Jump to content

Brieven C. Over de Linden

From Oera Linda Wiki

Zie uitleg bij Brieven Ottema.

Brieven zijn verzonden vanuit (Den) Helder, tenzij anders vermeld.

aan Dr. J.G. Ottema (1870-1874)

25-12-1870 / 1 (2)

WelEdele zeer geleerde Heer!

Uw geëerd schrijven van 22 dezer is mij geworden en ik heb daaruit de wensch van het Friesch genootschap verstaan. Tot mijn spijt moet ik u echter als eerlijk man al dadelijk bekennen, dat de Heer Verwijs mij belangloozer heeft voorgesteld dan ik in waarheid ben. Ik heb hem het handschrift niet afgestaan om het voor het Friesche genootschap, maar voor mij te vertalen, en kon zelfs niet anders doen, aangezien ik toen niet eens wist dat er een Friesch genootschap bestond. Na de facsimilé heb ik den Heer Verwijs twee losse blaadjes van het handschrift gezonden. Die blaadjes waarin de aanbeveling staat, dat de erfgenamen - om onze lieve voorouders wille en om onze lieve vrijheid wille [-] deze boeken voor de oogen der munniken verbergen moesten, en waarin Hidde aan zijn zoon Okke schrijft dat hij de zelve met lijf en ziel bewaren moet, heeft zijn Edl. voor mij vertaald. Om als erfgenaam aan deze aanbeveling te voldoen, heb ik den Heer Verwijs het geheele handschrift geweigerd, en het ZEd bij gedeelten toegezonden.

Gedurende onze Correspondentie heeft ZEd mij allerhande voorslagen gedaan, b.v. het voor mij ten behoeve van het provinciale Friesche archive aan den Commissaris des Konings te verkoopen; mij lid van het Friesche genootschap te maken; mij gevraagd, of hij het in druk mogt geven, waarop ik geantwoord heb, dat als er niets in stond hetwelk mijn familie compromitteeren konde, ik er hem dan de vrijheid toe gaf.

Na al dat geschrijf en nadat er nu bijna drie en een half jaar verloopen zijn, ben ik nog even dom gelaten.

Wanneer ik dus zoo welwillend wil zijn, om aan UEd verzoek te voldoen, zult gij mij na dit gelezen te hebben, wel niet ten kwaden duiden als ik eenige voorwaarden stel.

  1. voor ieder gedeelte dat ik u aangetekend over den post toezend, verlang ik van UEd terstond antwoord dat UEd het van mij ontvangen hebt, en zend mij dan het gebruikte benevens de vertaling op dezelfde wijs terug.
  2. Mogt het genootschap het in den zin komen, het voor zijne leden te laten drukken, dan beding ik bij eene nader te bepalen overeenkomst eenige exemplaren voor mij.
  3. ieder [katern] van 25 of 26 bladzijden moogt gij eene maand behouden. Kunt U er, door het in bezit zijn van het overschrift van den Heer Verwijs spoediger mee teregt, des te beter voor de zaak en ook voor mij.

Neemt UEd daar genoegen mee, dan heb ik de eer met hoogachting te zijn

UwEd Dienstw. dienaar C. over de Linden. (vanaf hier weggelaten)

1-1-1871 / 2 (5)

WelEdele zeer geleerde Heer!

Hiermede ontvangt UEd tweeentwintig bladzijden van mijn ouden handschrift, dit komt zoo met de verdeeling uit. Wees zoo goed mij terstond te schrijven, of UEd het ontvangen hebt.

De redene die UEd ter verontschuldiging van den Heer Verwijs hebt aangevoerd, bevredigen mij niet geheel, aangezien hij mij toch wel eenigermate, "al was het dan ook gebrekkig", met den inhoud bekend had kunnen maken. Van U verwacht ik zulk een behandeling niet, daarom noem ik mij, na minzame groete met hoogachting

6-2-1871 / 3

WelEd. zeer gel. Heer!

Dadelijk nadat ik de eerste 20 paginas van het H.S. van U terug ontvangen had, stuurde ik den 1e dezer, dus verleden week Woensdag, de volgende paginas 21-46, waarna ik sedert niets heb vernomen; en dewijl U bij de vorige bezending dadelijk hebt berigt, maak ik mij eenigzins ongerust. Wees daarom zoo goed mij te melden of ze door U werden ontvangen. Inmiddels hoogachtend,

(namens vader geschreven door L.F. over de Linden)

13-3-1871 / 4

WelEdelz.gel. Heer!

Spoediger dan ik het had durven verwachten ontvang ik heden de vertaling van de pags. 45-92 van mijn Handschrift. Met de overhaling van het origineel is U met deze bladzijden nog bezig?

Zoo spoedig die weder door mij ontvangen zijn, zal ik het vervolg aan U afzenden.-

Hoogachtend en na beleefde groete

(namens vader geschreven door L.F. over de Linden)

12-8-1871 / 5 (6)

Waarde en zeer geleerde Heer!

Uw brief van den 4 dezer heb ik ontvangen. Naar mijn wijze van zien kan de benaming sefier wel de wind, een geest, Engel of iets dergelijks, maar geen roeper van vurenhout beteekend hebben, zoo als die welligt door de zeelieden gebruikt zijn. Daar de Magiaren volgens uwe vertaling een Aziatisch volk van het drooge land geweest zijn.

Wat de Marzaten betreft, die bemerking vond ik zoo kurieus dat ik dadelijk die almanak geleend heb om S.O. winkler te lezen. Volgens uw verlangen heb ik ZEd dan ook terstond dat gedeelte uit uwe vertaling gezonden en daarop laten volgen: "Ik heb hier niets bij te voegen dan dat de overeenkomst van dit berigt met uw opstel mij zeer getroffen heeft. En als UEd nu eens de moeite wilde nemen om mij te schrijven wat UEd daarover denkt dan zou UEd mij zeer verpligten. In afwachting enz."

Het antwoord dat ZEd mij heeft gegeven gaat hiernevens. Ik vind het niet sociaal, niet ridderlijk.

Als UEd mij eens schrijft, zend het mij dan svp terug.

Een officier heeft mij gezegd, dat de Spectator het geschrift voor valsch erkend. Ik weet niet of hij het in ernst zeide of om mij te plagen. Ik lees de Spectator niet. Wees dus zoo goed het mij eens te schrijven en als het erin staat geef mij dan svp het nommer eens op.

Het geloop om het handschrift te zien neemt nog geen einde.

Is die mijnheer Winkler een Fries? Kan hij ook jaloers op uw werk zijn? Ik vind zijn handelwijze zoo vreemd.

Na minzame Groete noem ik mij

23-8-1871 / 6 (7)

Waarde en Zeer Geleerde Heer!

Mij liggen twee vragen op het hart.

  1. Den 12 dezer heb ik u een brief gezonden waarin de brief van den heer S.O. Winkler was ingesloten. Hebt UEd dien ontvangen, wat dunkt u dan over dat antwoord?
  2. Hebt UEd het Nieuws van den Dag van heden gelezen? Daar staat in, dat den heer G. Colmjon archivaris van Friesland het handschrift bepaald voor onecht erkend. Is dat waar?

In afwachting noem ik mij met hoogachting,

13-9-1871 / 7 (10)

Waarde en zeer geleerde Heer!

Hede heeft men mij weêr een bijvoegsel van de Leeuwarder Krant gezonden, waarin Colmjon zijne geleerdheid, of spijt, laat luchten. Ik weet niet in hoeverre hij, met zijn aanmerkingen op de taal gelijk heeft, maar toen ik aan het slot las, dat hij het niet ouder dan van het jaar 1853 schatte,  zei ik onwillekeurig: "ben je bedonderd kerel!"

Mijn grootvader of mijn vader kunnen het niet geschreven hebben, dat waren timmerlieden even als ik ben. Bovendien was er toen meschien niets meer als eenige beentjes van hen te vinden.

Als het zoo jong is moest mijne goede sloof van een tante het gemaakt hebben. Welligt is zij een kol geweest, die heeft men nog al in Enkhuizen. Maar als er dan zoo veel taalfouten en andere gebreken aan zijn, moet de duivel haar zeker bedrogen hebben, of zelf niet sterk in het Friesch geweest zijn.

Intusschen begint het mij nu wezenlijk te spijten dat het toeval mij in gezelschap van den Heer Siderius gebragt heeft, daar het handschrift anders nog niet vertaald zou zijn, en had ik met al dit gevraag over aanmerkingen omtrent de echtheid, waarmede ik nu door fatsoenlijke en onfatsoenlijke lieden wordt lastig gevallen, en niets weet te antwoorden, niet gekweld geworden.

Als ambachtsman kan ik niet oordeelen in hoeverre geleerde heeren kunnen twisten zonder dat het hunne koude kleêren raakt, maar als u zoo kort aangedraaid zijt als ik ben, dan beklaag ik U, want dan moet het u nog meer spijten, de vertaling, waaraan gij toch niets verdiend, aanvaart te hebben, als het mij spijt het stuk ter vertaling te hebben afgestaan.

Mij komt het voor dat uwe konfraters jaloers op u zijn en dat zij het handschrift aanranden om u te kwetsen.

Vergeef mij mijn opgewondenheid en ontvang met deze de welgemeende groet

15-9-1871 / 8 (12)

Waarde en Zeer geleerde Heer!

Uw paketje en den brief zijn mij geworden.

Mij dunkt de redenen die UEd den Heer de Haan Hettema hebt opgegeven om te bewijzen dat het handschrift niet later dan in 1256 geschreven kan zijn, zouden ook wel kunnen dienen om den Heer Colmjon te overtuigen. (Voetnoot: Wat zijn aanmerkingen op vreemde woorden aangaat, als de Friezen zulke stoute buitenvaarders waren, dan konden zij ook wel vreemde woorden binnen smokkelen.) Ten minste, als het ZEd daarom te doen is, en niet liever zijn naam in de kranten wil lezen, zoo als ZEd vandaag weder met betrekking tot het handschrift in het Nieuws van den Dag kan lezen, dat hij een kundigen Friesche archivaris is.

Hoe gaarne ik u anders believen wil, moet ik u ditmaal zeggen, dat er geen gedeelte van het handschrift de deur meer uitgaat. Ik ben bang dat het niet meer zoo ongemoeid zou reizen als weleer.

Toen de Heer Eelco Verwijs het handschrift zag, schreef ZEd mij, dat hij niet meer aan de echtheid twijfelde. Zoo is het UEd ook gegaan, en UEd hebt er in het verslag bijgevoegd waarom U het voor echt hield.

Zijn er nu in Friesland en elders nog menschen die U niet betrouwen, dan kunnen die mijnentwegen naar de bliksem loopen: zijn er echter fatsoenlijke lieden die uit zoogenaamde belangstelling het handschrift willen zien, dan kunnen zij, wanneer ik geen verhindering krijg, des zondags bij mij komen om het te zien. Doch altoos onder die voorwaarde, dat zij van UEd een schriftelijke aanbeveling medebrengen. Zonder zulk een aanbeveling zullen zij het niet zien, omdat ik vrees dat er bezoekers zouden komen, die het handschrift evenzoo zouden havenen, als zij zich nu inspannen om er den inhoud van te havenen.

N.B. Als UEd op oude Noordhollandse woorden gesteld zijt, dan moet gij u tot onze burger onderwijzer D. Dekker wenden. ZEd schrijft vaak in de Texelsche taal. Mijnheer is nogal hoog, daarom wil ik hem niet vragen. Als UEd hem vroeg zou hij, denk ik, wel zijn best doen. Hij zou er weder andere onderwijzers van zijne kennissen voor kunnen spannen, die door Noordholland verspreid zijn.

En hiermede groet ik u vriendelijk en noem mij met hoogachting

16-9-1871 / 9 (13)

Waarde en zeer geleerde Heer!

Daar ik door ongesteldheid huisarest heb, heb ik mijn schoondochter van Schagen, en mijne werkster uit Medemblik en eenige andere liefhebbers, over echte boere westfriesche woorden onderhouden. Die ik hier mededeel ook heb ik den Heer D. Dekker bij mij verzogt. Hij zal zijn best doen wat voor u op te zoeken als hij kan, toch moest u hem maar eens schrijven. [het onderstaande is soms moeilijk te lezen!]

  • Amper - voor kwalijk, nauwelijks: ik kan het amper doen enz.
  • angel - voor vischhengel.
  • aventuur - voor kans, geluk: ik ga op mijn avontuur uit.
  • Amering voor ademtocht, ogenblik.
  • bald voor kwaad.
  • baldslussig, voor kwaad te leiden, weerspannig.
  • barnsloot voor brandsloot.
  • booike - voor jongetje.
  • bedremmeld - confus.
  • boord - rand.
  • delte voor laagte; del vallen - laag gevallen bij Medemblik.
  • gelde - onvruchtbaar.
  • hooike - priksleetje (op het ijs).
  • loot voor moede
  • nooit wonderlijk of vreemd maar altijd raar, b.v. raar eten, rare menschen enz.
  • kluft - opgang eener dijk.
  • kladdig - voor vuil - morsig.
  • strooit voor verloren, kwijt geraken.
  • snood voor schrander.
  • kob voor een groote hoek om kobben te visschen, op de haringbuizen in gebruik.
  • spint - voor kast.
  • ulfte - voor houte klompen of schoenen.
  • te Egmond zegt men holsters [holsten?].
  • te wasschip uit gasten
  • een wasschipper een logeergast.
  • te Krommenie zegt men kadediesch voor aardig toevallig.
  • Mijn vrouw verteld mij dat men mannen te Scheveningen joei - en de vrouwen Trôôs noemt.

Als ik weder op de werf kom en ik kan er meer opduiken dan zal ik ze u spoedig zenden.

N.B. Voor 'ik heb' zeggen de boeren 'ik hèw' of 'ik èw' en gebruiken nooit het voorzetsel ge en zelde be.

b.v. ik èw - weest, loopen, sleepen, eten, dronken, leid, reden, deen enz.

Na vriendelijke groete

[P.S.]

  • des nacht uit vrije gaan
  • uit schooije gaan
  • mijn tijd verschooid voor verbeuzeld.
  • Naay - voor ruimte tusschen twee huizen
  • weger - wand.

16-9-1871 / 10 (14)

(meer volgt)

? 23-9-1871 / 11 (15)

17-9-1871 / 12 (16)