1877 Beweerd maar niet bewezen: Difference between revisions
mNo edit summary |
mNo edit summary |
||
| Line 203: | Line 203: | ||
Eene gewigtige ontdekking vermeent de Heer B.V. is, dat het jaartal en den naam van den [32] binder, in ’t werk van Volney (Hollandsche vertaling) niet zigtbaar zijn. | Eene gewigtige ontdekking vermeent de Heer B.V. is, dat het jaartal en den naam van den [32] binder, in ’t werk van Volney (Hollandsche vertaling) niet zigtbaar zijn. | ||
Wat daarmede bewezen moet worden is mij onbegrijpelijk. Het jaartal was en bleef toch uit alle andere bestaande exemplaren aan ieder bekend. Het boek is, blijkens den stempel van den Heer | Wat daarmede bewezen moet worden is mij onbegrijpelijk. Het jaartal was en bleef toch uit alle andere bestaande exemplaren aan ieder bekend. Het boek is, blijkens den stempel van den Heer Stadermann, diens eigendom geweest, doch draagt de onmiskenbare sporen dat het geruimen tijd zonder band moet geweest zijn en het eerste blad dientengevolge door schavieling<ref>[noot JO:] ''schavielen'' — term uit de scheepvaart: ‘het almaar langs elkaar wrijven van touw of zeil waardoor snel slijtplekken ontstaan’.</ref> heeft geleden, voornamelijk aan den onderkant, waar het jaartal, in romeinsche cijfers uitgedrukf, gedeeltelijk onleesbaar is geworden. Later is het boek van een min kostbare band voorzien geworden. Mijn vader heeft het of gekocht, of welligt voor een bewezen dienst cadeau gekregen. Vandaar het beplakken van den stempelafdruk. Welk belang kon er nu bestaan het jaartal moedwillig te verduisteren, terwijl de volgende bladzijde reeds in den derden regel vermeldt, dat het geschrift 10 jaar vóór 1792 voor de pers gereed was en in ’t laatstgenoemde jaar in uitgaaf kwam. Bovendien bestond in de bibliotheek van mijn vader hetzelfde werk in ’t Fransch, met een zeer duidelijk 1837 als jaartal van uitgaaf, in nette band, en daarop, aan ’t benedeneinde, mijns vaders naam, als eigendomsbewijs. Er kan alzoo niet met redelijken grond ondersteld worden dat het bedoelde jaartal moedwillig met een scherp werktuig zoude zijn weggenomen. Mogt tegen dit jaartal bezwaar bestaan hebben, dan ware het zeker [33] een meer afdoende maatregel geweest, het boek te vernietigen of weg te schenken. | ||
Op bl. 57 legt de Heer B.V. mij, op de onderstelling, dat mijn vader het HS zoude gemaakt hebben, het antwoord in den mond: | Op bl. 57 legt de Heer B.V. mij, op de onderstelling, dat mijn vader het HS zoude gemaakt hebben, het antwoord in den mond: | ||
| Line 234: | Line 234: | ||
En als de genoemde personen, wier herinnering zich slechts behoeft uit te strekken tot 5 jaar geleden, blijkbaar door hun geheugen zijn bedrogen, mag men dan niet veel afdingen op ’t verhaal van den Heer Jb Munnik, die, 30 jaar geleden, over eene, hem toen geheel onbekende zaak heeft hooren spreken, later eenige bijzonderheden omtrent het O.L.B. enz. opving, nu de herinneringen daaraan met de vroegere verbindt en dienovereenkomstig eene verklaring aflegt. Zulk eene verklaring kan immers onmogelijk geldig wezen. | En als de genoemde personen, wier herinnering zich slechts behoeft uit te strekken tot 5 jaar geleden, blijkbaar door hun geheugen zijn bedrogen, mag men dan niet veel afdingen op ’t verhaal van den Heer Jb Munnik, die, 30 jaar geleden, over eene, hem toen geheel onbekende zaak heeft hooren spreken, later eenige bijzonderheden omtrent het O.L.B. enz. opving, nu de herinneringen daaraan met de vroegere verbindt en dienovereenkomstig eene verklaring aflegt. Zulk eene verklaring kan immers onmogelijk geldig wezen. | ||
Betrekkelijk de vriendschap tusschen mijn vader en den Heer | Betrekkelijk de vriendschap tusschen mijn vader en den Heer Stadermann teeken ik aan, dat die zich bepaald heeft tot den omgang als welwillende buren, hoogstens één jaar lang, in 1847. Na dien tijd is mijn vader verhuisd en hield de omgang geheel op. De verstrekte inlichtingen aan den Heer B.V. zijn in deze zaak geheel onjuist. Maar waar moet men dan heen met de gevolgtrekkingen? | ||
Het kaartspelen met een ondergeschikte ''die daartoe gedwongen werd'', is niet minder onjuist. Mijn vader was veel te vrijheidlievend dan dat hij op zulk eene wijze misbruik zoude maken van zijn standpunt. De bedoelde persoon heette ook niet Gevers, maar Marchand. | Het kaartspelen met een ondergeschikte ''die daartoe gedwongen werd'', is niet minder onjuist. Mijn vader was veel te vrijheidlievend dan dat hij op zulk eene wijze misbruik zoude maken van zijn standpunt. De bedoelde persoon heette ook niet Gevers, maar Marchand. | ||
Latest revision as of 13:47, 3 October 2025
JJK 177 Linden, L.F. Over de - Beweerd maar niet bewezen. Bestrijding van de argumenten voorkomende in de brochure van den Heer J. Beckering Vinckers over het Oera Linda Boek. [get. Helder, Mei 1877] - Lwrd. uitg. Kuipers, (Mei) 1877, 48 blz.8°.
Beweerd maar niet bewezen
Bestrijding van de argumenten voorkomende in de brochure van den heer J. Beckering Vinckers over Het Oera Linda Boek,
door L.F. Over de Linden.
Te Leeuwarden, bij H. Kuipers. 1877.
[III] Aan het hoofd van hetgeen ik te zeggen heb tegen de brochure van den heer J. Beckering Vinckers over het Oera Linda Boek, zou met vrucht geplaatst kunnen worden de geschiedenis van Barbertje, uit Multatuli’s Max Havelaar.
De man, die daar beschuldigd wordt Barbertje te hebben vermoord, aan stukken te hebben gesneden en ingezouten en bovendien den eigenwaan bezit een braaf mensch te zijn, wordt zwaar gevonnisd, ofschoon hij de sterkste bewijzen voor zijn onschuld kan aanvoeren. Barbertje zelf verschijnt eindelijk voor den regter ter bevestiging dat zij leeft en niet is ingezouten, dat de man valschelijk is aangeklaagd en een braaf mensch is, die haar steeds weldeed. »Hoort gij regter, zij zegt dat ik een braaf man ben”, roept de man zigtbaar verheugd uit. De regter hoort ’t, doch oordeelt dat ’s mans eigen woorden, althans de beschuldiging van eigenwaan bevestigen en handhaaft op dien grond het eens uitgesproken vonnis. — Het gezag wordt misbruikt.
Ten opzigte van het O.L.B. handelt de heer Beckering Vinckers niet anders.
[IV] De acte van beschuldiging was sinds eenigen tijd gereed gemaakt en in hoofdzaak door tusschenkomst van den heer Berk mij bekend geworden. Op dezelfde wijze gaf ik de hoofdpunten ter verdediging; doch ze werden niet geteld.
B.V. plaatst zich zelf in deze zaak op den regterstoel, verwerpt nu hoofdargumenten als beuzelingen en behandelt ze in het vonnis niet anders; terloops worden ze vermeld, maar niet weerlegd. Er zijn beschuldigingen die niet voor regtstreeksche weerlegging vatbaar zijn. Door het vervallen van andere, verliezen deze echter geheel hunne waarde. Toch worden ze als deugdelijke argumenten behouden en daarop het vonnis uitgesproken.
Gelukkig is ’t gezag van den regter hier niet zoo groot als in ’t geval van Barbertje, waar de beschuldigde zich lijdelijk aan de uitspraak moet onderwerpen. Verzet is hier mogelijk, en van die gelegenheid zal door mij gepast gebruik worden gemaakt.
Uit den aard der zaak zal mijn geschrijf aan dorheid laboreren. Het weerleggen van argumenten, onderling zoo verschillende, laat niet wel toe geleidelijk overgangen te verkrijgen. Doch dat is ook geen hoofdzaak. De lezer gelieve te dien opzigte toegevend te zijn.
Wat ik mij voorstel is de overtuiging te vestigen, dat mijn vader het Handschrift van het O.L.B. niet gemaakt kan hebben, en de onechtheid van het geschrift niet is bewezen.
[V] Daartoe acht ik noodig eenige hoofdmomenten in de geschiedenis van het O.L.B., nadat mijn vader van 1848 tot 1867 te vergeefs trachtte het zelf, met behulp van eenige boeken, te vertalen, voor zooveel noodig in ’t geheugen der lezers terug te brengen, en daarna ’t onvoldoende en onjuiste in des heeren B.Vs. betoog aan te wijzen en zijne gevolgtrekkingen te niet te doen.
Enkele onjuistheden in medegedeelde bijzonderheden, die volstrekt niet thuis behooren in de kwestie van het H.S., en voor ’t publiek geheel van belang ontbloot zijn, ga ik stilzwijgend voorbij.
Ook de vraag, mij door anderen gedaan, of ik, na de opgedane ondervinding, niet moest bekennen, dat in mijn geval, der vriendschap geweld is aangedaan, wensch ik voorloopig niet te beantwoorden. Ik ga nu liever terstond tot de behandeling van het eigenlijke onderwerp over.
Helder, Mei 1877. — L.F. over de Linden.
[6] The pure Friesic and easy wording of the Oera Linda Book must be most welcome to students of English and Saxon, as a widening of the now too narrow ground of the early speech of our fore-fathers. — Wm. Barnes.
Macmillan’s Magazine, April 1877, p. 465.
[7] In ’t jaar 1867 kwam bij het publiek ter sprake het oudfriesche handschrift, dat later bekend werd onder den naam Thet Oera Linda Bok. Het was in ’t bezit van mijn vader Cornelis over de Linden.
Onder de geleerden, maakte Dr. Eelco Verwijs, als kenner van handschriften en van oud-friesch, er het eerst kennis mee. Hij beschouwde het als eene zeer belangrijke vondst en maakte het in dien zin bekend. Eenigen tijd daarna, kwam hij, in kwaliteit van Archivaris en als gemagtigde van H.H. Gedeputeerde Staten van Friesland, aan den Helder, om te trachten het handschrift van den eigenaar te koopen, doch was genoodzaakt bij officieel rapport van 17 December 1867 kennis te geven, dat het stuk voor geen prijs te koop was. Door den eigenaar werd echter het verzoek ingewilligd om, voor rekening van het Friesch Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde er een afschrift van te laten maken, mits de eigenaar daarvoor eene kostelooze vertaling van het stuk verkreeg. Drie jaar later berigte de Heer E.V., dat drukke bezigheden als gevolg van veranderde maatschappelijke betrekking hem een voortdurend beletsel opleverden, de beloofde vertaling gereed te maken, en dat hij om die reden de zorg daarvoor had overgedragen aan den Heer Johan Winkler, arts te Leeuwarden. Uit geen enkelen brief van den Heer Verwijs is [8] echter te lezen, dat zijne vroegere overtuiging omtrent de niet te wederleggen echtheid van het H.S. in eenig opzigt was verminderd.
De Heer Winkler heeft niets bewezen omtrent echtheid of onechtheid, maar heeft waarschijnlijk tegen het veel omvattende van de overgenomen taak opgezien, en er zich met een praatje afgemaakt.
Dr. Ottema, hiermede niet voldaan, erlangt nu de opdragt van het Friesch Genootschap, de zaak in nader onderzoek te nemen. Deze, onder de Friesche taalgeleerden ter goeder naam en faam bekend, geeft na eenigen tijd zijne bevinding in een later gedrukt verslag, en twijfelt volstrekt niet aan de echtheid. Integendeel, nadat verscheidene jaren sedert de verschijning van dit verslag en de uitgave van het Oera Linda Boek verloopen zijn, en hij meer dan iemand anders den inhoud van ’t boek heeft getoetst aan de Grieksche en Romeinsche literatuur enz., staat de echtheid bij hem nog als ontwijfelbaar zeker.
Een ander Friesch taalgeleerde, Mr. de Haan Hettema, die verschillende geschriften over de Friesche taal heeft bewerkt, waaronder eene Friesche spraakkunst en een woordenboek, zamengesteld uit de oud Friesche Wetten, geeft een zeer uitvoerig verslag over het handschrift in het bijvoegsel der Leeuwarder Courant van Dingsdag 5 September 1871, waarbij hij, de echtheid van het stuk niet willende beoordeelen, omtrent de taal er van het volgende zegt:
Het stuk is in de Friesche taal geschreven; eene [9]onderscheiding tusschen Oud-Friesch en Land- of Boere-Friesch ken ik niet. Ik ken alleen eene andere en nieuwere spelling van die taal, want de uitspraak van het Friesch is nagenoeg nog dezelfde als voor eenige eeuwen, hetgeen dan ook de wereldberoemde taalkenner de Deen Prof. R. Rask in zijne Friesche spraakleer heeft aangetoond, door ons de klanken van het Friesch, in de HSS voorkomende, te geven zooals die taalkundig behooren uitgesproken te worden, en die thans nog nagenoeg dezelfde zijn.
Wat nu de spelling, in dit stuk voorkomende, betreft, deze is, in mijn oog, veel meer overeenkomstig de oudere en zeer regelmatig, en veel beter en regelmatiger dan van hen, die thans die taal schrijven; zoodat het te wenschen ware, dat men in de hoofdzaak die spelling overnam, dan zoude er meer eenheid in de spelling komen en het oorspronkelijke van de taal, beter dan nu, bewaard blijven. Thans schrijft men het met Hollandsche klanken, en in den hedendaagschen Hollandschen schrijftrant. Doch dit is niet te verwonderen. Geen der latere schrijvers in die taal, Gijsbert Japiks en de gebroeders Halbertsma niet uitgezonderd, hebben zich volstrekt niet om de spelling van het in de HSS voorkomend Friesch bekommerd. Alleen T.R. Dijkstra en voornamelijk de te vroeg ontslapene H.S. Sytstra waren het, die het spoor der ouden zooveel mogelijk trachten te volgen, en de waarde van die spelling niet uit het oog verloren.
[10] Bovendien vinden wij reeds in onze photografiën eenige, thans niet algemeen meer bekende woorden, die in het overige van dit geschrift ook wel zullen voorkomen en daardoor onze Friesche Woordenschat zouden kunnen aanvullen.
Ik beschouw het dus in de eerste plaats van belang, om dit stuk in den Frieschen tekst door den druk bekend te maken; maar ook in de tweede plaats, — als men volgens het verslag den inhoud aanneemt, die zoowel uit een Godsdienstig als Geschiedkundig oogpunt niet van belang ontbloot schijnt te zijn, — dat er dan ook eene Hollandsche vertaling bijgevoegd worde, enz.
Wellicht zal men in dit werk ook op eene geheimzinnige wijze den naam van den schrijver kunnen vinden. Dat hij meer dan een dagelijksch mensch was, een geleerde en zeer goed met het Friesch bekend, zal wel niemand betwijfelen.
Het was dus te wenschen, dat voornamelijk de Leden van de verschillende Friesche Genootschappen, door inteekening eene zoodanige uitgave hielpen bevorderen, en buiten hunne gewone Contributiën daarvoor een penningske over hadden, opdat zij niet in naam, maar inderdaad toonen, dat Friesland hun na aan het harte ligt. Enz.”
Dr. Reitsma en Prof. Vitringa stellen in uitvoerig uitgewerkte stukken de belangrijkheid van taal en inhoud van het HS in het licht.
Waarlijk, zulke namen hebben goeden klank, waar het de wetenschap in ’t algemeen en de Friesche taal in ’t bijzonder betreft. Hunne getuigenissen [11] zijn maar zoo niet met een groot woord te niet te doen.
Niet bij ieder maakte het HS zoo goeden indruk-, doch de twijfelaars aan de echtheid ondervonden steeds krachtige wederlegging.
Eenige leden der afdeeling „Letterkunde” van de Koninklijke Academie van Wetenschappen te Amsterdam, meenden met een magtspreuk de zaak van de baan te kunnen schuiven, maar hun pogen werd, tengevolge van ingekomen bezwaren, door eene nadere, in eene volgende vergadering van deze afdeeling, genomen beslissing, verijdeld.
Daarna werden de blijken van belangstelling steeds menigvuldiger. Eene Engelsche vertaling van het O.L.B., en eene Duitsche vertaling van de, naar aanleiding van dat boek uitgegeven schetsen van Prof. Vitringa, zien het licht en brengen in het buitenland de pennen in beweging.
Inmiddels vertoonen zich voor het HS, wat zijne echtheid betreft, zwarte stippen aan den oostelijken horizont. Twee buijen tegelijk pakken zich zamen en dreigen bij hunne losbarsting het geschrift met totale vernietiging. De eene bui is vervuld met geschiedenis, ontlast zich met zeer weinig gedruisch, veroorzaakt geen schade en is daarna afgedreven. De andere, verzadigd met Babylonstaal, laat daarvan een gedeelte over het HS los, met zooveel gedruisch, dat het luchtruim, van Maastricht tot aan de uiterste grenzen van Friesland en Groningen, daarvan weergalmt, en de echo’s er van nog maanden daarna, zelfs in ’t buitenland, gehoord worden. [12] Of die bui schade veroorzaakt is nog niet bekend.
Deze buijen waren de voordragten door de Heeren Nanninga Uiterdijk en Beckering Vinckers in 1875 op het Nederlandsch taal- en letterkundig congres te Maastricht gehouden. De onechtheid van het O.L.B. als handschrift uit de 13de eeuw, zou door den een op grond van geschiedkundige feiten, door den ander op taalkundige gronden aangetoond worden.
Gaarne had ik die reeds lang te voren aangekondigde lezingen willen bijwonen, maar er waren verschillende oorzaken die dat beletten.
Ik hoopte er kennis mede te kunnen maken door de verslagen in de dagbladen, doch deze vermeldden daaromtrent niets bijzonders. Nu wendde ik mij tot genoemde Heeren, met beleefd verzoek, de stukken, die zij hadden opgesteld, ter lecture te mogen ontvangen, doch beider antwoord was, dat de stukken waren achtergelaten om in het verslag van het congres te worden afgedrukt. De Heer B.V. deelde mij in ’t kort den zakelijken inhoud van zijne voordragt mede, gaf daarbij te kennen dat hij als vervaardiger van het HS meende te kunnen noemen iemand, die omstreeks 200 jaar geleden geleefd had, en verzocht mij, hem in ’t opsporen van den maker behulpzaam te willen zijn, waartoe hij allereerst van mij noodig had een zoo volledig mogelijk register mijner familie.
Men moet bekennen dat dit verzoek aan mij als bewaarder van het HS, die aan de echtheid er van volstrekt niet twijfelde, wel wat vreemd moest klinken. [13] Ik vatte de zaak van den waarheidlievenden kant op. Een volledig familie-register bezat ik niet, en ik begon dus onderzoek in te stellen, met het voornemen, wanneer de opgaven volledig genoeg waren, den Heer B.V. daarmede in kennis te stellen. Ik koesterde de hoop spoedig ingelicht te zullen zijn en stelde tot zoolang mijn antwoord uit.
Gedurende dat onderzoek, dat uit den aard der zaak niet in een paar dagen afgeloopen kon zijn, kom ik met den Heer Berk in kennis. Deze leest het O.L.B., is daarover in opgetogenheid en ontdekt daarin o.a. veel merkwaardigs op ’t gebied van godsdienst en mythologie, takken van wetenschap die hij sedert de laatste vijf jaren met de meeste ambitie en uitgebreid heeft beoefend. Hij was dientengevolge in staat den inhoud van ’t O.L.B. aan die takken der wetenschap te toetsen en hield zich daarmede geruimen tijd bezig. De uitkomsten waren verrassend, want tal van werken over Grieksche, Romeinsche, Noordsche, Indische en Amerikaansche mythologie bevestigen, of maken voor ’t minst waarschijnlijk, de desbetreffende berigten van het O.L.B. Hij betwijfelt de juistheid der bewijzen van de H.H. Nanninga Uiterdijk en Beckering Vinckers nopens de onechtheid, en meent dat die H.H. door beter voorlichting tot andere inzigten gebragt zullen worden. ’t Gevolg hiervan is dat hij mij voorslaat, door zijne tusschenkomst, den Heer B.V. de verlangde inlichtingen te verschaffen, waartegen ik, innig van de echtheid overtuigd, geen bezwaar maak, omdat alle vertrouwbare [14] inlichtingen m.i. de twijfelaars moeten overtuigen dat zij ongelijk hebben.
Zooals bekend is, greep de Heer B.V. deze gelegenheid gretig aan, en daarmede verviel als van zelf voor mij de noodzakelijkheid diens schrijven te beantwoorden. Ik speelde met open kaart en liet den Heer B. kennis nemen van alles wat ook maar in de verste verte met het HS in verband kon staan. Alle geschriften mijns vaders, zelfs die bestemd waren, om alleen door de kinderen of kleinkinderen gelezen te worden, mogt hij nasporen. Niets werd teruggehouden, zelfs niet het wapen, dat den Heer B.V. zooveel leedvermaak verschaft, en volgens zijn beweren, aan ieder vertoond werd, die het HS kwam zien. Dit laatste ontken ik ten stelligste, en beweer, dat geen van hen, die het HS bij mijn vader bezigtigden, het wapen te zien heeft gekregen.
Dat de Heer B.V. hierin ongelijk heeft, zal aan de kracht van zijn betoog niet veel afbreuk doen; doch ik zal hierna aantoonen, dat zijn geschrift tal van dergelijke onjuistheden bevat. En ’t is toch zeker, dat de som dezer onjuistheden het resultaat opleverde, waarmede hij ieder heeft verrast.
Wat ik voornamelijk op ’t oog had om den Heer B. zoo haarfijn in te lichten, was, hem de overtuiging te schenken, dat mijn vader onmogelijk den tijd, noch de gelegenheid, noch die zeer uitgebreide kennis beschikbaar heeft gehad, om een zooveel tijd- en studie-eischend werk als ’t verdichten en schrijven van een O.L.B., te kunnen uitvoeren.
[15] Want neemt men aan, dat het HS is, zooals daarin staat, eene verzameling van aanteekeningen omtrent gebeurtenissen en overleveringen, door menschen uit de opgegeven tijdvakken bijeengebragt, dan ligt aan ’t werk nagenoeg geen studie tot grondslag; die een weinig lezen en schrijven had geleerd, was daartoe in staat. Doch beschouwt men het geheel als verdichting uit den laatsten tijd, dan wordt er ontzaggelijk veel vereischt tot de zamenstelling; dan was noodig: de uitvinding van een Friesch dialect, afwijkende van de overige dialecten, dat gesproken moet zijn in eene streek, die nu onder een gedeelte der Zuiderzee is bedolven. Voorzeker geen werkje van een avond of wat. Daarna het uitdenken van een alphabet, met een grooter aantal letterteekens dan ons gebruikelijk alphabet, en veel beter dan dit laatste geschikt voor de klanken van de Friesche taal. Dan de geschiedenis verwerken en aanvullen, godsdienst, mythologie en zedekunde in een eigenaardig passend gewaad steken. Wetten daarop gebaseerd ontwerpen. Een groot aantal vraagstukken, op verschillend wetenschappelijk gebied, behandelen en tot oplossing brengen, enz. enz. Al dat geschrevene in het uitgevonden dialect en in de daarvoor vastgestelde letterteekens overbrengen, en eindelijk aan dat Handschrift moedwillig alle kenteekenen geven, die aan een HS uit zoolang verloopen tijd gevonden moeten worden.
Niemand zal ’t tegenspreken, dat zoo iets veronderstelt: iemand, die vereenzelvigd is met de [16] wetenschap; die daarin zoo thuis is, dat hij zonder iets te schaden er naar willekeur in rondspringt; die over een schat van tijd, en, als hij in ’t geheim wil werken, over eene afzonderlijke, voor niemand anders toegankelijke, werkplaats kan beschikken.
Als ik den Heer Berk opsomde, wat mijn vader al had moeten doen, om de hoogste plaats, welke hij aan ’s Rijks werf bereiken kon, te verkrijgen, hoeveel tijd hij bovendien heeft moeten besteden, om zich ook al datgene eigen te maken, wat niet regtstreeks, of in ’t geheel niet met zijn vak in verband stond, en hoe hij nergens een verblijf heeft gehad, dat niet dagelijks ook door andere menschen werd bezocht — het door den Heer B.V. bedoelde kamertje bij den molen van den houthandelaar L. den Berger, was het kantoor van dezen laatste — dan stemde Berk mij gereedelijk toe, dat mijn vader voor eene bezigheid als de vorenbedoelde, onmogelijk tijd en plaats heeft kunnen vinden. En die overtuiging is hij nog toegedaan, hoezeer de Heer B.V. dat niet doet uitkomen; dezer dagen heeft de Heer Berk dit nog aan Ds. Dijsserinck te kennen gegeven. Ons beider doel was de zaak tot klaarheid te brengen.
Heeft men de laatste brochure van den Heer B.V. over het O.L.B. gelezen, dan heeft men zeker gelagchen over mijne onnoozelheid, en zich geërgerd over het leelijke gedrag van den Heer Berk, die, zooals hij daarin wordt voorgesteld, misbruik [17] maakt van de mijnerzijds ondervonden grootst mogelijke welwillendheid.
Zoo is ’t echter niet. Ons standpunt in deze zaak was zooals hiervoren door mij werd opgegeven. Is dit den Heer B.V. bekend geweest, dan is ’t zeker in hem te misprijzen, dat hij zijn oud-leerling en getrouwen medehelper zoo'n onverdragelijk figuur laat maken. Doch ik wil het er voor houden, dat dit onwillekeurig is geschied. ’t Zal het gevolg zijn van de groote haast, waarmede de brochure — al was ze wat lang onderweg, — in elkaar is gezet. Want dat er haastig is gewerkt, is op verschillende bladzijden merkbaar, niet alleen aan de fouten, maar ook omdat met de grootste onbedachtzaamheid, ik zou haast zeggen onbescheidenheid, daarin berigten, brieven en schrifturen zijn afgedrukt, die een confidentieel karakter hadden, en alleen door mij waren medegedeeld of ter inzage gegeven, om genoemden Heer persoonlijk overtuiging te schenken van eene of andere, daarmede in betrekking staande, door mij voorgedragen meening.
Of zijn die laatst bedoelde mededeelingen welligt noodig geweest om eenige afwisseling te brengen in de zoogenaamde bewijzen, die zich overigens slechts bepalen tot mededeelingen van personen, die hun geheugen geweld moesten aandoen om de verlangde gegevens te kunnen verschaffen? Een dezer personen, de Heer Dekker, herinnert zich nog een gesprek, dat hij in 1872 met mijn vader over het HS heeft gevoerd. Dat afgedrukte gesprek vult omstreeks een geheele [18] kolom van een groote Courant en heet woordelijk weergegeven. Daarin wordt gezegd, dat mijn vader bij herhaling het HS een prul noemde. Dit moet voorgevallen zijn in een tijd toen mijn vader reeds ten volle besefte wat het HS had te beteekenen, toen er al heel wat pennen om in beweging waren geweest. Zoo sprak mijn vader ook nimmer over het HS; dat kan ieder ander getuigen, die het bij hem heeft gezien, of er met hem over sprak.
Maar als het geheugen of de phantasie den menschen zulke parten speelt, wat beteekenen dan zulke getuigenissen?
En zie de brochure van den Heer B.V. maar door, of niet bijna alle mededeelingen, die te zamen grootendeels diens bewijs in deze kwestie uitmaken, zich bepalen tot voorvallen of gezegden uit lang verloopen tijden, opgediept uit het geheugen van personen, die van de zaak waarover gehandeld werd, ter naauwernood begrip hadden.
Niemand zal het mij euvel duiden, als ik aan zulke mededeelingen al heel weinig kracht van bewijs toeken.
In ’t vervolg van dit geschrijf zal worden aangetoond, dat dit berigt niet waar kan zijn en de phantasie van den berigtgever een werkzaam aandeel heeft gehad bij het stellen van het berigt.
Ga ik na wat er voorafging aan het schrijven van de brochuren van den Heer B.V. over het O.L.B., dan rijst bij mij de vraag, of er bij den Heer B.V. ook behoefte bestond, mijn vader [19] als vervaardiger van het HS aan te wijzen. ’t Zou kunnen zijn. Wat toch is er geworden van de voordragten door de H.H. Nanninga Uiterdijk en Beckering Vinckers op het Congres te Maastricht gehouden? Het officieel verslag van ’t Congres is voor eenige maanden — nadat reeds eene andere jaarlijksche bijeenkomst te Brussel was gehouden — in ’t licht verschenen. Daarin zoekt men echter vruchteloos naar de door genoemde Heeren gehouden voordragten. Van beiden wordt vermeld, dat zij hunne lezingen hebben geleverd, maar dat zij hunne stukken hebben teruggevraagd. Hoogst waarschijnlijk geschiedde dit op grond, dat zij hun ingenomen standpunt niet konden handhaven. Want de bijzonderheid deed zich voor, dat zij wel beide uit dezelfde gemeente kwamen, maar niet denzelfden geleerde, als maker van het stuk, op ’t oog hadden. De een meende hem gevonden te hebben p.m. 250, de ander p.m. 200 jaar vóór den tegenwoordigen tijd. Nadere onderzoekingen hebben zeker de onhoudbaarheid van hun standpunt bewezen, zoodat de een terug kruipt in zijn schelp en de andere de proef neemt of het pak niet op andere schouders is te leggen. Steeds afdalende en altoos dezelfde uitkomst verkrijgende, nadert hij eindelijk den bezitter van het HS, beziet dezen eens van hoofd tot teenen, vindt in hem een flink ontwikkeld man, geschikt om met eenige hulpmiddelen den last, die zwaar begint te worden, te torschen. Op hem wordt onmiddelijk de hand gelegd. Voorloopig wordt hij verstomd en verdoofd, door het toedienen van eene dosis vergelijkende [20] taalstudie, die de vrucht is van een taalbeoefening waarvan Prof. Cobet zegt: „Thans is er eene nieuwe afleidkunde in zwang, maar ronduit gezegd, de tegenwoordige kunde baart volstrekt niets geloofwaardigers, dan de vroegere onkunde.”
Door dit verdoovend middel onderworpen geworden aan den wil van hem, die het toediende, wordt hij verder dienstbaar gemaakt aan de volvoering van diens inzigten.
Eerst moet de taal tot wartaal uitgekreten worden; dàn kan die zijn, de schepping van iemand die geen taalgeleerde is. Die wartaal rijmt nu wel niet erg met het beweren van den Heer B.V., dat hij eerst den geleerden Fries Gabbema als vervaardiger op ’t oog heeft gehad; want als de taal van het HS als het voortbrengsel van een geleerden Fries kan doorgaan, dan is de war toch zeker zoo heel sterk niet.
Als men echter eerst gelooft (d.i. veelal = weet) dat de taal wartaal is, dan volgt het overige veel gemakkelijker. De overtuiging is dan reeds gevestigd, dat de vervaardiger niet onder de gestudeerden gezocht behoeft te worden en de afdaling kan zoover gaan als blijken mogt noodig te zijn.
Waarin die wartaal bestaat, heeft de Heer B.V. op bl. 32 van zijne 2e brochure over het O.L.B. aldus omschreven:
De heer C.o.d.L. maakt (in zijne opdragt aan zijn kleinzoon) juist dezelfde soort van fouten, diein de taal van het O.L.B. worden waargenomen, en die voor mij het onfeilbare [21] middel zijn geweest, om de onechtheid van dat geschrift onweerlegbaar aan te toonen. Gelijk het O.L.B. wemelt van fouten tegen declinaties, conjugaties, geslacht en getal, zoo ook het door den Heer Berk letterlijk overgeschreven opstel.
Zou dat nu werkelijk zoo zijn, dat geen geschrift met fouten tegen de taalregels, meer echt is? Dus alle documenten van vroegeren of lateren tijd, waarin is gezondigd tegen de taalwetten, omtrent geslacht, getal, declinatie en conjugatie worden eenvoudig als onecht afgewezen? Wat zal er dan bitter weinig in de archieven meer waarde hebben. In velen zal geen document meer overblijven, als, volgens de opgegeven stelling, onechte wordt uitgezocht en uitgeworpen. Wat zal er op die manier worden van zoovele stukken, van mannen uit den tegenwoordigen tijd, die zich in de wetenschap naam hebben weten te verwerven, maar, — wat nog al bij velen, die overigens eene flinke wetenschappelijke opvoeding hebben genoten, het geval is, — aan de studie der moedertaal niet het grootste gewigt hechten en daardoor die taal soms ellendig havenen. Of mogen de latere geschriften wel en die van 1256 geen taalfouten bevatten? ’t Kon zijn, omdat er toen minder scholen en minder leerboeken en minder meesters waren dan tegenwoordig; ieder was toen voor een groot deel zijn eigen leermeester, en ieder meester hield er zijn eigene spelling en taalregels op na, waardoor de variëteiten in de schrijfwijze van Fransch, Duitsch, Friesch of welke taal ook, bijna zoo [22] groot in aantal waren als de schrijvers. Zoo zal ’t zeker ook geweest zijn met de schrijvers van ’t O.L.B. ieder in zijn eigen taal en stijl, zoo goed als zij ’t konden, en op een wijze om begrepen te kunnen worden — niet in wartaal — hebben zij opgeteekend alles wat zij aan de vergetelheid wenschten te ontrukken. Men schreef geen stuk om te dienen als proeve van taal en stijl. Wat zij schreven is wellicht met tallooze zonden tegen geslacht, naamval, gebruik van vocalen, wijze van vervoegen, en wat voor taalzonden men meer begaan kon, maar toch zoodanig, dat zij begrepen kunnen worden, hoezeer niet in de taal, die volgens den heer B.V. alleen den naam verdient van regtschapen Friesch.
Maar is dat noodig? Hoeveel geschreven stukken uit den tegenwoordigen tijd getuigen niet voor het gezond verstand en de flinke geestesontwikkeling van de schrijvers en, die toch een alles behalve regtschapen Nederduitsch opleveren.
Zijn die stukken nu onecht, d.w.z. zijn ze niet uit den opgegeven tijd? Bestaan ze uit wartaal?
Neen, zeg ik op dit laatste, tenzij aan dat woord eene andere beteekenis wordt gehecht, dan in ’t algemeen wordt gedaan. ’t Hangt maar af van de definitie. Is ’t geschreven zoodanig, dat met den besten wil ter wereld, de gedachte van den schrijver er niet uit op te maken is, dán mag er m.i. slechts van wartaal gesproken worden?
Doch dat zal men van het HS zeker niet kunnen getuigen. Hoe ware ’t ook anders te vertalen geweest? Hoe kon de taal er van, door gezaghebbende [23] personen, dan zoo worden geprezen? Hoe kan het beschouwd worden als de pennevrucht van een geleerden Fries?
Wat nu de bewijzen betreffen door den heer B.V. aangevoerd, om aan te toonen, dat C.o.d.L. geacht kan worden, de zamensteller van het HS te zijn, daarop valt niet weinig af te dingen. Ik wil daartoe het een en ander aanstippen.
Andries o.d. Linden, bewaarder van het geschrift, heeft 2 dochters en een zoon, Jan. De laatste zou in gewone omstandigheden zijn vader hebben moeten opvolgen als bewaarder van het gewigtig document. Er schijnt echter aanleiding te hebben bestaan tot de onderstelling, dat hij het niet op den noodigen prijs zoude stellen, zoodat besloten werd den kleinzoon, Cornelis over de Linden, op rijperen leeftijd het stuk ter bewaring toe te vertrouwen. Wat is nu natuurlijker, dan dat Jan wel van de traditie omtrent den hoogen ouderdom van zijn geslacht verneemt, maar met het bestaan van het HS onbekend wordt gelaten, terwijl alleen die zuster in het geheim deelt, die voorloopig als bewaarster zal optreden, Jan kan nu wel stoffen op zijn oudfriesche afkomst, maar kan evenmin als zijne zuster Antje — de nu 80-jarige weduwe — over de aanwezigheid van het HS spreken.
Omtrent het verhaal, bij den heer W. over de Linden te Enkhuizen in herinnering, dat slechts in één enkel, doch voornaam punt, verschilt met hetgeen mijn vader ons en anderen daarvan mededeelde, moet ik aannemen, dat het geheugen op dat ééne [24] punt, in een tijdsverloop van 5 jaar, niet getrouw is geweest, of dat de hoorder den spreker niet de noodige aandacht heeft geschonken en alzoo verkeerd begreep.
Nog minder vertrouwen verdient het verhaal van den Heer J. Munnik, die 30 jaar geleden over eene hem toen onbekende zaak heeft hooren spreken en nu vermeent dat het gesprokene betrekking kan hebben gehad op het HS. De onderstelling dat het een boek, of een ander geschrift dan het HS gold, namelijk het MS van Worp van Thabor, is even aannemelijk.
Dat de werken, in ’t bezit van mijn vader, de noodige stof konden opleveren voor de zamenstelling van ’t O.L.B., wordt zeer sterk in twijfel getrokken. Vooral wat het historische gedeelte betreft, wordt dit ten stelligste door Dr. Ottema betwist, en deze meening wordt, volgens diens mededeeling, door vele leden van het Friesche genootschap gedeeld. Dr. O. beweert dat een verdichter, voornemens om orde en licht te brengen in de duistere Friso-sagen bij Occo Scarlensis, Winsemius, Suffr. Petrus, Furmerius, Hamconius, enz., noodzakelijk die boeken als kern van zijne bibliotheek had moeten bezitten, en de grieksche en latijnsche geschiedkundige werken voor hem toegankelijk moesten zijn. De kennis van die talen was daarbij een noodzakelijk vereischte.
Al die kennis, en het vele dat er nog bovendien noodig is, veronderstelt de Heer B.V. in ’t bezit geweest te zijn van mijn vader!
[25] Tot dit punt genaderd zoude ik geneigd zijn mijn tegengeschrift te verscheuren; want ’t is zeker een harde taak voor den zoon, om den naam zijns vaders, door anderen aan de eerzuil der wetenschap gehecht, te doen wegnemen, en het op die zuil geplaatste imposante beeld, te moeten beschadigen.
Die plaats mag echter niet onverdiend ingenomen blijven, en wij hebben dus vooraf de vraag te stellen en te beantwoorden, of de bewijzen door den Hr. B.V. aangevoerd, voldoende blijken te zijn.
Wat voert hij aan? Niet anders dan hetgeen de heer Berk hem heeft medegedeeld omtrent de door mijn vader nagelaten geschriften, welker inhoud denzelfden geest ademt als die van het O.L.B., en even als dit van taalfouten wemelt.
Wat die geschriften betreft: ze zijn in schoolschriften, in ’t hollandsch met hollandsche letters geschreven. Niet op vreemd papier, noch in de friesche taal, noch met de karakters van ’t HS.
Wat de fouten aangaat breng ik in herinnering, dat stukken, die door niet in oude taalkunde thuis zijnde personen worden geschreven, alle dezelfde soort fouten vertoonen, geslacht en getal, verbuiging en vervoeging, ondervinden immer dezelfde afwijkingen. Ik acht dat argument van den heer B.V. daarom even krachteloos als hetgeen de Heer G. Jansen, volgens B.V., aanvoert voor zijne bewering, dat hij mijn vader in staat achtte een HS als t O.L.B. zamen te stellen en te schrijven, n.l. omdat daarin zijne ideën, zijne lievelings denkbeelden omtrent God en maatschappij voorkomen.
[26] Dat is niets dan eene persoonlijke opvatting van den Heer Jansen, maar levert volstrekt geen bewijs.[1]
Bovendien, het door laatstgenoemde en ook door den Heer Berk en anderen erkende verschil in stijl, tusschen het O.L.B. en de geschriften mijns vaders, wordt op eene al te gemakkelijke wijze weggecijferd.
En ’t mag niet vergeten worden, dat bevoegde beoordeelaars, tusschen de verschillende gedeelten van het O.L.B. zelf, verschil in stijl hebben opgemerkt.
Op ’t artikel geduld kon ik niet afdingen. Daartoe bezat mijn vader overvloed van wilskracht, zonder welke hij zich zeker niet, met geringe hulp, zoover in zijn vak en in bijzaken had kunnen opwerken. Pianospelen leerde hij echter niet uit zich zelf; daarin kreeg hij aanvankelijk onderwijs.
Dat mijn vader het HS zamenstelde, meent de Hr. B.V. krachtig bewezen door het getuigenis van mijns vaders tweede vrouw en uit dat van den corrector G. Jansen, zoomede uit den tijd tusschen het verschijnen van de vertaling van ’t O.L.B. en mijns vaders dood verloopen.
Alvorens daarop mijne verklaringen mede te deelen, wensch ik als leugen te brandmerken het verhaal, dat ik mijne stiefmoeder van Leeuwarden naar den Helder te logeren heb gevraagd, met het doel haar in zake het O.L.B. te kunnen ondervragen. [27] Van haar zelf was reeds eenige maanden te voren de kennisgeving door mij ontvangen, dat zij voornemens was te komen logeren; en een dag of tien voor hare komst, heeft zij de bepaalde reisgelegenheid opgegeven. Toen omtrent dit laatste, in bijzijn van den Heer Berk, werd gesproken, werd door een van allen opgemerkt, dat daardoor de mogelijkheid zou ontstaan, misschien meer bijzonderheden te weten te komen. De toegeschreven toeleg bestond volstrekt niet.
Laat ons echter voor een oogenblik aannemen, dat hetgeen de Hr. B.V. daaromtrent meedeelt; waarheid behelst, dan wensch ik aan anderen over te laten zoodanige mededeeling te qualificeren.
Het getuigenis van mijne stiefmoeder, dat de aanwezige geschriften van mijn vader reeds bestonden vóór het verschijnen van de gedrukte vertaling van het HS, wordt niet door mij weersproken. Doch de schriftelijke vertaling van het O.L.B. door Dr. Ottema, en eene gedeeltelijke vertaling voor de vuist door Dr. E. Verwijs in 1867, waren ver vóór de uitgave van het boek mijn vader bekend geworden. Daarmede is zeer gereedelijk opgelost de mogelijkheid, dat zaken uit het O.L.B. gevonden worden in mijns vaders geschriften. De inhoud van het O.L.B. boezemde hem genoeg belangstelling in om eenige denkbeelden daaruit in zijne geschriften te verwerken.
Dat mijn vader de bekwaamheid bezat om de letters van ’t O.L.B. te teekenen, wordt door den Heer Dr. Ottema stellig tegengesproken, die [28] daarvoor de noodige bewijzen wel zal kunnen bijbrengen. Als begin van bewijs verwijst hij naar de drie photografische afdrukken van even zooveel bladzijden van het HS. Twee daarvan zijn vervaardigd naar facsimiles, door mijn vader naar het HS geteekend. Een is genomen van eene bladzijde uit het boek zelf. En geen geoefend oog is er noodig om het groote verschil in de letters op te merken en tot de overtuiging te komen dat die niet van dezelfde hand kunnen zijn.
Dr. Ottema verklaart in de Friesche Courant van 19 Maart:
Het Oera Linda Boek is niet geschreven door Cornelis over de Linden. Het handschrift is niet van zijne hand.
In zijne briefwisseling met mij, was dikwijls sprake van oud-friesche woorden, die hij dan in oud-friesche letters uitdrukte.
Deze letters waren zeer gebrekkig gevormd, en verschilden hemelsbreed van het zuivere, vaste, en gelijkmatige schrift van het oude Handschrift.
Elk die deze brieven inziet, ontwaart, bij den eersten oogopslag, dat de schrijver daarvan niet de vervaardiger van het Handschrift wezen kan.
Toen hij eenige bladzijden poogde te kopiëeren, die daarna in handen van den Heer Dr. Verwijs zijn gekomen, was hij niet in staat dit anders te doen, dan door een blad doorschijnend (mail) papier op het origineel te leggen en de letters een voor een na te trekken. — Met dien moeijelijken en [29] tijdroovenden arbeid vond de Heer Dr. Verwijs hem ook nog bezig.
De zoo verkregene facsimilés zijn echter ook nog zoo verschillend van het Handschift, dat klaarblijkelijk de vervaardiger van deze nabootsing niet tevens de vervaardiger van het origineel heeft kunnen wezen.
Met een woord, de Heer Cornelis over de Linden is niet in staat geweest dat Handschrift te schrijven.
Wat meer is, hij heeft het Handschrift niet kunnen lezen. Van de 34 karakters die daarin voorkomen, kon hij 20 herkennen wegens hunne overeenkomst met den vorm van onze gedrukte kapitaal-letters. Daardoor had hij op de tweede bladzijde van het HS gemakkelijk kunnen onderscheiden de woorden: SKRÉVEN — ACHTHONDRED — LIKO — OVIRA LINDA; en daaruit besluiten dat zijn familienaam reeds in het jaar 800 moest bestaan hebben.
Doch de 14 overige karakters waren hem onbekend. En deze zijn het, die ik hem heb leeren kennen en onderscheiden.
De Heer B.V. acht het eene zeer opmerkenswaardige bijzonderheid, dat mijn vader, evenals mijn grootvader, vol was van de overtuiging, dat hij van een overoud Friesch geslacht afstamde.
Maar als zulk eene traditie in de familie bestaat, zooals werkelijk in 1831 aan boord van de „Nehalennia” is gebleken, dan is in die omstandigheid volstrekt niets ongewoons op te merken, en wordt daardoor tevens op heel eenvoudige wijze verklaard waarom mijn overledene broeder daarvan wist op [30] te disschen vóór dat mijn vader met den inhoud van het HS bekend kon zijn.
Om de laatste omstandigheid meent de Heer B.V. mijn vader te mogen verdenken, dat deze het Friesch van het HS reeds zeer goed verstond, toen mijn broeder pas bij het onderwijs was geplaatst, en brengt dit in verband met het in ’t verborgen werken door mijn vader. Welke werkzaamheden daarmede bedoeld worden is mij niet regt helder. Mijns vaders schriftelijk werk werd in de huiskamer, aan de huistafel, omringd door een talrijk gezin, geschreven.
Nu is het waar, dat dit werk mij niet ter lectuur werd gegeven en dat ik geen vrijheid meende te hebben daarin eigendunkelijk te gaan lezen, te minder omdat ik toen reeds 10 jaar gehuwd was en mij alzoo aan onbescheidenheid zou hebben schuldig gemaakt. Voor mijne beide zwagers waren deze geschriften geene geheime zaken. Wanneer zij met mijne zusters, van Amsterdam bij mijn vader logeerden, werd hun de lectuur er van als ’t ware opgedrongen. En van den een kwam ik onlangs te weten, dat mijn vader zich ontevreden heeft betoond omdat, naar zijne meening, door mij geen belang werd gesteld in hetgeen hij schreef; waaruit blijkt, dat wij elkander te dier zake niet hebben begrepen, want wat mijn vader te weinig belangstelling achtte, was het gevolg van mijne vrees om onbescheiden te wezen.
Het aanwezige familiewapen geeft vrij wat aanstoot. Of mijn vader het gemaakt heeft durf ik [31] evenmin betwisten als bevestigen. Vóór zijn overlijden heb ik het niet gezien, wel de schetsteekening van een wapen dat hij, volgens zijne verklaring, gezien had bij een van de neven te Enkhuizen, die daarvoor eene belangrijke som eischte. Als het waar is, dat het aanwezige wapen, waaraan geen symmetrie ontbreekt, door mijn vader uit oude muntstukken werd vervaardigd, dan is ’t zeker dat er bij hem groote aanleg bestond voor het gouden zilversmidswerk. Welke reden hij heeft gehad het ons niet ter bezigtiging te geven, verklaar ik niet te kunnen ophelderen.
’t Is echter onwaar, wat de Heer B.V. beweert, dat hij het anderen liet zien, als het HS in beschouwing was; daarbij was ik meestentijds tegenwoordig. Die het anders weet, gelieve mij tegen te spreken.
C. over de Linden gaf aanvankelijk zijn letterkundigen arbeid bij den heer G. Jansen voor het werk van anderen uit, verwijt de heer B.V. Maar is dat nu zoo vreemd? Hij heeft iets opgesteld, zoekt en vindt een corrector, die hem vreemd is en over het geleverde werk kan oordeelen. Diens oordeel over den inhoud wenscht hij te kennen, onbewimpeld. Daarom moet hij niet terstond vertellen dat het eigen werk is; de beleefdheid zou anders een beletsel kunnen worden, de waarheid te vernemen. Nadat een en ander heeft plaats gehad is geheimhouding verder overbodig, en wordt die dan ook verbroken.
Eene gewigtige ontdekking vermeent de Heer B.V. is, dat het jaartal en den naam van den [32] binder, in ’t werk van Volney (Hollandsche vertaling) niet zigtbaar zijn.
Wat daarmede bewezen moet worden is mij onbegrijpelijk. Het jaartal was en bleef toch uit alle andere bestaande exemplaren aan ieder bekend. Het boek is, blijkens den stempel van den Heer Stadermann, diens eigendom geweest, doch draagt de onmiskenbare sporen dat het geruimen tijd zonder band moet geweest zijn en het eerste blad dientengevolge door schavieling[2] heeft geleden, voornamelijk aan den onderkant, waar het jaartal, in romeinsche cijfers uitgedrukf, gedeeltelijk onleesbaar is geworden. Later is het boek van een min kostbare band voorzien geworden. Mijn vader heeft het of gekocht, of welligt voor een bewezen dienst cadeau gekregen. Vandaar het beplakken van den stempelafdruk. Welk belang kon er nu bestaan het jaartal moedwillig te verduisteren, terwijl de volgende bladzijde reeds in den derden regel vermeldt, dat het geschrift 10 jaar vóór 1792 voor de pers gereed was en in ’t laatstgenoemde jaar in uitgaaf kwam. Bovendien bestond in de bibliotheek van mijn vader hetzelfde werk in ’t Fransch, met een zeer duidelijk 1837 als jaartal van uitgaaf, in nette band, en daarop, aan ’t benedeneinde, mijns vaders naam, als eigendomsbewijs. Er kan alzoo niet met redelijken grond ondersteld worden dat het bedoelde jaartal moedwillig met een scherp werktuig zoude zijn weggenomen. Mogt tegen dit jaartal bezwaar bestaan hebben, dan ware het zeker [33] een meer afdoende maatregel geweest, het boek te vernietigen of weg te schenken.
Op bl. 57 legt de Heer B.V. mij, op de onderstelling, dat mijn vader het HS zoude gemaakt hebben, het antwoord in den mond:
Mijn vader heeft het niet gedaan; zoo onopregt was hij niet. En bovendien, van waar had hij ’t papier, de tijd en de gelegenheid. Mijn vader had het veel te druk op de werf, en met de studie van Fransch, Engelsch en Duitsch. Ook kende hij in 1848 nog zooveel oud-friesch niet.
En op diezelfde bladzijde, eenige regels verder, even als op andere plaatsen in de brochure, doet men het voorkomen alsof door mij verzekerd zoude zijn, „dat mijn vader geen vreemde talen, zelfs geen Friesch verstond,” en dat noch ik, noch mijn broeder, in 1876 iets anders wisten!
’t Een spreekt hier het ander tegen.
Maar ’t laatste is zeker geheel onjuist. Dat kan niet beweerd zijn, omdat mijn vader zelf zijn’ zoons ’t aanvankelijk onderrigt in de Fransche taal gaf; omdat die zoons wisten dat hun vader les had gehad in de Engelsche taal van een secondant, Dietz genaamd; omdat mijn vader tot studie en tot lectuur ingeteekend had op het werk in de Fransche, Engelsche en Duitsche talen „Polyglotte” en hij, daarin lezende, dikwerf door de zoons werd aangetroffen; en eindelijk, omdat in ’t bijzijn van de zoons, door hun vader hulp werd verleend aan zijn kleinzoon, bij de studie in de Engelsche en Duitsche talen. Ook de studie in de oud-friesche taal [34] was hun niet onbekend, doch zij waren niet op de hoogte van de daarin gemaakte vorderingen, wat betreft de taal van ’t O.L.B.
Nog zou ik kunnen aanteekenen dat mijn vader niet, zooals op bl. 10 wordt gezegd, „stug en achterhoudend was, vooral met betrekking tot het HS,” want, hij was integendeel bekend als iemand, die gaarne van gedachten wisselde en eene goede tegenpartij waard, doch afkeer hebbende van zoogenaamde koffijpraatjes, het gesprek spoedig afbrak met personen, die geene andere onderwerpen kenden.
Op dezelfde bladzijde is aangeteekend, dat de geld-illusien van mijn vader, die aanvankelijk eene aanwijzing van een schat in het HS vermoedde, telkens minder werden, wanneer nieuwe gedeelten der vertelling van dr. Ottema werden gezonden.
Maar daarmede is immers strijdig het denkbeeld dat mijn vader de maker van het HS of zelfs met den inhoud bekend zoude geweest zijn.
Op bl. 12 wordt verklaard, dat er door mij geene pogingen zijn gedaan om de geslachtslijst van mijne familie te Enkhuizen te doen nazien. Ook dat is onjuist. Die pogingen zijn terstond in ’t werk gesteld, doch men is ten deze afhankelijk van de voortvarendheid van anderen. In Maart 1877 kreeg ik die opgaaf, en hare volledigheid wettigt den daaraan besteden tijd.
De zeer belangrijke bijzonderheid, omtrent die oorsprong der bij ons in gebruik zijnde cijfers, — Arabische genoemd, doch bij de Arabieren nimmer gebruikt — de bijzonderheid, dat deze cijfers, in ’t [35] juul zooals in ’t HS, voorkomen als ornamentfiguren in de versierselen van ’t Alhambra, ’t grootste gedenkstuk van Moorsche bouwkunst in Spanje, wordt op bl. 14 bij den Heer B.V. genoemd maar niet verklaard, evenmin als hetgeen door Dr. Ottema in diens verschillende brochures is verzameld. Dat alles wordt eenvoudig genegeerd.
Op bl. 15 wordt door de Heer B.V. medegedeeld dat de thans nog levende broeders o.d.L. het HS bij huns vaders leven niet hebben gezien. Die bewering is te dwaas om ernstig te worden beantwoord.
Het vorenstaande was reeds door mij geschreven toen ik nog eens de brieven nazag, die mijn vader aan Dr. Ottema heeft geschreven en door dezen aan mij werden afgestaan om bij het HS gedeponeerd te blijven. Mijn aandacht werd getroffen door een brief uit die verzameling, gedateerd 23 September 1871, waarin het berigt voorkomt, hoe het HS in mijns vaders bezit is gekomen. Zie Ottema, Kon. Akad. bl. 16—18. Dat berigt nu komt wat de feiten betreft geheel, en woordelijk bijna geheel overeen met hetgeen daaromtrent voorkomt in de opdragt van mijn vader aan zijn kleinzoon Cornelis, geschreven in 1873.
Is ’t nu, met redelijken grond wel aan te nemen dat hij, zooals op bl. 18 en 30 bij den Heer B.V. wordt vermeld, aan den Heer W. Over de Linden te Enkhuizen in 1872 en aan den Heer D. Dekker te Helder, mede in 1872, verhalen zoude geleverd hebben die afwijken van de overeenkomende geschreven verhalen van 1871 en 1873?
[36] Maar wat blijft er dan over van die tegenstrijdige opgaven, waarvan zoo’n partij wordt getrokken?
En als de genoemde personen, wier herinnering zich slechts behoeft uit te strekken tot 5 jaar geleden, blijkbaar door hun geheugen zijn bedrogen, mag men dan niet veel afdingen op ’t verhaal van den Heer Jb Munnik, die, 30 jaar geleden, over eene, hem toen geheel onbekende zaak heeft hooren spreken, later eenige bijzonderheden omtrent het O.L.B. enz. opving, nu de herinneringen daaraan met de vroegere verbindt en dienovereenkomstig eene verklaring aflegt. Zulk eene verklaring kan immers onmogelijk geldig wezen.
Betrekkelijk de vriendschap tusschen mijn vader en den Heer Stadermann teeken ik aan, dat die zich bepaald heeft tot den omgang als welwillende buren, hoogstens één jaar lang, in 1847. Na dien tijd is mijn vader verhuisd en hield de omgang geheel op. De verstrekte inlichtingen aan den Heer B.V. zijn in deze zaak geheel onjuist. Maar waar moet men dan heen met de gevolgtrekkingen?
Het kaartspelen met een ondergeschikte die daartoe gedwongen werd, is niet minder onjuist. Mijn vader was veel te vrijheidlievend dan dat hij op zulk eene wijze misbruik zoude maken van zijn standpunt. De bedoelde persoon heette ook niet Gevers, maar Marchand.
De meening dat het woordenboek, van Hettema een voldoend aantal woorden bevat, om met behulp daarvan de vertaling, zelfs de zamenstelling van het HS te bewerkstelligen, blijkt geheel onjuist. [37] Van den heer Ottema ontving ik zoodanig woordenboek in 2 exemplaren cadeau. Die boekdeelen waren doorschoten met wit papier, waarop Dr. Ottema de woorden heeft aangeteekend, die wel in ’t O.L.B., maar niet in die woordenboeken voorkomen. Wanneer die woorden in dat werk werden opgenomen, zoude de inhoud stellig met de helft vermeerderen.
Wat de overeenkomst betreft van een enkelen naam en eenige denkbeelden in ’t O.L.B. en in verschillende geschriften mijns vaders, deze is hier boven op bl. 27, mijns inziens, voldoende verklaard. Men vindt echter daarbij een groot bezwaar in vreemd klinkende naamsafleidingen.
Maar in welke oude kronijken, ja zelfs bij Grieksche en Latijnsche schrijvers, ontmoet men die niet. Even als alle beoordeelaars, die het O.L.B. niet kennen, ergert de Heer B.V. zich aan eene afleiding: Neptunus van Neef Teunis. Doch juist hierdoor verraadt hij zelf, dat hij het O.L.B. niet heeft gelezen, want als hij het geheele boek had door gelezen, dan had hij moeten opmerken, dat de naam Neptunus daarin nergens te vinden is. Evenmin zoude hij den naam Brama of Bram daarin ontmoet hebben.
Deze laatste mag in een der opstellen van C.o.d.L. ergens gebruikt zijn, en in het werk van Volney evenzeer voorkomen, doch dat kan het O.L.B. niet helpen.
Daarenboven komt in Volney niets voor dat afbreuk zou kunnen doen aan ’t O.L.B. Wanneer [38] Volney als beginsel der natuurlijke staatkunde stelt liberté, egalité et justice, dan is dat geene uitvinding van hem noch van den geest der Fransche revolutie, maar van het menschdom zelf. Overal waar de menschen begonnen zich te vereenigen tot eene maatschappelijke zamenleving, daar zijn zij uitgegaan van de begrippen, persoonlijke vrijheid, gelijkheid van regten en pligten, en gemeenschappelijk eigendom. Deze socialistisch, communistisch, democratische republiek staat aan het hoofd van de geschiedenis van het menschelijk geslacht. De voorstelling, die het O.L.B., in Frya’s tex, van den aanvang der geschiedenis van Frya’s volk geeft, is niets anders dan de beschrijving van een bestaanden toestand. En die voorstelling is zoo natuurlijk, eenvoudig en duidelijk, zoo practisch, dat zij naar het leven geschilderd moet zijn.
Het grootste bezwaar uit Volney getrokken is de geschiedenis van Buda. Maar die heeft immers bij Volney niet de minste gemeenschap met het geschrift van Dela Hellenia in ’t O.L.B. Bij Volney is de Buda sage reeds geheel onder den invloed van het Christendom. Let maar op de wonderdadige geboorte uit eene maagdelijke moeder en de imitatie van den Bethlehemschen kindermoord, enz. In ’t O.L.B. is dat geheel anders.
In ’t O.L.B. beteekent Buda: buidel, schat. Bij Volney: bestaan, wetenschap.
In ’t O.L.B. Krisen: herder. Bij Volney: de behouder.
Van Gautama weet het O.L.B. niet. De [39] naam klinkt anders friesch genoeg voor den Fryas Stjurar, den vriend van Buda.
Den naam Yes heeft Volney, uit traditions sacrées et réligieuses, als bijnaam van Buda.
Het O.L.B. geeft Jes-os op als den eersten en eigenlijken naam, Buda als bijnaam.
Zie verder de geschiedkundige aanteekeningen op ’t O.L.B. door Dr. J.G. Ottema op bl. 28 en v.v.
Verder is bij Volney de Chinesche naam Fot eene gewijzigde uitspraak van Bodd of Boudd.
Het O.L.B. acht [Fó] een scheldnaam valsch.
Welk een verschil reeds omtrent den naam! En wat blijft er dan over van de waarschijnlijkheid, dat ’t eene boek geraadpleegd zoude zijn bij de zamenstelling van ’t andere?
Nog één argument, uit de brochure van B.V., dat in de schatting van enkelen vrij wat te beduiden heeft, blijft mij over te ontzenuwen. Op de vraag n.l. van den Heer Berk aan mijne stiefmoeder: „Waarom heeft de Heer o.d.L. dat werk (geschrift over godsdienst) niet uitgegeven?” volgt de wedervraag: „Zou dat geen schade gedaan hebben aan ’t O.L.B.?” En de Heer Berk zoekt te vergeefs naar ’t verband. Omdat hij ’t niet terstond ontdekt, volgt onmiddelijk de gevolgtrekking: dit geschrift en ’t O.L.B. zijn van dezelfde hand afkomstig.
Een weinig nadenken zou tot andere uitkomst geleid hebben. Na de verschijning van de gedrukte vertaling vooral, doch ook reeds vóór dien tijd, [40] ontbrak het niet aan personen die van de echtheid van het HS niets wilden weten. Hunne overtuiging was niet aan ’t wankelen te brengen en zoo sterk ingeworteld, dat velen zoomin met het gedrukte als met het origineele stuk kennis wilden maken. Eigenlijk wisten ze er niet anders van, dan’t geen in een of ander couranten-artikel was medegedeeld door iemand die er niet veel meer van wist, doch lust en tijd had, zijne onderstellingen — dikwijls als feiten voorgesteld — aan ’t lezend publiek op te disschen, met of zonder bij-oogmerken. De kwestie omtrent de echtheid bestond dus niet alleen in April 1876, toen mijne stiefmoeder aan den Helder logeerde maar was toen al oud; zij bestond al voor de uitgave der vertaling. Nu spreekt het wel van zelf, dat de uitgave van geschriften, bewerkt als navolging van ’t O.L.B., door den bezitter van ’t HS, zeker nieuwe bezwaren, en aan de zaak van ’t O.L.B. schade veroorzaakt zoude hebben. Dat lag zóó voor de hand, dat de wedervraag noodwendig, zonder verwijt, op de vraag moest volgen. En hoe gegrond de vrees daarvoor was, bewijst de brochure van B.V., die, door de daarop gegronde verdachtmaking, den oppervlakkigen lezer kon overtuigen, minstens in twijfel brengen.
En hiermede vermeen ik de gronden, door den Heer B.V. aangevoerd voor de waarschijnlijkheid, dat mijn vader het Handschrift van ’t O.L.B. schreef, te hebben weerlegd.
Waar sommige van mijne argumenten geacht [41] mogten worden, niet krachtiger te zijn dan die van den Heer B.V., wil ik ze versterken door dien Heer de vragen ter beantwoording voor te leggen: Wanneer en waar kan mijn vader het Handschrift gemaakt hebben? Mag eene zooveel omvattende kennis, als noodig is om een handschrift als ’t onderwerpelijke, vooral wat het geschiedkundig en mythologisch bestanddeel aangaat, bij mijn vader verondersteld worden?
Dat op deze vragen geen voldoend antwoord gegeven kan worden zal ieder kunnen nagaan, als ik in hoofdtrekken opsom, waaraan mijn vader zijne vrije uren heeft besteed.
Als kind genoot hij geen degelijk lager onderwijs, dewijl hij gedurig moest verhuizen van de eene gemeente naar de andere. Op zijn 12de jaar verliet hij de school en werd leerling bij den scheepsbouw. Dat hij zich goed op zijn vak heeft toegelegd blijkt daaruit, dat hij zich op 19-jarigen leeftijd als baas-timmerman aan boord kon engageren, en na volbragte reis een loffelijk bewijs van bekwaamheid van den kapitein meebragt, waarna hij huwde, van Amsterdam naar den Helder vertrok en op ’s Rijks werf aldaaar, na afgelegde proef, op 22-jarigen leeftijd werd geplaatst als scheepstimmerman 1e klasse, hoezeer dat vak destijds 4 of 5 klassen bevatte. Van toen af legde hij zich toe op het aanleeren van datgene wat tot bevordering noodig was, als: voortgezet rekenen, beginselen van algebra, meetkunde, natuurkunde, werktuigkunde hand- en scheepsbouwkundig-teekenen, enz. Later [42] nam hij les in de Fransche taal en gaf daarvoor in ruil onderwijs in het regtlijnig teekenen. Vervolgens legde hij zich toe op ’t modellen maken van schepen; het daartoe vereischte gereedschap vervaardigde hij zelf. Van de modellen zijn er eenige op de modelkamer aan ’t departement van Marine, een daarvan is op de tentoonstelling der Jachtclub te Rotterdam bekroond. Andere modellen werden verkocht of weggeschonken. Die modellen waren niet van een klomp hout gemaakt, maar in alles opgebouwd als een groot schip. Het benoodigde koperwerk, de ankerkettingen, de ankers, enz. enz. vervaardigde hij zelf. Het touwwerk sloeg hij van zijde, en in afmeting evenredig aan het werkelijke touw. — Al die modellen werden nu wel niet in vrijen tijd gemaakt, maar toch een groot gedeelte er van.
Hoeveel tijd was daartoe wel niet noodig?
Tot ontspanning (maar met veel inspanning) leerde hij pianospelen. Uren achtereen kon hij met de grootst mogelijke volharding zitten studeren, om gedeelten uit opera’s van Mozart, Beethoven, Weigl, Auber, Boieldieu en andere toonkunstenaars aan te leeren. Deze stukken schreef, of liever teekende hij na, toen hij van piano-muziek nog niets afwist. Voeg hieraan toe dat hij zich later toelegde op de Engelsche en Duitsche talen, en tusschen alle opgenoemde bezigheden tijd vond tot lezen en om zijne kinderen te assisteren bij hun leeren; dat hij in ’t jaar 1848, dus op 37-jarigen leeftijd, in ’t bezit kwam van ’t oudfr. Handschrift en zich toen, [43] door een zeer verklaarbare zucht om den geheimen inhoud daarvan zelf te ontsluieren, met alle kracht, zonder leermeester, ging toeleggen op ’t aanleeren van de friesche taal, beginnende met het woordenboek van Hettema, en telkens verder sporende in werken van andere auteurs, die in het woordenboek staan vermeld, doch immer afstuitende op ’t bezwaar, dat geen van die werken was geschreven met het voor het HS gebezigde alphabet. Middelerwijl herschiep hij, nagenoeg zonder hulp van anderen, een dor, onvruchtbaar stuk grond, langzamerhand in goed aangelegden tuin, waartoe een groot deel der zomeravonden noodig was. Een ander deel der avonden was gewijd aan lectuur, aan pianospel, een uurtje kaartspelen, en het in geschrift brengen van zijne denkbeelden over onderwerpen zijn vak betreffende, of die met godsdienst, maatschappij of de natuur in betrekking staan. Nu was er bij dat alles geen sprake van ’t gebruik van eene gereserveerde kamer. Wat er van het opgenoemde binnenshuis moest geschieden, had plaats — zooals ik hiervoren reeds te kennen gaf — in de huiskamer, aan de huistafel, in ’t bijzijn van een talrijk gezin.
Wie na overweging van al het voorgaande, mij op aannemelijke gronden kan aanwijzen, wanneer en waar het reuzenwerk door mijn vader gemaakt zoude kunnen zijn, die zal mij kunnen overtuigen.
De Heer Beckering Vinckers overtuigde mij niet, en zoo hij ’t anderen aanvankelijk wel deed, dan [44] twijfel ik niet of deze zullen, na de lezing van hetgeen door mij in dit geschrijf daar tegen is aangevoerd, wel tot nadenken en tot andere inzigten gebragt worden.
Zamenvattende wat uit ’t voorgaande blijkt, dan verkrijgen wij:
- Dat er een handschrift bestaat in de oud-Friesche taal, in ’t bezit van de familie over de Linden.
- Dat wijlen Cornelis over de Linden dit, volgens zijne schriftelijke opgaven van 1871 en 1873, verkregen heeft, in ’t jaar 1848, van zijne tante Aafje over de Linden te Enkhuizen, die ’t hem gaf als een familieboek, reeds honderde jaren door de familie met zorg bewaard.
- Dat de daarmede strijdige verhalen, van andere personen, die hun in 1872, door wijlen Cornelis over de Linden mondeling zouden zijn medegedeeld, te onwaarschijnlijk zijn om geloofd te kunnen worden.
- Dat de Heer C.o.d.L. de toedragt van ’t overgaan van het HS in zijne handen, alzoo niet op zeer verschillende met elkaar strijdige en daardoor erg argwaanwekkende wijzen heeft verhaald.
- Dat de Heer C.o.d.L. niet geacht kan worden in ’t bezit te zijn geweest van de werken die voor de zamenstelling van een O.L.B. noodig zouden zijn, vooral niet wat het geschiedkundige en mythologische bestanddeel daarvan betreft.
- Dat hij evenmin geacht kan worden in ’t bezit [45] te zijn geweest van de daartoe vereischte zeer uitgebreide kennis.
- Dat taalfouten in geschriften steeds hetzelfde karakter hebben, altoos dezelfde afwijkingen vertoonen, en ’t dus niet aangaat om, op grond dat 2 stukken taalkundig dezelfde fouten bevatten, te bepalen dat die stukken van dezelfde hand afkomstig moeten zijn.
- Dat de door B.V. opgemerkte punten van overeenstemming in ’t O.L.B. en in de nagelaten geschriften van C.o.d.L. ’t gevolg zijn van navolging van ’t O.L.B.
- Dat het getuigenis van C. o.d. Lindens tweede vrouw en dat van den corrector Jansen, als zouden de nagelaten geschriften van C.o.d.L. meerendeels bestaan hebben vóór de uitgave van het O.L.B., niet worden geloochend. Doch van den inhoud van ’t O.L.B. was den bezitter iets bekend door de schriftelijke vertaling van den heer Dr. Ottema en door eene gedeeltelijke vertaling voor de vuist van den heer Dr. E. Verwijs, zoodat enkele denkbeelden daaruit in zijne voorhanden geschriften konden verwerkt worden.
- Door vergelijking van de letters van ’t HS met die der facsimilés van eenige pagina’s, blijkt duidelijk dat de letters van het HS niet door C.o.d.L. zijn geschreven.
- Ontegenzeggelijk is ’t dat C.o.d.L. sedert zijn eerste huwelijk, met onverdroten ijver heeft gewerkt; en daarmede wordt verklaard, wat uit de brochures van den Heer B.V. blijkt, dat zijne na[46] gedachtenis in eere, als die van een verstandig en hoogst bekwaam man, blijft voortleven. Doch daarmede is niet bewezen dat hij ’t O.L.B. in de snippers van zijne snipperuren heeft zamengesteld.
- Dat C.o.d.L. door traditie wist dat hij van een oud-Friesch geslacht afstamde.
- Dat hij niet in ’t verborgen heeft gewerkt en er geen gereserveerde kamer op nahield.
- Dat hij zijn opstellen aanvankelijk als werk van anderen, den corrector voorlegde ten einde onbewimpeld diens oordeel over den inhoud te leeren kennen. Daarmede bekend, gaf hij ze als eigen werk.
- Vóór het bezoek aan Dr. Ottema, kon C. o.d.L. enkele woorden en zinnen van het HS lezen, en daarvan maakte hij geen geheim. Doch eerst na de ontvangen inlichtingen van Dr. O. omtrent het alphabet van ’t HS was hij in staat een grooter gedeelte te ontcijferen.
- De heer Dr. Ottema geeft in zijne „geschiedkundige aanteekeningen op ’t O.L.B.”, bl. 28, uit verschillende werken zamengebragte, uitvoerige opgaven omtrent Jes-os. ’t Was dus niet noodig dat C.o.d.L. ook Volney als bron opgaf, gesteld dat hij daaraan gedacht heeft.
- Het jaartal van het boek „Ruinen” van Volney, is niet verborgen maar weggesleten. Bovendien was hetzelfde werk in ’t fransch, met een duidelijk 1837 als jaartal van uitgaaf, in de bibliotheek van C.o.d.L. aanwezig. Het wegmaken van ’t jaartal kon dus tot niets leiden. [47] Volney wijkt bovendien zooveel af van ’t O.L.B., zelfs in namen van personen en derzelver beteekenis, dat ’t eene boek onmogelijk als ’t uitvloeisel van ’t andere beschouwd kan worden.
- In de brochure van den Heer B.V. komen zeer veel onjuistheden voor in de mededeelingen, die den grondslag uitmaken van des Heeren B.Vs. betoog, dat de Heer C.o.d.L. geacht kan worden de schrijver van ’t O.L.B. te kunnen zijn.
- De Heer B.V. kan onmogelijk aanwijzen, wanneer en waar de Heer C.o.d.L. het HS heeft kunnen zamenstellen. Zijn betoog is van de grondslagen beroofd. Hij heeft dus niet bewezen dat de Heer C.o.d.L. het HS kon vervaardigen.
En zoo staan wij dan weer op hetzelfde standpunt van vroeger; want nu de Heer B.Vs. betoog schipbreuk heeft geleden, is ook de kwestie omtrent de echtheid van het Handschrift niet tot oplossing gebragt.
Doch al kon men aannemen, dat al de door den Heer B.V. aangevoerde argumenten waar en geldig waren, dan bewezen zij nog niets meer, dan dat C.o.d.L. misschien in staat geweest mogt zijn, om het O.L.B. te schrijven.
Maar zij bewezen nog geenzins het feit zelf, dat hij het Boek werkelijk geschreven heeft.
Met meer schijn van mogelijkheid vraagt Dr. A. Pannenborg te Aurich in de Gött. gel. Anzeigen (1874):
„Tauschen wir uns wenn wir dem Herrn Dr. Ottema zu Ehren annehmen, dass er selbst sich diese sonderbare Mystification erlaubt hat?”
[48] En toch is niets minder waar, dan dat Dr. Ottema dit gedaan heeft, of heeft kunnen doen.
Daarom is al wat de Heer B.V. gesteld heeft, wel beweerd, maar niet bewezen.
Helder, April 1877. — L.F. Over de Linden.