1943 Merkwaardige namen en plaatsen
Bron: Ons eigen volk; maandblad voor de volkskunde van den Nederlandschen stam-orgaan van het Nederlandsch Volkskundig Genootschap, jrg 3, 1943, blz. 262-271. (Kalma 624; drukfouten gecorrigeerd.)
„Merkwaardige namen en plaatsen in het Oera Linda boek”, door J.F. Overwijn
Het volgende is een samenvatting van het gebodene in twee voordrachten, die ik dit jaar mocht houden voor het Kelto-Germaansche Studiegenootschap „Yggdrasil” te ’s-Gravenhage.[1]
De naam „Oera Linda Boek”, die hierna met de letters O.L.B. zal worden af gekort, is welhaast overal bekend. Van den inhoud echter bitter weinig. Overigens is er in de tachtiger jaren zóóveel afwijzends en ongemotiveerd-vijandigs over het werk uitgestort, dat men onmogelijk kan zeggen, dat het publiek ook maar eenigszins behoorlijk omtrent de ware toedracht der zaak is ingelicht.
Inmiddels is er evenwel veel lectuur, zij het dan ook als regel artikelsbewijs over dit onderwerp verschenen, zoodat de zaak er thans anders voor staat. Daar het onbegonnen werk is deze artikelen aan te halen, duid ik liever op werken, die er in verband met het O.L.B. zijn verschenen, onverschillig of ze nu al of niet „Oera Linda Boek” tot titel hebben.
Hiervan noem ik dan „Atlantis” door F. Wencker-Wildberg: „Unsre Ahnen und Atlantis” door Prof. Herrmann; „Antiquities of Mexico” door Lord Kingsborough; „Atlantis und das Volk der Atlanten” door A.F.R. Knötel; „Kulturgeschichte Afrikas” en „Auf dem Wege zu Atlantis” door Leo Frobenius en verder de werken van Donnelly, Elliot Scott en vooral van Le Plongeon, De [263] Quatrefages en tenslotte „That Wra Linda Bok” door J.F. Overwijn.
Hoewel de stof vanuit allerlei gezinchtspunt wordt behandeld, komen al deze werken toch wel hierin overeen, dat zij elaboreeren op Plato’s Timaeus en Kritias, in het heldere bewustzijn, dat Plato niet heeft gefabeld, maar, wat men noemt „geschiedenis” heeft gegeven en wel, zooals blijkt, de geschiedenis van Atlantis.
Daar de omvang mijner voordrachten beperkt moet blijven tot het onderwerp, volsta ik met de aanduiding als hierboven gegeven, om daarbij dan alleen aan te stippen, dat gemelde geleerde schrijvers, de een meer, de ander minder, wel bijzonder sterk het volgende naar voren brengen. “De Mayataal is de oer- of moedertaal, zoowel van het antieke Grieksch als van de Mayataal der Amerika’s (Maya’s en Inka’s). Van laatstgenoemde talen is tenminste één derde, praktisch gesproken, Grieksch. Tevens is het Maya de eigenlijke oude taal van Atlantis”.
Ik zelf heb dit eenigszins verder uitgewerkt in de inleiding van mijn O.L.B. door aan te toonen, dat het Keltisch een Frya-taal[2] is, die door het Maya zoodanig is beïnvloed, dat zij voor de helft uit Maya en voor de helft uit Fryawoorden bestaat, wat de wetenschap trouwens met mij eens is. Het waarom ervan werd echter nog nooit ontvouwd en dat zal hierna nu eens worden aangetoond. Ook de Zigeunertaal, voor zoover oorspronkelijk, bestaat voor het meerendeel uit, wat men noemde Grieksche, maar, wat zijn Mayawoorden. Op dit eerste (Grieksche n.l.) wezen Prof. De Goeje: Dr. A. Klliver en ook reeds de Leidsche Hoogleeraar Bonaventura Vulcanus in 1597. Ik heb aangetoond (O.L.B.) dat de Zigeuners inderdaad een droef restant der Maya’s in Europa vormen en ook, dat de zuiver Ingweeoonsche[3] woorden in het Nederlandsch — waarvan het Westfriesch de meeste heeft bewaard — zonder uitzondering in het Grieksch worden aangetroffen, terwijl men ze tevergeefs zoekt in het Duitsch en meestal ook in het Engelsch.
Alvorens het proces der versaksching onzer taal onder den zwaren Frankischen[4] druk, zijn beslag had gekregen, was het aantal Ingweeoonsche of Frya-Keltische woorden en/of Mayawoorden vele malen grooter dan thans. Zoo wordt het dan duidelijk, dat het Ingweeoonsch, d.i. de stamtaal der Nederlanden, vele Mayawoorden bevatte en daardoor een aantal Grieksche moest bevatten, als logisch gevolg van de Atlantide oorsprong van het Grieksch.
Het ware verschil tusschen de Keltische talen en het Nederlandsch is eenvoudig dit, dat de Keltische talen, zooals gezegd, tenminste voor de helft Maya, de Nederlandsche nog slechts voor een deel Maya zijn gebleven. In dit alles steekt niets nieuws of geheimzinnigs. Het is niet anders dan de normale ontwikkeling der feitelijkheden, zooals ze door de wereldgeschiedenis zijn gegeven geweest.
Alvorens nu tot het O.L.B. over te gaan, wil ik één enkel voorbeeldje aanhalen van „Grieksch (Maya) in het Nederlandsch”.
Ned.: ,Baas’. De normale en gewone Gr. afkorting van „bâsileus” (koning, edele, eerste des lands) is „bas” (lange ,a’, te vinden bij Herodotus en Euripides). Bij gevolg is het Ned. ,baas’ een [264] vingerwijzing naar wat wij met de Grieken gemeen hebben, n.l. de Maya-bron! Daarnaast behooren zoowel bet Grieksch als het Nederlandsch tot de „Indo-Germaansche” talen. De samenstelling is dus soortgelijk, niet identiek! Dus de Grieken en wij putten uit dezelfde bronnen. Beschouwt men verder het Ned. ,bazelen’, dan vindt men in de eerste instantie, dat het een diminutief moet zijn van een verloren stam ,bazen’, die een fermer beteekenis moet hebben gehad, anders was er geen diminutief noodig. Welnu we vinden dien stam in het Grieksch als „bazoo” (redeneeren, spreken), waardoor het geheel ineens zeer duidelijk wordt. Het Engelsch-Amerikaansche „boss” is van het Nederlandsche woord afgeleid.
Wil men het dus over de echtheid van het O.L.B. hebben, dan zou het de moeite loonen een dergelijke maatstaf eens aan te leggen op de meest omstreden namen, die in dat werk voorkomen. Blijken zij Grieksch, dan zijn ze meteen Ingweeoonsch, immers dan behooren zij tot de Maya-taalschat, die onze Keltoïde of Ingweeoonsche taal nu eenmaal herbergt en is de „naaste familie” band, bewezen. M.a.w. dan geeft het O.L.B. zonder eenig commentaar zelf wel aan, dat het een kroniek van onze allernaaste familie, neen van onszelf is. (Dit neen is in het Engelsch „nay” en in het Grieksch „nee” en behoort alleen om deze laatste reden bij ons dus ook „nee” te zijn).
Ik neem nu op blz. 61 van mijn O.L.B. (onderaan de blz.) het woord „Thyrhis” d.i. „Thyrhisburcht”. Men meende te doen te hebben met het „Tyrus” of „Tyrrus” der oudheid, maar de spelling in het O.L.B. doet dit teniet. Immers we hebben hier eenvoudig „Thyr” (lange y, als in ,bier’) en ,his’. Dit laatste is van ,hy’, n.l. „hy’s”, dus ,zijn’ (bez. vnw.) en is bij ons door dat Saksische woord ,zijn’ verdrongen, terwijl wij ,hij’ behielden, wat de Friezen daarenboven ook nog door „er” vervingen. In mijn O.L.B. heb ik gemeend, dat Thyr van Ty (Tu) zou zijn, maar dat is m.i. onjuist. Op onvoldoende gronden werd n.l. aangenomen, dat Ty het hoofdwoord was, waarvan Thyr of Tyr dan de 3e n.v. zou zijn, maar in het woord Thyrhisburch is geen behoefte aan een 3e naamval, of men moet een verwrongen constructie aannemen, die veel te grammaticaal is, om van de ruwe zeelieden te verwachten, die hier in het spel zijn.
In werkelijkheid hebben we te maken met het Grieksche „Theer” (theerós), dat roofdier, maar vooral leeuw beteekent. (Homerus, Hesiodes, Herodotus e.a.). De wisseling van éé in ie is normaal, zoodat Thyr (lange ie) werd verkregen en het geheel beteekent: Thyr. his burch — De leeuw z’n burcht, of ,Leeuwenburcht’. En nu is het merkwaardige, dat het handschrift van het O.L.B. juist precies die lange ie (y) getrouw heeft bewaard met het speciale Frya-teeken daarvoor, n.l. met de ’spiegelbeeld-y’. Verder is het merkwaardig na te gaan, wie er om die naam vroegen. Er staat „Toen zij nu daaraan (aan de burcht n.l.) een naam wilden geven, werden zij het oneens (de Fryas, Finnen en Magjaren), sommigen wilden het Fryasburcht noemen, anderen Neeftunia, maar de Magjaren en Finnen verzochten, dat het Thyrhisburcht zou heeten. Thyr [265] noemden zij een van hun afgoden en op diens verjaardag waren zij daar geland”.
De „Magjaren”, waarvan hier sprake is, waren, zooals in mijn inleiding van het O.L.B. werd uiteengezet, de volgelingen van den Magy, d.w.z. overgebleven Maya’s uit de tijden der Atlantiden: zij zijn NIET synoniem met de huidige Hongaren of Madzjaren. In ieder geval moeten zij van huis uit een Mayadialekt hebben gesproken, vandaar natuurlijk het woord Thyr in zijn Grieksche beteekenis voor een godheid, die de bijnaam van ,leeuw’ had, zooals dat in de oudheid vaak het geval was. De toevoeging ,his burch’ is zuiver Fryasch. Hieruit volgt dan wederom, dat de omgangstaal dezer zeelieden inderdaad een Maya-Fryamengsel was, geheel in den trant, zooals dat hiervoren bij het bespreken van het Keltisch en het Nederlandsch het geval was. Dus kan men zeggen, dat er Keltisch werd gesproken. Men mag aannemen, dat vanaf 3000 jaar voor Christus deze zeetaal aan de Middellandsche Zee normaal was, en slechts langzaam later in het Phoenicisch overging.
Uit het dagboek van Ljudgêrt den Schout bij Nacht van Wichhirte, die met zijn Geertmannen de Frya-kolonie in Voor-Indië aan den Pangab verliet, leeren wij in het O.L.B., dat Friso in Athene woonde, hij was n.l. „kening ovira flâte”, n.l. vlootvoogd over een deel der Grieksche vloot, dat in de oude haven van Athene n.l. in Munichia lag en was op de hoogte van de vaart in de Middellandsche Zee en daarbuiten. Hij zei den weg naar Fryasland[5] te kunnen wijzen. Hierheen wilden de Geertmannen (Fryas uit Indië) varen, om naar het moederland terug te komen. De namen Ljudgêrt en Wichhirte zijn zuiver Frija, n.l. „ljud” is ljuda is lieden: gêrt (denk aan het Nederlandsch: omgorden; gêrt = het „gegorde”, of omgorde) is zwaard, dus Ljudgêrt is ,der lieden zwaard’ of ,het zwaard van ’t volk’; ,wich’ is heldhaftig of krijgszuchtig (zie Wichert, verkort van wich-gêrt: wiegend is krijgvoerende, enz. enz.) en ,hirte’, dat meer bepaaldelijk den vorm ,hjirta’ zal hebben gehad, is ,hart’ dus Wichhirte is zooveel als ,heldenhart’ of ,heldengemoed’. Er is geen Grieksch (Maya) in. We hebben dus met zuivere Fryas te doen, sprekende een Indo-Germaansche taal. Daarom klaagt het O.L.B. bij gelegenheid dan ook over de taal van Friso en zijn eigen mannen, die vergriekscht waren. Anders is het evenwel met Friso. In het Grieksch vindt men een aantal woorden als „phrissoo”, „phrizoo” enz., die alle tot basis is. Trouwens ons woord friseeren is van dezelfden stam. Het O.L.B. hebben, datgene, wat ruw, oneven, gekreukt, gekruld of ongetemd verhaalt ten overvloede, bij gelegenheid van het schenden van Friso’s kinderen door Demetrius, dat Friso trotsch en hardvochtig was. M.a.w. de naam Friso (Phrissoo) werd hem op de Grieksche vloot gegeven, omdat die den man karakteriseerde. Bij Plato beteekent phissoo o.a.: rillen, sidderen, schrikken, ook bij Homerus, Aeschylus e.a., wat een en ander nóg duidelijker aangeeft. Men merke tevens op, dat in het Grieksch „ss” voorkomt, zoodat Friso als Friesso dient te worden uitgesproken. Verder bedenke men dat de bijzondere Frisomannen, d.w.z. die met Friso zelf behalve de Indië-Fryas meekwamen, bij die terugtocht naar het moederland [266] (Nederland) zoo omstreeks 350 v.Chr. — allicht in het Grieksch „Phrissoi” werden genoemd en dus in de Keltische zeetaal „Friessa” (phonetisch geschreven). Toen Friso goed en wel in de huidige Nederlanden gevestigd was, lag het voor de hand, dat de o.a. aanwezige Saksen, die zich wél bij een dozijn of zoo verschillende stamnamen noemden, maar zelden of nooit uitsluitend „Saks” — dat deze Nedersaksen in Friso’s land en onder zijn bevel, zich als de meest NATUURLIJKE zaak „Friesse” noemden. Hiernaast noemde het oude Ingweeoonsche volk zich nog altijd Fryas (spreek uit Frias) en wat van de Fryas was, ,Fryask’. Door de eigenaardige dooreenmenging, die er vanaf de genoemde periode heeft plaats gehad in onze landen, wordt het duidelijk, dat deze namen grif werden verhaspeld en de „Friesse” (Nedersaksen e.t.q.) tezamen met de „Fryaske” tenslotte den naam „Friëske” (Friesche) overhielden en voorzetten.
Prof. Albert Herrmann, vorengenoemd, waarschuwt echter uitdrukkelijk in zijn voormeld werk, voor deze verhaspeling en laat nog eens duidelijk hooren, dat men Fryasch en Friesch niet mag vereenzelvigen, ondanks, zegt hij, de uiterlijke naamsgelijkenis! Een zeer verwante materie kan men bestudeeren in het uitnemende van Dr. K. Heeroma „Hollands en Fries” in het Westfriesch Jaarboek, 1e Serie Deel 9; 1942, waarin naar voren wordt gebracht het verschil tusschen het oude Ingweeoonsch en het latere Friesch.
Het O.L.B. is dan ook in gebrekkig Oud Friesch vertaald en dat heeft ontzaglijk veel stof doen opwaaien, want men dacht hierin nu eens de hand te kunnen leggen op een optima forma vervalsching van een of anderen fraudeur, die nu eens fijntjes géén Friesch kende. Dit laatste klopt; Oud-Friesch was n.l. NIET de moedertaal van Liko Oera Linda, die het O.L.B. in 805 uit het Ingweeoonsch in een min of meer geslaagd Oud Friesch van die tijd vertaalde. Hij schreef een taal, die destijds ook in Denemarken bekend was, een soort benadert Oud Friesch, dat vol van Ingweeoonsche woorden en zinswendingen zat. Wat er later aan het O.L.B. is geknoeid bij het wederom overschrijven, is erg genoeg, maar niet zoodanig, dat het aan den zin van het werk iets noemenswaards verandert.
C.S. Ponger, Arch. drs schrijft hierover in zijn zoo lezerswaardig artikel „Uit de Geschiedenis van Texel” in het Westfriesch Jaarboek; 1e Serie, Deel 9; 1942, daarbij aantoonende, dat er geen twijfel kan bestaan, of Phtolomaeus duidt met den naam „Tekelia”, Texel aan. (Claudius Ptol. 100—178 n.Chr. te Alexandrië). De hr. Ponger meent, dat alle pogingen om den naam Texel te verklaren, onbevredigend zijn en zelfs fantastisch. Hierin kan ik den geachten schrijver niet volgen, omdat ik meen, dat er in het bovenstaande en in het volgende wèl een bevredigende verklaring wordt gegeven.
Wat is n.l. het geval? Het Grieksch kent de dichterlijke afleiding „éteke” en „téke” van het w.w, „tiktoo”. Dus ,teke’ + ,lia’, waarin ,lia’ van „Loùoo” is, dus = lo. Tiktoo beteekent 1) het baren; geldende zoowel voor menschen als voor dingen en dieren; 2) alles, wat van de vrouw als vrouwelijke macht uitgaat. Deze [267] beteekenissen vindt men o.a. bij Homerus. Tekelia is dan de reinigingsplaats van waaruit de vrouwelijke macht vloeit.
Het hoogst merkwaardige is dus, dat de Grieken een naam aan Texel gaven, die in dichterlijke bewoordingen hetzelfde weergeeft wat hierboven reeds uit het Maya werd afgeleid. Er werd n.l. gevonden: Tou-Ix-Lo, dus „Allerhoogste-Vrouwe-reinigingsplaats”, hetwelk men, in achtnemende de praktische uitwerking van het matriarchaat, het eenige bestuur bij de Fryas, in een loopende tekst ikan vertalen door „Residentie van het Matriarchaal Bestuur”, terwijl men voor „Tekelia” in alle geval „Texland” mag zetten.
Maar, waarom kiezen de Grieken een dichterlijken vorm?, zal men opmerken. Wel, dat is voor de hand liggend. Immers voor de Grieken was het matriarchaat iets ,interessants’, iets ,romantisch’, dat zij in het geheel niet kenden, aangezien zij niet anders dan [*op goed plek gezet:] patriarchaat hebben gekend. Zij waren echter hoffelijk genoeg, om de mogelijkheid open te laten, dat zulk een bestuursvorm, zijn goede zijde kon hebben, gegeven hun eigen reeks van godinnen, die vaak belangrijke functies in de mythologie uitoefenden. Toch was gewendheid aan het patriarchaat de reden, waarom de vergriekschte Friso het matriarchaat aanviel en te gronde richtte. (Zie O.L.B.) [einde verplaatsing]
Een zeer belangrijke naam in het O.L.B. is ,Texland’ (Texel). In mijn bewerking van het O.L.B. blz. I der Toelichtingen heb ik dien naam verklaard, als een gemengd Maya-Fryawoord. Ik neem hiervan iets terug, n.l., dat ik nu moet zeggen, dat het geheel en al een Maya-woord is.
Het verloop is als volgt: Het deel Tex is, evenals het deel „Tox” van „Toxandriër”, dat ik hiermede gelijk behandel, afgeleid, of liever samengetrokken uit de Mayawoorden Tou en Ix, die achtereenvolgens in dit verband beteekenen ,allerhoogste’ en ,Vrouwe’. Tou (ou = oe) is synoniem aan Tu, Tiw of Tiu, hiervoren behandeld, maar doet eenvoudig dienst, om een oppergezag aan te duiden. De deelen ,el’ en ,ander’ zijn op te vatten als ,lo’ en ,anthropos’ (denk aan: Alex-andros), dus voluit: Texlo en Toxandros. Welnu ,tou-ix’ werd zoowel ,toux’ of ,tox’ als ,twix’ of ,twex’ en, zooals dat vaak gebeurt, vervolgens ,tèx’ (Fransche è). ,El’ is een later verbastering van ,lo’, die we in Ned. plaatsnamen (Reuzel, Baxel enz.) vaak aantreffen. „Lo” is echter het Grieksche „louoo of lóei”. De oudste schrijvers gebruiken ook „lolo-e; loéoo; louéoo enz. (Hesiodes, Homerus e.a.) Het beteekent het zich wasschen, bijna uitsluitend van ,menschen’; ook: zich al wasschende van smetten, hetzij lichamelijke, hetzij geestelijke, reinigen.
De uitgang ,lo’ (Hengelo, Almelo, Het Loo, Ermelo e.t.q.) is dus ,bad- of waschplaats’ al of niet ,heilig’, en is een Mayastamwoord. „Ander” is een bekende vervorming van het genoemde „anthropos” (mensch). Hiermede wordt dan Toxandriër af gehandeld, als te zijn (van oorsprong) een matriarchaal volk; n.l. „Hoogste vrouwmenschen”, dat zich laat formuleeren als „Stam onder vrouwelijk bestuur". [*deel naar voren verplaatst]
Ik merk in het voorbijgaan op, dat het woord Texas (V.St.) zijnde een oude Mayanaam precies hetzelfde beteekent als Texland, n.l. tex, als voren, waarbij ,as’, land of streek beteekent in het [268] Maya. Vandaar, dat men Texas kan vertalen door „Land van het Matriarchaal Bestuur” en dan wijs ik er meteen op, dat in het O.L.B. met uitsluiting van alle andere vormen, wordt gesproken van „Texland” en niet van „Texel”, terwijl ook het Grieksche Tekelia = Texland. M.a.w. in het O.L.B. wordt eigenlijk voortdurend als het ware „Texas" gezegd, n.l. „Land van het Matriarchaal Bestuur” of ook „Land van het Landsmoederbestuur”. Derhalve is dat Texland een vertaling van het zuivere Maya: Texas. Gewoonlijk wordt Texel van het Gotische „taihswo” d.i. rechter, en Den Helder van „hleidumai”, d.i. linker, afgeleid, doelende op de rechter en linkeroever van het Marsdiep. Het bewijs is niet te leveren, omdat in die streken de taal met Gotisch niets had uit te staan. Den Helder is van ,Helder’, een verbastering van Helle of Holle (vrouw Holle) de watergodin, gezellin van Belder (Baldur). Vandaar onze uitdrukking „holder de bolder”, d.i. van Holle komt men tot Baldur. Medemblik is Medeam leek, d.i. het meer van de water- of stroomgodin Medea, terwijl Enkhuizen is afgeleid van Enka, den water- of stroomgod. Allen zijn figuren uit onze vervaltijd van ná Chr., dus zoowat vanaf de Romeinsche tijd, en zijn geïmporteerd uit Denemarken.
In zijn belangrijk werk „Unsre Ahnen und Atlantis” gelukt het Prof. A. Herrmann met merkwaardig succes om de Iliaden zoodanig te fixeeren en te richten, dat men over de dichterlijke franjes van Odysseus’ gangen heenziet en inderdaad een helder beeld verkrijgt van wat er onder den naam ,Homeros’ aan werkelijke geschiedenis is geschreven. Zeer terecht leidt ook deze geleerde schrijver de geheele Grieksche cultuur, taal en grondvesten van de Atlanten of Atlantiden af, echter stelt hij Atlantis als te zijn een eilandrijk gelegen in het huidige Sjott el Dzjerid in Tunis. Dat aldaar een groote Atlantenkolonie was, al was zij dan ook gemengd, is buiten kijf, maar, dat dit het groote autocontinentale Atlantis zou zijn geweest, waarvan dan de ondergang in de jaren om en bij 1680 v.Chr. zou hebben plaats gehad, wordt door velerlei, o.a. door alle in het begin dezer verhandeling genoemde werken op wetenschappelijke gronden weerlegd.
Frobenius vond Poseidonis, den grooten god en held dezer Tunis-Atlanten, in West-Afrika aan de Nigeriakusten; Le Plongeon bij de Amerikaansche Maya’s enz., enz., terwijl de Grieken hem tot een zeegod hadden verheven, afkomstig uit Tunis, zooals uit de Iliaden blijkt. Wat dus noodig is, blijkt te zijn de afleiding van den naam „Poseidonis” of ,Poseidoon’, om het ware der zaak te peilen.
In de Mayataal vindt men „Paa” of „Pao” voor ,breken’ en ,breekt’; „ox”, dat uitgesproken kon worden ,oks’, ,och’ of ,osj’ voor ,uit innerlijk wezen’, terwijl „eithonee” (het Maya kent géén ,d’, wèl ,th’ als Eng. ,the’) het Grieksche „eedonee”. d.i. ,geneugte, genoegen, vreugde’, weergeeft. Voegt men dit tezamen, dan ontstaat „Breekt uit innerlijk wezen vreugde”, hetwelk geformuleerd zou moeten worden als: „Uit Zijn innerlijk Wezen stralen de vreugden”, wat dan de vertaling van „Poseidoon” is.
Men begrijpt nu meteen, dat Poseidonis bijv. bij de Amerikaansche Maya’s hoegenaamd geen zeegod, maar DE GOD bij uitstek [269] was, en, dat Frobenius iets dergelijks in Nigeria vond. Maar waarom werd hij nu een zeegod bij de Grieken? Eenvoudig, omdat, zooals werd gezegd, de Atlantide kolonie in het Sjott el Dzjerid ,gemengd’ was en vooral zeevarend. Wie waren nu die mengvolkeren?
Hieromtrent geven de Egygtenaren ons uitsluitsel. Prof. Herrmann beeldt in zijn werk een muurschildering af van een Pharaograf van omstreeks 2000 j.v.Chr., waarop men Egyptisch-scherp en stijlvol ziet afgebeeld de aanbieding van geschenken aan den Pharao door zijn buurvolk de „Keftiu”, zooals daar staat beschreven. Het vaatwerk, dat deze Keftiu aanbieden, is zonder eenige twijfel Kretènsch. Verder zijn deze Keftiu groot van postuur, blank, blond en hebben blauwe (lapis lazulae) oogen. Voorts heffen zij fier hun hoofd op en loopen gespierd-elegant met hun vazen en schalen naar den troon. Dit geeft natuurlijk te denken. Immers nòch de Egyptenaren, nòch de Atlanten hadden een dergelijke lichaamsbouw en uiterlijk. Men vermoedt dus Fryas, en onderzoekt, of dit ook taalkundig valt te bewijzen. Dit laatste nu is toevallig voor de hand liggend en wordt als volgt aangetoond.
De Egyptenaren kenden de scherpe ,th’ van het Engelsche ,think’, die het Grieksch als ,thèta’ bezat (en vooral het moderne Grieksch) niet. Zij vervingen die door een ,f’. Een oogenblikje proefneming zal aantonnen, dat de ,f’ en de ,th’ vlak naast elkaar liggen in de tand-lipspatie van den mond. Voorts is er ,tiu’ (u is oe). welk woord uit het voorgaande bekend is als ,God’, n.l. „de éénige God”. Weet men nu verder, dat in het Fryasch „kêtha” (th van ,think'), ,uitdrukkelijk spreken’ beteekent, of ook ,verkondigen’, dan heeft men den naam van het volk der Keftiu ineens vóór zich als „Verkondigen (kêth) eenigen God (Tiu)” of ook loopend vertaald als „De Verkondigers van den Eenigen God”.
Men onthoude hierbij, dat Tu, Tou, of Tiu Mayawoorden zijn en ,kêtha’ een Fryawoord, hoewel niet zonder verwantschap met het Maya „kee”, dat ziel of geest beteekent. (Egypt, ka.).
De Keftiu waren dus wederom dezelfde Keltisch sprekende zeelieden, die voorheen in deze voordracht werden aangeduid. Zij zijn de laatste verwanten van dat merkwaardige volk de Etrusken, welke laatsten, hoewel blijk gevende van heerlijke kunstzinnigheid, door de Grieken ook wel smadelijk worden aangeduid als „Tyrrheensche Zeeroovers”.
In ,Etrusken’ is ,et’, „etta”, het Fryawoord voor ,klei’ of ,vette grond’ (Zie Ned. Etten en Etterbeek), terwijl ,rusk’ het Grieksche „ruskeu” is, dat o.a. beteekent „iemand aan zich trekken, om hem te redden”, „uit het gevaar redden”, „behoeden”, „bewaren”. Daarom kan men Etrusken vertalen met „door vruchtbaar land behoeden”. Zij woonden dan ook inderdaad in de vruchtbaarste vlakten van het huidige Italië. Het Romeinsche „Etruriërs” beteekent hetzelfde, waarin het Latijnsche „rur” = van het land, (rural = landelijk).
Men ziet het; de naam is wederom Frya-Maya, of als men wil, Frya-Kelt!!
En hoe heet ook weer de vrouw, die aan Poseidoon werd [270] toebedacht? Zij heette Maia of Hera. Welnu, hierin zien we weer onmiddellijk twee principiëele en wel god-menschelijke woorden, n.l. Maia, zijnde ,moeder’ plus ,volk’, maar evenzeer ,moeder des volks’, waarom dan ook uitdrukkelijk ,Maia’ wordt geschreven, als samentrekking van Ma-i-ya, De ,i’, die ,gaan; uitgaan van’ beteekent, geeft het genitiefverband aan, zoodat inderdaad ,Moeder des Volks’ de juiste vertaling is. Hierbij wordt dan opgemerkt, dat het woord reeds de stempel van de Frya-menging draagt, omdat de ,y’ (onze ,j’) in het Maya niet voorkomt en dus de zuivere Mayaspelling zou zijn geweest: ,Maïwa’.
Hera is hetzelfde, maar van een andere kant belicht. ,He’ is n.l. ,moedervocht’, d.i. het levengevende vocht of water; ,ra’ is datgene, dat ieders anders in beweging brengt, dus ,dynamisch beginsel’, zoodat ,Hera’ te vertalen valt met: „Aller stammoeder”, hetwelk synoniem mag heeten met het bovenstaande „Moeder des Volks”. Hieruit blijkt, dat dus zoowel Poseidoon als Hera Maia, principiëel namen zijn van God als Vader en als Moeder, dus als VOLLEDIG dynamisch begin en beginsel aller menschen! Voorts weten we van de Grieken, dat er in de oudheid juist in Noord-Afrika in het gebied der Tunis-Atlantiden en Keftiu de „Makoi” woonden, die, vreemd genoeg, alleen bij wijze van uitzondering wel eens met „Makoi”, den eigenlijk Griekschen vorm, worden aangeduid.
Het deel ,mak’, dat heden ten dage nog in honderden Schotsche en lersche namen als ,mac’ of ,mc’ fungeert, beteekende toen, en is ook nu: ,zoon van’, ,afstammeling van’, en is een Keltisch woord van Maya oorsprong. De toevoeging ,ai’, is van ,ahi’ dat als meervoud van ,aha’ (water) fungeert. Men heeft dus Makai = mak-aha-i-zoons van de wateren = kinderen der zee of Zeevaarders. De Makai waren wederom blond, blank en hadden blauwe oogen. (Herodotus duidt de Makai aan).
In het Grieksch vindt men „Makedonia” (Macedonië), hetwelk eenzelfde geleding heeft, n.l. ,mak’ plus ,eedonee’, dus ,Kinderen der vreugde’ en „Makaria” voor ,geluk en gelukzaligheid’, d.i. ,mak’ plus ,aria’, waarin dit laatste woord de heilige eik, of boom weergeeft. We kunnen dus voor Makaria zeggen „Kinderen van den heiligen boom”.
Dit herinnert weer sterk aan den Yggdrasil van de Edda e.d., waarin de „wereldesch” de boom der wereld is. Eigenlijk verschillen in hun oorsprong nòch de Boom van goed en kwaad uit het Paradijsverhaal, nòch Yggdrasil in de Edda, nòch de (Mak)aria der Grieken, dat is dus der Maya’s van elkaar. Onze voorgeschiedenis is daarom zoo ingrijpend belangrijk, omdat zij ons doet inzien hoezeer een gepaste trots op ons voorgeslacht in de grijze oudheid, de uiting moet zijn van het aanvoelen van wat in die tijden omging bij de vaderen. En dat is dit:
Zij waren de Fryas, een Indide[6] volk van sterke lichamen, blond, blank en athletisch. Zij worden door aanraking met een oeroude cultuur, de Atlantide n.l., waarvan de kenmerken zijn: zachtheid van gemoed, fijnheid van geest en een uitbundige kunstzin, — geschraagd en vervolledigd in hun eigen cultuur en in staat gesteld deze op verlichte wijze voort te zetten, totdat een goede [271] 300 v.Chr. hun ster ondergaat, zonder evenwel ooit geheel te dooven. Onze klassieke, hetzij gymnasiale of academische opvoeding herinnerde, al was het dan ook volkomen onbewust van het bovenstaande, telkens weeraan die aanraking uit vervlogen eeuwen.
De aldus vervolledigde Fryas zijn de Kelten, die van de Fryas alleen verschillen in den graad van intensiteit van de Maya-cultureele enting op de oorspronkelijk Indide parallelcultuur.
In onze vervaltijd gingen Kelten en Fryas een dommel in, — een diepe waaruit zij, nu eens hier, dan eens daar, in de loop der eeuwen (na Chr.) ontwaakten, telkens als het aan het oude Mayacultuurgoed via de Grieksche cultuur gelukte ons uit de dommel te wekken, al ging en gaat dat dan ook onder geheel andere namen, uitingen en voorwendsels.
Het Oera Linda Boek is het getuigen van de Frya-Keltcultuur der vaderen. Als we het boek in het licht van het bovenstaande — dat uiteraard slechts breede trekken kan bevatten — dóórlezen, zal velen een licht opgaan en zullen zij zich afvragen: Hoe is het mogelijk, dat men de verpletterende bewijskracht, die van het Oera Linda Boek uitgaat niet heeft zien opwellen uit dat roerend eenvoudige materiaal, dat daar met al z’n gebreken, slordigheden en verhaspelingen voor ons ligt?
Ik hoop in het voorgedragene de onmiddellijke nabijheid van ons ware „Frya-Kelt-eigene” te hebben laten blijken.
Noten
- ↑ Voorzitter: Aug. Heyting.
- ↑ Spr. uit: Fria taal.
- ↑ Ingweeoonsch van „Inge-woners” = inwoners, evenals „Inge-landen” (van een polder) inlanders.
- ↑ Er is niet zooiets als Frankisch; de Franken spraken Saksische dialekten.
- ↑ Hier dus het huidige Nederland ongeveer.
- ↑ „Indide” wordt gebruikt, omdat het woord „Indisch” verwarring kan wekken. De Frya-bakermat is de Pandzjaab, Germesier en Sindd in Voor-Indië. De Fryas zijn n.l. geen „Indiërs” zonder meer!
Noot van de Redactie.
Een vraag: Staan onze taalgeleerden hier niet sceptisch tegenover?
Het bovenstaande geeft de persoonlijke opvattingen weer van den heer Overwijn en de opneming in ons tijdschrift, sluit niet in zich dat de Redactie het geheel eens zou zijn met deze opvattingen.