NL040.26 Veiligheid: Difference between revisions
add |
|||
| Line 6: | Line 6: | ||
==Ottema 1876== | ==Ottema 1876== | ||
'''[59]''' Om veilig te wezen zijn deze inzettingen en bepalingen gemaakt. | '''[/59]''' Om veilig te wezen zijn deze inzettingen en bepalingen gemaakt. | ||
Het volk van Finda heeft ook inzettingen en bepalingen, maar deze zijn niet volgens het recht, maar alleen ten bate van de priesters en vorsten, dientengevolge zijn hunne staten immer vol tweespalt en moord. | Het volk van Finda heeft ook inzettingen en bepalingen, maar deze zijn niet volgens het recht, maar alleen ten bate van de priesters en vorsten, dientengevolge zijn hunne staten immer vol tweespalt en moord. | ||
Revision as of 10:15, 7 February 2023
Ontwerp 2026 Ott
Overwijn 1951
Ottema 1876
[/59] Om veilig te wezen zijn deze inzettingen en bepalingen gemaakt.
Het volk van Finda heeft ook inzettingen en bepalingen, maar deze zijn niet volgens het recht, maar alleen ten bate van de priesters en vorsten, dientengevolge zijn hunne staten immer vol tweespalt en moord.
1. Bijaldien iemand gebrek heeft en hij kan hem zelf niet helpen, zoo moeten de Maagden dat ter kennis brengen van den graaf, om reden dat het een hooghartigen Fries niet past dat zelf te doen.
2. Zoo iemand arm wordt, doordien hij niet werken wil, die moet uit den lande uitgedreven worden; want de laffen en tragen zijn lastig en ergdenkend, daarom behoort men hen te weren.
3. Ieder jong man behoort eene bruid te zoeken, en is hij vijf en twintig jaar oud, dan behoort hij eene vrouw te hebben. [61]
4. Is iemand vijf en twintig jaar, en heeft hij nog geen echtgenoot, dan behoort men hem uit zijn huis te weeren, de knapen behooren hem te vermijden. Neemt hij dan nog geene vrouw, dan moet men hem dood verklaren, opdat hij uit het land vertrekke, en hier geen ergernis mag geven.
5. Is iemand machteloos, dan moet hij openbaar zeggen dat niemand van hem te vreezen heeft, dan mag hij komen, waar hij wil.
6. Pleegt hij naderhand ontucht, dan mag hij vluchten; vlucht hij niet, dan wordt hij aan de wraak der bedrogene overgelaten en niemand mag hem helpen.
7. Bijaldien iemand eenig goed heeft, en een ander begeert dat dermate, dat hij zich daaraan vergrijpt, dan moet hij dat drievoudig vergelden. Steelt hij dan nog eens weer, dan moet hij naar de tinlanden; wil de bestolene hem vrij laten, dan mag hij dat doen, maar gebeurt het voor de derde reis, dan mag niemand hem de vrijheid schenken.
Noten
[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 05c Verminking en Moord