Jan F. Jansen
Jan Frederik Jansen (Leeuwarden 1827 - Harlingen 1907), schoolhoofd Harlingen, liberaal publicist (o.a. over geschiedenis en onderwijs) en journalist; oprichter (1862) van de Friesche Courant (waarvan hoofdredacteur tot 1879). Vrijmetselaar in loge Deugd en IJver. Kennis en buurtgenoot van Hermanus Siderius, die aan Cornelis Over de Linden voorstelde om Jansen te benaderen ivm het handschrift.
In brief COdL aan Verwijs, 7-10-1867:
Eens dat ik bij ZE. [Siderius] te logeeren was heb ik hem gevraagd of hij ook iemand onder zijne kennissen had die oud friesch zou kunnen lezen, hij sprak mij van eenen mijnheer Janzen [J.F. Jansen], redacteur of medewerker van een of ander friesch blad; ik zoude maar iets oversturen. Tehuis komende heb ik doorschijnend mailpapier genomen, heb dat op de bladen gelegd en de letters op die wijze overgeteekend. Later schreef hij mij dat den Heer Janzen het UEd. had laten zien en dat oude Friesche wette waren. (enz)
In brief COdL aan Ottema, 23-9-1871:
[Dat het handschrift] naar het zeggen van den Heer Siderius best door den onderwijzer Janzen vertaald kon worden. In plaats van het handschrift stuurde ik echter kalkeer of facsimilés. Den Heer Janzen liep er mee naar Eelco Verwijs.
en, kort na 5-2-1873:
Siderius zeide dan moet ge het maar eens sturen. Wij hebben hier een schoolmeester, eene mijnheer Jansen, die is zoo verduveld knap in dat oude Fries; die zal ’t je wel gouw vertalen.
L.F. Over de Linden aan Ottema, 15-8-1876:
Kolonel van Mansveld, mijn tegenwoordige Chef, vertelde mij vandaag dat Verwijs hem gezegd had, dat hij in de veronderstelling had geleefd dat Meester Jansen van Harlingen, met wien hij in ongenoegen was geweest, hem met het HS een poets had willen spelen en hij daarom zo schroomvallig daaraan gewerkt had.
en 29-3-1877:
De hulponderwijzer Jansen, in de boeken van BV genoemd, zal in een onderhanden zijnd geschriftje protesteren tegen het misbruik maken van zijn brief aan BV.
- JJK 101 De litteraire kwestie van de dag [get. Harlingen 12-6-1876] - Friesche Crt. 15-6-1876.
Zie o.a. DGG bl. 286-287 (noot 117-119! en 124), bl. 291-293, 304.
Correspondentie o.a. met Verwijs.