NL053.12 Wodin
Ontwerp 2025 Ott
Overwijn 1951
Ottema 1876
[/75] Uit deze tocht is de geschiedenis van Wodin ontstaan, die op de burgten gegrift is, en hier is uitgeschreven.
Aan de Aldergamude daar ruste een oude zeekoning, Sterik was zijn naam, en de roep zijner daden was groot. Deze oude rob had drie neven; Wodin de oudste woonde te Lumkamakia bij de Eemude in Oostflyland bij zijne ouders. Eenmaal was hij heerman geweest. Teunis en Inka waren zeestrijders, en juist nu bij hunnen oom aan de Aldergamude. Toen nu de jonge krijgers bij elkander kwamen, kozen zij Wodin tot hun heerman of koning, en de zeekampers kozen Teunis tot hun zeekoning en Inka tot hun schout bij nacht. De zeelieden gingen toen naar de Dennemarken varen, daar namen zij Wodin met zijne krijgshaftige landweer [77] aan boord. De wind was ruim, en zoo waren zij in een ommezien in Schoonland. Toen de noordsche broeders zich bij hem gevoegd hadden, deelde Wodin zijn geweldig leger in drie benden (wiggen). Frya was hun wapenroep, en zoo sloeg hij de Finnen en Magiaren terug alsof het kinderen waren. Toen de Magy vernam, hoe zijne manschappen overal omgebragt werden, zond hij boden met staf en kroon. Zij zeiden tot Wodin: o gij allergrootste der koningen, wij zijn schuldig, doch al wat wij gedaan hebben, is uit nood gedaan. Gij meent dat wij uwe broeders met moedwil aangetast hebben, maar wij zijn door onze vijanden voortgedreven, en die alle zijn ons nog op de hielen. Wij hebben dikwijls aan uwe burgtmaagd hulp gevraagd, maar zij heeft zich om ons niet bekommerd. De Magy zegt: bijaldien wij elkander voor de helft vermoorden, dan zullen de wilde schaapherders komen en ons allen vermoorden. De Magy heeft vele rijkdommen, maar hij heeft gezien, dat Frya veel machtiger is als alle onze geesten te zamen. Hij wil zijn hoofd in haren schoot neerleggen. Gij zijt de krijgshaftigste koning der aarde, uw volk is van ijzer. Word onze koning, en wij allen willen uwe slaven wezen. Wat zoude dat eervol voor u wezen, als gij de wilden weder terug kondt drijven, onze basuinen zouden het rondblazen, en onze berichten zouden u overal vooruit gaan. Wodin was sterk, woest en krijgshaftig, maar hij was niet helder ziende, daardoor werd hij in hunne strikken gevangen en door den Magy gekroond. Zeer velen van de zeelieden en de landweer, dien deze keuze niet naar den zin was, vertrokken in stilte, Kaat medenemende. Maar Kaat die niet voor de Moeder, noch voor de algemeene vergadering wilde verschijnen, sprong over boord. Toen kwam de stormwind en dreef de schepen op de schorren van de Dennemarken, zonder een enkel man te missen. Naderhand hebben zij die straat het Kattegat geheeten. Toen Wodin gekroond was, ging hij op [79] de wilden los; zij waren allen ruiters; gelijk een hagelbui, vielen zij op Wodins heer aan, maar als een dwarrelwind wendden zij om, en durfden niet weder verschijnen. Toen Wodin nu terug kwam, gaf de Magy hem zijne dochter tot vrouw. Daarop werd hij met kruiden berookt, doch er waren tooverkruiden onder; want Wodin werd trapsgewijze zoo zeer vermetel, dat hij Frya en Wraldas geest durfde miskennen en bespotten, terwijl hij zijn vrije hals boog voor de valsche gedrochtelijke beelden. Zijn rijk duurde zeven jaren, toen verdween hij. De Magy zeide dat hij onder hunne goden was opgenomen, en dat hij van daar over hen heerschte, maar ons volk lachte om zijne taal. Toen Wodin eene poos weg geweest was, kwam er tweespalt; wij wilden een anderen koning kiezen, maar dat wilde de Magy niet gedoogen. Hij beweerde dat het een recht was, hem door zijne afgoden gegeven. Maar buiten en behalve deze twist, was nog eene tusschen de Magiaren en Finnen, die Frya noch Wodin wilden eeren, doch de Magy deed zooals hem goed dacht, want zijne dochter had bij Wodin een zoon gewonnen, en nu wilde de Magy dat deze zoon van hooge afkomst wezen zoude. Terwijl allen keven en twisten, kroonde hij den knaap tot koning en stelde zich zelven tot voogd of raadgever aan. Zij die meer hielden van hun lijf, dan van het recht, lieten hem tobben, maar de goeden trokken weg. Vele Magiaren vloden met hunne manschappen terug, en de zeelieden gingen scheep en een heer van stoutmoedige Finnen gingen als roeijers met hun.
Noten
[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 08c Tunis en Inka