Jump to content

Cornelius Kempius

From Oera Linda Wiki
Revision as of 18:00, 15 March 2025 by Jan (talk | contribs)

Kritiek der Friesche Geschiedschrijving (1873)

Kenmerk uitgever (te Keulen) op titelblad boek Kempius, 1588: ex literarum studiis immortalitas acquiritur

Hoofdstuk Cornelius Kempius [1516-1589][1] — selectie

[blz.123] (...) [124] (...) [125] (...)

Het boekje begint met eene toewijding aan den raad der stad Groningen, onderteekend: Datum Groningae, e museo nostro, 21 Octobris anno 1586. Overal in het boekje is Groningen en geheel het noorden getrouw aan den koning. Eenmaal (p. 109) zegt Kempius: nunc temporis... anno 1582. Het werkje moet, zoo als het nu is, opgesteld zijn tusschen 1580 en 1586.

Uit de toewijding zal ik dat mededeelen, wat Kempius’ denkbeelden over het oude Friesland doet uitkomen.

Toen ik onlangs bij mij zelven het gezegde van Terentius, dat alle menschelijke zaken aan verandering onderhevig zijn, overwoog, toen heb ik ook overdacht, op welke wijze het oude rijk Friesland, dat zich van den Rijnmond tot over de Elve tot aan Jutland uitstrekte, nu in vele provinciën, patrio sermone zeelanden, is gescheiden, verdeeld, verscheurd geworden, zoodat het nu in vele deelen er van zijn ouden naam heeft verloren en weinig sporen van zijn alouden toestand meer overig zijn. Ptolemaeus vermeldt vele namen van steden, rivieren en provinciën in Germania die men nu niet meer vindt... [126] alles wordt hier beneden door de Godheid veranderd volgens Daniels’ gezegde: Dominus transfert et stabilit imperia... Carthago is verwoest... De Romeinen hebben een zeer roemrijk rijk gesticht, maar door inlandsche twisten en door persoonlijke ambitie hebben zij de heerschappij verloren. De monarchie der Assyriërs is de oudste waarvan men kennis heeft, vele jaren bloeide ze, maar ook zij kon de wisselvalligheid van het ondermaansche niet ontgaan. Zoo is ook de oude glorie en majesteit van het roemruchtig koningrijk Friesland door eene, helaas inlandsche, oneenigheid, door burgeroorlog, door noodlottige partijschappen enz. van sommige aanzienlijken en van twistzieke menschen, verminderd, verzwakt en vervallen, zoodat er nu nauw eenige sporen van die oude glorie zijn overgebleven Tot aan Karel den groote had Friesland koningen, hij stelde een potestaat aan en deze potestaten regeerden gelukkig tot aan die vervloekte anarchie (de tijd der Schieringers en Vetkoopers)... In dien droevigen tijd bestreden de Friezen elkander om de heerschappij, zij vervolgden elkaâr met een onverzoenlijken haat. Niemand duldde een van de andere partij in zijne woonplaats. Zelfs in drinkgelagen en ontspanningen dronk men met niemand der tegenpartij. De sterkere verdreef overal den zwakkere. Hoe meer macht, hoe meer recht dacht men. Deze pest verspreidde zich over geheel Friesland, men leefde er van roof, het land was vol moord, brand, bloed en geween. De goeden werden door de slechten, de matigen door de hevigen verdrukt. Steden en dorpen werden jammerlijk verwoest, kloosters en gestichten ontheiligd, kerken tot verdediging gebruikt, kasteelen en huizen omvergeworpen of verbrand. Te recht heeft iemand gezongen:

O Frisii, Frisii, quo vos discordia duxit!

Ieder nam wraak over het onrecht hem en zijne partij aangedaan. Men trok het zwaard ook tegen degenen, die zelfs de barbaar spaart. En nog wies deze inlandsche oneenigheid, alles den staat der Friezen tot verderf. Want de krachten, waarmede zij vreemde heeren moesten afwenden, gingen in deze inlandsche onlusten te gronde. En zoo is het gebeurd, dat Friesland, dat boven andere landen door voorvaderlijke wetten en vrijheid uitblonk, en door één koning, en later door één potestaat geregeerd werd, treurige veranderingen heeft ondergaan. Het is gebeurd, dat het door vreemde heeren is bevochten en verwoest, en door ongelukkige oorlogskans zoo verzwakt en ontzenuwd, dat ik geen rijk ter wereld ken, meer van zijn oorsprong ontaard, dan Friesland... Hier bleek de waarheid van Sallustius’ gezegde: concordia res parvae enz... Op die wijze is Friesland uit één rijk in vele provinciën verdeeld en verscheurd. Toen zijn vreemde vorsten, de graven van Holland, de hertogen van Saksen, de koningen van [127] Denemarken enz. gekomen en hebben elk een deel er van, dat hun gelegen lag, bemachtigd, want Friesland is vruchtbaar en zij benijdden aan de inwoners hunne vrijheid... Hier is de fabel van den kikvorsch en de muis tot vervulling gekomen... Waren de Friezen eenig gebleven, zij zouden het machtigste volk geweest zijn en alle vreemde heeren gemakkelijk afgeweerd hebben.

Uit liefde tot mijn en mijner ouderen vaderland, acht ik het eene zeer nuttige zaak, dat ik den oorsprong, de zeden, gewoonten en ligging der zeelanden van het oude rijk Friesland en de roemrijke daden der Friezen, den tijdgenoot in herinnering breng en den nakomeling overgeef... Alles wat ik vinden kon heb ik getrouw verzameld en in een bundeltje vereenigd tot eeuwige eer van het vaderland, en opdat niet te eeniger tijd de herinnering er aan zou ondergaan. Vooral heb ik verzameld, wat ik als kind door ouderen van dagen heb hooren vertellen, wat ik bij geloofwaardige schrijvers vond, ook wat ik in boeken in de volkstaal las... Het is weinig, veel is hier nooit te boek gesteld en vreemden hebben zoo weinig over Friesland geschreven, alsof het een land buiten den aardbol gold. Mijn werk was niet gemakkelijk en mijne krachten waren zwak... Ik gevoel dat ik eene mij te zware taak op mij heb genomen, doch liefde tot mijn land heeft overwonnen:

Et pius est patriae facta referre labor.

Reeds sedert jaren had ik uit de beste schrijvers een en ander opgeteekend... Ook uit kronieken in de volkstaal van Holland en Zeeland heb ik iets in ’t Latijn vertaald... Nu heb ik alles, wat ik tot eigen gebruik had opgeteekend, geordend en in drie boeken verdeeld, alles in een eenvoudige, onopgesierde stijl. Het eerste boek bevat enz. Aan wien zal ik dit werkje beter toewijden dan aan U raad der stad Groningen. Uwe stad munt uit door oudheid en door schoone ligging. Zij blinkt boven alle andere Friesche steden uit door oudheid en door de pracht van hare publieke en private gebouwen. Reeds ten tijde van Titus en Vespasianus was zij aan de Romeinen bekend en inheemsche kronieken willen, dat ze lang te voren, 377 jaren vóór Christus’ geboorte, door zekeren Trojaan Gruno gebouwd is... Hoe het zij, allen stemmen overeen, dat zij in oudheid alle Friesche steden te boven gaat en door haar luister de metropolis van Friesland kan heeten... Altijd hebt Gij het voorvaderlijk geloof beschermd en verdedigd. Toen de noodlottige kwaal niet eene enkele stad of provincie, maar bijna geheel Europa, aangreep, ontbrak sommigen de wil, anderen de macht om tegenstand te bieden, maar dat het U nooit aan den wil ontbrak, dat tuigt de tegenwoordige toestand... U, doorluchte mannen, U verzoek ik dit mijn werk... welwillend [128] te ontvangen... Zoo Gij in de vrije oogenblikken, die U in dezen onrustigen en veel bewogen tijd overschieten, mijn boekje leest, dan zal, vertrouw ik, de lezing U niet onaangenaam zijn... Bevalt U niet alles, kiest dan het beste uit, nooit te dwalen is eene eigenschap der engelen en niet der menschen... Ik heb gedaan wat ik kon, niet wat ik wel wenschte... Vaart wel, doorluchte heeren, moge onze Heer Jezus Christus U den rechten weg geleiden... moge hij alle oproer van Uwe stad af houden, opdat Ge alles rustig, rechtvaardig en in het katholiek geloof kunt besturen...

Gron. 12 Oct. 1586.

Na deze toewijding volgt eene voorrede tot den lezer. Ook hieruit zal ik iets overschrijven.

... Weinig is over Friesland te boek gesteld, en dit weinige is nog niet altijd waar... Wanneer onze voorvaderen opgeteekend hadden wat hier merkwaardigs is voorgevallen, dan zou er meer licht en minder grootspraak in de geschiedenis van Frieslands verleden zijn. Van daar ook dat vele roemrijke daden der vaderen in eeuwige nacht begraven liggen. Zij toch hebben meer werk gemaakt om dappere daden te verrichten, dan om ze voor het nageslacht op te teekenen. Een aantal voortreffelijke mannen hebben mij dringend verzocht om hetgeen ik sedert jaren over de roemrijke daden der Friezen, hun oorsprong, zeden, toestand enz. verzameld had, in een werkje te vereenigen en tot nut van den nakomeling in ’t licht te geven. Doch steeds werd ik door staatszaken bezig gehouden en achtte dit daarenboven voor mij eene te zware taak, daar Friesland nog niet ééne gedrukte geschiedenis bezit... Lang heb ik geaarzeld... Ook zullen velen in dezen keurigen tijd de bloemrijkheid der ouden verwachten en voor mijn geschrift den neus optrekken[2]... Zoo groeiden allengs aarzeling en traagheid, en ik dacht niet het werk te zullen voleinden. Toen kwamen bedaagde mannen tot mij, die uit begeerte om de daden der vaderen te leeren kennen, mij drongen het boek af te werken en uit te geven. Het was onbillijk zeiden zij, iets onder mij te houden, wat uitgegeven nut kon stichten... Toen kon ik niet langer weerstaan. Liever wil ik mij bloot stellen aan berisping, dan niet den raad van weldenkenden opvolgen... Ik hoop ook dat mijn voorbeeld andere landgenooten mag opwekken de glorie van het vaderland wijdluftiger [129] te verheerlijken... Wij lezen begeerig de daden der Romeinen en andere uitheemsche geschiedenissen, veel begeeriger moeten wij zijn naar die van het vaderland... Beoordeelt het werk welwillend en onderzoekt nauwkeurig en billijk of ik waar- of onwaarheid geschreven heb... Weest verzekerd alles is uit beste en geloofwaardige schrijvers genomen... Behaagt het boek niet aan sommigen, dat zij een beter boek schrijven... Aan welwillende lezers zal, vertrouw ik, mijn werk niet onaangenaam zijn enz.

De bronnen, die Kempius aanhaalt, zijn veel in getal, bijna alle boeken die Worp van Thabor en Beninga kenden, waren ook aan hem bekend. Maar hier treedt de schoone literatuur meer op den voorgrond. Overal herkent men den magister in de vrije kunsten. In Terentius, Horatius, Ovidius enz. was Kempius goed te huis, doch hij schermt nergens met geleerdheid. Ook kende hij de werken van Boccacio, Ariosto, Conrad Celtes, Agricola, Rudolf Lange en andere humanisten. De school van Alexander Hegius en de drukkerij der Paffraedts ontvangen van hem loftuigingen.

Kempius heeft zeer veel, misschien wel het vijfde gedeelte van zijn werkje, uit een schrijver, uit Worp van Thabor, overgeschreven, zonder dezen ergens te noemen. Dit schijnt toen meer de gewoonte te zijn geweest. Emmius op zijn beurt heeft onzen Kempius in vele dingen nagevolgd en veel van hem overgenomen, doch nergens in de Rerum Frisicarum historia wordt Kempius genoemd.

Kempius was een laudator temporis acti. Uitdrukkingen als haec hactenus, sed nunc proh dolor!... en nunc omnia, eheu! mutata komen meermalen in zijn werkje voor. Met weemoed herdenkt hij den tijd toen de werkman niet naar den arbeid ging, eer hij voor het altaar van zijn gilde in de kerk den dienst had bijgewoond; toen de leerling niet naar school ging, vóór hij te huis bij zijne ouders de Dominica oratio of de Angelica salutatio had opgezegd. “Maar nu, helaas! is dat alles veranderd.” Bij de meeste katholieken onverschilligheid en lauwheid. De meeste burgers van Groningen waren Spaansch en Roomschgezind, omdat Spanje hun het stapelrecht enz. maintineerde en uit haat jegens de Ommelanden. Terwijl zij, die de katholieke kerk hadden verlaten , zich voor hunne godsdienstige overtuiging ballingschap en brandstapels getroostten en waar zij hun godsdienst mochten belijden, [130] daar weerklonken godsdienstige liederen, daar stroomde alles ter kerke, daar bloeide de godsdienst. Dit alles doet Kempius in weemoed verklaren: “Men heeft bijna geen godsdienstzin meer dan daar waar de katholieke godsdienst heeft opgehouden.” (p. 98).

Onze schrijver was alzoo alles behalve ingenomen met de geestesrichting en de daardoor ontstane woelingen van zijne dagen. Hij zocht nu zijn troost in het verleden en heeft zich toen den vroegeren toestand van zijn volk zoo schoon, zoo heerlijk en roemrijk voorgesteld.

Kempius heeft zijn werkje in drie boeken verdeeld. Het eerste handelt over de ligging, den oorsprong, de zeden en gewoonten van Friesland. Hij begint dus met eene korte geogr. beschrijving van het land. Dit deden zegt hij, ook Caesar en Sallustius vóór zij tot hun onderwerp overgingen. Friesland strekt zich hier uit van den Rijnmond tot de Eider. Dan beschrijft Kempius de bosschen, de veenen, het turfmaken, den landbouw, de veeteelt, het ijsverkeer des winters en de steden en dorpen.

P.13:

Oudtijds waren er weinig steden in Friesland, maar steeds zeer vele dorpen... Doch zoo lang ons heugt bestaan er vele belangrijke steden, alle met breede en hooge wallen en diepe grachten omgeven Doch zeer weinige er van hebben een oud voorkomen, daar bijna alle, Groningen en Staveren uitgezonderd, in de laatste twee eeuwen gebouwd zijn.

Dat is gezonder taal dan het gefabel over Esonstad en Wartenu. Kempius spreekt verder over huisbouw, boerderijen, vogels, voedsel , zwanen, ganzen, de rechtspraak, den bodem enz. Dit alles is zeer belangrijk en veel uitgebreider dan hetgeen Worp (p. 1-4) van die zaken verhaalt. Kempius heeft dit niet, zooals anderen deden, uit Caesar, Tacitus enz. samengesteld, maar hij vertelt wat hij van oude menschen had vernomen en wat hij in zijn leeftijd had gezien en zag.

Pag. 31-61 handelen over de aankomsten der Friezen in navolging van Worp van Thabor (p. 8-14). Doch Kempius geeft veel meer en haalt hier ook eenige schrijvers aan, zooals Trithemius , Krantz en Seb. Munster, die Worp niet kende; de twee laatsten, ’t is waar, kon hij ook niet kennen. Kempius wijdt pag. 61-104 aan de zeden der oude Friezen. Vergel. Worp p. [131] 4-8. Hij spreekt hier over taal, trouw, huisraad, versierselen, huwelijk, huwelijksplechtigheden, huisvrouwen, huiswerk, toedrinken , haar en baard, gastvrijheid, etenswijze, drinkpartijen, bier, drinkhorens en daarna uitvoerig over de kleederdracht, waar de tekst door plaatjes opgehelderd wordt, dan over de standen, de geestelijkheid , den adel, de stedelingen, ’t schoolgaan, de rechtspraak en ’t landvolk. Nergens elders zal men dit beschreven vinden.

Het tweede boek begint met eene uitvoerige aardrijkskundige beschrijving van de zeven zeelanden. De indeeling of grenzen dezer gewesten, zijn aan Worp ontleend (p. 14-20), doch alles is hier veel uitgebreider behandeld en Kempius' beschrijving loopt van pag. 105 tot 182. Het eerste zeeland is Westfriesland, vroeger alleen door het toen slechts 25 voeten breede Flie van Westergo gescheiden. Nu behoort het onder het gerechtshof van Holland. Het tweede zeeland is Westergo.

P.110:

In dit zeeland ligt de van ouds beroemde koopstad Staveren... Voorheen was zij door handel wijd vermaard en zij is door hare oudheid beroemd. Zij was de stapelplaats voor vele landstreken... Men zegt dat zij toen zooveel handelsdrukte bezat, als bijna geen stad in Europa Tot aan Nijmegen strekte haar recht zich uit... Hoewel zij aan ’t vaste land ligt, is zij grootendeels door water omringd, want in ’t westen wordt ze door de zee bespoeld, of liever omspoeld, en in ’t oosten ligt een groot meer. Oudtijds was het eene levendige en vermaarde stad, vol inwoners en vol kooplieden. Maar nu helaas! Door stormvloeden of branding is de haven verstopt en ontoegankelijk. Slechts een klein schip kan er meer binnen. De stad van allen handel beroofd, is tot het toppunt van ellende gekomen, weinig overblijfselen van den vroegeren bloei en luister worden er gevonden. Zij had kloosters en prachtige kerken, waarvan nog eenige te midden van ruïnen en distels treurig daar ter neer liggen De overlevering wil dat er huizen stonden wier, “vestibules” verguld waren... Nog zijn er bouwvallen van deze prachtige huizen...

Kempius spreekt verder van de verweendheid der inwoners. Hij spreekt ook van rijke kooplieden, die schepen uitzonden om uit verre landen het voortreffelijkste te halen, wat te vinden was. De schepen kwamen met beste weit terug, die over boord geworpen werd. Maar nu kwam de wreekende Godheid tusschen beide. Waar de weit was gezonken begon zand op te borrelen, het bor- [132] relde steeds meer en meer op en maakte de haven ontoegankelijk. Het is de sage van de rijke weduwe van Staveren, maar zij wordt hier nog aan rijke kooplieden toegeschreven[3]. P.113:

Deze oudtijds zoo beroemde en vermaarde stad bevat thans geen vijftig huizen in welstand. De overige, slechts ruïnen, getuigen alleen van vroegere welvaart. De handel heeft zich, tot groot nadeel der stad, naar Amsterdam verplaatst. Daar vindt de zeeman veilige havens, daarheen stroomen kooplieden uit alle natiën en daarheen brengt men koopwaren uit alle landen... Uit deze stad stamt de beroemde Joachim Hopper, hoewel te Sneek geboren. Uit dankbaarheid voor weldaden aan mij bewezen, zal ik hem hier gedenken. Hij was enz.

Uit Oostergo worden onder anderen Dokkum en Leeuwarden beschreven.

Dokkum, de stad waar ik ben geboren en opgevoed Eene rivier, die niet ver van daar in zee uitloopt, doorsnijdt de stad en heeft er eb en vloed. Groote schepen komen daarlangs in de stad, waar ook vele kooplieden wonen... Zij pronkt met de beroemde abdij van S. Bonifacius... Deze bezit vele reliquiën, die eerbiedig vereerd worden... Ten oosten van de stad is eene bron met zeer helder water enz... Tot aan mijn tijd bewaarde men hier een kelk van zuiver goud, een ivoren herdersstaf, eene kazuifel en een perkamenten testament met Italiaansche letter, door Bonifacius zelf geschreven. Deze voorwerpen plag de heilige martelaar bij het mis doen te gebruiken. Alle zeven jaren werden ze met veel tooi en plechtigheid den volke getoond. Verder waren er, toen ik als kind te Dokkum ter school ging, vijf door den martelaar in steen veranderde brooden, die nog hun reuk en smaak behouden hadden Voorts reliquiën van de lotgenooten des martelaars. Jaarlijks werden... [133] deze op S. Bonifaciusdag door eene talrijk toegevloeide menigte hoogelijk vereerd. Hij die deze dingen gezien heeft, zooals mij in der tijd vaak mocht gebeuren, zal bekennen nooit iets ouders en merkwaardigers gezien te hebben. Hoewel jongeren van jaren dit alles voor verdicht en fabelachtig houden, zal ik toch beneden hiervoor getuigenissen bijbrengen.

Daarna volgt de beschrijving van Leeuwarden. P.122:

Het is eene nog nieuwe stad; omstreeks eene eeuw geleden is zij door zekeren praefectus urbis, magister Petrus Hopper, voor het eerst ommuurd, en spoedig is zij door de vruchtbaarheid der omliggende landstreek in pracht en in rijkdom toegenomen.

Pag. 135 tot 157 zijn aan de stad Groningen gewijd. Kempius spreekt van hare stichting, vestingwerken, kerken enz. Hij prijst Agricola, Praedinius, bisschop Knijff en andere beroemde ingeborenen of inwoners van Groningen. Het verschil tusschen het Groninger stadrecht en dat der Friesche steden ontgaat hem niet.

Bij de beschrijving van het zesde zeeland vergeet Kempius den Upstalsboom niet.

P. 160:

In dit zeeland was door der vaderen zorgvuldigheid onder het loof van hooge boomen een geschikt rechtsgestoelte geplaatst, waar langs lange wegen de voortreffelijkste en uitstekendste mannen der zeven zeelanden tweemaal ' sjaars samenkwamen. Het waren vooral mannen in de costumen en in locale rechten ervaren, want dezulken werden hiervoor gekozen. Zij zaten daar onder den blooten hemel op eene kleine hoogte bij Aurich, die door de inwoners te allen tijde Upstalsboom is genoemd, recht doende aan allen, die zich op hen hadden beroepen... Zij onderzochten rechtsgedingen en oneenigheden en legden ze volgens costumen en plaatselijke rechten bij. Zij maakten nieuwe wetten en bevestigden landrechten. Van daar dat nog heden vele oude Friezen uit genoemde zeelanden er zich op beroemen, dat hunne land- of stadrechten bij den Upstalsboom opgesteld en bekrachtigd zijn.

De voornaamste stad van dit zeeland was Emden, dat toen op het toppunt van zijn bloei stond. P. 173:

Zij is beroemd door hare haven, die veilig is en gemakkelijk om binnen te komen. De prachtige breede Eems stroomt langs hare muren Zij is thans eene zeer levendige handelsplaats, er is zeer veel drukte en er liggen ontelbare handelsvaartuigen... [134] Er is eene prachtige hoofdkerk, waarin eene schoone graftombe van de graven, doch al de andere sieraden, de beelden der heiligen en de altaren zijn weggenomen. De katholieke godsdienst ligt hier veracht. ter neder en in de kerken weerklinken de psalmen Davids, die door alle aanwezigen in de taal des volks worden aangeheven.

Na de beschrijving der 7 zeelanden, gaat Kempius aldus verder: P. 186:

De zeelanden te samen vormden oudtijds een koningrijk.. Langen tijd hebben de Friezen eigen koningen gehad; zij resideerden soms te Medemblik, soms te Wiltenburg, te Gronenburg of op Phosteland. Sabellicus noemt er twee van: Radbod, die door Karel Martel werd overwonnen en Gondebald, den vriend van Karel den groote, die te Ronceval bleef anno 770. Er zijn er echter meer. De Friezen hebben reeds vóór Christus' geboorte koningen gehad en daarna tot aan den tijd van Karel den groote, toen Radbod II, de laatste Friesche koning, een broer van Gondebald, regeerde. De overige koningen zijn van minder belang. Hunne namen en hunne geslachtslijst zullen beneden uit de annalen van Holland medegedeeld worden.

De namen van die koningen en hunne geslachtslijst worden ook eenige bladzijden verder (p. 191 en vervolgens) uit de Divisiekroniek medegedeeld. Het zijn: Hengist en Horsa, Dibbald, Lem, Aurundilius, Beroald, Aldgild I, Radbod I, Aldgild II, Gondebald, Radbod II. Sommige van deze heeren kennen wij van vroeger en zullen ze nu laten passeeren. De Aldgilds en de Radbods moeten wij iets meer van nabij beschouwen.

Aldgild I is een historisch persoon en is werkelijk koning in Friesland geweest. In den jare 678 ontving hij den Angelsaksischen geloofsprediker Wilfried aan zijn hof. Deze werd vergezeld door Aeddius Stephanus, die eenige jaren later Wilfrieds leven heeft beschreven. Ik zal hier uit dat leven de beschrijving mededeelen van Wilfrieds bezoek aan het hof van koning Aldgild. Het zijn de woorden van een ooggetuige.

Vita S. Wilfridi.

(...) [135] (...)

[136] Zoo ooit aan iemand dank is toegebracht voor het goed ontvangen van een vreemdeling, dan is het aan dezen Aldgild. Twaalf eeuwen reeds hebben hem geprezen als zachtmoedig, rechtvaardig, edelmoedig, als het Christendom beschermend enz. Dit alles is misschien wel waar, doch uit de woorden van Aeddius Stephanus en Beda blijkt het niet.

Koning Radbod I is eveneens een historisch persoon, en zijne tijdgenooten hebben ons veel meer van hem verhaald, dan Aldgilds tijdgenooten ons van dezen hebben medegedeeld. Later ook is Radbod veel beroemder of beruchter geworden, dan zijn ambtgenoot. De nederlaag van Radbod bij Duurstede in 689 vermelden de annalen en kronieken van die dagen, en toen Radbod in het voorjaar van 716 naar Keulen optrok om met de Neustriërs tegen de Austrasiërs en tegen Karel Martel te strijden, toen teekenden alle annalisten Radbods tocht en strijden op. Latere kronieken spreken natuurlijk van “den vijand van God en van zijne kerk,” van zijn voorgenomen doop enz. In Friesland leefde hij in sagen voort. Radbod is in deze sagen een Noordsche koning, die Friesland heeft veroverd en het volk toen zwaar verdrukte. Sagen wijken allengs verder van de waarheid af en toch geloof ik dat ze hier in de hoofdzaak de waarheid hebben bewaard, nl. dat Radbod een Noordsche wikingkoning geweest is. Zijne tijdgenooten evenwel noemen hem, zoo ver ik weet, nooit Nordmannorum rex, maar altijd rex of dux Fresonum. Rex heet hij bij schrijvers van Angelsaksischen-, dux bij die van Frankischen stam, doch hierop zijn uitzonderingen.

Bij het lezen van de berichten uit de zevende en achtste eeuw over Radbod, ontvangt men den indruk, als of in zijn tijd zeer vele en wel de voornaamste Friezen Christenen waren en als of Radbod cene plaag voor Friesland was. Na zijn dood werd het land terstond door zendelingen bezocht.

Radbods verhouding tegenover het Frankische hof gelijkt zeer veel op die van Rollo, Godfried en andere Noordsche koningen die zuidwaarts togen en daar landstreken bezetten, waarmede zij dan op voorwaarden door den landsheer werden beleend. Even als Rollo en Godfried werd Radbod door het Frankische hof tot hertog aangesteld, ook hij moet zijn geslacht door een huwelijk met de regeerende familie verbinden (eig. met de familie van den major [137] domus), hij moet ook Christen worden en hij is een oproerig leenman even als die beide anderen. De hertogstitel was hier veel hooger dan die van koning. Zoo als men weet heeft Radbod steeds geweigerd zich te laten doopen, en dit was toch ongetwijfeld eene der voorwaarden, waarop hij met het hertogdom Friesland was beleend. Radbod was en bleef een dux gentilis[4].

Koning Radbod II komt niet in de Divisiekroniek voor, noch in eene harer Utrechtsche of Hollandsche voorgangsters. Het vroegst treffen wij hem aan bij Andreas Cornelius, bij Kempius en hunne tijdgenooten. In een weinig vroegeren tijd zien wij de Friesche kroniekschrijvers van dezen Radbod II in barensnood (sit venia verbo). De oude Friesche wetten en kroniekjes maakten melding van een strijd tusschen Radbod en koning Karel. Dit is natuurlijk Karel Martel, maar de Friezen uit dien vroegen tijd waren geene groote historiekenners. Zij hielden dezen koning Karel voor Karel den groote en hebben bij het overschrijven van die kroniekjes of wetten hem zaken toegeschreven, die aan Karel den groote behooren. Toen later in Friesland schrijvers opstonden, die beter op de hoogte waren en uit kronieken van elders wisten, dat er een koning Radbod van Friesland tegen Pepijn van Herstal en Karel Martel had gestreden, toen konden zij dit niet in overeenstemming brengen met de inlandsche berichten, waarop zij ook volle vertrouwen hadden.

Jancko Douwama, Geschriften, p. 18:

Voele luden weten niet anders dan datter niet dan ene coninck in Frieslant residert hebben, den met namen genoempt weren Radtboet; dan scrijwe hier voer den waerheit, datter 3 coningen resideert en regeert hebben, met namen genoempt Ratboet, dat ick u met desen bewijsen wil. In Brabant hebben daer regert 3 ffursten en hartogen, alle 3 met namen genoempt Puppijn; en den laeste van den 3 worden gemaect coninck van Franckrijck, niet tegenstaenden, dat den rechten coninck in goeden lewenden lijwe were. Bij alle dese 3 Puppijnen hebben umtrent der tijden een coninc in Frieslant residert, genoempt Radboet; dan daer is wenich gebreck an bij den laetste Puppijn; want den groten Kaerl, den daer was een soen van den laetsten Puppijn, ende keyser van Roem, ende coninck van Franckrijck, de foerwan de laetste Ratboet. Bij den ersten Puppijns tijden so gewan den mogenden coninck der Denen Frieslant, [138] ende gaff dat sijn jungeste soen, genoempt Ratboet. Den anderden Puppijn, den gewan Utrecht, met alle dat lant, en met den graefscap van Tijsterbant, den coninck der Friesen aff, genoempt Ratboet; ende brachten sanctum Willibrordum met sijne gesellen in Frieslant, to predycken, en maecte hem aertzbiscop van Utrecht, den so voele deden, des he der Friesen coninck in der vonten brachten, genoempt Radboet. Den darden Radbot worden bij keijser Kaerl foerwonnen. Aldus heb dij lichtelijck to bekennen, dattz niet een Ratboet gewest is, den in Frieslant residert heft, want den tijdt scheelt ende verlopt meer dan twe hundert yaren, dat meer dan een menschen lewent is.

Rengers, Kroniek I, p. 31:

De Radbodo, Willibrordo multa ejusdem quidem sententiae scribunt authores, annis vero dissentiunt. Referam ut scribunt; neque multum de tempore disputandum, hoc solum monuisse sufficiat, ex hac diversitate videri duos fuisse Radbodos, alterum Frisorum ducem electione forsan Frisiorum; regem Daniae seu Norwegiae alterum.

Zoo zijn uit den chaos der vroegere Friesche geschriften twee koningen Radbod ontstaan. Suffried Peters, Hamconius enz. geven van beiden nauwkeurig de regeeringsjaren op, doch desniettemin is die Radbod II een fabelwezen; hij heeft nooit geleefd en moet van de lijst der Friesche koningen geschrapt worden.

Aldgild II vind ik het vroegst vermeld bij Joannes de Leydis. Ik geloof evenwel niet dat deze hem het aanzijn heeft geschonken. Joan. de Leydis was een conscientieus schrijver, hij heeft dien Aldgild zonder twijfel in eene oudere kroniek gevonden, en deze koning kan 50 of zelfs 100 jaren vóór J. de Leydis schreef, reeds in kronieken geleefd hebben.

Joan. de Leydis, Chron. Holl. p. 74:

Episcopi igitur beati Ritfridi (lees Rixfridi) temporibus natus fuit in Orientali Frisia, in villa Sexbilerim (lees Sextiberum) super Adelen castellum quidam juvenis, nomine Fridericus, nobilis, ex genere Frisonum, sed nobilior erat virtute et sanctitate. Nobilis genere quia mater ejus dicebatur Ronowella (lees Konowella) filia Ratbodi quondam regis Frisonum, et soror Aldigilli regis Frisiae. Hic Aldigillus rex genuerat sanctum martyrem Gondelboldum regem Frisiae, in Ronciovalle tempore Caroli magni pro fide occisum, et Ratbodum dominum inferioris Frisiae.

Dit verhaal is in de Divisiekroniek en later in Friesche kronieken overgegaan. Natuurlijk vindt men Aldgild nergens vermeld bij schrijvers uit de achtste eeuw, want hij heeft nooit geleefd. [139] Hij en Radbod II bezitten in de kronieken geheel het karakter van hunne prototype; Aldgild II is even als Aldgild I zeer zachtzinnig en een Christen, en Radbod II is even als zijn naamgenoot zeer wreed en een heiden.

De lijst der Friesche koningen is door ons vrij wat bekort, want behalve Radbod blijft alleen koning Aldgild over, die Wilfried aan zijn hof ontving. Zonder twijfel hebben over de Friesche goën meer koningen geregeerd dan deze twee. Tacitus (Annales XIII, c. 54) maakt gewag van twee Friezen Verritus en Malorix qui nationem eam regebant, in quantum Germani regnantur, en het Vita S. Liudgeri (lib. II, cap. 1) zegt dat die geloofsprediker te Helwerd in Hunsingo een blinde zanger Bernlef aantrof “qui.. antiquorum actus regumque certamina bene noverat psallendo promere.” Doch die koningen, wier heldendaden Bernlef bezong, kunnen niet Friezen en half mythische personen geweest zijn.

Misgunnen wij aan de Friezen hunne koningen niet, maar tegen dat oude koningrijk Friesland, dat zich van de Schelde of den Rijn tot aan of over de Wezer uitstrekte, moet ik protest aanteekenen.

Het oude Friesland werd door een aantal rivieren en inhammen van de zee in vele deelen verdeeld. De Romeinen kenden aldaar Frisii majores et minores, Chauci, Frisiavones enz. In later eeuwen vinden wij aldaar een aantal geheel op zich zelf staande goën, die in zeden en, blijkens hunne wetten, ook in taal vrij wat verschilden. Toen de Frankische koningen uit de Friesche goën en eenige aangrenzende landstreken een hertogdom Friesland schiepen, lieten zij, hetzij toen hetzij in later tijd, ten behoeve van dit hertogdom de Lex Frisonum opstellen. Het ging moeielijk uit de zoo verschillende gewoonterechten dier goën een algemeen rechtsboek op te stellen. Dit geldt tusschen het Sincfal en het Flie, dit tusschen het Flie en de Wezer, dit tusschen de Lauwers en het Flie lezen wij daar op bijna elke bladzijde. Dit verschil betrof meestal kapitale zaken, bv. het weergeld. Kleine verschillen zullen de samenstellers der Lex Frisonum wel zijn overgestapt.

De Oudgermaansche koningen waren kleine distrikts- of stamkoningen en zulk een koningrijk zal wel eene politieke eenheid zijn geweest. Mij dunkt koning Aldgild, en wie er meer koning in [140] Friesland mag geweest zijn, zal niet over het geheele Friesland, maar alleen over eene enkele go geregeerd hebben.

Na het tijdperk der koningen afgehandeld te hebben, spreekt Kempius over Karel den groote, over S. Magnus, de verovering van Rome, over den privilegiebrief der Friezen enz. Verder over de geloofspredikers van Friesland, over S. Walfridus en S. Radfridus , de martelaars van Bedum en over de eerste Utrechtsche bisschoppen. Ongeveer met het jaar 900 neemt het boekje een einde.

Het boekje van Kempius is niet zeer bekend en ook weinig geacht. Toch verdient het niet de minachting, waarmede bv. de schrijvers onzer biographische woordenboeken zich er van afmaken. Het was eigenlijk nooit veel in tel. Toen, kort na Kempius' overlijden, de richting, die hij steeds had bestreden, de zege had behaald, toen geraakte zijne partij en wat er aan herinnerde op den achtergrond, men zag om hunne godsdienst- en staatsovertuiging , ook hun geheele persoon en werkzaamheid voorbij. Hierbij komt nog, dat de invloedrijke Emmius het werkje geheel en al negeerde.

Kempius heeft zich den ouden toestand van Friesland veel te schoon voorgesteld. Hij heeft geene bronnen gebruikt, die later zijn verloren gegaan. De waarde van het boekje ligt dan ook niet in Kempius' beschrijving van Frieslands oude geschiedenissen, maar in die van zijn tijd, in de beschrijving der Friesche goën en van hare voornaamste plaatsen, van de gebruiken, zeden, beschaving enz. der Friezen. Om deze zaken zal het boekje steeds zijn waarde behouden en in achting rijzen.

Noten

  1. wikipedia: Cornelius Kempius: De origine, situ, qualitate et quantitate Frisiae, et rebus a Frisiis olim praeclare gestis libri tres (zie op Google books)
  2. Kempius bedroog zich hier niet. Reeds Suffried Peters (De scriptoribus, dec. 14, cap. 3) zeide van het boekje: desideratur enim multis in locis rerum delectus, et dispositionis lumen, et dictionis puritas.
  3. Anders bij Andreas Cornelius op het jaar 1199 en bij Hamconius (...)
  4. Over den voorgenomen doop van Radbod zie men bijlage 2.</nowiki>