1863 Verwijs - Namen der Vrouw
Door Eelco Verwijs. Overgenomen van gedrukte tekst van lezing in 1863; later opgenomen in De Vrije Fries van 1865.
De Namen der Vrouw bij den Germaan.
Eene Voorlezing.
Dit was oyt mijn doen: // Van vrouwen moeste mijn sermoen // Altoes beghinnen of enden. — Maerlant.
Verglichen unter einander und als Objecte der Naturkunde des Geistes betrachtet, nach der Analogie ihres inneren Baues in Familien gesondert, sind die Sprachen (und dieses ist eines der glänzendsten Ergebnisse der Studien neuerer Zeit, der letzt verflossenen sechzig bis siebzig Jahre) eine reiche Quelle des historischen Wissens geworden. Eben weil sie das Product der geistigen Kraft des Menschen sind, führen sie uns mittelst der Grundzüge ihres Organismus in eine dunkle Ferne: in eine solche, zu welcher keine Tradition hinaufreicht. Das vergleichende Sprachstudium zeigt, wie durch grosze Länderstrecken getrennte Völkerstamme mit einander verwandt und aus einem gemeinschaftlichen Ursitze ausgezogen sind; es offenbart den Weg und die Richtung alter Wanderungen; es erkennt, den Entwickelungsmomenten nachspürend, in der mehr oder minder veränderten Sprachgestaltung, in der Permanenz gewisser Formen oder in der bereits fortgeschrittenen Zertrümmerung und Auflösung des Formen systems, welcher Volksstamm der einst im gemeinsamen Wohnsitze üblichen, gemeinsamen Sprache näher geblieben ist. Zu dieser Art der Untersuchungen über die ersten alterthümlichen Sprachzustände, in denen das Menschengeschlecht im eigentlichsten Sinne des Worts als ein lebendiges Naturganzes betrachtet wird, giebt die lange Kette der indogermanischen Sprachen, vom Ganges bis zum iberischen West-Ende von Europa, von Sicilien bis zum Nordcap vielfachen Anlasz.
Met deze woorden heeft een der reuzengeleerden van Duitschland uit deze eeuw de hooge waarde van etymologische navorschingen, vooral op het gebied van vergelijkende taalstudie, in het licht gesteld; en die woorden zijn ons te meer waard, daar ze niet afkomstig zijn van eenen taalkenner, dien men al licht van vooringenomenheid voor zijn vak van onderzoek zou kunnen beschuldigen; maar van eenen man, vreemd aan alle eenzijdigheid, met volle recht den naam van “koninklijk geleerde” waardig, den grooten natuurkenner Alexander van Humboldt.[1]
Even als de gesteenten eene stomme taal spreken, en ons de geheimenissen van antidiluviaansche scheppingen in reusachtig hieroglyphenschrift verkondigen, hetwelk de wetenschap der geologie heeft weten te ontcijferen, om ons een tooneel voor oogen te tooveren, dat ons met diepen eerbied voor de grootheid en almacht van een alwijs Opperwezen vervult: zoo ook kan de taal ons openbaringen doen en blikken vergunnen in het leven der volkeren, waar geschrevene oorkonden ten eenenmale ontbreken.
Dan wordt taalstudie, wel verre van een dorre wetenschap te zijn, hoe uitgebreider haar gebied wordt, even hartverheffend en bezielend als het navorschen van de grootsche werken der natuur; en hoe meer voor ons de schakels zichtbaar worden, die den reuzenketen des menschdoms vormen, des te ruimer zal onze blik worden, des te meer open voor de waarachtige grootheid van den menschelijken geest in zijne veelvuldige werkingen, gepaard met vurige vereering voor Hem, die de weinige spranken van Zijnen alomvattenden wereldgeest in ons heeft geplant.
De wording der taal, hare trapsgewijze ontwikkeling en vervorming, nagespeurd tot in de hoogste oudheid, kan ze niet voor ons worden, wat voor de kennis van het heelal de geologie is? kan ze ons niet vaak een helder licht doen opgaan op de geschiedenis der ontwikkeling en beschaving des menschdoms, waar andere bronnen of geheel ontbreken, of uiterst schaarsch vloeyen? kan ze ons niet de klare spiegel zijn, waarin het karakter der verschillende volkeren zuiver wordt terugge kaatst?
De wording en reusachtige groei dier studie, een kind onzer eeuw, zal gewis meer en meer erkend worden als hoogst belangrijk voor dat vak van wetenschap, waarvan men het groote gewicht meer en meer begint te gevoelen: — de geschiedenis der beschaving, de geschiedenis van den Mensch![2]
Zij toch is alleen geschiedenis in den waren zin des woords, en haar zal de vergelijkende taalstudie menigen steen kunnen aanbrengen, geschikt om het reusachtig gebouw verder te doen optrekken.
Voor tot mijn eigenlijk onderwerp over te gaan, mogen een paar staaltjens als voorbeeld dienen.
Een enkel woord, en aan Germanie's taalstam behoorend, en aan de deftige taal van het oude Rome, geeft ons een helderen blik op het hemelsbreed verschil van het karakter beider volken. Het is het Lat. hostis, dat volgens de wetten der klankverschuiving het Germ. woord gast moet zijn.[3] Zeker een groot onderscheid tusschen den vijand, dien men van zijne woning zooveel mogelijk afweert, en den vreemdeling, dien men gastvrij ontvangt! Doch gast en hostis is niets anders dan eter, iemand die komt om zijn lichaam te voeden, en de overgang van eter en gast zal zeker elke Fries licht begrijpen.[4] Maar dan klinkt gewis de beteekenis van het Lat. vijand uiterst vreemd: hoe toch van een eter, een gast, een vijand te maken? Niets eenvoudiger! Hij, die rondzwervende in den vreemde, aan de eerste de beste woning klopte, om voeding en deksel, hij was den Germaan een gastvriend; want hoewel vreemdeling,[5] men wilde hem met het beste uit huis en hof ten dienst staan, en de heilige plichten jegens hem vervuld waren de hoogste, die men ongaarne zoude schenden.
Bij den stuggen, op zijne nationaliteit trotschen Romein, brandende van zucht om zijne naburen onder het juk te brengen, werd de gast, de vreemdeling, als vijand beschouwd; hoewel ook bij hen oudtijds de naam van hostis, niet als die van vijand, maar als die van vreemdeling gegolden had.[6]
Zie hier een staaltjen van het uiteenloopende van twee zustervolken van denzelfden stam: thans wil ik u een voorbeeld geven, hoe het kind, al moge het lang van zijne moeder gescheiden zijn, zijn oorsprong niet vergeet, en de herinnering aan den gemeenschappelijken oorsprong vroeg of laat als een naklank uit het oude moederland, al scheen 't lang vergeten, weer kan doen weergalmen.
Vóór de reusachtige volkenbeweging, toen de zonen van den Indo-Germaanschen stam nog onder den gloeyenden hemel van Indie woonden, brachten de uitdampingen der moerassen, door de hitte bevorderd en kwaadaardig gemaakt, die aria cattiva voort, welke niet alleen onder den blaauwen hemel van Italie, maar ook in den grijzen nevelachtigen dampkring van 't Noorden, die ziekte te weeg brachten, die de oude Indiers den naam van g’ûrti gaven.[7]
Toen de uitgewekene volksstammen in hooger en droger lucht kwamen in de hooglanden van Azie, in de berglanden van Germanie, schijnt de kwaal zich minder te hebben voorgedaan: althans de inheemsche naam verdween, de ziekte werd een vreemdelinge op Duitschen bodem, tot ze later onder de Romeinen weer schijnt bekend geworden te zijn, en van hen ook den Latijnschen naam febris verkreeg, die nog in alle Germaansche taaltakken, in het verre noorden, zoowel als in het zuiden, bekend is. Alleen op een klein hoekjen van den Germaanschen bodem, waar de lage, drassige grond die ziekte meer dan elders veroorzaakte, in Nederland, dook weer de oude naam op, waarvan de herinnering nog flaauw overig scheen te zijn, en de koorts (volgens de wetten der klankverschuiving volkomen hetzelfde woord als het Sanskritsche) heeft sints haar burgerrecht in ons land, helaas, weten te handhaven.
Doch om niet langer in den wilde over het gansche taalgebied rond te zwerven, wil ik liever een enkel punt onderzoeken, een klasse samenhangende woorden, en wel: — de namen der Vrouw. Ieder kent de schoone schildering, welke de Romeinsche geschiedschrijver van de Germaansche vrouwen geeft; ieder voelt het harte sneller kloppen waar hij ziet, dat de woeste Germaan met hoogen eerbied het “heilige en profetische in de vrouw” vereerde; doch vreest al licht dat de edele Romein door overdrevene vooringenomenheid te verre is gegaan, om zijne schets als een bijtend verwijt het diep bedorvene Rome naar het hoofd te slingeren.
De nasporing der verschillende vrouwennamen zal ons wellicht meerder licht daarover verspreiden en ons den toestand der Germaansche vrouw in de maatschappij eenigszins helder maken.
Daartoe is het beschouwen der verschillende namen der vrouw noodig.
Het Gothisch bevat twee woorden van denzelfden stam afgeleid, die het begrip vrouw, met geringe wijziging van beteekenis, uitdrukken, doch thans in de meeste Germaansche talen zijn verloren gegaan, of althans niet dan met aanmerkelijk verloop der beteekenis meer overig zijn. Die woorden zijn quinô, de algemeene benaming der vrouw; quêno, die van gehuwde vrouw.[8]
In alle oud-Germaansche en oud-Noordsche talen wordt dit woord gevonden, even als in het Grieksch, waar het γυνὴ luidt; terwijl het in de thans levende talen alleen nog in het Zweedsch quinna en het Deensch kone in de aloude beteekenis van vrouw over is.
Ten onzent en bij onze Engelsche naburen had het in zijne beteekenis een allerzonderlingst verloop. Bij de laatsten, echte zonen der vrijheid, wordt het zuiverste Germanisme nog steeds gevonden: de vrouw staat en stond er steeds op een hoogen trap. Wel is het niet de overdrevene courtoisie en hoofschheid, waarmede in den tijd van het romantisme in Frankrijk de vrouwendienst gepleegd werd: een dienst den vrijen man geheel onwaardig, het Germaansche volkskarakter geheel vreemd, daar slaafsche onderworpenheid en lage kruiperij er steeds gehaat is geweest. En was de vrouw, zelfs daar waar haar dienst bij de Romaansche volken ten hoogsten top was gevoerd, waar ze het meest gevleid en bewierookt werd, wel veel meer dan een speelpop der lusten, om hare schoonheid bewonderd en gevierd, doch verstoken van den haar in 't leven passenden rang: de gelijke en gezellin des mans te zijn?
Bij den Angel-Saks daarentegen gold ze als het sieraad van den huiselijken kring: dáár heerscht ze als koningin onder haar gezinde. En van koningin van 't huis kromp allengs de beteekenis tot koningin des volks; en de naam queen duidt nog maar alleen dien der vrouwe bij uitnemendheid: der vorstin aan.[9]
Bij ons had het woord quene een geheel andere geschiedenis. Is in Engeland queen van de algemeene beteekenis vrouw tot den eeretitel van vorstin ingekrompen, bij onze voorouders werd het evenzeer beperkt, doch in minder eervollen zin: daar toch werd het oud wijf, altijd in min of meer verachtelijken zin gebruikt.[10] Oude quene toch werd steeds als scheldwoord gebruikt, waar men aan out wijf in 't Mnl. volstrekt niet die verachtelijke beteekenis schonk: dit toch stond met ons oude vrouw gelijk.
Doch van waar nu het zoo groote verschil in beteekenis bij het eene en andere volk, zoodat het hier een eernaam, daar een schandnaam werd?
Naast quene, oude vrouw, bestond een ander woord, in uitspraak geheel er aan gelijk, doch dat in schrijfwijs althans in het AS. er van verschilde, waar het quean luidde en ons kween, onvruchtbare koe beteekende.[11]
Daar de uitspraak gelijk was verwarde men al ras de beide woorden met elkander, men beschouwde ze als van denzelfden stam, en de “spraekmakende gemeent”, steeds zoo vaardig om op haar wijs te etymologiseeren, waagde zich ook in die “Saturnalien der Wissenschaft” en stelde de onvruchtbare koe en de vrouw op eene lijn, en om toch eenigen schijn van grond aan hare afleiding te geven, maakte zij er een “oud wijf” van.[12] De ware afleiding is evenwel juist de tegenovergestelde van die door het volk werd gemaakt, daar quene tot een wortel quinan, quan, quênum, moet gebracht worden, welke volkomen met het Lat. gigno (eigenlijk gi-GEN-o) en het Gr. γεν-νᾶν overeenkomt. Door het fijne taalgevoel der ouden werden van dezen wortel twee vormen afgeleid: quino, met de vocaal van het praesens, de vrouw in het algemeen, de tot baren bestemde; en quêns, met den klinker van het meervoud van het praeteritum: steeds in beteekenis van gehuwde vrouw, dus de door baren vrouw gewordene.
Een ander, nog in alle Germaansche talen overig woord, dat het vroeger gebruikelijke quene geheel en al verdrongen heeft, is wijf. Dit bezit de eigenaardigheid dat het van het onzijdig geslacht is. De reden hiervan op te sporen zou thans te ver leiden, en is ten onzent ook reeds geschied.[13]
Waarschijnlijk luidde dit woord in zijn oudste gedaante wijfman, zoo als nog blijkt uit het AS. vîfman en het Eng. woman. Dit laatste is zeker eene verbastering van womb-man, en beteekent dan homo uterinus.[14] Dat ook vîf in de beteekenis van baarmoeder voorkomt blijkt uit de Paraphrasis Evangelica, medegedeeld in Bilderdijks Verscheidenheden, D. VIII, bl. 130. Het is het verhaal van de zwangerschap van de moeder van Johannes den Dooper:
<tbody> </tbody>| Tho wuard san after thiu maht Godas gicundid | Toen werd weldra daarna de macht Gods geopenbaard |
| (is craft mikil wuard) thia quan ocanid ist. | (zijn kracht groot werd) (en) de oude vrouw bevrucht is. |
| An ira eldiu solda im erbiwand gigibid | Aan haren ouderdom zou hem een erfgenaam gegeven |
| wuerdan [suid Godcurrid gumo]. | worden [(den) zeer godvruchtigen man]. |
| Beda, after thin that wif wurdi giscapu | Toen daarna de baarmoeder werd geformeerd |
| enz. |
Misschien is het woord verwant met den Sanskrit-wortel vap, strooyen, vooral van zaad, zaayen; ook weven (Ohd. WAB).[15] Is het dan of het receptaculum seminis, of als een kunstig weefsel te beschouwen? Doch, hoe dit ook moge zijn, wijf even als woman en vrouw, duidt de roeping aan als bestemd om kinderen voort te brengen.[16]
Bij ons niet alleen, maar ook in Duitschland, is het woord wijf grootendeels verdrongen door vrouw. Reeds in de middel-eeuwen werd door de Duitsche Minnesinger er om gestreden, welk der twee woorden den voorrang zoude genieten: wijf of vrouw. Walther von der Vogelweide kende in het volgende lied, dat ik naar Simrock's vertaling mededeel, den palm aan weib toe:
“Weib” musz stets der Frauen höchster Name sein, // Der mehr als “Frau” sie dünkt mich, ziert und kleidet.
Wenn etwa Eine meint, es klinge Weib nicht fein, // Die höre diesen Sang, eh’ sie entscheidet:
Unweiber gibt’s bei Frauen auch, // Unter Weibern gibt es keine. // Weibes Name, Weibes Brauch // Ist voll Zartheit und voll Reine. // Ist oft Frauen nicht zu traun, // Alle Weiber sind doch Fraun. // Zweifellob, das höhnet, // Wie oft der name Fraue;
Weib ist ein Wort, das alle krönet.
Heinrich von Meissen daarentegen trad overmoedig voor het woord vrouw in het strijdperk, waarom hij waarschijnlijk den naam Frauenlob ontving. En de publieke opinie is aan zijne zijde geweest en gebleven: meer en meer toch werd de naam van wijf door dien van vrouw verdrongen, wellicht als een stilzwijgende erkenning van de heeren der schepping, naar mate ze de echt mannelijke deugden hunner vaderen verloren, de wijven steeds meer vrouwen, d.i. meesteressen, heerscheressen zijn geworden. Dit toch was de aloude beteekenis van het woord, als zoodanig nog in het Land-Friesch bekend, waar frou de huisvrouw is, de titel, welken de bedienden aan hunne meesteres geven. Ook in het Mnl. wordt het steeds tegenover heer gebezigd.
Van denzelfden stam als vrouw is het mannelijke vroon (heer), nog bewaard in vroondienst, vroonakker (Franeker), het dorp Vroonen in N. Holland, het Hd. Frohnleichnamsfest enz., en dat in het Gothisch frauja luidde.[17]
Gewoonlijk wordt dit woord verklaard als samen te hangen met vrô, vroolijk, en zou dus vrou de vroolijke, vroolijkmakende aangeduid hebben: eene afleiding ontstaan uit zucht om te idealiseeren en den eerbied der oude Germanen voor de vrouw ook door het geven van zulk een naam te bewijzen.[18]
Deze afleiding is evenwel reeds oud en waarschijnlijk uit het brein der dichters gesproten, alleen op den klank des woords af.[19]
Zoo vindt men in Stricker's Frauenehre:
Daz vroüwen an in ist bekant, des sint si vrouwen genant,
en bij de Minnesinger:
En:
Die vrouwe vroüwet unde unvröüwet maneger muoter kint.
Die mit tugenden vröüwent âne wê, die heize ich vrouwen.[20] Ik meen, niettegenstaande het gezag der dichters, het Goth. frauja eer te mogen vergelijken met het Sanskrit prabhu, heer, en het te mogen beschouwen als saamgetrokken uit frabuja.[21]
Voor ongehuwde vrouwen is de algemeene naam maagd, die in alle Germaansche talen bekend is,[22] doch in hare afleiding geene belangrijke resultaten voor de kennis van het volkskarakter geeft. De stam waartoe dit woord moet gebracht worden, is mag, nog over in mogen, maag, maagschap, enz., en duidt dus enkel een verwantschapsbegrip aan.
Een ander woord voor ongehuwde vrouw, dat thans nog alleen in het Landfriesch overig is, luidt faam, in het Oudfr. fâmne, in het OS. fêmea, in het AS. faemne en in het ON. feima.[23] Hoe groot nu de gelijkheid met het Lat. femina is, juist die overeenkomst verbiedt ons het als hetzelfde woord te beschouwen. Van overname toch van een begrip maagd van de eene zustertaal in de andere kan toch wel geen sprake zijn: dergelijke woorden zijn of overal oorspronkelijk, of hetzij door klankverschuiving aangedaan of niet, uit de oude moedertaal tot ons gekomen.
Maar een veel liefelijker oorsprong biedt ons een ONoordsch werkwoord aan. Daar toch beteekent feima de eerbare jonkvrouwe, en het werkwoord feima zich schamen. Hoe schoon komt die naam overeen met de schildering van Tacitus van de Germaansche maagden, waar hij zegt:
Zij leven alleen door hare eerbaarheid beschut, en wee haar! welke hare kuischheid schendt: voor haar toch is geene vergiffenis; en noch schoonheid, noch jeugd, noch rijkdommen zullen haar eenen echtgenoot verschaffen. Daar lacht niemand om ondeugden, en te verleiden en verleid te worden behoort nog niet tot de mode der eeuw.
De verloofde maagd was vrijster. De Sanskrit-wortel pri, beminnen, wijst ten onzent op den stam vri, welke wij dan ook in het werkwoord vrijen, hoewel in de ingekrompen beteekenis van minnekoozen, bezitten, en in het subst. vriend, oorspronkelijk vriand, het bedrijvend deelwoord van dit verbum.
Het woord bruid bestaat niet alleen in de Germaansche, maar ook in de Keltische talen, en was vroeger in beteekenis niet zoo eng als nu, daar het ook de jong gehuwde, in het AS. zelfs de getrouwde vrouw in het algemeen beteekende. Onder de vele afleidingen hield men gewoonlijk die van brouwen de waarschijnlijkste.[24]
Met verontwaardiging komt Grimm er tegen op, dat men dit edele, reine woord eene zoo onkiesche afleiding heeft toegekend.[25] Hij vergelijkt het met het Sanskrit praudha, het participium pass. van pravah, dat even als het eenvoudige vah, vehere currum, een wagen mennen, beteekent. Met denzelfden overgang van beteekenis als in het Lat. uxorum ducere, eene vrouw naar huis rijden, is dan ook de praudha, de bruid, de naar huis gevoerde; en deze benaming komt uitstekend overeen met de verschillende plechtigheden, welke bij de domum ductio der jeugdige echtgenoot, ook bij de volkeren van den Germaanschen stam plaats hadden.[26]
Toen nu het taalgevoel den eigentlijken zin des woords verloren had, werd het behouden, zonder als de in afleiding en beteekenis nog levende woorden door de klankverschuiving aangedaan te worden.
Het valt dus ook eigentlijk buiten den kring onzer beschouwing, daar het als voor-Germaansch woord ons niet den geest onzer voorouders in de vorming van de vrouwennamen aanschouwelijk maakt, maar ons alleen op een gebruik in het oude Indie heenwijst.
Een dergelijk eeuwenoud woord, dat in bijna alle Europesche talen gevonden wordt en evenmin aan de wetten der klankverschuiving heeft gehoorzaamd, is weduwe. Het Latijn bezit evenzeer het woord vidua, waaruit het in de Romaansche talen is overgegaan, als het Gothisch en de andere Germaansche taaltakken, en in bijna denzelfden vorm vindt men het in de gemeenschappelijke moedertaal,[27] het Sanskrit, terug, waar het vidhavâ luidt. De Germaan mag zich verheugen dat woord meêgenomen te hebben en behouden, toen reeds eenigermate het taalgevoel was verstompt, toen men de ware afleiding zeker niet recht meer begreep. Vatte Grimm de handschoen op voor de eerbare bruid, omdat men getracht had, “diesem reinen, edlen Wort eine unzüchtige Bedeutung unter zulegen,” de arme vrouwe, beroofd van haar steun en staf, die de poëzie ons voortoovert met:
die hagelwitte leden // In sombre nacht van donker floers gehuld — // Dat zielvol oog met traan op traan gevuld — // Dat hair zijn snoer in wilde pracht ontgleden — // Die blanke borst, van 's egaâs kus nog laauw, // In achtloosheid haar gordelen ontsprongen — // Dat hoofd gebukt, die handen zaamgewrongen — En heel die leest wegkrimpende van rouw.[28]
De weduwe, helaas! is door de oude Indiers met een zeer leelijken naam bedacht. Moge al de benaming recht plastisch zijn, kiesch is ze niet.
De echtgenoot heette in ’t Sanskrit dhava, welk woord van den wortel dhû komt, die bewegen, schudden, stooten beteekent, en met ons duwen gelijk staat. Het voorvoegsel vi, hetwelk ook het Latijn in ve bezit, dat in samenstellingen als VEcors, VEsanus voorkomt, duidt een gemis aan, en de vidhavâ was dus letterlijk de ...... De Germaan zou gewis in zijn eerbied voor het heilige der vrouw aan de weduwe een kiescheren naam hebben toegekend.
De overige namen der vrouw in de verschillende verwantschapsbetrekkingen leveren in de meeste Indo-Germaansche talen een verrassende gelijkheid op. Zoo b.v. moeder (29),[29] het natuurgeluid, dat het stamelende kind het eerst uitspreekt (mâ, mâ), even als uit den even makkelijken klank pa, pa (wisselvorm va) de naam vader geboren werd.
Enkele talen vertoonen een afwijking in den moedernaam, b.v. het Goth. aidhei, waarmede het Noordsche Edda, grootmoeder, kan vergeleken worden, en waar naast het Finsche äiti, het Lap. edne, en het NLapl. aedne kan geplaatst worden. Zoo leveren ook het Fr. mêm en het Welsch mam overeenkomst, eene overeenkomst, welke ons wijst op de eerste klanken van het kind.
Merkwaardig is nog de naam der dochter, waarover Duitschland's grootste taalkenner Jacob Grimm een paar gissingen mededeelt.[30] Hij brengt dauchtur tot den verbaalstam daug, ons deugen, even als kind tot kan, maag tot mag; doch voegt er bij, dat in het Sanskrit een wortel dûh bestaat, welke melken beteekent. Het Sanskrit duhitâ zoude dan het gezoogde kind beteekenen.
Eene andere gissing komt mij evenwel aannemelijker voor. De duhitâ of dochter is misschien de melkster, en ware dan te vergelijken met het Lat. mulier, in welk woord het It. mogliere, het Sp. muger tot een oorspronkelijk Lat. muglier zouden doen besluiten, dat tot mulgere te brengen zou zijn. Zoo vergelijkt hij nog faem met fêm, fâm, melk, en zouden naar zijne meening zoowel mulier en faem als dochter ons wijzen op eene herdermaatschappij, waarin de vrouw melkster van het vee was, even als in het AS. de woorden hlâford en hlaedfige, de naam der meesteres des huizes, als uitdeelster van het brood, reeds eene meer beschaafde, akkerbouwende maatschappij aanduiden.[31]
Thans, na de verschillende namen der vrouw te hebben nagegaan, blijft nog slechts over de slotsom uit het voorgaande te trekken.
En die namen, voor zoover ze ten minste op Germaanschen bodem zijn ontstaan, wijzen voornamelijk op de zinnelijke behoefte; het hoofddenkbeeld is ontleend aan het voortbrengen van kinderen. Als moeder of aanstaande moeder gold de Germaansche vrouw het meest.
Doch wij zien ze ook als gebiedster en meesteres in haar gezin; wij zien haar dus reeds ontrukt aan dien slaafschen toestand, waarin zij bij de meeste volkeren der oudheid was verzonken; ja, een enkel woord doet ons een schoonen blik slaan op eene der hoofddeugden, die steeds de Germaansche vrouw gesierd hebben als de schoonste kroon, waarmede zij kan prijken: eerbaarheid en kuischheid.
Doch stellen wij daarom den toestand der vrouw niet als te benijdbaar voor, ten minste in het licht onzer dagen beschouwd: dan voorzeker zou haar leven ons vrij slaafsch dunken. Waar de mannen of in bloedigen strijd gewikkeld waren of afleiding zochten in het edele weidspel; of, waar die bezigheid hun ontbrak, de traag voortkruipende uren in loome vadsigheid doodden, of opwekking zochten bij den schuimenden beker en de ratelende dobbelsteenen; dan was den vrouwen de zware taak opgedragen, om met de ouderen van dagen en de zwaksten van het slavengezinde, de zorg voor huis en hof, akker en vee op zich te nemen. Gemakkelijker viel het zeker der ferm gebouwde, kloeke Germaansche dien zwaren taak op hare schouders gelegd te zien, dan het der meer beschaafde zijn zoude; en geene was er gewis die zich beklaagde over den zwaren arbeid, wiens gewicht zij torschen kon; geene die haren heer de logge rust na strijd en jacht, drinkgelag en spel niet gunde; geene die niet bereidwillig dat werk verrichtte, hetwelk zij vermeende dat het deel moest zijn van haar, die de belofte had afgelegd lasten en gevaren te deelen met hem, die bij het nijpen van den nood haar eenige en krachtige beschermer was.
Naar het ideaal dat men zich thans schept, zou gewis de blondlokkige blaauwoogige Germaansche schoone ons eerder afstooten dan aantrekken.
Krachtig en kloek gebouwd, eerbaar en zedig mogen ze geweest zijn; maar de lieflijke en beminnelijke hoedanigheden, ons de schoonste sieraden der vrouw, misten zij, en het was der latere beschaving voorbehouden die zachtere bekoorlijkheden bij haar te ontwikkelen. De opvoeding had haar iets ruws en mannelijks gegeven; de zware arbeid, haar opgelegd, bracht er zeker niet toe bij om de ruwe kanten liefelijk te ronden; doch, zij waren wat zij moesten zijn: heerlijke spruiten der onbedorven natuur, zedelijk zoowel als lichamelijk, bestemd om de moeders te worden van een geslacht, ruw en onverbasterd, kloek en edel, dat eens met meedoogenlooze hand den nog sierlijken, maar op zijne grondvesten waggelenden tempel der oud klassieke beschaving zou te pletter werpen, om op zijne bouwvallen den trotschen Gothischen munster der Germaansch-Christelijke beschaving op te trekken.
Noten
- ↑ Kosmos, B. II, 1, 142.
- ↑ Hiervan zegt Henry Thomas Buckle, History of civilization in England, vol. I, p. 852: “I am deeply convinced that the time is fast approaching when the history of Man will be placed on its proper footing; when its study will be recognized as the noblest and most arduous of all pursuits; and when it will be clearly seen, that, to cultivate it with success, there is wanted a wide and comprehensive mind, richly furnished with the highest branches of human knowledge. When this is fully admitted, history will be written only by those whose habits fit them for the task; and it will be rescued from the hands of biographers, genealogists, collectors of anecdotes, chroniclers of courts, of princes, and of nobles, — those babblers of vain things, who lie in wait at every corner, and infest this the public highway of our national literature.”
- ↑ Zie zoowel voor vocalen als consonanten: Schleicher, Compendium der vergleichenden Grammatik der indogermanischen Sprachen, I, s. 134, 283, en over hostis, s. 200. Hostis = fostis wijst op een anlautend gh. Zie Schleicher, I, s. 200; Kuhn, Zeitschrift für vergleichende Sprachforschung, VII, s. 166, VIII, s. 214. Hostis en gast wijzen dan op den Sanskrit-wortel ghas, eten (zie Bopp, Gloss. Sanscriticum, p. 114). De host-is, gast-s is dus de eter.
- ↑ Een Fries toch zegt niet: we hebben gasten; maar: we hê eters. Zoo is bij den Fries nog het oorspronkelijke denkbeeld, den Germaanschen stam eigen, dat de gast een etende gast was. Hij die bij u komt moet vol gepropt worden met eten, hij moet toetasten: anders is het niet goed, en hij, die de spijzen het meest eer aandoet, is de welkomste gast. Dat eten en drinken dan ook het voornaamste werd beschouwd bij gastvrijheid, blijkt genoeg uit den gewonen afscheidsgroet in Overijsel en Gelderland in gebruik: „Noe, kum is gaan oe scha weer “umme alen.”
- ↑ De overgang van beteekenis van iemand, die enkel komt om te eten, om een kortstondig verblijf te vinden, en een vreemdeling, is duidelijk genoeg.
- ↑ Cicero, de Officiis, lib. I, c. 12: “Equidem illud etiam animadverto, quod qui proprio nomine perduellis esset, is hostis vocaretur, lenitate verbi rei tristitiam mitigatam. Apud majores nostros is dicebatur quem nunc peregrinum dicimus. Indicant XII Tabulae: ut Status dies cum hoste; itemque Adversus hostem aeterna auctoritas. Quid ad hanc mansuetudinem addi potest, eum, quicum bellum geras, tam molli nomine appellare? Quamquam id nomen durius effecit iam vetustas: a peregrino enim recessit, et proprio iam eo, qui arma contra ferret, remansit.”
- ↑ Spreek uit: dschoerti. Zie Bopp, Gloss. Sanser., p. 141.
- ↑ Zie Ernst Schulze, Goth. Glossar, s. 263; Graff, B. IV, s. 677; Benecke, Mhd. Wörterb., B. I, s. 859, op kon, kone; Gr. I, 611, II, 56, III, 322.
- ↑ Zie ook Dr. J.H. Halbertsma, de witte Wiven (Overijsselsche Alm. voor Oudh. en Lett., jaarg. 1837, bl. 222).
- ↑ Zie Dr. J. H. Halbertsma, Aant. op Maerlant's Sp. Hist., bl. 317; Lev. van St. Franciscus, Gloss.; Rein., vs. 767: “Sulke quene, die van oude // Cume een tant hadde behouden.” Willems, Oude Vlaemsche Liederen, bl. 142: “Dit sach daer een oude quene, // Een al soo vilijnich vel.” Zie ook nog Heim. d. Heim, bl. 400 vlgg., en bij Kil., quenen-kous, quenen-kout, quenen-klap. Deliria, ineptiae; aniles fabulae.
- ↑ Zie Bosworth, Anglo-Sax. Dict. op quean, a barren cow; Kil. quene. Taura, vacca sterilis: iuvenca sterilis. Mulier sterilis. — Cwen daarentegen is: a queen, wife, woman; Cwene, a common woman, a. harlot. Kil. quene. Mulier vana, garrula, loquax, improba, procax Meretrix, Ang. queane. In de laatste beteekenis vinden we het nog bij Bredero, Moortje, bl. 5: “Ja hadse dat geluck, die afgereden queen.” De overgang van vacca sterilis zoowel tot oud wijf als lichte vrouw is gemakkelijk te verklaren.
- ↑ “Die heiteren Saturnalien, le bal en masque der tollsten Na„ turphilosophen" hekelt Humboldt in zijne, ‘Briefe an Varnhagen von Ense’, waar hij aan eene dier, “tollen Naturphilosophen” het volgende ontleent: “Amerika ist eine weibliche Form, lang, schlank, wässrig, und im 48o eiskalt. Die Breitengrade sind Jahre, die Frau wird alt mit 48.”
- ↑ Zie de Verhandeling van Dr. Brill, in de Werken der Koninkl. Academie van Wetenschappen.
- ↑ In het Eng. bestaan denkelijk beide woorden woman (wombman) en wifman nog naast elkander, te oordeelen naar de uitspraak in het enkel- en meervoud, daar in het eerste de o, in het laatste de i (oeïman) gehoord wordt. Zie Dr. Brill, Opmerkingen op het gebied der Engelsche Spraakkunst.
- ↑ Zie Bopp, Gloss., p. 308; Graff, I, 664.
- ↑ Zie Kaltschmidt, Wörterb. d. d. Spr. “Weib, nd. wijf (Wamme, Wampe, Wanst, Wams). Wanstmensch, Gebärerinn.” Weinhold, die deutschen Frauen, s.3: “Das Wort Weib zu erklären ist schwierig und die mittelalterliche Ableitung van einem sagenhaften König Wippeo von Frankreich frommt eben so wenig wie neuere Deutungen..... Halten wir die zunächst anklingenden Worte hinzu, so ergibt sich für die anzusetzende Wurzel WB, die sich nach der “I und A” klasse entfaltet, der Begriff der Bewegung. Weib bezeichnete also allgemein das Bewegliche, das Gewandte.”
- ↑ Schulze, Goth. Gloss., s. 94; Graff, III, s. 804-5; Grimm, Deutsche Myth., 2. Aufl., s. 19, 190-91, Benecke, Mhd. Wörterb., III, s. 419-24.
- ↑ Weinhold, Die deutschen Frauen, s. 3: Frau heiszt zunächst die Herrin, ursprünglich aber die frohe, erfreuende. Das Verhältniss des Germanen zu seinem Herrn, die Stellung des freien Mannes zu dem Fürer, der durch Tüchtigkeit ausgezeichnet, den treuen Gefärten mit milder Hand und freundlichem Sinne feszelte war ein schönes und heiteres; darum hiesz der Herr auch der liebe und erfreuende.
- ↑ Dergelijke afleidingen vindt men reeds bij de oude Indiers, onder anderen in den Mahabharata, in de episode van, “de weeklacht van den Brahmaan,” door Bopp meesterlijk vertaald. (Zie Jolowicz, Polyglotte der orientalischen Poesie, s. 116: “Hier bereite der Sohn Sühnung, oder jenseit bereit’ er sie, // Jeglichen Falls der Sohn sühnet, drum nennen Sohn die Weisen ihn.”
- ↑ Aangehaald bij Weinhold, t. a. p., bl. 3.
- ↑ Zie Bopp, Gloss., p. 229.
- ↑ Goth. magaths, Ohd. magat, OS. magath, AS. mägdh. Ons meisjen is het verkleinwoord van maagd.
- ↑ Zie Richthofen, Altfr. Wörterb., s. 726; Grimm, Gesch. d. d. Sprache,, s. 625, 1001 (le. Aufl.).
- ↑ Weinhold, die deutschen Frauen, s.6: “Ein altes Wort ist ferner brût, Braut. Allerdings ist es für die Verlobte oder die kürzlich Vermählte am bräuchlichsten, im Angelsächs. (brûd) für Ehefrau überhaupt; allein die einfachere Form brü, briu, musz für Weib im allgemeinen genommen werden. Was ist nun die Bedeutung hievon? Das Zeitwort briuten (ons broeden) kann uns nicht aufhelfen, da es erst von brût abgeleitet ist, wol aber ist an briuwen zu denken. Die Bedeutung “Bier kochen, brauen” ist schon früher von der übertragenen “etwas anstiften, bereiten” begleitet. Wie nun wenn diese die ursprüngliche und wie das bei gerben (garawan) der Fall ist, die besondere eine spätere wäre? brût hiesze also, dem Goth. quinô oder quêns gleich, die gebärende oder zum gebären bestimmte.”
- ↑ Zie Deutsches Wörterb., Th. II, s.330-331.
- ↑ Zie Weinhold, s. 248 fflgg.
- ↑ Juister ware het telkens van de oudst bekende zustertaal te spreken.
- ↑ Hasebroek, Gedichten.
- ↑ Zie Grimm, Gesch. d.d. Sprache, Sanskr. mâtr, zend. mâta, Pers. mâder, L. mater, It. madre, Fr. mère, Gr. μήτηρ, Ohd. muotar, Nhd. mutter, As. modor, Eng. mother, OS. muodor, ON. môdhir, Zw. moder, Iersch mathair, Litt. mote, Lett. mahte, Pruis. mûti, O-Slav. mati, Russ. mat’, Poolsch matka, Boh. matka, Finsch muori. De treffende overeenkomst van zooveel talen en dialecten valt ieder in het oog.
- ↑ Zie Grimm, Gesch. d.d. Sprache, s.1001.
- ↑ Hoe de beteekenis melkster tot dochter kon overgaan is in eene der geschiedenissen van Gezag in de Minnebrieven van Multatuli zeer talentvol geschetst.