plaats gesteld van het joodsche feest Pésach of feest van de overschrijding, het doorgaan of voorbijgaan, ter herinnering aan het voorbijgaan der deuren van de Israëlieten, toen de Heere de Egyptenaren sloeg met den dood hunner eerstgeborenen. (Exod. 11:5; 12:12). Maar ook dit godsdienstig feest ± 1500 v.C. door Mozes ingesteld, trad waarschijnlijk in de plaats van een reeds bestaand volksfeest, dat ook een lentefeest of een eerste oogstfeest was.
Immers het had plaats en moest plaats hebben in de [82] airenmaand — Abîb — de maand waarin de eerste garst rijp was. (Deutn. 16:1.)
Dat zoowel in deze streken als in Egypte eenzelfde lentefeest gevierd werd, verklaart zich gereedelijk uit het geringe verschil in geografische breedte.
Langs onze zeekusten bestaat nog de gewoonte om omstreeks bedoelden tijd feest te vieren, geheel afgescheiden van het kerkelijke paaschfeest.
Dan gaan jong en oud naar de duinen — van daar den naam pasche-duinen te Oost Voorne — en vermaakt er zich den ganschen dag, om ’s avonds, als glanspunt van het feest, een wiel, omwonden met in terpentijn gedoopt stroo of werk, dat in brand gestoken wordt, van de duinen te laten afrollen.
Is dit niet een overblijfsel van eerbetoon aan het Juul?
Oostvoorne en Katwijk hebben, hadden althans, tijdens mijne jeugd — met paschen hun kermis; te Scheveningen was die verplaatst naar Pinkster maandag.
—
De herinnering aan het Juul vinden wij ook terug in onze zoogenaamde Kerstkransen, evenals die aan Frya en haar letterschrift in onze, naar St. Nicolaas verplaatste, vrijerpoppen en gebakletters.
Maar nog meer dan bij ons, vindt men de Kerstkrans bij onze overzeesche buren. In de Kerstweek heeft elk Engelsch en Schotsch schip niet enkel zijn masten versierd met groen sparreloof, maar tusschen de masten prijkt trouw de krans van Sparregroen, zoogenaamd de Kerstkrans, alias het Juulteeken.
Wat zou trouwens een ring of krans hebben uit te staan met het Kerstfeest?
Ook de zoogenaamde Kerstavondster waarmede, vooral ten platten lande, de kinderen ’s avonds zingende langs de huizen rondgaan, herinnert aan een feest of eerbetoon van Frya’s waakster, van waar zij Fästa gelastte haar stift te nemen en [83] de dingen te schrijven, die zij — Frya — niet zeggen mocht.
Christenpredikers maakten hiervan, natuurlijk, de ster van Bethlehem.
—
Hoe het mogelijk is dat dergelijke volksgebruiken, door zoovele eeuwen heen bewaard kunnen blijven, ziet men ook nog in het vieren van Frya’s dag bij de zeelieden.
Op Vrijdag naar zee gaan of op dien dag een schip te water laten baart ongeluk.
Vrijdag is nog steeds de ware vrije dag voor de zeelieden.
Dat is hun — lappen en naai — dag, hun tijd, en wee den bevelhebber die dezen niet in eere houdt.
Een dergelijke taaiheid van behoud is inderdaad niets vreemder dan het behoud van de eigen volkstaal.
Wat dit laatste betreft vinden wij eene belangrijke opmer- king van Eugène Mouton, geplaatst in de Journal officiel de empire francais van 1er Juin 1869, naar aanleiding van „Le cours de littérature Neérlandaise”, waarin o.a. voorkomt:
Parmi les cinq ou six langues mères dont on est parvenu déterminer la constitution, il en est une qui, à cause de certaines circonstances historiques peut-être, mais plus probablement, à cause du caractère particulièrement calme et tenace des hommes qui la parlent, s’est conservée telle qu’elle existait lorsque les Romains l’entendirent parler pour la première fois; telle peut-être que la parlaient les premiers Indiens qui pénétrèrent de l’Asie en Europe: cette langue, c’est la langue néerlandaise.
Ditzelfde geschrift brengt onwillekeurig het aangevoerde voorbeeld van den schoolmeester en den wachtmeester van de paardenamen voor den geest. Immers in de „introduction” tot genoemd werk vinden wij:
M. de Chevallet n’évalue pas à moins de douze cents le nombre des mots francais, actuellement en usage, empruntés directement à la langue néerlandaise.
[34] Wat zou die onderwijzer verontwaardigd zijn over zoo’n verknoeien van de waarheid.
Het medegedeelde doet ook denken aan de mogelijkheid, aan de waarschijnlijkheid zelfs, dat in de taal van Adela, toen er nog geen enkel latijnsch geschrift bestond, woorden en vormen voorkwamen, die eerst veel later teruggevonden werden in en men meende over te nemen uit het latijn.
Trouwens dit zou niet het eenige geval wezen, waarin te goeder trouw vermeend werd, dat oorspronkelijk echt hollandsche zaken, te danken waren en overgenomen werden uit het buitenland. Zie mijne „Zeemacht in Nederland en de Koloniën.”
O.L.B. 67.
Maar zij wisten niet goed, dat het van het Juul gemaakt was, en dat het daarom altijd moest geschreven worden met de zon om.
Bereids is opgemerkt dat wij, het O.L.B. willende verklaren, onze blikken moeten vestigen ook op Indië, en nu bestaat er een werk dat te dezen opzichte van hooge waarde is om ons voor te lichten, namelijk het werk: „Blikken op Indië”, gevolgd door Savitri van F. Heijnen Sz.
Dit werk is hierom van zooveel waarde, omdat het streven van den schrijver blijkbaar was een te velde trekken tegen het aanwenden van sommige uitspraken der wetenschap, als middel om de mededeelingen der Heilige Schrift verdacht te maken, zelfs deze af te breken en weg te cijferen.
In zooverre bestaat hier dus overeenkomst met hem, die trachten wil het goed recht van het O.L.B. te bepleiten.
Op zijn gebied is Heijnen eenigszins een voorlooper van Brunetière en diens bekende stukken in de Revue des deux Mondes.
[35] Heijnen doet intusschen heel wat meer en wat beters dan eenvoudig de wetenschap bankroet te verklaren, om op dien grond de glorie van de kerk van Rome hoog te houden. Met ijver speurt hij de bronnen na waar de bedoelde uitspraken der wetenschap op berusten en keert hij, ten slotte, die zelfde uitspraken tegen de aanvallers der Heilige Schrift. Hij bestrijdt deze alzoo met hun eigen wapens, om eindelijk, onder meer, te komen tot deze uitspraak:
Waarlijk, geen ander dan Japhet is de stamvader der Arische volken. De rechtmatige naam worde hun hergeven, Japhetsiden mogen zij voortaan heeten.
En dit naar aanleiding van den door Noach over Japhet uitgesproken zegen:
„God breide Japhet uit.” — Gen. IX:27.
Het onderwerp is te uitgebreid om er ver op in te gaan, hoewel het dit dubbel-waard zou zijn, want herhaaldelijk vindt men, zoo niet eene bevestiging der waarheid van ’t O.L.B., dan toch veel wat er volkomen mede klopt.
Stellen wij dus maar voorop, de slotsom waar wij toe gekomen zijn aan de hand van Heijnens geschrift en van al wat verder is kunnen nagespeurd worden betreffende de nog onopgeloste vragen:
Vanwaar den naam Arisch, als bron waaruit de oude Indiërs de taal leerden, waarin de Rig-Veda geschreven is?
Vanwaar het woord Sanskriet als naam van die taal?
Deze onderstellingen.
Ten eerste:
Aries en Ariesch is afgeleid van Frya en Frya’s, door vervorming van de F in A, of wel, door wegvallen van de F vóór Farya en Farya'’s, zooals in de ooren der Indiërs het korte harde Frya’s zal geklonken hebben, even zooals voor vele onzer „bloed” klinkt en daarom ook wel geschreven wordt als „baloed”’.
Dit wegvallen van de F, stel ik mij voor evenals het [56] wegvallen van de t in het oud-friesche „thât” [OL: tát — JO] = vader in het hedendaagsche friesche „heit”.
De klankverandering van â in ei, evenals het verschil van het plat Haagsche rèèk — met een gerekte e als in: „ver” tegenover het plat Rotterdamsch raik voor het beschaafd nederlandsche rijk.
—
Is dit niet taalkundig juist, dan wordt dit eenvoudig hierdoor verklaard, dat schrijver dezes geen taalkundige is, maar iemand die meer hecht aan hetgeen de natuur doet zien, hooren en voelen, dan aan veelal willekeurig gestelde regels.
En gelukkig dat hij geen taalkundige is, want nu behoeft hij niet te schromen een, meestal met zware studie, verkregen recht op dien naam, in de waagschaal te stellen door stoute hypotesen.
Nu kan hij met den dichter zeggen:
Veel wordt bewezen wat toch in den grond niet waar is en veel is eeuwig waar ofschoon ’t bewijs niet dáár is.
—
Ten tweede:
Sanskriet en ook zand is afgeleid van het Oera Lindasche sonskrift — zonneschrift.
De aangehaalde verklaringzin uit ’t O.L.B. hebben natuurlijkerwijs de Geertmannen ook gegeven aan de Indiërs, toen zij aan dezen hunne schrifttaal onderwezen, en even natuurlijk is het dat deze een schrift, waarvan de letters ontleend zijn aan het zonnewiel en dat geschreven en gelezen moet worden met de zon om, den naam gaven van zonschrift = sonskrit = sanskriet.
—
Multatuli spreekt ergens van: „thugathêr” gelijk melkster, als den sanskritschen wortel van ons „dochter”.
’t O.L.B. zegt voor ons dochter: „thogather”.
Zouden wij in deze weder een weêrga mogen zien van het voorbeeld van den wachtmeester?
[37] Beschouwt men de zaak aldus, dan wordt veel duisters verklaard en klopt ’t O.L.B. met veel van de overlevering der oude Indiërs.
Dan is Frya’s taal niet een dochter maar de moeder van het sanskrit en dus ook van de hieraan verwante of afgeleide talen.
Voor tijdrekenkundige bezwaren behoeft men in deze niet te vreezen; immers de oudste bekende geschriften, — in de Grieksche taal — klimmen niet hooger op dan 1000 jaar v.C.
Dan is ook de naam Indo-Germaansch als aanduiding van het blanke Europeesche menschenras eene verwisseling van de dochter voor de moeder.
De naam Indo-Germanen geldt dan enkel voor het kleine onderdeeltje van den grooten stam, dat zich — omstreeks 1550 v.C. — uit Europa naar Indië begaf en later vandaar terugkeerde.
Wij zouden dan hier ook een verklaring vinden van het feit, dat vreemdelingen met bewondering bij ons opmerken, namelijk dat van echte polyglotten te zijn.
Is het friesch de moeder van het sanskrit en dus: ook van de meeste Europeesche talen, dan is het niet te verwonderen dat de moeder gemakkelijker de taal van het kind aanleert dan omgekeerd.
—
Is de taal van ’t O.L.B. (er mogen in spelling en regels fouten zijn zooveel men wil) schoon, kernachtig, krachtig, men vindt er eene weêrga van in de Ramajana en waarom waarschijnlijk?
Omdat Kama een fries was en het heldendicht, hem ter eere, geschreven werd door een man voor wien het friesch de taal, althans de schrijftaal, bij uitnemendheid was, evenzoo als weleer, zelfs ten onzent, het latijn.
Volgens het gedicht is Rama een koning van het verheven ras van blanke menschen, die van uit het N.W., van de zijde [38] der hooge bergen het land der Indiërs binnendrongen en overheerschten.
Opvallend is ’t dat ook deze Indiërs evenals hunne tijdgenooten in Peru, zoo’n frieschen man betitelden als „zoon der zon”, Is dit in beide gevallen toe te schrijven aan de zon als kern waaruit zich het schrift ontwikkelde? Of wel hieraan, dat in beide landen de van de hooge bergen — Himalaya en Andes — tot hen neerdalende menschen, in tegenstelling van alle anderen die zij kenden of waarvan zij gehoord hadden, blank waren, met blauwe oogen en blond haar en bovendien groot, sterk en geestelijk ver boven hen verheven, door hen beschouwd werden als hoogere wezens, als kinderen der zon?
—
Wat Backer, in zijn meer aangehaald geschrift, zegt van den Héliand, t.w.:
Cette Messiade du moyen âge, que Klopstock aurait été
heureux de signer, ne se recommande pas seulement à titre
de monument écrit dans l’idiome néerlandais, enz.
— zouden wij eveneens kunnen opmerken aangaande den Ramajana, namelijk, dat het een heldendicht is, waaronder een Bilderdijk niet zou behoeven te schromen zijne handteekening te plaatsen.
Heijnen spreekt met bewondering over den geest van verscheiden gedeelten van het gedicht; met blijkbare voorliefde haalt hij aan zinnen zooals:
Geen wijze man vertrouwt zijn lot Aan hem, die niet gelooft aan God.
En
Wie rein van hart met geestkracht steeds de deugd als het heerlijkste aller offers zoekt, hij zal, vrij van zonde, eens de welkome gast in des Alvaders woning zijn.
En hij merkt dienaangaande, evenals ook aangaande soortgelijke gedeelten van de épisode Savetri uit de Maha-Bharata op:
dat hij er gedurig den zoeten nagalm der eerste openbaring in „verneemt”.
[39] Wij, van ons standpunt, vernemen er gansch iets anders in, te weten: iets friesch. Iets wat ons doet stellen: Is de Ramajana — Ramajade (?) in 963 v.C. door Valmiki geschreven, al niet een oorspronkelijk friesch gedicht, dan is het toch geschreven onder zeer sterken frieschen invloed.
Het heldendicht Ramajana is dan niet alleen evenknie en tijdgenoote, maar tevens in een aanverwante taal geschreven van de Ilias van Homerus van het jaar 1000 v.C.
Ergere zich wie wil, wij durven verder gaan en vragen of dit niet ook het geval is met de Righ-Vedas?
Volgens Max Müller is deze de oudste en verreweg de schoonste der Veda’s en geschreven niet vroeger dan in 1400 v.C, De Geertmannen kwamen in Indië in 1551 v.C.; en waren dus 150 jaar dáár toen de Righ-Veda geschreven werd, en de inhoud van dit boek klopt in menig opzicht met, de reine en eenvoudige zedeleer van ’t O.L.B. Zelfs is voor het Godsbegrip gebruik gemaakt van dezelfde bewoordingen.
Righ-Veda noemt het Opperwezen: „Oorsprong” en „Begin”.
Oera Linda noemt het „Anfang” en „Begin”.
Kunnen wij eenmaal, even als het O.L. B. ook nog terugvinden het hierbij behoorende „Boek der Gezangen” dan vinden we hierin: wellicht de evenknie van de Sanhita of boek der gezangen, dat bij de Rieh-Veda behoort.
—
Volgens Klaproth, Heeren en anderen is het volksbestaan der Hindoe’s niet vroeger dan 1500 jaar voor Christus aangevangen. (Zie Heynen bl. 86.)
Welnu, we zullen wel mogen aannemen dat een volksbestaan, dat is een bestaan als volk, eerst aanvangt als het desbewust, als zoodanig begint te leven en dus, wanneer het zijne gedachten weet uit te drukken en te bewaren op schrift, en dan klopt de genoemde uitspraak met het verhaal in ’t O.L.B. dat de komst der Geertmannen in het land der Indiërs en hunne eerste aanraking met de Hindoe’s omstreeks 1550 v.C. [40] stelt. Het klopt dan ook met onze stelling dat de Geertmannen — de Frya’s — aan de Indiërs hunne taal, althans hunne schrijftaal — het sonskrift — leerden en deze het van hen overnamen.
Dat de letterteekens evenals de taal zelf door dat overnemen leden, daarop moesten wij voorbereid zijn, ook door de mededeeling in ’t O.L.B., van hetzelfde verschijnsel bij andere Finda-volken. De Grieken bijvoorbeeld?
Opmerking verdient dat ook bij deze het volksbestaan in bovenbedoelden zin, eerst aanvangt na het verdrijven van de Pelasgen door de Hellenen, omstreeks 1600 v.C. dus in den tijd dat Nyhellenia met haar friezen in Griekenland aankwam.
Mogen wij hier niet zeggen: „gelijke oorzaken, gelijke gevolgen?”
—
Laten wij er nog op wijzen dat volgens de beschreven overlevering der Hindoe’s, de edeler, overwinnende stammen, die van uit het N.W. uit de richting van de hooge bergen tot hen kwamen, zich zelven noemden Arya’s.
Heynen zegt dienaangaande in een noot op blz. 19:
Er zijn er die dit woord vertalen met oud; en dan stellen Zij de Arya’s (ouderen) als voorvaders der Indiërs, Bactriërs en Perzen tegenover de Javana’s (jongeren), die de voorouders zouden zijn der Grieken, Slavoniërs, Germanen enz. De Grieken (Joniërs) worden werkelijk door de Indiërs zoowel als door de Semiten, Javana’s geheeten, en deze naam schijnt inderdaad met Juvan (Jong) verwant te zijn. Dat de beteekenis van Arya echter oud zou zijn, daarvoor vindt men nergens een etymologischen grond.
Vrage: Vinden wij ook hiervoor niet weêr eene verklaring in het O.L.B.?
De Indiërs en Semiten noemen de Jonische grieken Javana’s.
Dat Javan verwant is met jong is geen reden om een persoon of een volk aan te duiden met dat woord, tenzij als [41] tegenstelling van anderen waar ‘het woord oud op toe te passen is. Is er nu geen grond om aan het woord Arya deze beteekenis toe te kennen, dan vervalt ook de behoefte aan tegenstelling en is de naam Javana’s voor Grieken en wel inzonderheid voor Jonische Grieken afgeleid van de Jon uit het O.L.B. bl. 91 Jon, Jôn, Jhon ånd Jân is al ên mith jêven.
Dus jêven — Javan en voorzien van de gebruikelijke staart Javana.
Toen de Geertmannen zich vestigden aan den Pangab, aan welk oord zij den naam geven van Geertmania, bleven zij blijkbaar niet enkel aan de kust, maar voeren zij den stroom op en zelfs ver op; want Luidgert verhaalt als een bijzonderheid, dat als men ver genoeg Zuidwaarts gevaren is men naar het Oosten ziende de middagzon aan zijn linkerzijde heeft.
Voor ons wil dat zeggen, dat zij alsdan den keerkring gepasseerd waren.
Nu ligt de monding van den Pangab slechts even boven den keerkring, zoodat, waren zij dáár gebleven er geen sprake behoefde te zijn van ver zuidwaarts te varen. Dus, al mogen eenigen aan de kust gebleven zijn en dáár Minagara gesticht hebben, vestigden de overigen zich meer noordwaarts.
Het waren dus inderdaad menschen die volgens de Indische overlevering, uit het Noordwesten, van den kant van den Himalaya komende, Indië binnendrongen.
Al moge de beteekenis van Himalaya of Himavat, zooals de naam voorkomt in den Righ-Veda, „sneeuwwoning” zijn, toch is het verklaarbaar, dat Luidgert en zijn zeelieden voor zich zelven er de uitlegging aan geven van himmel en laya — reiken of van himmel en vatten, evenzoo als zij den naam Hindoe meenden te mogen afleiden uit: „zoo vlug als hinden”.
Onze zeelieden houden van afleidingen. Ik heb er een ontmoet die meende en beweerde dat „medicijnen” aldus genoemd worden omdat ’t „de middelen zijnen”.
Zooals wij bereids opmerkten, zien wij ook hier weer een [42] treffend samengaan en kloppen van den inhoud des bijbels met de uitkomsten der wetenschap — de inhoud van ’t O.L.B. nu maar als zoodanig aannemende —.
Volgens Exodus XIV:17, leidde Mozes zijn volk niet langs den kortsten weg, den weg van der Filistijnen land — het nog bestaande El Cantara, de oude weg naar Syrië? — maar langs een grooten omweg, door de woestijn der Schelfzee.
Dit had natuurlijk een doel en waarschijnlijk wel dit: Mozes wist, dat de vergunning tot den uittocht, niet van harte gegeven maar door paardenmiddelen afgedwongen was, zoodat het gevaar bestond dat Farao, tot nader gedachten komende, de vergunning zou intrekken en het volk dwingen terug te keeren, zooals de ondervinding dan ook leerde dat het geval was. De kortste weg leidde over zee, maar gesteld dat er vaartuigen genoeg waren te krijgen, dan zou het inschepen van zoo’n karavaan te veel tijd kosten. Het was daarom zaak zoo snel en zoo ver mogelijk weg te komen en den overtocht te doen op andere wijze.
Uit alles blijkt bij Mozes, groote bekwaamheid, hij zal dus ook wel geweten hebben dat bij Pi-ha-chiroth, den mond van de straat, de zee zoodanig bezet was met banken en schorren, dat wind en weêr dienende, zijn leger, met laagwater daar ongehinderd en zonder oponthoud kon doortrekken.
Daarom voerde hij zijn volk naar die plaats en toen nu een sterke Oostenwind die een ganschen nacht duurde (Exod. 14:21) de zee droog gemaakt had kon de overtocht ongehinderd geschieden.
Toen later Farao aankwam, was het tij verloopen en tornde hij met zijn leger op tegen de teruggekeerde wateren, waarin hij ten onderging.
Dit geschiedde in het jaar 1568 v.C.
Het O.L.B. laat omstreeks denzelfden tijd in 1551 v.C. de Geertmannen door de zeeëngte varen en wèl, geloodst door den zeekoning der Thyriërs. Ook deze, natuurlijkerwijze goed [43] bekend met den toestand der omliggende zeeën, zal kennis gedragen hebben van het feit, dat in den mond der zeeëngte wel veel banken en schorren waren, maar dat men toch met hoogwater daar tusschendoor kon varen.
Hij deed dit dan ook en bracht zijne vloot, met hoog water, behouden door de nauwte.
’t O.L.B. zegt verder, dat, toen de koning van Thyras later zag, dat zijne allerbeste zeelieden vertrokken waren, hij al zijn schepen met zijn wilde soldaten zond om hen dood of levend te vatten, maar dat deze optornden voor de droge wadden en schorren, wat zich gereedelijk verklaren laat door aan te nemen dat die soldaten minder bekwaam dan de Thyrische zeekoning, met laag water daar kwamen en onverrichter zake terugkeerden.
Toen de verbinding met de Roode Zee nog bestond, deelde die plaats nog in de beweging van de eb en vloed dezer zee, gevende een verschil in waterstand van 1 à 2 Meter, wat bij sterken wind aanmerkelijk minder of meer kan zijn.
O.L.B. 135.
Adela is begraven. Op haren grafsteen heeft men, enz.
Het O.L.B. vermeldt niet veel omtrent de behandeling van overleden personen, en dit is jammer, want anders hadden wij misschien eenig licht zien vallen op het nog steeds onopgeloste raadsel van den oorsprong der Hunnebedden.
Toch is er iets waardoor wij wellicht een spoor kunnen ontdekken. Witkamp vermeldt de ontdekking van het volk der Khasias in Indië, welk volk in 1868 beschreven is door Stooker, als nog heden ten dage hunne graven te maken en in te richten zooals de hunnebedden.
En daar in de taal van dat volk een steen „men” heet, evenals in Bretagne, Wales enz, kan dat misschien eene [44] aanwijzing zijn van de richting waarin, met eenige kans van slagen, gezocht kan worden.
Met het oog op het langdurig verblijf der Geertmannen in Indië, is het niet onmogelijk, dat zij dáár op die hoogvlakte een kolonie hebben gesticht, die geen deel kreeg in de groote gebeurtenissen, die het vertrek uit Indië veroorzaakten.
Wij denken hier onwillekeurig aan de volgende mededeeling in het werk van Louis de Backer:
Quand Guillaume Rubriquis (Wilhelm Ruijsbroek) de l’ordre des frères mineurs, se rendit en 1253 etc. ... il trouva dans la Criméee des Goths qui parlaient langue teutonique; etc. ... A coup sur ces hommes n’étaient pas revenus là des bords de la rivière d’Aa: d’où cette conclusion que, parlant la même langue, ils avaient la même origine que le peuple neêrlandais de nos jours.
—
Een andere aanwijzing van eene richting waarin gezocht kan worden is wellicht te vinden in de opgraving van Reisz en Stübel, en het door dezen in 1882 uitgegeven werk: Das Todtenfeld von Ankon in Peru. Deze opgravingen zijn geplaatst in het Berlijnsch museum.
—
In de „Revue des deux Mondes” van het vorige jaar, komen eenige stukken voor onder den titel l’Afrique Romaine. In een dezer wordt melding gemaakt van een stam der oorspronkelijke Berbers, een volk, dat nog geheel op zich zelf staat, vooral wat betreft de taal, welke geheel en al verschilt van de oudere en nieuwere talen der andere bewoners dier streken, en van welk volk blijkbaar de oorsprong en de vroegste geschiedenis zich verliezen in den nacht der eeuwen.
Nu beschrijft Winkler Prins een stam van dat volk, de Amazirghen, wier naam de beteekenis zou hebben van „edele, vrije mannen”, als blank van huid, zooals de europeanen, en zich onderscheidende door een fraaien, slanken en gespierden lichaamsbouw. Sommige van hen hebben blond haar, zoodat [45] men hen eer voor inboorlingen van Europa dan van Afrika zou houden.
Zij hebben een ingekankerden afkeer van de Christenen zoowel als van de Mahomedanen — vanwege de golen en magjaren misschien? — maar verdragen zich zeer goed met de Israelieten, die zij zelfs onder zich laten vestigen.
Ook hier zij gevraagd:
Wat leert hunne taal? Kunnen die blijkbare afstammelingen van Noorder europeanen, ook het overblijfsel zijn van eene friesche kolonie?
Dan moet hun taal — hoe misvormd ook wellicht —— overeenkomen met friesch en met sanskrit en met die der krimsche Gothen. Misschien zelfs met die der Khasia’s (?)
Dat is te onderzoeken.
En bleek dit zoo te zijn dan ware meteen de verklaring gevonden, hoe de letters en de getalteekens van ’t O.L.B. kunnen voorkomen in de wandversiering van de Alhambra, die in 1213 gebouwd werd door de Mooren, hunne buurlieden.
Dat ware tevens eene verklaring voor de zoo onwaarschijnlijke legende, als zouden wij onze getalteekens ontleend hebben aan de Arabieren, wier getalteekens geheel en al van de onze verschillen.
Dan zouden we ook hierin weêr kunnen zien, een variant op die paardennamengeschiedenis.
Het is te onderzoeken en ongetwijfeld deze moeite wel waard.
Japhatiden.
Komen wij na onzen zwerftocht op zoo menig gebied tot de uitspraak der geloofwaardigheid ook van den inhoud van ’t O.L.B. en halen wij ons daardoor op den hals, evenals twintig jaar geleden, de uitspraak van de zijde der bestrijders van het boek, van rijp te zijn voor Meerenberg, evenals toen zal die uitspraak ons koud noch warm maken.
Maar erger is het, dat wij ondankbaar zouden schijnen [46] tegenover den heer Heijnen van wiens geschrift ruimschoots gebruik werd gemaakt, hoewel geheel in strijd met wat hij door zijn arbeid zocht te bereiken, t.w.: de onaantastbare glorie zijner — katholieke — kerk hoog te houden en te verdedigen tegenover, en wel juist met behulp van uitspraken der wetenschap.
Immers nemen wij den inhoud van het boek als waar aan, dan nemen we ook aan, de daarin voorkomende mythe van het scheppingsverhaal des menschdoms en zouden dus geen plaats geven aan het door hem met zooveel warmte, hooggestelde bijbelwoord in Genesis.
Hiertegen zij opgemerkt, dat ook de mythe van ’t O.L.B. niets is dan eene duidelijke voorstelling van het grootsche wonder der Schepping, waar wij allen voor staan en wel ten eeuwigen dage voor zullen blijven staan, evenzeer als voor het begrip: „Schepper.”
Maar al nemen wij aan, dat het Mosiasche scheppings verhaal aan ons die zaak verklaart, dan bezaten de oude friezen die verklaring toch zeker niet.
Geen wonder dus, dat zij den oorsprong der dingen verklaarden op hunne wijze en deze huldden in mythe.
Maar wat een schoone mythe intusschen en meer in overeenstemming met ons verstand en met hetgeen wij waarnemen dan het: „God breidde Japhet uit.”
Het Frya, Fenda en Lydia-begrip [Finda, Lyda — JO] verklaart alle verschil, zelfs van de meest uiteenloopende menschenrassen. Zelfs zouden wij hiervoor kunnen volstaan met twee zulke bronnen, mits de verst van elkaar verwijderden, het blanke en het zwarte ras, omdat, door kruising, alle tusschennuances voor het gekleurde ras te verkrijgen zijn.
Nu het echter uit de nasporing van den oorsprong der talen gebleken is, dat er werkelijk sprake is van drie zeer onderscheiden taalrassen, om dit woord maar eens te bezigen, dient dit getal behouden.
[47] Blijven wij dan ten slotte toch altijd staan voor iets waar wij met ons verstand niet bij kunnen, toch doen wij dit minder geweld aan door aan te nemen: drie zeer van elkaâr onderscheiden vrouwen, die moeders zouden zijn van alle verschillende menschensoorten, dan door aan te nemen zonder kruising, één stamvader zoowel voor het blankhuidige, blauwoogige en geelharige als voor het negerras.
De Frya-mythe wijst voor ons als bakermat juist dat gedeelte der wereld waar het blanke ras sedert eeuwen een uitsluitend tehuis behoort, zich het best ontwikkelt en dus waarschijnlijk ook onbesproken is, omdat juist dáár alle voorwaarden aanwezig zijn voor die ontwikkeling als: gematigde luchtstreek, uitgestrekte kusten van diep in het land inschurende zeeën, waar groote rivieren in uitmonden, waar de bodem vruchtbaar en de lucht vochtig is.
Neemt men intusschen aan dat Japhet de stamvader zijn zou van het blanke ras — dat der Frya’s kinderen — dan moet in allen geval, de stellig-verkeerde benaming van „Indo-germaansch” plaats maken voor de vroegere en dan meer rationeele benaming van „Kaukasisch”, want van uit den Kaukasus — den berg Ararat — begon Japeth zijne uitbreiding.
Maar dan blijven we toch nog altijd staan voor deze moeijelijkheid:
Is het al aan te nemen dat van drie paar menschen, die uit de ark gingen omstreeks het jaar 2400 v.C., in slechts 800 jaar de wereld zóó bevolkt was als blijkbaar het geval was in Mozes’ tijd 1560 v.C., — hoe dit te rijmen met de zooveel oudere geschiedenis der Egyptenaren die Menes stelt omstreeks het jaar 3600 v.C.
Voor ons doel is deze vraag echter van minder belang.
[48] 9°. Toegift.
„Telegraaf” van 4 Januari 1912.
De oudste brief.
In het „Journal de Genève” schrijft de Fransche geleerde C.M. Briget, die een speciale studie over het onstaan van het papier maakte, dat het oudste bekende papier een brief is van Adelaïde, derde gemalin van Roger I, graaf van Sicilië. Deze vorstin was na den dood van haar man regentes voor haar zoon. En uit die periode, omstreeks 1009, stamt de bedoelde brief. Het stuk is plm. 35 bij 25 cM. groot en van een tamelijke dikte, geelachtig wit van kleur. Vóórdat Sicilië in de handen der Noormannen viel, was dit eiland in het bezit der Arabieren en zeer vermoedelijk is het papier door hen ingevoerd.
Eigenaardig is het, dat, hoewel vaststaat, dat het papier tusschen 950 en 1000 na Chr. het papyrus vervangen heeft, geen vroegere voorbeelden gevonden worden. Het in ouderdom op vorenvermelden brief volgende overblijfsel is een register van notarieele acten, gevonden in Genua en gedateerd 1154. In Napels bestaat papier, afkomstig van Frederik II, uit 1240; Venetië heeft papier van 1228; Barcelona een register van Jacob I van Arragon, gedateerd 1237, en in Parijs heeft men een register van papier uit 1248 gevonden. In Duitschland is papier aangetroffen, waarop de handteekening voorkomt van Frederik II, die in 1250 stierf, Een register van notarieele acten, dat met 1295 begon, werd in Zwitserland gevonden; en in het Kremlin te Moskau zijn overblijfselen van oud papier uit dienzelfden tijd afkomstig.
(Het Tarief).