Jump to content

1910 De Friesche Kerk

From Oera Linda Wiki
Revision as of 12:52, 23 July 2025 by Jan (talk | contribs)
(diff) ← Older revision | Latest revision (diff) | Newer revision → (diff)

De Friesche Kerk

hare stichting en vestiging van de laatste helft der zevende tot het begin der elfde eeuw

door Ds. H. Van Eijck Van Heslinga. [Hendrikus van Eijck van Heslinga (1860 Sneek - 1931 Apeldoorn)]

Eerste deel.

[Uitg.:] Leeuwarden, J.H. Borgesius. 1910.

bladzijdenummers van origineel staan tussen []-haken.

[I]

Want het dinct mi wesen schande, / Dat die Liede van den Lande

Anders yeesten vele weten, / Endi si des hebben vergheten,

Waren si selve zijn gheboren, / Ende wie si waren hier te voren

Die 't Lant wonnen en de erve, / Deer si of nutten die bederve.

(Melis Stoke, Rijmkronijk 1290.)

Turpe quippe mihi visum, qui aliena / nosse studueram, nostra, quae praecipue / tenere debebam, irgorare.

(Ubbo Emmius, Rer. Fris. Hist. 1592.)


[Inleiding]

Indien de Christelijke Kerk de openbaring is van het lichaam van Christus op aarde, is hare geschiedenis, die licht geeft over de leidingen Gods met en in haar, aller belangstelling waard.

Het is aan deze waarheid, dat wij, in de eerste plaats, de vrijmoedigheid ontleenen, dit werk, waarin wij de vrucht neerlegden van ons onderzoek naar de wording en vestiging der Friesche Kerk, onze lezers aan te bieden — in de hoop, ter gelegener tijd, op dit eerste deel nog twee andere te kunnen laten volgen, die met elkander één geheel zullen vormen, dat de Friesche Kerkgeschiedenis van den aanvang tot de Hervorming omvat.

Meerdere redenen, behalve de genoemde, spoorden ons tot dezen arbeid aan.

Ons althans is geen werk bekend, dat deze stof afzonderlijk behandelt en aan al de deelen daarvan de volle aandacht wijdt.

Wel werd meer dan eens en door bekwamer hand dan de onze de Kerkgeschiedenis van Nederland bearbeid en had daarin, wat Friesland betrof, een plaats.

Wel gaan ook de verschillende bewerkingen van de algemene geschiedenis van Friesland die der Friesche Kerk niet met stilzwijgen voorbij.

Maar, zooals verwacht mocht worden, is in beide gevallen, de behandeling die van een onderdeel en dus in meer of minder mate vluchtig en beknopt.

Toch, zoo meenden wij, verdient dit onderdeel een meer eigen en opzettelijke bewerking, omdat, bij gebreke daarvan, het rechte licht niet valt op het geheel, wat vooral gezegd mag worden aangaande de geschiedenis der eerste eeuwen.

[II] Want tot de 11e eeuw strekt het Friesche land zich uit van het Sincfal tot den Wezer en omvat dus een groot deel van het tegenwoordige Nederland en een deel van Duitschland en, wat meer zegt, de eigenlijke strijd van het Heidendom tegen het Christendom in Nederland wordt in het Friesche stamland begonnen en uitgestreden.

Daarbij komt, dat wij ons tot een dergelijke bewerking aangetrokken gevoelden uit een historisch oogpunt. Want de gegevens liggen overal verspreid en de belangrijkheid daarvan moest wel de lust doen geboren worden het verstrooide te verzamelen en te verwerken tot één geheel.

Dat wij daarmede een even omvangrijke als lastige taak aanvaardden, daarvan waren wij en werden wij ons bij de bewerking meer en meer bewust.

De bronnen zijn vaak zeldzaam en de gegevens moeten overal opgespoord worden.

Wat gevonden wordt, is niet altijd even betrouwbaar. Hier blijkt alles goedgeloovig aan- en opgenomen, daar verwierp een al te radicale critiek bolster en kern beide, elders eischen tweestrijdige berichten nader onderzoek en oordeel des onderscheids.

Dat evenwel dit zoeken en ontwarren der sporen op het zelden betreden gebied ook het aantrekkelijke van dezen arbeid vermeerderde, behoeft geen betoog.

Wat nu de techniek daarvan aangaat, wij meenden goed te doen in dit eerste tijdvak, de invoering van het Christendom als één geheel, te behandelen, omdat splitsing ons hier geheel overbodig scheen, terwijl wij daarna, als de Christelijke Kerk gesticht is, de geschiedenis van hare vestiging vervolgden, naar middeleeuwschen trant, van eeuw tot eeuw.

Tot verklaring en verdediging van deze methode diene, dat de historie zelve in de stichting der Kerk en in het verschil der toestanden in de 9e en 10e eeuw natuurlijke keerpunten aangeeft.

Een tijdvak van honderd jaren is bovendien lang genoeg Om voortgang en ontwikkeling der toestanden voor dat deel te overzien, terwijl het door zijn kortheid geschikter is om het détail te doen uitkomen.

Een andere afwijking van de gewone methode, die wij ons veroorloofden, is het beschrijven van de ambten, de liturgie der Kerk, de inkomsten der geestelijken enz. onmiddellijk na de geschiedenis van hare stichting.

Laadden wij den schijn op ons daarmede vooruit te loopen op hetgeen eerst later eeuw in dien vorm zou doen zien, wij stelden ons ten doel een denkbeeld te geven van de toenmalige toestanden [III] en trachtten dit mede af te leiden uit hetgeen bekend is als latere ontwikkeling van het toen reeds bestaande.

Wij meenen daartoe gerechtigd te zijn om de volgende redenen:

Moest men aannemen, dat de Friesche Kerk in haar eerste ontstaan geen ambten, geen liturgie enz. kende, dan zou men tegelijk moeten veronderstellen, dat wat zij in dezen later bezat, in een gelukkig oogenblik, zonder eenige voorbereiding, haar deel geworden is, wat al te zeer ongerijmd en in strijd met alle historie is, om geloofd en verdedigd te worden.

Natuurlijk houdt latere volledigheid op dit gebied verband met vroeger gekende, misschien minder ontwikkelde toestanden, wat het recht poneert om, behoudens bedachtzame voorzichtigheid, de laatsten uit het eerste af te leiden.

Gevaarlijk zou dit zeker zijn, ‘indien het, behalve dit, aan alle gegevens ontbrak, maar de Friesche Kerk ontstaat niet zonder verband met de elders reeds georganiseerde Christelijke Kerk en ook op het eigen terrein ontmoet men althans eenige berichten, die ons als wegwijzers kunnen dienen.

Op grond daarvan trachtten wij den breeden grondslag van een en ander al aanstonds aan te wijzen, om daardoor in staat te zijn, niet alleen een vollediger overzicht te geven, maar ook om de latere ontwikkeling van dezen en genen trek gemakkelijker en duidelijker te doen zien.

Gaven wij ook, ofschoon wij kerkgeschiedenis schreven, telkens een overzicht van de staatkundige en maatschappelijke toestanden, voor zoover zij Ons bekend waren, wij deden dit in de rechtmatige verwachting, dat het geteekende beeld der Kerk, tegen dezen achtergrond te duidelijker zou uitkomen.

Overigens werd het geven van bijzonderheden, ook van kleinere, niet door ons vermeden, maar veeleer gezocht, niet alleen omdat zij zelve belangwekkend waren, maar ook omdat bij hun licht het geheel beter kon worden verstaan. Ook was ons streven naar volledigheid daaraan niet vreemd.

Wat onze bronnen aangaat, die wij straks afzonderlijk wenschen te vermelden, zeer veel zijn wij verschuldigd met name aan de rijke Provinciale bibliotheek van Friesland, die ons in staat stelde van uitgegeven en onuitgegeven werken en stukken gebruik te maken, aan de groote hulpvaardigheid van haar archivaris, mr. Berns en zijne beambten, de heeren jaarsma en Waller Zeper, aan de welwillendheid van ds. Bleeker, emeritus-predikant te Kampen, en anderen. Zij mogen zich verzekerd houden van onzen hartelijken dank.

Zijn wij van het gebrekkige van ons werk overtuigd, dankbaar [IV] zijn wij, dat wij het met lust mochten bearbeiden en tot dusverre voltooien.

Zij het een middel om de belangstelling in een merkwaardig verleden, waarvan de kennis veelszins verwaarloosd werd, te wekken of te versterken en leere het de hand Gods erkennen in Zijne wegen met land en volk.

H. van Eijck van Heslinga.

Berlikum, mei 1910.

Voornaamste Bronnen.

[V] Geschiedenis van land en volk.

  • P. Winsemius, Chronique van Vrieslant, 1622.
  • Chr. Schotanus, De geschiedenissen van Friesland, 1658.
  • „ „ Beschrijving van Friesland.
  • It aade Fr. Terp, uitgave van Leeuwen, 1854.
  • Tegenwoordige staat van Friesland.
  • Foeke Sjoerds, Algem. beschrijving van Oud- en Nieuw Friesland.
  • „ „ Jaarboeken.
  • Worp van Thabor, Kronyk van Friesland.
  • Ubbo Emmius, Rerum Fris. historia.
  • J.J. Harkenroht, Oostfriesche oorspronkelijkheden.
  • Corn. Kempius, De origine Frisiae.
  • Van Loon, Aloude Holl. historie.
  • G.F. baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Groot Placaat en Charterboek van Friesland.
  • Gerh. Outhof, Verhaal van alle watervloeden.
  • N. Westendorp, Jaarboek van en voor de prov. Groningen.
  • Wagenaar, Vaderlandsche historie.
  • W. Eekhoff, Beknopte geschiedenis van Friesland.
  • [Joan Hugo] Van Bolhuis, De Noormannen in Nederland [1834].
  • Ph. van Blom, Geschiedenis van Oud-Friesland in „De Vrije Fries”, deel, de reeks, le deel, aflev. 4.
  • Van Richthofen, Fries. rechtsquellen.
  • Wierdsma en Brandsma, Oude Fr. Wetten.
  • De Haan Hettema, Oude Fr. Wetten.
  • Hoofd van Iddekinge, Friesland en de Friezen.
  • J.J. Backer Dirks, De Nederlandsche zeemacht.

Geschiedenis van Godsdienst en Kerk.

  • Beda, Historia Eccl.
  • Joh. de Beka, Catalogus episcop. Traject et comit. Hollandiae.
  • W. Heda, Historia episcop. Traject.
  • Mabitlon, Annales Benedict.
  • A. Matthaeus, Analecta.
  • [VI] Giles, Epistol. Bonif. opera omnia I.
  • Surius, Vitae sanctorum.
  • Emo en Menko, Kronyken. Uitgave van het Hist. Genootschap te Utrecht, 1866.
  • Van Heussen en van Rijn, Batavia Sacra.
  • „ „ „ „ Oudheden en Gestichten van Friesland.
  • Pertz, Monumenta Germaniae.
  • Harzheim, Concilia Germaniae.
  • N. Westendorp, Noorsche mythologie. Nieuwe werken van de Maatsch. Ned. Letterk, 2e dl. le stuk.
  • P. D. Chantepie de la Saussaye, Geschiedenis van den godsdienst der Germanen.
  • Römer, Een kloosterbezoek, 2 dl.
  • W. J. Hofdijk, De kloosterorden in Nederland.
  • W. Krafft, Mythologie der alten Germanen in Herzog Real-Encyclopadie, 1858.
  • G. Ed. Steitz, Messe-Messopfer in Herzog Real-Encyclop. 1858.
  • R. V. Dowe, Sende, sendgerichte „ „ „ „
  • Neudecker, Sacramente „ „ „ „
  • Palmer, Gesang „ „ „ „
  • Schöberlein, Glaube „ „ „ „
  • Palmer, Katechese, „ „ „ „
  • „ Liturgie, „ „ „ „
  • „ Litanei, „ „ „ „
  • G. Ed. Steitz, Taufe „ „ „ „
  • Royaards, De invoering van het Christendom.
  • E. J. Diest Lorgion, Geschiedkundig gedenkboek.
  • W. Moll, Kerkgeschiedenis van Nederland vóór de Hervorming.
  • Archief voor de Geschiedenis van het Aartsbisdom van Utrecht.
  • IJpey, Geschiedenis van het patronaatsrecht.
  • Joosting en Muller, Bronnen voor de geschiedenis der kerkelijke rechtspraak in ’t bisdom Utrecht in de middeleeuwen.

Handschriften en verhandelingen.

Portefeuille Bruinsma, in de Prov. Bibl. van Friesland. I. 5. Grondgebied en wereldlijk en geestelijk gezag. 6. Seendrecht. 7. Wetten en bepalingen voor de Seendrechten. 8. Geestelijke dwangmiddelen. 9. Geestelijke overheden. 10. Inkomsten van geestelijken. V. 2a. Bestuur der kloosters.

  • [VII] Portefeuille van Leeuwen, in het Prov. Archief van Friesland.
  • Repertorium of Anal. Register van de kloosterpapieren. Alsvoren.
  • Gerh. Paris, Disquisitio de Ludgero.
  • P. Feenstra, Willehad in „De Vrije Fries”, 1879.
  • Eyck tot Zuilichem, Bouwtrant van eenige oude kerken in Friesland, in „De Vrije Fries”, V.
  • H. O. Feith, Korte schets van de oude gewoonte om in houten gebouwen te wonen enz. in „Bijdragen voor de Vaderl. Geschiedenis en Oudheidkunde”, door Nijhoff, 1837.
  • G. H. van Borssum Waalkes, Friesche klokke-opschriften in „De Vrije Fries”, 19e deel, 4e reeks I, aflev. 1.

Inhoud.

Eerste tijdvak.

De stichting en vestiging der Friesche Kerk,

van de laatste helft der zevende tot den aanvang der elfde eeuw.

Hoofdstuk I.

De voorgeschiedenis.

§ 1. De godenleer der Germanen. De Asen en de Vanen. De Reuzen, Midgard, IJggdrasil, Niflheims, Wigrid.

§ 2. De goden der oude Friezen. Wodan, Thor of Stavo, Foste, Tyr of Tuisco, Freya, Fosite, Freyr, Hel, Baldur, Medea.

§ 3. De heidensche eeredienst. Heilige wouden. Heiligdommen. Priesters. Barden. Priesteressen. Dienaren. Offers. Gebeden. Geloften. Vervloekingen. Reinigingen.

§ 4. Het bijgeloof. Elven, Nikkers, Dwergen, Reuzen, Nornen, Troilen, Meermannen en — Minnen. Weerwolven, Dwaallichtjes, Draken.

§ 5. De heilige tijden. Maanden. Weken. Tijdrekening bij nachten. Heilige dagen. Feesten. Invloed van dezen godsdienst. Volksgewoonten en -zonden. Standen.

Hoofdstuk II.

Het Christendom in Friesland.

§ 1. Oudste berichten. De kerstening der naburige volken. Aegistus. Verritus en Malorik. Hilarius. Verinus. Bassus. Gevonden gemmen en munten, Sinne. Gemeente te Trier, Keulen, Tongeren, Maastricht, Luik. Het Frankische rijk, lerland, Engeland.

§ 2. De eerste pogingen. Strijd tusschen Friezen en Franken. De eerste zendeling. Toestand van land en volk. Beroald. Adgild. Harke, Lotharius IL. Dagobert. Eligius. De Thomaskapel te Utrecht, gesticht en verwoest.

[IX] Wilfried. Zijn jeugd, wijding, bisschopszetel, vijanden, reis naar Rome, schipbreuk. Adgild. Zijn gastvrijheid. Wilfried’s arbeid en de vrucht daarvan.

§ 3. Strijd en voortgang. Radboud I. Het heidendom bedacht op tegenweer. Radboud’s jeugd en karakter. Ado Wursing. De christenen vervolgd. Het Friesche leger naar het zuiden. Wigbert. Nederlagen van Radboud. Zijn concessie’s aan de zending.

§ 4 Wulfram. Zijn jeugd. Reis naar Friesland. Gangulf. Vrucht der prediking. Radboud’s weigering om gedoopt te worden. Onno. Evrinas en Ingomarus. Wulframs ascetisme en wondermacht. Zijn dood.

§ 5. Willebrord. Zijn jeugd en opvoeding. Reizen naar Utrecht en Rome. Zijn arbeid in Friesland. Zijn tocht naar Jutland, Sleeswijk. en Helgoland. Invallen in Friesland en wederkeerig in Holland. Radboud’s zegetocht naar Keulen. De christenen vervolgd en verstrooid. Radboud’s dood. Adgild II. Het christendom herstelt zich. Inval van Karel Martel in Friesland. Adgild en Willebrord sterven. Vrucht van Willebrord’s arbeid.

§ 6. Bonifacius of Winfried. Zijn jeugd en opvoeding. Reis naar Wijk bij Duurstede. Terugkeer naar Engeland. Tocht naar Rome en Utrecht. Zijn drie-jarige prediking in Noord-Holland en Utrecht. Naar Rome. Arbeid in Duitschland. Lullus. Reis naar Friesland. Verblijf te Marinz. Nog eens naar Friesland. Zijn zendingsarbeid in Westergo en te Oldeboorn. Zijn metgezellen. Frieslands toestand, Gondobald. Sake Rodman. Ubbo van Hermana. Radboud II. Vervolging der christenen. Solko Forteman. Praefect Abe. Marteldood van Bonifacius en zijn metgezellen. De gevolgen daarvan.

§ 7. Abt. Gregorius. Het heidendom in de minderheid. Bonifacius ontmoet Gregorius, die hem vergezelt naar Thuringen, het Frankische hof en Rome. Te Utrecht. Zijn zendingsreizen naar Friesland. De school te Utrecht. Zijn kennis, karakter en zijn dood.

Radboud II belegert Utrecht. Zijn bondgenootschap met de Saksen. Karel de Groote. Radboud verslagen. Hij vlucht naar Denemarken en vandaar naar Witukind. De strijd tusschen de Franken, de Saksen en Friezen. Invallen der Noormannen in Friesland.

Witukind onderwerpt zich. Frieslands laatste koning sterft in den vreemde. De macht ‘an het hetdendom gebroken.

§ 8. Willehad en Ludger. Willehad, een Angelsaks, naar Utrecht en vandaar naar Dokkum. Zijn arbeid aldaar. Naar Oldehove. In levensgevaar. Naar Drente. Bisschop van Bremen.

Ludger's afkomst, persoon en arbeid. Geboren Fries. Zijn [X] bloedverwanten. Karakter, Jeugd. Studie te Utrecht en York. Naar Utrecht, Deventer, Dokkum. Zijn arbeid in Oostergo. Naar Rome, Monte Cassino, Groningen, het eiland Bant. Bernlef. Naar Helgoland, Westfalen, Gelderland. Het klooster Werden. Bisschop van Munster. Zijn dood en begrafenis. Bedevaarten naar zijn graf.

§ 9. Het karakter der eerste predikers. Hun afkomst. Opleiding. Ascetisme. Hun drijfveeren, hun ontberingen, hun geloof, kennis en Roomsche belijdenis.

§ 10. Hun arbeid en prediking. Hun toe- en uitrusting. Wijze van optreden. Taalkennis. Prediking. Sermoenen van Bonifacius. Willebrord’s rede op Helgoland. Hun leer, hun onderwijs: Misviering, Biecht. Inkomsten der geestelijken.

§ 11. De vrucht. Staat van land en volk omstreeks het jaar 800. Verdeeling van Friesland. Landbouw en handel. Ezonstad. Terpen. Graven. Rijkswetten. Kerken van hout. Hun vorm en inrichting. Klokken. Torens. Doophuizen. Woningen der geestelijken. IJver voor kerkbouw. Giften en schenkingen. Het patroonsrecht. Almenum. De Friesche adel steunt het christelijk geloof. Geen kloosters. Invloed van den eeredienst en de prediking. Het huwelijk. Huwelijksinzegening. Echtscheiding. Het vasten. Zorg voor de dooden. Begrafenissen. Memoriën en oblatiën. Bedevaarten naar Rome, Werden, St. Oedenrode, Fulda, Heilo en Dokkum.

Resten van het heidendom. Het christendom in het volksleven. De aangebroken morgen nog geen volle dag.

Hoofdstuk III.

De negende eeuw. De vestiging der Kerk te midden van storm en strijd.

§ 4. Staatkundige en maatschappelijke toestand van land en volk. Een tijdperk van overgang, Friesland’s zelfbestuur, als deel van het Frankische rijk. Scheepvaart. Buitenlandsche handel. Staveren, Bolsward, Dokkum, Ezonstad, Uwtgong. Landbouw, veeteelt en nijverheid. Goud- en zilversmeden.

§ 2. De Regeeringsvorm. Graven, Graafschappen, Oostergo, Westergo, Sutrachi, Waldern. De zendboden, Volksvergaderingen. Asega's, Frana's of Skelta's. Hun ban en frede. Hun bevoegdheid.

Voor het krijgsbestuur: Frankische hertogen. Potestaten. De privilegiebrief van Karel de Groote. Magnus Forteman. Fokke Ludigman. [XI] Adelbrik van Adeelen. Hessel Hermana. IJge Galama. Igle Galema. Soms twee potestaten. Hun raadslieden. De Camminga's, Botnia’s, Tadema’s en Rodman’s.

§ 3. De invallen der Noormannen. De Noorsche volken. Oorzaken van hun vijandelijkheden. Hun schepen drakar en snekkar. Hun wapens.

Hun invallen en plundertochten bij Westerbierum, Cornwerd, het Amelander Gat en de Eems, het Flie, de Eems en de Lauwers.

Maatregelen tegen hen. Kustwachten en -seinen, Uitrusting van schepen. Schepen van Ezonstad genomen. Dijkshorne en Sexbierum verwoest. Inval van Godfried en Olaus. Slag bij Groningen. Edellieden uit de geslachten der Fortemans, Hardemans, Ludigmans, Hermana’s en Rodmans sneuvelen. De Noren verslagen. Nieuwe inval. Ezonstad verwoest. De Friesche vloot naar Jutiand en Noorwegen. Godfried verovert Friesland. De kerken verwoest. Godfried vermoord.

Betere verdedigingsmaatregelen. Nieuwe invallen. Slag bij Kollum. Oostergo en Westergo geplunderd. Roruk. Landing der Noren met 252 schepen. Nederlaag der Noren. De inval van Rudolf. Godfried, de Noorman, en Rollo, de Deen.

Hoofdstuk IV.

Uitwendige staat der Kerk in de negende eeuw.

§ 1. De Kerk en het volk. In den smeltkroes. Verwoesting. Onzekerheid. Afval. Het geloof gestaald. Gemeenschapsgevoel gewekt. De Kerk troosteres en leidsvrouw.

§ 2. Kerk- en kloosterbouw. Zorg van Karel de Groote voor het bouwen van kerken en pastoriën. Kerken te Almenum, Dokkum, Minnertsga, Staveren, Groningen en Egmond. Parochiekerken. Kapellen. Oratoriën.

Het klooster te Almenum, een munster van reguliere kanunniken. Haje Camminga. Het klooster te Dokkum, Markward, Bojald en Haje Camminga. De abten Gerardus, Syfridus, Willem, Johan, Flenricus Kessel. St. Odulfus-klooster te Staveren. Odulfus. Amelander klooster te Ballum, tater Bethania te Foswerd.

§ 3. Kerkbestuur en Kerkrecht. Bisschop van Utrecht. Zijn metropolitaan. Koorbisschoppen, Aartsdiakenen, Advocaten, Priesters, Diakenen, Klerken, Kapellen behoorende tot de Odulfuskerk te Staveren.

Friesland grootendeels onder het bisdom van Utrecht, Achtkarspelen en Schiermonnikoog onder het bisdom van Munster.

[XII] De eerste dekenaten: Oldeboorn, Bolsward en Smallenee. Latere verdeeling in dekanaten. De dekens. Hun benoeming en bevoegdheid. Eedswaren. Het sendgericht. Het syndrjucht.

Ordinati. Delegati. Arbitrarii. Voorrechten der geestelijken. Hun benoeming. Hun gehuwd zijn. De cureit. Zijn namen. Ambt. De kapelpriester. Kerkmeesters. Het kerkelijk gereedschap: altaarlakens, corporale, vaan, stola, boeken en kelken. De koster.

§ 4. De inkomsten der geestelijkheid. Schenkingen aan de kerk. Belastingen voor den bisschop: cathedraticum, circatus, belooningen voor wijdingen en betaling van het chrisma. Voor de dekens: inkomsten van goederen, tienden, cathedraticum. Zekere en onzekere inkomsten van de cureiten. Plaatselijke opgaven van Beets, Wier, IJlst, Noordwolde, Garijp, Kollum, Lions, Arum, Wommels, Koudum enz. De inkomsten van den koster. Collectanten.

§ 5. De kerkelijke organisatie. Dioecesaan- en provinciale synoden. Hun besluiten. Kalend-vergaderingen.

§ 6. De rechtspleging. De ordaliën: de kampstrijd, de kruisproef, de koudwater-, de heetwater-, de heetijzer proef. De lot-, de broodof kaasproef. Het baarrecht. De kleine en de groote ban. Het interdict. Schoterland en Stellingwerf en later het klooster Lidlum door het interdict getroffen.

§ 7. De bisschoppen der negende eeuw. Alberik. Theodardus. Rixfried, Frederik van Adeelen. Zijn reis naar Friesland. Zijn geloofsbelijdenis. Zijn gewelddadige dood. Craft. Alfrik van Adeelen. Eginhard. Ludger. Hunger. Zijn vlucht. Zijn verblijf te St. Odilienberg. Odilbald. Onzekerheid omtrent zijn opvolger. Aanvankelijk opleven der Kerk, gevolgd door verval.

§ 8 De eeredienst. Het Roomsche kerkjaar. De zeven Christusfeesten. De Mariafeesten. De heiligen-dagen. Hun ontstaan. De Zondagsviering en -heiliging. Bede- en dankdagen. Invloed en vrucht van het vieren en houden dezer dagen in deze eeuw.

De eeredienst in engeren zin. Het sacramentarium. Het lectionarium en het antiphonarium. Legenda en agenda. De vota. Doxologiën: het groote en kleine Gloria. De pericopen. De collecten. De Litanie. De Responsoria. De ritus van de Misviering. Verschillende soorten van Missen. De kindercommunie. De ritus van de Doopsbediening. Het catechumenaat. De scrutiniën.

De comes. De prediking. Voorschriften van Karel de Groote. Het hormiliartum. Het Brevier. De horae canonicae. Het kerkelijk gezang.

[XIII] § 9. Het kloosterleven. Uitwendige inrichting. De gebouwen en, hun omgeving. Inwendige inrichting. De ambten: abt, prior, sub-prior provisor, cellarius, circator, confessarius, bibliothecaris, vestiarius, magistri, sacrista, portier. Hunne plichten. De inrichting van het dagelijksch leven. De priem, het kapittel, de maaltijd, de ontvangst van gasten, de ziekenverpleging.

Reguliere kanunniken. De orde der Benedictijnen met haar 72 voorschriften. Het novitiaat. De geloften. De regel van Chrodegangus. De kloosterscholen. Het trivium en quadrivium. De macht en invloed der kloosters.

Hoofdstuk V.

De inwendige staat der Kerk in de negende eeuw.

§ 1. Godsdienst en zedelijkheid bij het volk. Gevolgen van de onrust des tijds. Ruwe zeden. De bruiloft der Rodmans. Vele misdaden. Verzet tegen de kerkelijke straffen. Verslapte tucht. De winst der Kerk. De strijd tegen het Heidendom nationaal geworden. Met het gebed in den strijd. Bedevaarten. Friezen te Rome. Friesche geestelijken. Friesche schrijvers. Ketterijen. Weldadigheid. De jeugdige Kerk vaster geworteld.

Hoofdstuk VI.

De tiende eeuw. De ontwikkeling der Kerk.

§ 1. De algemeene toestand van land en volk. Kwijnende toestand. De landen ten westen van het Flie verzonken. De Slachte- en Middelzeedijken. Herleving van handel en landbouw. Een tijd van vrede breekt aan. De Frana’s of Skelta’s. De potestaten Igle Galama en Gosse Ludigman. Huwelijk van Sigfried, zoon van graaf Arnoud met Tetta, dochter van Ludigman. Nieuwe invallen der Noren. De Eglosaga. Verdedigers der kusten. De Joulsma’s van Britsum. Vijandelijkheden tusschen de graven van Holland en de West-Friezen.

Hoofdstuk VII.

De uitwendige staat der Kerk in de tiende eeuw.

§ 1. Kerk- en kloosterbouw. Talrijke kerken en kapellen. Kerken van hout, regel. Eerste sporen van steenen kerken. Voorbeelden daarvan. Noormanspoorten. De stijl van kerken en torens. Geen nieuwe kloosters gesticht. De oorzaken daarvan.

[XIV] § 2. De bisschoppen der 10e eeuw. Radboud. Zijn afkomst. Opleiding. Ascese. Weldadigheid. Zijn verblijf te Deventer. Prediking. Visitatiereizen. Schrijver en dichter. Sequentiën, Zijn sterven te Ootmarsum en begrafenis te Deventer.

Balderik. Zijn afkomst. Radboud’s voorspelling. Balderik’s brief en zijn inhoud. Zijn komst te. Utrecht. Herstelling van het verwoeste. Relieken van Rome. Toename van de macht en het aanzien van den Utrechtschen zetel. Bruno. Ingelheim. Keulen. Utrecht ontvangt het recht van munt en andere voorrechten. Balderik’s dood en begrafenis.

Volkmar. Boudewijn I. Ansfried. Zijn afkomst en opvoeding. De scholen te Keulen. De schildknaap van Otto I, graaf van Brabant, Huy en Leuven, vriend van Notker. Ansfried’s schenkingen, kloosterstichting, benoeming tot bisschop, wijding. Zijn prediking en visitatiereizen. Groote giften aan de kerk. Dortmund. Frankfort. Het klooster op Hohorst. Zijn verblijf aldaar. Zijn dood en begrafenis.

§ 3. De eeredienst. Vermeerdering der heiligen dagen. Invoering van de sequentiën. Hucbald en zijn vinding der eenvoudigste harmonie. Bekende sequentiën of prosae.

§ 4. De leer der Kerk. Capitulare van 789, over geloofs- en zedeleer. Het geloof. Fides implicita. De verdienstelijkheid der werken. Beteekenis van den H. Doop, volgens Augustinus. De nooddoop en het onverwijld laten doopen van kinderen. Het gebruik in Friesland, te dien opzichte, inheemsch.

Het Misoffer en zijn beteekenis volgens Augustinus en Gregorius de Groote. De leer van het vagevuur. Anniversariën. Het aanroepen der heiligen. Privaatmissen. Mystiek.

Hoofdstuk VIII.

De inwendige staat der Kerk in de tiende eeuw.

§ 1. Toenemende invloed en macht der Kerk. De Kerk en het volk. Prediking en onderwijs. De geestelijkheid levende onder het volk. Beter huwelijksrecht. Hooger gezag der Kerk. Odo Botnia, om des geloofswille vervolgd, vlucht naar Friesland. Friesche edelen naar de scholen te Rome. Vrees voor den ondergang der wereld door rampen versterkt. De overwinning van het kruis.


[1] Eerste tijdvak.

De stichting en vestiging der Friesche Kerk,

van de laatste helft der zevende tot den aanvang der elfde eeuw.

Hoofdstuk I.

De voorgeschiedenis.

§ 1. De godenleer der Germanen.

Naar luid der berichten uit den oudsten tijd, was Friesland het eerst bevolkt door de Cimbren en Teutonen en zijn van deze volkeren de eigenlijke Friezen de opvolgers geworden.

Hoe men zich hun af- en herkomst ook moge denken, vast staat, dat zij behooren tot den Germaanschen stam en hierin ligt een vingerwijzing voor wie zich rekenschap tracht te geven van hetgeen de heidensche godsdienst der Friezen was voor de invoering van het Christendom.

De berichten daaromtrent zijn even zelfzaam als verspreid.

Wie evenwel acht geeft op hetgeen bekend is van den ouden Germaanschen godsdienst en in dit licht, geleid door de stamverwantschap, beziet, wat ons in dezen van de Friezen wordt bericht, ontvangt telkens reden en oorzaak om van het geheel tot het deel te besluiten.

Wij weten dan, dat de oude Germanen de volgende denkbeelden koesterden omtrent de goden, de wording der wereld en van den mensch, de verhouding tusschen goed en kwaad, enz.

Wodan of Odin was de oppergod, de alles doordringende levensgeest, de Alvader, die over alles regeert. Met Vili (wil) en Ve (heilig) heeft hij de wereld gevormd.

Wodans vrouw is Frigy of Freyja. Zooals Wodan de opperheerschappij voert over winden en wolken en oorlogen, zoo is Freyja mede de godin van den krijg en bovendien van de liefde en van den dood. Als zij met haren wagen door de velden rijdt, worden deze vruchtbaar. Zij ook is het, die in Walhalla, waar de helden, die in een tweegevecht sneuvelden, verzameld worden, mee schenkt.

Tot de Asen (een der twee soorten van goden) die op Idaveld, het middelpunt van hun burcht Asgard wonen, behoort verder Hónir, de broeder van Wodan en behooren ook de zonen van Wodan Thor en Tiu of Tyr, ook wel Tuisco geheeten en Baldur.

[2] Thor is de god der donders en, als zoodanig, met een hamer gewapend. Hij beschermt de aarde en haren aanwas aan de zeekusten.

Tyr is de oorlogsgod, die vooral onrechtvaardige oorlogen verwekt en voert.

Baldur is de beste der Asen. Hij bewaart Breidablick, waar niets onreins geduld wordt. De vonnissen, die hij als rechter velt zijn altijd rechtvaardig.

Bij de Asen woont ook Loki, de geest der duisternis, die altijd op hun verderf loert. Hij is de zoon van een reus. Zijn boosaardigheid stamt van zijn reuzenvader en hij wordt in Idafeld opgenomen, als de Asen zich met de reuzen vermengen. Hij vertegenwoordigt het element van het vuur, zooals zijn broeders Kari en Oegir dat van de lucht en het water.

Loki is de geest des verderfs en het middel, waarmee hij kwaad sticht is, ’t blinkende goud.

Van zijn geslacht zijn Narvi, de vader van den nacht en de beschermer der misdaden; zijn dochter Nott, die zwart en donker is en met den duisteren, liefdeloozen geest Naglifari getrouwd, de moeder wordt van Audr (rijkdom).

Uit het huwelijk van Loki met de reuzin Angrboda (angstbode) wordt geboren de Midgardsslang Fenriswolf en Hel, die over de onderwereld gebiedt en de dooden in zijn boeien slaat.

Een tweede soort van goden vormen de Vanen, die op Vanenheim wonen. Zij zijn vreedzaam en brengen de menschen zegen.

Tot hen behoort Njörder, die het liefst is te Noatun (stad van schepen), want van hem is wind en storm (onder de opperheerschappij van Wodan) en als de zeegod stilt hij de zee, wanneer de zeelieden hem aanroepen. Zijn zuster, mede geboren van Freyja, is Nerthus, de godin der moederaarde. Zij houdt haar verblijf op een eiland in den Oceaan en als zij van daar het land bezoekt, is het alles rust en vrede.

Overigens is Freijr, haar vader, de god des vredes, die welvaart verleent, den akkerbouw beschermt en den ploegschaar, inplaats van het zwaard, hanteert. Ook de scheepvaart bevordert hij ten goede der volkeren.

Eer Freyja Wodan’s vrouw werd, was zij met Freyr gehuwd.

Met deze goden in voortdurenden strijd zijn de Reuzen, die wonen in Jotunheim (Reuzenhiem) en de wilde onbeteugelde natuurkinderen voorstellen.

Hun oorsprong wordt ontleend aan Ymir (de ruischende), wiens geboorte of ontstaan op eigenaardige wijze verband hield met de schepping der wereld.

[3] Er bestond n.l. eenmaal een kloof (gap), die twee polen omvatte: Muspell (vuur) de wereld van warmte en licht in het Zuiden en Nifl (nevel) de wereld van koude en donkerheid in het Noorden.

Nu werden tot ijs bevroren stroomen van het Noorden door de warme lucht van ’t Zuiden opgelost en daardoor ontstond leven en een reusachtig organisch wezen, n.l. de zoo even genoemde Ymir, gevormd uit de ruwe stof. Als nu Ymir, in slaap gevallen, begon te zweeten, groeiden onder zijn linkerarm man en vrouw, terwijl hij zich, door de voeten tegen elkander te wrijven, een zoon schiep, die de Stamvader werd van het reuzengeslacht.

Een ander wezen werd tegelijk geboren uit het smeltende ijs, n.l. de koe “Audumbla” (de rijkdom-vochtige), die Ymir met hare melk voedde. Zij lokte uit de zoutsteenen het eerste mannelijk wezen te voorschijn, n.l. Buri, wiens zoon Bör de vader werd van de wereldvormende goden Wodan of Odin, Vili en Ve.

Deze goden versloegen den reus Ymir. Als deze viel, stroomde er zooveel bloed uit zijne wonden, dat alle reuzen daarin verdronken en maar één hunner met zijn vrouw in een boot ontkwam, nl. Forniot (de oude reus), die de vader werd van Loki. Van hem stamt een jonger reuzengeslacht af, dat der vuur-, vorst-, berg- en stormreuzen.

Uit Ymir’s gebeente bouwden Odin, Vil en Ve de wereld, nl: uit zijn bloed de zee en het water, uit zijn vleesch de aarde, uit zijn beenderen de bergen, uit zijn haar de boomen, uit zijn tanden en gebroken beenderen de rotsen en klippen. Toen namen zij zijn schedel en maakten daarvan het uitspansel. De van Muspellheim (Zuidpool) opstijgende vonken zetten zich daaraan vast, waardoor zon, maan en sterren en dag en nacht ontstonden.

De aarde was rond en van een diepe zee omgeven.

De kusten werden den reuzen tot woonplaats aangewezen.

In het binnenland, rondom op de aarde, bouwden Bor’s zonen een burcht tegen de reuzen. Zij gebruikten daarvoor de wenkbrauwen van Ymir en noemden haar Midgard. De hersens van den reus wierpen zij in de lucht en deze vormden de wolken.

Zoo was dan hemel en aarde ontstaan, maar ook de strijd begonnen tusschen de Asen en de reuzen.

De eersten kenden oorspronkelijk het kwade niet. Zij woonden in Idafeld en speelden met het goud, maar kenden geen hebzucht.

Dit veranderde, toen drie rijke reuzendochters in Idafeld kwamen en hun komst de aanleiding werd van de verbintenissen tusschen de goden en de reuzen. Toen leerden de goden kennen de begeerte naar het goud en trad Loki in hun kring.

[4] Om hun goudkoorts te bevredigen, schiepen toen de Asen de dwergen, de kabouters, die in den schoot der aarde wonen, en goud en edel metaal opdelven.

Aan de schepping der dwergen sloot zich die der menschen aan, die uit boomen, den esch en den olm, gevormd werden.

Wodan en zijn broeder Honir gaven hun het verstand en de ziel; Loki schonk hun levenswarmte en de zinnelijkheid.

Oorspronkelijk werd de mensch bestemd om met de goden tegen de reuzen te strijden. Door Loki’s gaven kon hij nu dien strijd in zich zelven beginnen.

Het leven en zijn ontwikkeling werd op eene wijze, in deze godenleer, voorgesteld, die doet zien, dat de begrippen van zonde en schuld, van gerechtigheid en vergelding en van een leven na den dood, diep in het bewustzijn der Germanen zetelden.

Het leven werd n.l. voorgesteld door ’t beeld van den wereldesch Yggdrasil, waarvan de takken zich over de wereld uitstrekken en ten hemel reiken. Drie wortels houden den boom staande.

Bij den eersten ligt de bron der Nornen, die het lot van den mensch bepalen, en van wie Urda de oudste is. Omdat de goden niet meer onschuldig zijn, zijn zij het noodlot vervallen en moeten dagelijks naar Urda’s bron ten gerichte. De wereld kan zonder recht en gerechtigheid niet bestaan.. Daarom moet de schuld verzoend, en worden iederen dag de takken van den wereldboom met rein water uit deze bron besprengd om ze frisch te houden. Het van de takken druipende water is de dauw, die nieuwe levenskracht geeft.

Bij den tweeden wortel ligt de bron van den reus Mimir, die de wijsheid bezit en de toekomst weet, welke Wodan en de zijnen vruchteloos pogen te kennen, omdat zij tot het kwade vervielen. De hoorn, waaruit Mimir drinkt, zal aan het einde der dagen worden geblazen door den wachter der goden Heimdall en dan vliegt de wereldboom in brand.

Bij den derden wortel ontspringen de stroomen der onderwereld, die de boozen moeien doorwaden. Zij zijn vol giftige slangen, die giftstroomen uitspuwen. Aan dezen wortel knaagt altijd door Nidhöggr (de vergelding).

Van den top van den wereldboom, die Odin’s heldenzaal, Walhalla, overschaduwt, eet de geit Heidrun, uit wier uiers de godendrank mee vliet, die Freya de helden te drinken geeft.

Deze helden worden door de Walkyren naar Walhalla gevoerd en zetten daar hun gevechten voort om zich te oefenen tegen den laatsten grooten strijd met de reuzen. Want die strijd komt.

Vroeger reeds is door de goden, op Wodan’s bevel, Fenriswolf [5] in de diepe zee geworpen, die alle landen omgeeft. Zij lekt daarom de aarde om ze te verstoren en Thor is met haar in voortdurenden strijd.

Toen ook is Hel verwezen naar Niflheim (de nevel- of onderwereld) en hij heeft macht over de dooden.

Maar de tijd komt, dat de verstorende machten de zon en de maan zullen verslinden en de sterren van den hemel zullen vallen.

Loki en zijn geslacht zal al zijn kracht openbaren.

De Midgardsslang, de onstuimige zee, zal alle dammen verbreken, de stormwind wild daarheen bruisen.

De vorstreuzen komen dan van het Noorden, uit het Zuiden de wachters der vlammenwereld en het geheele gevolg van Hel schaart zich daarbij.

Dan zullen de goden op de vlakte Wigrid met hen strijden en hen overwinnen. Loki en de zijnen komen om, de wereld vergaat door vuur en een nieuw godengeslacht en een nieuwe wereld zullen ontstaan, waar het kwade verdwenen is en het goede heerscht.[1]

Dit is in hoofdtrekken de godenleer der Germanen, zooals ons die in de Eddaliederen verhaald wordt.

Als in alle heidensche godsdiensten zijn er uit de kindschheid der menschheid flauwe herinneringen aan de waarheid overgebleven, maar is het geheel een vereeniging van wondere fantasieën, die door de vereering der natuurkrachten worden gevoed, maar ongetwijfeld in hun wezen hooger staan, dan in vele andere landen.

Gaven wij hier een algemeen overzicht, wij zwegen van de velerlei wezens, waarmede de oude Germanen bosch en veld, zee en meer in hunne gedachten bevolkten en met wie, uit den aard der zaak, het volk, als zoodanig, zich in de nauwste verbinding geloofde.

De vraag is nu, indien de Friezen behoorden tot den Germaanschen stam, was deze godsdienst der Germanen ook de hunne, en indien niet geheel, in hoeverre dan wel?

Ofschoon de voorhanden zijnde berichten ons ook hier geen welgeordend geheel aanbieden, melden zij ons toch genoeg om ons in Staat te stellen een eenigszins voldoend antwoord te geven.

§ 2. De goden der oude Friezen.

Om den godsdienst der Friezen te leeren kennen, komen ons te hulp berichten van Friesche en buitenlandsche schrijvers, en nog overgebleven herinneringen in namen, steenen en de zoogenaamde folklore.

[6] Van de Germaansche goden blijkt in de eerste plaats Wodan in Friesland vereerd te zijn.

Zijn naam, die leidsman beteekent, vindt men terug in de plaatsnamen Warns, Wanswerd, Warnvliet, een sate onder Workum, Warntille, tusschen Wommels en Edens, Warnsath in Oost-Friesland,[2] in den persoonsnaam Wander en Warner (zooals Ymir in Yme en Riemer) en in den naam van den middelsten dag der week Wansdi.

Een hem gewijd heiligdom stond vroeger te Warns,[3] misschien ook te Wanswerd, ofschoon ons daaromtrent niets zekers bekend is.

Hij werd afgebeeld met den slangenstaf, waarom de Romeinen hem Mercurius[4] noemden.

De Wodanswagen was het zevengesternte.[5]

Als de storm loeide door het woud, dacht de heidensche Fries aan de wilde jacht van Wodan, waarvan hij het voorbijrazen meende te hooren.

Willebrord verbrijzelde op het eiland Walcheren een gouden afgodsbeeld, hem gewijd.

Niet minder verbreid was de dienst van Thor, den dondergod.

Hij heette bij de Thüringers Stuffo en bij de Friezen Stavo, welke naam (denk aan het Friesche woord: stoef — sterk) de sterke, de vaststaande beteekende.

Aan hem herinnert Ternaard, waarvan de oude naam is Thunuwert, afgeleid van Thunar, Thundr of Donar en misschien ook namen als Dongjum, Domwier, Donjeburren (Doniaburen). Zeker is Thonsdi of Tongersdei naar dezen god genoemd.

Aan Thor of Stavo was een groote tempel te Stavoren gewijd.

Hij werd voorgesteld door koperen beelden met een gouden kroon, die omgeven was door een krans met 12 sterren,[6] met een heerschersstaf in de hand. Hij reed, zooals men meende in een wagen, getrokken door twee steenbokken, terwijl als zijn attributen werden voorgesteld: de werphamer, die altijd tot hem terugkeerde, een gordel, die zijn kracht verdubbelde, en blikken handschoenen, om zijn hamer aan te vatten.

In zijn paleis waren 540 zalen en hij nam daarin, na hun sterven, ook slaven en onvrijen op.

Hem werden menschen- en dierenoffers (stieren en bokken) [7] gebracht en omdat Thor den eik liefhad, droegen offerpriesters en offers kransen en hield men bij voorkeur, onder eiken, volksvergaderingen.[7] Ook de stier was hem gewijd en werd Thor’s hulp genoemd.

Als zinnebeelden ter zijner vereering dienden ook de dondersteenen en donderbeitels, die men beschouwde als door Thor gebruikt in zijn strijd tegen de reuzen.

Thor’s gemalin, Foste (niet te verwarren met Fosete), werd mede door de Friezen vereerd. Zij had een heiligdom op het eiland Ameland en in Foswert is haar naam bewaard gebleven.

Zij heette ook Sief en Siwa.

De booze Loki had eens, zoo vertelde men,[8] haar haar afgesneden. De goden dwongen hem toen den dwerg Sindri gouden haar te laten vervaardigen en zoo was zij in het bezit gekomen van haar gouden lokken.

Te ver gezocht schijnt het ons van Foste den naam Fetse af te leiden en met deze godin de Fetsebron te Dokkum in verband te brengen, zooals sommigen doen.[9]

Dat de Romeinen van Foste Vesta gemaakt hebben, is begrijpelijk, maar voor deze identificeering bestaat niet de minste grond.

Naast den Thor- of Stavo-dienst moet die van Tyr of Tuisco den oorlogsgod, genoemd. Van zijn naam zijn afgeleid de persoonsnamen Thyo, Tiaso, Thieso en de naam van den dag Thiesdi.

Waar hij vereerd werd, is onbekend.

Hij was als bondgenoot van Thor bij moeilijke ondernemingen. Zijn moed en doorzicht waren onbegrensd. Hij had niet meer dan een arm, want op zekeren tijd waren de goden bang voor Fenriswolf en ging Tyr, om hen te beschermen, met den wolf een verdrag aan. De wolf zou zich laten binden, mits Tyr een arm in zijn bek stak. Tyr deed dit, maar toen de wolf gebonden was, weigerden de Asen hem weer los te laten en zoo verloor de oorlogsgod zijn arm, dien hij, om los te komen, opofferen moest.

Uitgebreid was zeker ook in deze landen de dienst van Freya, de godin der liefde, ook wel Fréa genoemd. Naar haar werd de Vrijdag (Freed) genoemd.

Haar wagen werd door katten getrokken, die daarom heilig waren, evenals de Valken, want Freya vertoonde zich vaak in vogelgedaante.,

Haar barnsteenen halsketting (brising) is vermaard.

[8] Wodan had haar de Seidkunst (toovenarij) geleerd en onbepaald

was ook hare voorwetenschap. Haar paleis heette Folkwang.[10]

Groote altaren en zoogenaamde Truttensteenen waren haar gewijd.

Onder den invloed van het christendom veranderde ook deze godin in een heks, in de gedachten der Friezen en bleven ook de katten met haar, als booze geesten in nauw verband en het vroeger aan Freya gewijde Trutte werd een scheldwoord en bleef, als zoodanig behouden.

Vaak met Foste verward is Fosete of Fosite, de zoon van Nanne, de vrouw van Baldur.

Hij was de onkreukbaar rechtvaardige en daarom was de godsspraak, waarheen men zich om raad wendde, gevestigd in zijn heiligdommen op het eiland Heiligo- of Helgoland.

Bij dezen god was de beste rechterstoel van goden en menschen.

Bij zijn tempel was een bron, waarbij heilige runderen graasden.

Wie deze dieren aanraakte of anders dan in eerbiedige stilte uit de bron putte, werd met razernij geslagen of met een plotselingen dood gestraft.

Toen Willebrord op Helgoland het Evangelie predikte, slachtte hij van deze runderen voor zijn volk en doopte drie menschen in de bron

De inwoners brachten hem woedend voor den koning Radboud, die op het eiland vertoefde. Deze wachtte eenigen tijd of Fosite zich ook wreken zou op den heiligschenner en liet, toen er niets gebeurde, Willebrord zich verantwoorden. Deze deed dit met zooveel moed en en ernst, dat Radboud zeide: “Ik zie, dat uwe daden overeenstemmen met uwe woorden” en hem liet vertrekken.[11]

Waarschijnlijk was ook de dienst van Freyr, Hef en Baldur hier niet onbekend, maar bepaalde berichten daaromtrent zijn er niet.

Aan Freyr’s dienst was verbonden het begraven, aan Wodan’s dienst het verbranden der dooden.

Daarom doet het verschil in graven met en zonder urnen den Freyr’s dienst met zijne gevolgen vermoeden.

Baldur’s vrouw heette Nanne. Herinnert die nog voorkomende naam aan den Baldur-dienst onder de Friezen of kwam de naam met de Noormannen hier ?

Of en waar Hel, de God der onderwereld, vereerd werd, is onbekend, maar meer dan één plaats in Friesland heet Rea-hel en de lijkwegen, die naar ’t kerkhof leidden en altijd voor begrafenissen [9] moesten gebruikt, waren zij misschien der dooden God gewijd en was hun karakter zoo blijvend, omdat Hel zijn prooi vasthoudt?

Wij weten het niet. Wel viel ons op, wat gebruik is, althans was, in Friesland’s Oosten, dat de weg, waarlangs eens een doode vervoerd werd, voor altijd lijkweg en publieke weg moest blijven.

Of dit is, omdat door het vervoer van den doode, de weg of het pad beschouwd werd Hel gewijd te zijn?

Meer dan een vermoeden uitspreken, kan men hier niet.

Hetzelfde geldt van de godin Medea,[12] die haar zetel had te Medemblik, waar Wigbert haar tempel schond en haar beeld verbrijzelde.

Men weet niet, wie zij is, evenmin als men den god Kom kent, die ook op Helgoland moet zijn vereerd.

Merkwaardig (ofschoon de verklaring niet zeker is) is ook het opschriit of zijn de opschriften uit de 3e eeuw in 1883 bij Housesteads in Noord-Engeland bij den Hadrianusmuur gevonden. Zij staan op een altaar, door Friesche ruiters opgericht: “Deo Marti Thingso et duabus Alaesiagis Bede et Fimmilene”.

Het relief vertoont een krijgsman met speer en schild, aan wiens rechterzijde een zwaan (zinnebeeld van den zeegod Njörder) en aan de beide afgaande kanten twee zwevende vrouwen met een zwaard in de eene en een krans in de andere hand.

Duidelijk is het, dat deze Friesche ruiters, onder Severus Alexander in Brittannie gekampeerd, Mars, d.i. Tiu of Tyr vereeren, maar wat beteekent de rest?

Even weinig licht geeft ons de in 1888 te Beetgum gevonden geloftesteen, aan de godin Hiudana gewijd. De dankbare visschers, onder den manceps Quintus Valerius Secundus, verklaren daarop gaarne naar verdienste aan hunne gelofte te hebben voldaan.[13]

Men vermoedt, dat deze godin in Friesland vereerd werd als de godin der wateren en beschermgodin van visschers en schippers, omdat ook geloftesteenen, aan haar gewijd, in den Rijn zijn gevonden, maar overigens ontbreekt alle zekerheid ook hier.[14]

Minder geloofwaardige berichten spreken verder van de vereering der Zon (b.v. te Sneek onder den naam van Snein) en van de Maan, en de Romeinsche schrijvers noemen een reeks van Romeinsche goden, die ook door de Friezen werden vereerd.

Ten deele kan dit verklaard worden uit het identificeeren van [10] Germaansche en Romeinsche goden, als zij trekken van gelijkheid opmerkten; ten deele is het waar, dat deze laatste ook in Friesland werden vereerd, maar door de Romeinen zelf.

Zoo zijn in verschillende terpen, o. a. te Dronrijp, allerlei bronzen beeldjes gevonden van Apollo, Mars, Mercurius, Ceres, Venus en Bacchus,[15] eenmaal zeker het eigendom van de Romeinen, die hier onder Corbulo kwamen wonen.

Onvolledig is daarom onze kennis van de Friesche goden zeker, maar zij is groot genoeg om ons in Staat te stellen ons een voorstelling van dezen afgodendienst te vormen.

En wij zijn daartoe des te beter in staat door de tot ons gekomen gegevens omtrent den heidenschen eeredienst.

§ 3. De heidensche eeredtenst.

Beter dan men wel eens vermoedt, was in oude tijden de eeredienst der afgoden georganiseerd.

Daar waren in de eerste plaats landerijen en wouden afgezonderd voor den dienst der goden. Zij dienden tot onderhoud der priesters en om de offerdieren te weiden. Geen oningewijde mocht, op straffe des doods, deze bosschen aanraken of zich het gebruik van den grond aanmatigen. AI is. hun ligging niet meer aan te wijzen, zeker is het, dat deze gewijde gronden geen klein deel van Friesland besloegen.

Als heilig woud der oude Friezen vinden wij inzonderheid het bosch Baduhenna genoemd, dat misschien in het Zuidwesten van Friesland was gelegen en reeds ten deele bij het ontstaan van plassen, als de Brekken, bij Sneek, verzonken zal zijn, eer het met anderen in 728 werd verwoest.

De boomen van zoodanig woud werden met offerbloed geheiligd of door opgehangen dieren of menschen gewijd.

In deze wouden gaf gewoonlijk een groote, in elkander gegroeide boom de woonplaats aan van den god.

Onder zijn schaduw stond het beeld van den god,[16] meestal van hout en ruw bewerkt. Het altaar bestond uit een zwaren steen, vaak tot een hoogte van zes en meer voeten door onderleggers verhoogd, zoodat eenige treden noodig waren om het te bedienen.

Een en ander was omgeven door een omheining van boomen, ruwe steenen of door een schutting, waar binnen alleen de priesters, misschien ook de Vorst, mochten komen.

[11] Ook kwam het voor, dat men in het bosch een heiligdom had gebouwd, dat eerst eenvoudig, in lateren tijd in pracht toenam.

Tempelschatten waren hier in grooten getale aanwezig tijdens den inval van Karel Martel en eveneens zond Ludger uit dien voorraad in zijn tijd groote rijkdommen naar Utrecht, van waar zij aan den Keizer werden gezonden.

Andere heiligdommen vond men in het veld, op een heuvel, met dien verstande, dat zij althans van één zijde door boomen werden gedekt. Lieist bouwde men ze op een eiland, aan de kust van een binnenzee, aan den oever van een meer.[17]

Zij waren in vorm en omvang zeer verschillend, maar altijd vond men er den offersteen, van een kring van steenen omringd.

Een voorname tempel, omringd van meerdere heiligdommen, stond te Stavoren, op Ameland en op Helgoland, te Medemblik en te Almenum. Wie het waagde een heiligdom zonder verlof binnen te treden, werd naar het strand gevoerd. Men sneed hem de ooren af en offerde hem daarna aan den god, wiens tempel hij had ontheiligd, door hem in zee te werpen.[18]

Voor den moordenaar en den echtbreker was, zoolang hij niet met de goden en de beleedigden verzoend was, de weg tot het heiligdom gesloten.

Om de menigte beelden was vooral de tempel van Rottum bekend. Een menigte van deze heiligdommen werden, bij de invoering van het christendom, tot christelijke kerken gewijd.

Zoo werd Stavo’s tempel te Stavoren de St. Nicolaaskerk en verrees op de plaats van het heiligdom te Rottum een abdij.

Bij den tempel was gewoonlijk een gewijde bron of put, waaraan mede geofferd werd. In de bron te Upstal in Oost-Friesland werd b.v. ieder jaar een mensch verdronken.

Een dergelijke bron te Dokkum wordt met name genoemd.

Overigens vond men ook aan de wegen altaren, die bepaald op driesprongen niet mochten gemist.

Soms was dit een eenvoudige steen, elders een op andere steenen rustend altaar en, waar men de vereering van onderaardsche goden bedoelde, een kuil in den grond. Altijd was evenwel ook hier de gewijde plek afgebakend.

Op deze plaatsen zette men in den eersten christelijken tijd een kruis.

Bij deze heiligdommen behoorde een aanzienlijke schare van priesters, die den naam droegen van Druiden.

[12] Aan hun hoofd stond de Opperpriester, die Ewart (wachter de wet) werd geheeten.

Was het hier als in Engeland, dan wees de kleeding de verschillende rangen en orden onder de priesterschap aan.

Hemelsblauw was het kleed van den Ewart, wit dat der Druiden, aan een driekleurig kleed kende men den Bard. Zwarte kleederen droegen de priesters der onderaardsche goden, waardoor rouwkleederen tot heden van dezelfde kleur zijn.

De Druiden waren, behalve in den godenleer, thuis in de wijsbegeerte, de natuurkunde, sterrenkunde, meetkunde, genees- en taalkunde, en werden onderwezen in al wat de zedeleer, de wetgeving en de rechtsgeleerdheid betrof. Zij werden gekozen uit de edelste geslachten. Men hield ze voor ervaren waarzeggers, die verborgen krachten kenden en heerschten over alles, wat in de schepping gevonden werd. Zij bezorgden de openlijke en bijzondere offeranden, onderwezen in de goddelijke verborgenheden, in de wetten en de geschiedenis des lands een menigte jonge lieden van goeden huize. Zij spraken de orakels uit het gehinnik der paarden, de ingewanden der offerdieren en de vlucht van vogels. Zij wijdden de koningen en den echt en bestuurden de plechtigheid der lijkverbranding.[19]

De Oldehove te Leeuwarden was de groote Druidenschool.

Zij deelden hun onderwijs mee in den vorm van spreuken en verzen, die geacht werden de taal der goden en der orakels te zijn.

Verder beslisten zij de geschillen over erfenissen en grensscheidingen en velden als Asega het vonnis, terwijl de Frana (waarvan Franeker) voorzitter was van het gerecht.

Onderwierp zich iemand niet aan het vonnis, dan trof hem de zwaarste Straf en mocht hij, als een gebannene, niet meer deelnemen aan de offeranden.

Jaarlijks hielden zij het groote volksgericht (althing), waar alle geschillen beslecht werden.

Zij waren ontheven van alle belastingen en van den krijgsdienst.[20]

Genoemd worden ons uit de vroegste tijden Haje,[21] de zoon van Friso, die overste der Druiden zou zijn geweest, en Seerp, zoon van Fijt, een Druidenpriester op het Oude hof te Leeuwarden, die Aegistus, naar de legende een der 70 discipelen van Christus, als zendeling naar Friesland gekomen, in het jaar 60 met alle kracht bestreed.[22]

De Barden genoten 12 jaren het onderwijs der Druiden en werden, als zij bekwaam bevonden werden, na velerlei beproevingen [13] van hun moed en standvastigheid, in de orde der Druiden opgenomen.

Sommigen hunner was de hoofdplaats als terrein van werkzaamheid aangewezen. Anderen reisden het land door. Zij moesten door hun gezangen den volksgeest stemmen en wekken, de helden in den krijg vergezellen en aanmoedigen en het volk onderrichten door hun verhalen van de goden en de geschiedenis des volks.

In het laatst der 8e eeuw vond Ludger te Helwerd (in de provincie Groningen) een Frieschen bard, Bernlef, die zeer schoon de feiten en heldendaden der oude Friesche koningen bezong, maar sedert drie jaren met blindheid was geslagen. Ludger genas hem, althans in zooverre, dat hij te Werfhem (Warfum) de boomen en huizen weer kon zien en aanwijzen. Te Wisewerd (Uskwerd), waar een bedehuis was gebouwd, dankte hij God voor zijn herstel en werd christen; hij leerde van Ludger de psalmen zingen en kreeg de bevoegdheid, om stervende kinderen, na de moeders overtuigd te hebben, den nooddoop toe te dienen.[23]

Onzeker is het, ofschoon wel waarschijnlijk, dat er ook priesteressen gevonden werden. Zooals elders, zal ook wel in Friesland de dienst der godinnen, bij voorkeur, waargenomen zijn door vrouwen en jonkvrouwen. Zekere berichten daaromtrent zijn ons evenwel onbekend.

Wel staat het vast, dat aan een tempel, buiten de priesters, een groote schare van dienaren verbonden was, als offerdienaars, bewaarders van het heiligdom, uitroepers, vuurbewaarders, zangers, waar- en voorzeggers en allerlei mindere bedienden.

De offers, die men de goden bracht, waren zeer verschillend.

Zij werden aangeboden ter vereering, als dank-, gelofte- en zoenoffer en om de gunst der goden te verkrijgen.

Niets van eenig belang op het gebied van oorlog, landbouw, veeteelt, zeevaart, reizen of iets dergelijks, werd begonnen zonder offer.

Er waren bloedige en onbloedige offerhanden.

Tot de eerste behoorden de offers van menschen, stieren, ossen, paarden, schapen, varkens, honden, bokken, geiten en andere dieren. Tot de tweede behoorden de offers van koeken en vruchten.

Dat men ook menschen offerde, is zeker.

Eenmaal ’s jaars, zooals wij reeds vermelden, werd een menschenoffer gebracht aan de bron te Upstal en heiligschenners wierp men, als een offer aan de goden, in zee.

Het blijkt trouwens ook uit de volgende voorvallen:

In het jaar 159 groef men bij Stavoren een put. Men stootte [14] daarbij op een wel en het opborrelende zoute water was zoo overvloedig, dat men voor een overstrooming vreesde. Het orakel van Stavo gaf, desgevraagd, den raad, het water te mengen met het bloed van een driejarig kind, wat men deed, zooals het heet, met goed gevolg.[24]

De christen-apostel Wulfram bevrijdde in het jaar 700 een zekeren jongeling, met name Onno, van den dood door ophanging, dien men hem deed ondergaan, om hem de afgoden te offeren.[25]

Meestal gebruikte men, als menschenoffers, misdadigers en krijgsgevangenen, maar de slachtoffers werden ook meermalen aangewezen door het lot.

Het paard vooral was overigens het aangewezen offerdier bij belangrijke gebeurtenissen en offermaaltijden.

Nadat de hielpees was doorgesneden, werd het met een steenen offermes gedood. De kop werd afgesneden, het vleesch verdeeld, de ingewanden verbrand.

Het vleesch at men gaarne. Paardenvet gebruikte men in de plaats van boter en de paardentong was een lekkernij.

Aan Wodan vooral werd het paard (bij voorkeur schimmels) geofferd en aan Freyr het varken, dat misschien het oudste offerdier is.

Behalve de genoemde dieren werden zeker ook hinden, hanen, havikken, ganzen, bevers en hazen voor dit doel gebruikt.

Het offerdier verscheen versierd en gekroond, en werd, na onderzocht te zijn, door den offerman gebonden. Als daarop de hielpezen doorgesneden waren, werd of de kop afgesneden Of de nek omgedraaid en wel naar boven, als het een hemelsche, en naar beneden als het een onderaardsche godheid gold. Het bloed werd opgevangen in een daartoe bestemd vat, waarop het dier werd geslacht en verdeeld.

Met het bloed besprengde men dan de godenbeelden, het altaar, het vuur, den offeraar en de omstanders, tenzij het dier op het altaar geslacht werd, als wanneer de besprenging daarvan wegviel. Was het offer een onderaardschen god gewijd, dan legde men het dier boven een kuil en vloeide het bloed daarin.

Eenige der beste stukken werden op ’t vuur gelegd, nadat ze vooraf met takjes bestoken waren en koeken en een drankoffer werden er bij gevoegd, alles onder plechtig zwijgen.

Van de overgebleven stukken richtte men een maaltijd aan, of in het woud, of in den tempel of in huis. De priesters, de offeraar en zijne vrienden namen daaraan deel en nadat de drank vooraf den goden gewijd was, ging de beker voortdurend rond.

[15] De eerste beker was gewijd aan Wodan, de tweede aan Njordr, de derde aan Freyr, de volgende aan de helden en de overleden vrienden, welke dronk “minne” genoemd werd. Eén beker werd nog gewijd aan al de Asen. Er werd staande gedronken.

Het offerdier, aan zee- of watergoden toegedacht, werd aan den oever geslacht, terwijl men het bloed niet opving; of als men aan boord van een schip het offer geslacht had, werd het in zijn geheel in het water geworpen.

Als onbloedige offers werden gebruikt boom- en veldvruchten, meel, olie, honig, mede, koeken enz.

Bij het plengoffer bediende men zich van heilig en frisch bronwater, van melk, mede, olie en wijn.

Wie een offer bracht, moest gewasschen, besprengd en wel gekleed zijn. Wilde hij een hemelschen god offeren, dan verscheen hij in het wit, en dacht hij zijn offer den goden van het doodenrijk toe, in het zwart.

* * *

Tot de godsdienstige gebruiken behoorden verder de gebeden, de geloften, de vervloekingen en de reinigingen.

Men begon niets zonder gebed, maar bovendien bad men bij het offeren, bij het op- en ondergaan der zon en voor het eten.

Vooraf werden de handen gewasschen, het gebed werd luide uitgesproken en in verschillende houdingen, zooals met de armen omhoog, of als men den zeegod aanriep, met de armen recht voor zich uit; of met de handen en voeten den grond slaande, als men tot onderaardsche goden zich wendde.

Geloften en vervloekingen, die later ook weer krachteloos konden worden gemaakt, waren mede veelvuldig in gebruik.

Zonder reiniging mocht men aan geen heilige plechtigheid deelnemen. Men werd daartoe door den priester besprenkeld met water, of met bloed, vooral met varkensbloed.

Andere gebruiken, ofschoon niet dan gebrekkig bekend, toonen mede, hoe diep de godsdienst in het dagelijksch en in het volksleven geworteld was. Zoo was daar: de wijding van het heiligdom met ossenbloed, het zweren van den eed met den heiligen ring van Stavo in de hand, de naamgeving der kinderen, de reiniging der eerstgeborenen, de huwelijksvoltrekking in het heilige woud, de verschillende godsoordeelen: als de water- en vuurproef en de ketelgreep, de begrafenisplechtigheden, waartoe behoorden de wassching, verbranding of begraving, de lijkspelen, de verwisseling van de asch in urnen, het medegeven van eenige goederen voor strijd of jacht, soms ook van slaven aan den doode, enz.

§ 4. Het bijgeloof.[26]

[16] Dat eindelijk het bijgeloof in dezen heidenschen tijd, ook in het dagelijksch leven welig tierde, zal niemand verwonderen.

Geheel de natuur dacht men zich als met goede en kwade geesten bezet.

Daar waren in de eerste plaats de elven, die in lichte en duistere elven onderscheiden werden. De eersten woonden in Alf- of Elfheim en waren blanker dan de zon. De laatsten woonden onder de aarde én waren zwarter dan pek.

De goede elven zijn den menschen vaak van veel dienst. De zwarte nemen de gedaante van vrouwen aan en trachten uitgelezene jongelingen te verderven. De nachtuil was hun vogel, want deze elven reden ook des avonds en des nachts van de eene plaats naar de andere.

Tot deze soort van geesten behoorden ook de witte vrouwen, wier bestaan nog niet uit het volksgeloof verdwenen is.

Zij werden gezegd in heuvels te wonen en heimelijk reizigers, herders en jonggeborenen met hunne moeders naar hunne holen te Slepen, waarin men vaak een onderaardsch gehuil, gekerm en geween van kleine kinderen hoorde. Anderen hadden evenwel betere bedoelingen, verleenden reizigers een schuilplaats en deden vroedvrouwendienst.

Nog heden zijn de plaatsen vele, waar het volksgeloof zegt, dat deze witte vrouwen rondwaren.

Van de nachtelijke bezoeken, die deze vrouwen gewoon waren te brengen, bleef de nachtmerrie over en de raad, het schoeisel met het open einde naar het bed te zetten, wat een voorbehoedmiddel was voor deze bezoeken.

Dan geloofde men in nikkers, die in het water woonden en zich veranderen konden in een paard, een visch, een slang of in een ruiter.

Zij zogen verdronkenen het bloed uit, waarom men bij dezen gewoonlijk bloed bij den neus aantreft en hielden hunne zielen gevangen. Zij haalden vooral badende kinderen weg en lieten hen verdrinken.

In verband hiermede geloofde men (en gelooft men hier en daar nog), dat wie van een snoek of een ander water-roofdier droomde, niet ver meer was van zijn dood.

De oorspronkelijkste spiegel was zeker voor den mensch het water en ieder weet, hoe een langdurig staren daarin duizeling kan verwekken.

Noten

  1. Zie de Eddaliederen. Geschied. van den godsdienst der Germanen door dr. P.D. Chantepie de la Saussaye. Mythologie der alten Germanen van W. Kraft, in Herzog's Real-Encycl., 1858. N. Westendorp, Noorsche Mythologie in de Nieuwe werken van de Maatsch. der Ned. Letterkunde.
  2. Zie Onomasticon Frisicum door Johan Winkler, p. 426.
  3. Hamconius, in Fris. 97. 27. Schotanus, Beschrijv. v. Friesl. p. 20.
  4. Zie N. Westendorp, Noorsche Mythologie, p. 53. Foeke Sjoerds, Beschrijving yan O. en N. Friesland I, p. 331.
  5. Zie Huydecoper, Proeve van Taal- en Dichtk. I 24.
  6. Zie Foeke Sjoerds t.a.p. [ter aangehaalde plaatse] I p. 334.
  7. N. Westendorp t.a.p.p. 48.
  8. N. Westendorp t.a.p.p. 34.
  9. Laurman, Museum I p. 33.
  10. N. Westendorp t.a.p.
  11. Ph. van Blom, Geschiedenis van oud Friesland in “De Vrije Fries”, 19e deel, 4e reeks, Ie deel, afl. 4, p. 644.
  12. Zie Van Goudhoeven Croniek p. 882. [aant. JO: moet zijn blz. 38] — VIII Capittel: Hoe dat Carolus Martellus, Hertoge Puppijns soon van Brabandt, Koning Rathbolt van Vrieslandt verwan.

    ... maer doen Koning Rathbolt weder quam tot Medenblick/ daer sijn Koninghlijcke sale ende hof stont/ nae dat hy van Utrecht verjaecht was/ ende sach dat de Tempelen ende Afgoden in sijn lant/ ende bysonder Medea sijn overste Afgodinne tot Medenblik staende (waer van oock de stede haer name voert) vanden heylighen man Wigbert Priester/ ter neder geworpen ende gedestrueert waren/ ...

  13. Deae Hludanae conductores Piscatus, mancipe Q. Valerio Secundo V(otum) S(olverunt) l(ibenter) m(erito).
  14. Zie Van Blom t.a.p.p. 527-528.
  15. Zie catalogus Friesch Museum.
  16. Kempius zag drie Friesche afgodsbeelden onder de Archieven van het Collegie van de heilige Maria. Zie zijn “De situ et qualitate Frisiae” en de bijvoegselen.
  17. Zie N. Westendorp t.a.p.
  18. Zie Leges Fris.
  19. Zie Moll, Kerkgeschied. van Nederland I p. 48.
  20. Zie N. Westendorp t.a.p.p. 322.
  21. Zie Winsemius Chroniek p. 2.
  22. Zie It aade Fr. Terp p. 16.
  23. Ph. van Blom t.a.p.p. 686.
  24. Winsemius t.a.p. 28.
  25. Winsemius t.a.p.p. 61.
  26. Zie N. Westendorp t.a.p.